Verklaring op zielsniveau -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘verklaring op zielsniveau’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘verklaring op zielsniveau’.

Twee verklaringsniveaus

Jozef Rulof verklaart op een contactavond dat zijn meester Alcar de trilogie ‘Een Blik in het Hiernamaals’ geschreven heeft volgens het maatschappelijke denken:
Dat hebben wij u geleerd, maar meester Alcar – dat heb ik u meermalen verteld – heeft ‘Een Blik in het Hiernamaals’ geschreven volgens ons menselijke, stoffelijke, aardse, maatschappelijke denken en voelen.
Dus niet geestelijk nog, en ook niet ruimtelijk en ook niet goddelijk bezien, maar doodeenvoudig, menselijk gevolgd.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
De drie boeken van de trilogie ‘Een Blik in het Hiernamaals’ zijn gepubliceerd tussen 1933 en 1936.
Meester Alcar benadrukt in deze boeken het belang dat Jozef hem vragen stelt, zodat hij de verklaringen kan geven op het niveau van denken van Jozef zelf:
Is je ook dit duidelijk?
Dan nog dit: Vraag mij zo veel je wilt.
Jouw vraag, begrijp dit goed, is mijn verbinding.
Ik houd mij aan een vast plan en wijk daar niet van af.
Wanneer je nu gaarne iets zou willen weten, vraag het gerust, naar mijn krachten zal ik je antwoorden.
Hoe dieper jij ingesteld bent, hoe meer wijsheid in de geest het zal betekenen.
Je zult dus vragen naar je voelt, dan zal ik je antwoorden.
Vraag dus voor alle mensen op aarde, die het gaarne zouden willen, maar het niet kunnen, omdat zij deze gave niet bezitten.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
Eerst liet meester Alcar Jozef (die in de boeken dikwijls André wordt genoemd) de sferen in het hiernamaals zien.
Wanneer ze dan later aan het zielsniveau van de kosmologie beginnen, hoeven ze de sferen niet meer te volgen:
André heeft de sferen leren kennen.
Indien meester Alcar die wetten nog niet had gevolgd, dan hadden wij deze boeken nog moeten beleven, doch nu is dat niet meer nodig.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Zo hebben de meesters in ‘Een Blik in het Hiernamaals’ ook over ‘hellen’ gesproken, omdat de mens op aarde dit woord had gevormd.
Vele beelden die de mens over de hel heeft opgebouwd, beantwoorden echter niet aan de geestelijke werkelijkheid.
Er is geen hel waarin men eeuwig kan branden, maar er zijn wel duistere sferen die de mens opbouwt door disharmonisch handelen op aarde.
Op het zielsniveau van de kosmologie spreekt men niet meer over hellen, maar over een duistere geestelijke wereld, waarin de ziel leeft die nog op weg is om haar eigen licht te ontdekken en te laten stralen:
Dit zijn dan de vreselijke „hellen” waarover de Bijbel spreekt en de mens te aanvaarden heeft gekregen.
Ook wij, André, hebben over „hellen” gesproken, omdat wij het menselijk voelen en denken hebben gevolgd, doch de „Kosmologie” spreekt niet meer van hellen.
Die zijn er immers niet!
Maar de mens heeft zo’n hel verdicht, geschapen, ook al was er hierin duisternis en begreep de eerste mens zichzelf niet, toch was de ellende niet zo afschuwelijk als wij nu hebben te aanvaarden.
Wie heeft de mens zó geschapen?
Hij zélf!
Wie heeft de hellen geschapen?
De mens!
Wij hebben de levenswetten van de eerste mensen gevolgd en leren kennen.
Zie nu het verschil.
Tracht u één te maken met deze wereld en gij kent uw eigen ellende.
Dat zegt de sfeer, geeft ons de levenswet als een ruimte te beleven en hebben wij thans voor het huidige stadium te aanvaarden.
In deze wereld leeft ál de ellende bijeen, die de mens op Aarde bezit, doch thans als een astrale persoonlijkheid.
Die ellende is persoonlijk.
De mens, man en vrouw hebben zich vergeten.
Niets heeft de mens tegen kunnen houden, hij heeft zich uitgeleefd door het leven op Aarde.
Wat wij nu op Aarde als het kwaad hebben leren kennen, vinden wij in deze wereld terug.
Miljoenen mannen en vrouwen hebben afstemming op deze werelden, deze zeven overgangen als levenswetten, omdat zij zich op Aarde aan het leven van de ruimte hebben vergrepen.
In de boeken: „Een Blik in het Hiernamaals”, mijn broeder André, hebben wij ál de „hellen” ontleed.
Voor de Kosmologie stellen wij thans alléén de ruimtelijke wetten vast, want wij gaven het kind van Moeder Aarde een volledige ontleding van de sferen van de duisternis.
Dit is de wereld voor de ziel als mens.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
In het hiernamaals spreken de meesters telepathisch door hun geestelijke kracht, maar op aarde moeten ze zich van de aardse taal bedienen:
Wij gebruiken de aardse taal wel voor de aarde, omdat we ons daar op die manier verstaanbaar moeten maken, maar begrijp me goed, André, we gebruiken hier alleen onze geestelijke kracht, dus ook voor de taal.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De meesters hebben erover gewaakt dat het verklaringsniveau in harmonie bleef met de persoonlijkheid van Jozef:
Hierdoor werden er geen werelden over geslagen en bleef zijn persoonlijkheid in harmonie, ook al is hij meermalen bezweken.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Zo bouwden de meesters hun universiteit stap voor stap op:
Gij kunt nu aanvaarden, dat wij steen op steen hebben gelegd voor de „Universiteit van Christus”.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Door het beleven van een twintigtal boeken is het voelen en denken van Jozef klaar voor het zielsniveau:
Dat beseft hij nu beter dan vroeger wanneer hij in de straten wandelde en aan ‘Zij die terugkeerden uit de Dood’, ‘De Kringloop der Ziel’ ... en de andere boeken beleefde en onderging, de reizen maakte naar de hellen en de hemelen.
Nu is hem alles duidelijk.
En indien meester Alcar daaraan niet was begonnen dan had hij ook niet gereed kunnen zijn voor dit denken.
Lezingen Deel 3, 1952

Van genade en gave naar reïncarnatie

Op een contactavond vraagt een mevrouw aan Jozef hoe het zit met het woord genade dat ze gelezen heeft in zijn boeken.
Ze heeft inmiddels uit de boeken opgemaakt dat een aangeboren gave niets te maken heeft met het krijgen van genade, maar integendeel met wat de ziel zich in vorige levens heeft eigen gemaakt:
Iemand uit de zaal vraagt nu: „Er bestaat dus geen genade voor het ontvangen van goddelijke gaven?”
Jozef zegt: „Neen, moeder, dame, die bestaat voor niets!
Wij mensen moeten ons alles eigen maken.
Was u hier, toen wij het over de menselijke stem hadden?
Ja?
Dan begrijpt u het zeker.”
Dame: „Ik begrijp het nu en aanvaard het, omdat dit voor mij de enige rechtvaardigheid is, want anders kreeg de éne mens alles en de andere niets en dat kan God niet goedvinden.
Maar ik las het woord „genade” toch in uw boeken!”
Jozef zegt: „Dat is waar, daarin spreekt meester Alcar nog over genade, maar dat is gezien vanuit het menselijk denken.
Waar wij het nu over hebben, behoort reeds tot de kosmologie en nu moeten wij ál die gaven eerlijk en door ons bloed ervoor te geven, verdienen!”
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
Ook op een andere contactavond vraagt een toehoorder aan meester Zelanus waarom er in de boeken van de meesters over genade gesproken wordt, als er later toch verklaard wordt dat er geen genade bestaat voor het ontvangen van geestelijke gaven:
(Meneer in de zaal): ‘Maar al uw boeken spreken van genade; hoe verklaart u dit?’
Er bestaan geen genaden, dus ...
Meester Alcar heeft gezegd: ‘Dit is een genade’, maar toen zijn de boeken als mens (naar het menselijk denken toe) beschreven en beleefd.
Voelt u wel?
Dus u kunt ...
Noemt u dit wat André heeft ... hij schrijft, hij schildert, hij kan genezen, hij ziet, hij heeft zo’n tien, twaalf, veertien, vijftien, zestien, twintig gaven, noemt u ... – u hebt het reeds – dat zijn gaven, nietwaar?
Is toch zo?
Dat zijn gifts van Onze-Lieve-Heer?
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Meester Zelanus legt uit dat al de gaven van Jozef (André-Dectar) verdiend zijn, doordat hij in zijn vorige levens in onder meer het oude Egypte aan die innerlijke krachten heeft gewerkt.
Zo wordt in het boek ‘Tussen Leven en Dood’ het vorige leven van Jozef als een Egyptische tempelpriester beschreven.
Hierdoor kwamen de opgebouwde innerlijke krachten in het onderbewustzijn van Jozef terecht, zodat Jozef in zijn laatste leven op aarde gereed kon zijn om zijn voelen en denken te verruimen tot het zielsniveau van de kosmologie.
Zijn gaven zijn niet geschonken maar verdiend:
Die zijn verdiend.
Dus, in het oude Egypte ...
Lees ...
Daarom brachten wij ‘Tussen Leven en Dood’, ‘Een Blik in het Hiernamaals.’
Maar komen wij tot de kosmologie, dan zult gij álles moeten verdienen.
Dus André-Dectar, Jozef Rulof is gereed om dit te verkondigen, om dit te brengen.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Begrippen als ‘genade’ zijn in de boeken gebruikt voor de mens die denkt in termen van genade.
Het zielsniveau van de kosmologie is geleidelijk opgebouwd, zodat Jozef (André, Jeus) die ontwikkeling kon volgen:
Maar álles zult gij verdienen.
Maar wanneer gij dat in de boeken ontmoet, dan is het voor de mens die nog in dat genadeachtige bewuste of onbewuste leeft, geschreven.
Voelt u wel?
Dus aangepast aan het maatschappelijke, dogmatische, Bijbelse denken.
Want u voelt wel, meester Alcar, de meesters hadden niet onmiddellijk met kosmologie kunnen beginnen, dat had, die had André, zelfs als Jeus, niet kunnen begrijpen.
Dat is langzaamaan opgebouwd.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Begrippen als bijvoorbeeld ‘dagbewustzijn’ worden verondersteld gekend te zijn wanneer de meester aan het zielsniveau van de kosmologie begint:
‘Wij vertrekken van de aarde.
De aarde baadt in zonnelicht, doch wij stellen ons in op de geestelijke astrale wereld en nu wordt het duister, dus de zon verdwijnt.
U kent al die wetten nu omdat u de twintig boeken bezit.
U voelt wel, u moet twintig boeken kunnen en hebben gelezen, wilt u de kosmologie kunnen verwerken.
Want u moet nu weten wat wij allemaal zien en beleven en waarom wij kunnen zeggen: wij lossen op voor dagbewustzijn omdat wij de geestelijke werelden willen betreden.
Lezingen Deel 3, 1952

Van dood naar evolutie

De helft van het menselijke woordenboek kan niet meer gebruikt worden om de evolutie van de ziel te verklaren:
En dan eerst gaat u begrijpen hoeveel onnodige woorden die de mens moet leren ...
om bewust te worden voor de ruimte.
Dan kunt u de helft van uw woordenboek overboord gooien als u de schepping gaat zien.
Bijvoorbeeld: een dood is er niet meer, dat heet nu: evolutie, ik ga verder.
Verdergaan is de dood.
Wat voor narigheid heeft dat woord ‘dood’ niet op aarde?
‘Mijn moeder is dood!’
En wij zeggen: ‘Nee meneer, ze kreeg ‘vleugelen’, ze gaat verder, of naar de aarde terug.’
Moet u eens nagaan wat een verschil.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Op zielsniveau wordt de dood evolutie:
Leven en dood is er niet, evolutie, vader- en moederschap en wedergeboorte, evolutie.
Dat hebben de planeten, hebben wij, heeft al het leven.
De ruimte is zo doodeenvoudig, als je de goddelijke fundamenten maar kent, en de overgangen.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Om bij dit verklaringsniveau te komen, moeten de meesters het eerst over die zogenaamde dood hebben:
Maar dan is er geen dood, want nu wordt de dood evolutie.
Ik moet die naam, dat woord spreken om voor de mens op aarde de vergelijking te kunnen maken, zodat de mens dit voelt en begrijpt.
Er ís geen dood.
Neen, dat is het verdergaan om te evolueren.
Lezingen Deel 3, 1952
Bij het schrijven van de boeken van Jozef Rulof was het de kunst om het juiste woord te vinden:
Maar u voelt wel, om deze boeken al te schrijven is al een ongelofelijke moeilijkheid om het juiste woord te vinden.
Maar daar zijn de meesters kunstenaars in.
Kunstenaars.
En het woordenboek van ons zal heus wel veranderen, dame, naarmate de mens meer bewustzijn krijgt, dan heet dat woord ‘sterven’ ... dat is duidelijk, nietwaar?
Maar, mevrouw, dat is niet duidelijk voor de massa en de wereld.
Want het sterven bestaat er niet eens.
Er is ook geen doodgaan – die dood gaan – en doodslaan, ‘Ja’, zeggen ze, ‘ik heb een mens vermoord’, maar straks kunt u al geen mens meer vermoorden.
Al die woorden die gaan uit ons woordenboek vandaan.
En dan krijgt u het geestelijke woord én de betekenis.
Wij hebben zoveel woorden in ons woordenboek hier die niets en die valse betekenissen bezitten.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Op zielsniveau kan de helft van het menselijke woordenboek losgelaten worden:
Sterven.
En als u dan op de kosmische weg komt, dat wil zeggen, als u nu met kosmische wetten en wetenschap te maken krijgt, dan kunt u de helft van dat woordenboek, dat uitbeeldt: geestelijke wetenschap, psychologie ...
Dan is de geleerde er glad naast.
En dan zegt hij wel: ‘Dat is dit’, maar dat is het niet.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952

De kosmologie

De meesters hebben zich dikwijls uitgedrukt met behulp van een maatschappelijk woordgebruik omdat ze op dat moment het zielsniveau van de kosmologie nog niet konden gebruiken:
„Ik heb mij toen zo uitgedrukt, omdat ik u de „Kosmologie” nog niet verklaren kon en dat hebben wij nu te aanvaarden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 5, 1944
Vele boeken zijn bewust uit het zielsniveau van de kosmologie gehouden, om de lezer niet te snel met te veel nieuwe begrippen in aanraking te brengen:
Meester Zelanus zegt: ‘Daar heb ik niet over geschreven want dan breng ik de mens in te veel wetten.’
Kijk, ze hebben die boeken in die tijd, hebben ze ook pertinent uit de kosmos vandaan gehouden.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Er zijn 20 voorbereidende boeken geschreven om aan de ‘Kosmologie’ te kunnen beginnen:
De meesters hebben door 20 boeken u eerst ingewijd, voordat gij aan de „Kosmologie” kunt beginnen.
Máár, de „Universiteit van Christus” geeft antwoord op al deze vragen en verklaart de levensgraden en levenswetten voor de mens, het dier en Moeder Natuur.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 2, 1944

Nieuwe begrippen om het zielsniveau te beschrijven

Het kosmische zielsniveau krijgt heel andere woorden:
Menselijke gedachten hebben een ruimte opgebouwd.
De maatschappij is ontstaan door úw denken en voelen, maar niet door de Albron.
U hebt aan de zon, u hebt aan de scheppende kracht voor de ruimte, hebt u een naam gegeven en die heet voor u ‘zon’? En dat is een ‘zij’?!
En u hebt de Eerste Kosmische Graad hebt u gedoopt in ‘maan’, maar dat is de eerste graad van evolutie voor de goddelijke openbaringen, die wij als mens in handen hebben gekregen.
Mars is de Tweede Kosmische Graad en de aarde is de Derde voor dit universum, het allerhoogste bewustzijn voor de macrokosmos waartoe gij behoort.
En nu heet het: Jupiter, Saturnus ...
Wat zijn dit voor namen, wat hebben die namen te betekenen?
Lezingen Deel 1, 1950
Om alles op zielsniveau te beschrijven zijn er veel meer boeken over de kosmologie nodig, maar daar hebben de meesters binnen de levenstijd van Jozef Rulof geen tijd voor, dat komt straks rechtstreeks vanuit het hiernamaals naar de aarde via een technisch apparaat:
Ik heb u verklaard, en dat leest u in ‘Het Ontstaan van het Heelal’ en aanstonds in de twintigste, dertigste, veertigste, vijftigste, de honderdduizend boeken over de kosmologie, die wij nog zouden schrijven – hebben we natuurlijk geen tijd voor – dat komt vanuit en van achter de kist tot stand.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950

Het Ontstaan van het Heelal

‘De Kosmologie van Jozef Rulof’ gaat veel dieper dan het boek ‘Het Ontstaan van het Heelal’.
In de kosmologie beschrijven de meesters de Albron als de bron waar al het leven in de kosmos uit geboren is:
Door onze reizen die we hebben gemaakt in het heelal beleefden wij de eerste geestelijke en de stoffelijke wetten voor de kosmologie.
Thans gaan we dieper.
We gaan nu tot de Albron terug.
En dat alles is voor de Universiteit van Christus.
Lezingen Deel 3, 1952
De mens heeft zijn eigen menselijke gedachten in de mond van Christus geprojecteerd.
Dat Bijbelse denken is opgenomen in ‘Het Ontstaan van het Heelal’:
(Meneer in de zaal): ‘In ‘Het Ontstaan van het Heelal’ daar staat ...’
Spreek een beetje harder, dan kan die microfoon u daar horen.
(Meneer in de zaal): ‘ ...uitgelegd hoe op Golgotha, waar Christus zei: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’
Ja.
‘Ik begrijp de uitleg niet die daar staat.’
Meneer, die deugt ook niet.
Die hebben wij behandeld, meester Alcar heeft die behandeld, die vraag is hier al twintigmaal gesteld.
Meester Alcar liet mij de eerste negen boeken allemaal menselijk beleven, als het op denken kwam van de mens.
Golgotha: ‘Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?’
Dat heeft Christus daar nooit gezegd want Hij wás God.
Als wij al kunnen aanvaarden: God verlaat ons niet, ik ben het zélf.
Als ik goed doe, harmonisch ben, ga ik evoluerend verder.
En die goddelijke Persoonlijkheid daar in Jeruzalem aan het kruis, Die zei nog: ‘Mijn God, Mijn God, hebt Gij Mij verlaten’?!
Hij komt vanuit het Al en Hij heeft God niet gezien, Hij wist dat niet?!
Is dat niet echt menselijk gezegd, wat daar over die goddelijke lippen kwam?
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Als goddelijke persoonlijkheid kende Christus geen ‘verlaten’ meer.
Dit menselijke denken komt niet met de werkelijkheid overeen:
En dan weet u ook dat Christus op Golgotha niet heeft gesmeekt: Mijn Vader, hebt Gij Mij verlaten?
Dat bestáát niet!
Dat is een onwaarheid!
Lezingen Deel 1, 1950

Voorbij de rassen

De kosmologie is de eigenlijke kern van wat de meesters gebracht hebben, de andere boeken zijn alleen voorbereidingen om deze kern heen:
Maar dat zijn zo de romannetjes om de eigenlijke kern heen.
Want wanneer we aan de kosmologie beginnen, dan beginnen we eerst: de Alziel, de Almoeder, het Allicht, het Alleven, de Algeest, de Alpersoonlijkheid, het Alvader- en -moederschap te ontleden, de Alwetten, de elementale wetten.
En dan gaan we langzaamaan door.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Een woord als ‘ras’ is door de mens bedacht:
Elk woord uit uw woordenboek, houd er rekening mee, is niet door God opgebouwd.
Want elk woord kan een wet betekenen.
Maar gij hebt die woorden bedacht, de mens.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Om een woord op zielsniveau te verklaren, zijn hele boeken nodig:
Allemaal boeken; elk woord is een boek nu, om u die wetten te verklaren.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951

Van mens naar Alziel

Het zielsniveau overstijgt het stoffelijke denken en richt zich op onze kosmische ziel als uitdijende Albron:
Maar nu gaan we naar de kosmologie.
Goddelijke wetten spreken er nu.
U maakt u vrij van het stoffelijke denken en u gaat regelrecht met ons naar de Albron.
En dan, wanneer we dit vanmorgen beleven – ik moet zo nu en dan stil blijven staan – dan krijgen we daarna God als licht, God als ziel, God als geest, vader-, moederschap.
En uitdijend zult ge dat beleven.
Lezingen Deel 3, 1952

Van woorden naar werkelijkheid en waarheid

Jozef Rulof verklaart aan een dame op een contactavond dat de meesters nieuwe woorden hebben gebruikt om de werkelijkheid van onze kosmische ziel te kunnen uitbeelden.
Met die nieuwe woorden kunnen ze elk verschijnsel verklaren op één bladzijde, maar dan zou niemand die bladzijde begrijpen zonder de sleutel van het zielsniveau:
En als u dát beeld ziet, dame, dan voelt u wel, dan krijgt de mensheid nieuwe woordjes.
Als wij een stuk zouden schrijven en we hebben het geestelijk ontleed – u kunt het niet aards, stoffelijk, maatschappelijk ontleden door dit woordenboek – maar dan begrijpen ze er niets van, want ze hebben van die stelsels nog niet gehoord.
Verleden stond er iets in de krant en dat ging over de paling.
Niemand weet waarom de paling naar de Noordzee gaat, naar de zeeën.
Ik heb dat die man geschreven, ik zeg: ‘Meneer, in één pagina verklaar ik u het universum.’
Dit is een universum voor de paling.
Of ze dat nemen; ik weet het niet.
Mevrouw, dit is een geestelijk-wetenschappelijke openbaring die ik de mensen geef, want het is doodeenvoudig als u die wetten kent.
Maar nu heet die zee niet ‘zee’ meer, maar nu is die zee een baringsruimte.
Zoals u als moeder de baringsorganen bezit als baarmoeder, dat is voor de zee de baringsruimte, en die is volkomen te ontleden, maar dat kost een boek van vijfhonderd pagina’s; en het is in één pagina te vertellen.
Daar begrijpen ze geen snars van.
Waarom niet?
Omdat er niet één geleerde onder de ganse mensheid iets van weet.
Hij kent de zee niet, hij kent de ziel niet, de geest niet, en hij kent geen eigen zelfstandigheid voor elk insectje; en dan de zelfstandigheid voor de zeeën.
Voelt u de machtige diepte waarvoor die mensen staan, en dat je die diepte, heus niet door stoffelijke woorden kunt ontleden?
Daar is geestelijke ruimte voor nodig.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952