Pilatus -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Pilatus’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Pilatus’.

Hij waste zijn handen in onschuld

Pilatus vertegenwoordigt het bedrog in de maatschappij:
Wanneer we aanstonds voor Pilatus staan, dan stort uw menselijke maatschappij in, ook die van Pilatus.
Het hogere kind, het hogere voelen en denken als moeder, de vrouw van Pilatus (zegt): ‘Vergrijp je niet aan dit Leven, ik heb een machtig visioen gezien.’
Nog komt er vanuit dit leven, dit mooie gevoel, dit moederlijke gezag, een brief, een letter, een woord.
Zoals de apostelen dat voor hun vrouwen hebben gekund, krijgt hier wie met de Christus in aanraking komt, krijgt een boodschap.
Ook Pilatus wordt nog gewaarschuwd: vergrijp u niet aan dit Leven.
‘Man, vergrijp u niet, ik heb een machtig visioen gezien.’
Maar dit ongelukkige, aardse denkende kind wast zijn handen in onschuld en zegt: ‘Ik wil met modder en met goedheid niet te maken hebben.’
Hij wast zichzelf in onschuld; hij had deel moeten nemen aan dit gezag!
Híj die het hoogste voor dat ogenblik vertegenwoordigt, die zegt: ‘Ja, ik ben zover.’
Anders houdt uw mond, vergrijp u dan niet aan stoffelijke taken.
Hij zegt: ‘Ik wil er niet mee te maken hebben’, maar hij wil wél het gewaad.
Ja, hij gaat aanstonds met links het zwaard en rechts het kruis Golgotha op en wil de Albron vertegenwoordigen ...
Bedrog, Pilatus!
‘Ja’, zegt het andere kind van de ruimte, van Moeder Aarde, ‘ik ga met u, Petrus en Johannes, ik ga met u door de modder en het slijk.
Ik ben niet bang om mijn leven te verliezen.’
Maar wanneer er een neveltje komt, dan rent men weg, want men denkt dat de brandstapel in aantocht is.
Het verraad van Jeruzalem, de afbraak en de vernietiging die wij in Jeruzalem beleven en te aanvaarden hebben, die zal ik u aanstonds door de volgende zittingen laten zien.
En dan plaats ik u voor Pilatus, voor Gethsemane.
Lezingen Deel 1, 1950

Zijn reïncarnaties

Meester Zelanus beschreef ook de volgende levens van Pilatus:
Toen Pilatus na zijn dood in de wereld van het onbewuste binnentrad en daarna op Aarde een nieuw kleed (lichaam) ontving, was er maar één verlangen in hem, hij wilde meer weten van het leven van Christus.
Het geloof in God stuwde hem voort, deze bezieling drijft hem zijn leven aan Hem te wijden.
Het machtige gebeuren had hem opgenomen.
Ook zijn leven is als een hel op Aarde, ook hij zoekt en droomt op een verschrikkelijke wijze.
Maar aldoor volgt hij Christus.
Als kind voelt hij voor de kerk en hij wordt priester.
In het oerwoud trekt hij zich terug en werkt hij, leven na leven geeft hij zich voor Christus.
Hij werkt zich in die levens omhoog, doch weet van zijn verleden niets af, de brand in hem geeft hem geen rust.
Deze drijft hem voort en doven kan hij hem niet.
Eens zal ook hij zijn verleden zien en de rol, welke hij speelde in het Golgotha-drama – om dan te beseffen, waarom hij zich telkens opnieuw voor Christus wil inzetten.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941
In de Tweede Wereldoorlog werd Pilatus vervolgd als bisschop:
Op dit ogenblik leeft Pilatus in Duitsland, hij is er bisschop.
Hij maakte zijn fouten goed en heeft Christus innig liefgekregen.
Pilatus is voor God ontwaakt.
Hij predikt over Jeruzalem en over zichzelf als Pilatus.
Nog kan hij niet voelen, dat hij Pilatus is, maar zijn woorden vertolken zijn verleden.
Nu leeft Pilatus in het Duitse rijk en wordt hij vervolgd.
Door wie?
Straks zal u dit duidelijk worden.
De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien, 1941

De twijfel

Meester Zelanus hield in 1950 een lezing met als titel:
U krijgt vanmorgen ‘De Pilatus in de mens’.
Lezingen Deel 1, 1950
Hij volgt de duizenden gedachten die afstemming hebben op het Pilatusbewustzijn:
We hebben duizenden gedachten in ons en elke gedachte – dat weten díé daar en dat weet men in de ruimte – heeft afstemming op het Pilatusbewustzijn.
En dat is niet anders dan een diepe afgrond, een kuil waarin u zinkt.
En dat kuiltje - die afgrond - dat is onmetelijk diep; dat heet twijfel.
Lezingen Deel 1, 1950
Het gaat om momenten die aan ons vragen wie we zijn:
Ja, gij hebt wel over die Pilatus gelezen, toen hij daar stond en de Christus voor zich kreeg.
Dat zijn de momenten dat gij zult bewijzen wie u eigenlijk zijt.
Lezingen Deel 1, 1950
Toen Pilatus moest oordelen, waarschuwde zijn vrouw hem dat ze gedroomd had dat ze zich niet mochten vergrijpen aan het leven van Christus:
Toen het Goddelijke Bewustzijn op aarde stond en Zijn taak, Zijn heilig evangelie aan de mensen zou willen brengen, toen stond Hij onmiddellijk voor de twijfel ... voor de twijfel.
De mens Pilatus, omhangen met een mooi wit laken, een machtig gewaad, wíst het niet.
Zijn ziel daar, die de dromen kreeg vanuit de ruimte en weer voor het hogere openstaat, zei: ‘Vergrijp u niet aan dat leven.
O, mijn geliefde, vergrijp u niet!
Mijn innerlijk heeft mij vannacht gewaarschuwd, vergrijp u niet aan deze hogere gedachten en die krachten, want gij zult u voor eeuwig, eeuwig, eeuwig mismaken!’
Lezingen Deel 1, 1950
Pilatus had de moord op Christus moeten tegenhouden:
Ik bracht u nu naar de sferen van licht.
Wij kwamen door Gethsemane, wij gingen naar Pilatus en stonden daar en kon Pilatus zeggen: ‘Ik was mijn handen in onschuld.’
Reeds een machtige, ontzagwekkende zwakte, een fout die hem, die hem verplettert indien het komt naar de ruimte.
Pilatus had moeten bewijzen: ik wíl niet, indien ik de rechtvaardigheid, de goddelijke liefde, de harmonie heb vastgesteld, wil ik niet dat er in mijn nabijheid wordt gemoord!
En nu moet u eens kijken hoe Jeruzalem in die tijd moordde, alleen reeds door gedachten, alleen reeds om zichzelf te beschermen.
Lezingen Deel 2, 1951
Allen die iets voor de mensheid hebben gedaan, moesten het gevecht met de Pilatus in zichzelf leveren:
Socrates, Plato, Aristoteles, Pythagoras, het oude Egypte, China, Japan, Brits-Indië, Tibet, allen zaten vast aan de Pilatus.
Allen hebben, elke priester heeft zichzelf duizendmaal moeten verliezen om die Pilatus z’n hals om te draaien.
Want de twijfel maakte hem volkomen, voor elke gedachte, ruimtelijk, moederlijk, vaderlijk kapot!!
Twee uitroeptekens.
Volkomen kapot!
Lezingen Deel 1, 1950
Ze wisten dat hun missie hun stoffelijke vernietiging kon betekenen:
Er zijn mensen geweest – en die leven er nog – die gingen denken dóór de stilte, de harmonie, de meditatie van de Christus, dóór Gethsemane.
En ze wisten: wanneer ik met deze ruimtelijke gedachten tot de mens kom, dan zal die mens die dat niet begrijpt mij aanvallen en desnoods vernietigen.
Maar wanneer ik dan maar vijfentwintig woorden heb kunnen spreken, dat er een God is van liefde, dan ben ik gereed en is mijn taak voorbij.
Die mensen hebben allemaal Gethsemane beleefd, ze hebben de Pilatus in zichzelf leren kennen.
Lezingen Deel 1, 1950
Ook de apostel Petrus heeft de twijfel moeten overwinnen:
Nu zit ge daar, nu staat ge daar.
Ge kunt, ge moet een bevel voeren, ge moet het antwoord geven voor uzelf, voor uw koek, uw brood dat u hebt gebakken, het smaakt.
Maar we gaan hoger!
Aanstonds staat ge – wát koning en keizer? hebben wij u geleerd – aanstonds staat ge om over een volk te regeren.
En nu moet u eens kijken hoe daar handen worden gewassen.
Twijfels?
Puh, die ziet u niet.
Ik twijfel?
Een fijne persoonlijkheid die zegt: ‘Ik eh, ik heb er niet mee te maken, dat is heus mijn werk niet!’
Pfoeh!
In Gethsemane wordt u weggeblazen door een klein, nietig addertje, omdat dat addertje tot uw karakters behoort.
En die ene die trekt er duizenden aan, het wordt een spook dat zegt: ‘Ga eruit hier, huichelaar!
Wat wilt ge, de levensbodem van de Messias beleven hier?
Uw waanzin vertolken?’
‘Daar heb ik niet mee uit te staan’?
Gij zíjt het!
En zo zijn er miljoenen mensen voor uw ogen afgeslacht.
Het bewuste bedrog, de afbraak die ligt daar vóór u.
Maar ga eens hoger, kom eens hoger naar de ijlere, ijlere rechtvaardigheid.
Ja, dan weet u het ook niet meer en dan valt u de mensen aan en dan is licht duister voor u, dan is de liefde een mismaking.
Hard?
Ja, nu staat ge voor de strengheid, de hardheid van de geestelijke wet, waarvoor de Messias stierf.
En dat heeft Petrus ook mee moeten maken, want toen hing hij ondersteboven aan een ladder en hebben ze hem geslacht als een varken.
Toen stroomde zijn bloed weg, maar hij vond het goed.
Nu was er geen twijfel meer.
Nee, want die heeft hij in zich gekild!
Die hummel van een Petrus, die daar onder de mensen liep, Gethsemane heeft hij beleefd.
Hij komt uit het hof van Gethsemane, hij komt uit de ruimte ...
Dáár ligt de goddelijke bron en hij gelooft het niet, hij valt in slaap en zegt: ‘Ik heb die Mens niet gezien.’
Heel eenvoudig, gemakkelijk, Petrus, men had u van de wereld moeten blazen!
Ja, scheld eens op Petrus?!
Nu wordt er nog gezegd: ‘De grootste stommiteit die ik heb begaan, was dat ik díé man volgde.
Dat is een eeuwigdurende stommiteit.’
Nee, daar komt u nooit meer van af, totdat gij de Pilatus uit uw ribben haalt, onder uw hart vandaan trekt en eindelijk gaat aanvaarden, eindelijk durft te zeggen: ‘Ja, dat ís het, nu weet ik het.’
Maar dat kan ik u niet geven, dat kon u de Christus niet geven.
Hij stond hier en ze námen Hem niet.
Zelfs Petrus, die dag in dag uit met Hem door de weilanden ging, door de straten ...
Judas!
‘Ik ken die Mens niet, ik heb die Mens nog nooit gezien.’
Ja, bent u ver van Petrus weg?
Hebt u niets meer van Pilatus, twijfelt u aan niets meer?
Hebt u zo’n zegenende, uitdijende rechtvaardigheidsinvloed in u, dat de vogelen van de ruimte u achtervolgen en niets anders doen dan voor uw leven te tjilpen?
Beleeft ge reeds van die wonderen?
Lezingen Deel 1, 1950
De maatschappij is nog boordevol verloochening:
Neem de maatschappij in uw handen en draai die maatschappij zijn dierlijke nek om indien dat beest aan uw leven knabbelt en van u eist: ‘Ga met mij mee, want gij zijt er één van mij.’
En durf dan ervoor uit te komen en te zeggen: ‘Jazeker, dat had u altijd gedacht, nietwaar?
Maar voor mij kraait er geen haan meer.
Ik ben geen Petrus en ik ben geen Caiphas meer.
De Petrus in mij, de twijfelaar, de verloochenaar heb ik gedood.
Lezingen Deel 3, 1952
Twijfel kan elke vitaliteit smoren:
De Pilatus in de mens – dat zullen we aanstonds zien – die sloeg het Allerheiligste daar, boven op Golgotha, aan een kruis en liet Hem leegbloeden.
De Pilatus ondermijnt élke goede gedachte.
De Pilatus in u – dat hebben wij verleden in Gethsemane beleefd – die smoort elke vitaliteit, die zaagt bewust het leven doormidden.
Die zuigt leeg wat door God, de Albron, een ruimtelijke eenheid gaf, een stabiliteit, een vermogen om te denken en te voelen naarmate Hij Zijn dingen heeft geschapen, licht gaf, een steun, een fundament.
Lezingen Deel 1, 1950
Pilatus wilde zijn verantwoordelijkheid niet nemen:
U staat elk ogenblik in deze maatschappij voor die Pilatussen – maar we zijn het zelf!
De mens zegt iets, de mens doet iets; om zichzelf maar te beschermen verraadt hij zijn zuster, zijn moeder, zijn broeder, zijn vader.
Hij kan die laatste vijf procent niet verstoffelijken, het komt niet over zijn lippen, want hier weigert er iets.
Die persoonlijkheid is angstig, is geknakt.
Ja ... en dan komt het levenswater erbij te pas.
U kunt dat oordeel uitspreken, makkelijk, eenvoudig.
Zend het maar op een ander zijn dak, op een ander zijn huis, leg het maar op een ander zijn schouder, ú bent vrij!
Maar u bent geen cent, u bent níéts waard voor de God van al het leven, u hebt zichzelf hierdoor voor duizenden dingen gekist!
Lezingen Deel 1, 1950
Wie zich uit luiheid laat dragen door de maatschappij, loopt niet zelf:
Moet u gedragen worden, heel uw leven lang?
Dan bent u ook de armoedige, de gedragen persoonlijkheid.
Maar wij laten ons niet dragen.
Dat heeft God in niets gekund en in niets gedaan, wij gaan altijd zélf.
Wij willen het leed en de smart van de mens in ons opnemen.
Ik wil die pijnen ondergaan, want zíj is nog niet gereed.
En dan ben ik moeder, dan ben ik vader; was Christus ook.
Dat was Petrus niet, alleen Johannes had er vijf procent van.
Lezingen Deel 1, 1950
Pilatus staat daar, hij is de vertegenwoordiger, de vertegenwoordigende persoonlijkheid voor de menselijke maatschappij, hij vertegenwoordigt een massa.
Het gevaar van zijn leven voelt hij niet.
Want elk ogenblik kan de lichtende persoonlijkheid u tegemoet treden en dan hebt u maar te denken!
Dan hebt u te denken voor de ruimte, voor Onze-Lieve-Heer, voor God, voor de Albron, voor miljoenen eigenschappen.
Lezingen Deel 1, 1950

Onze Albron

Het is een groot verschil of we ons vergelijken met het zwakke kind Pilatus of met de Messias:
En nu staan wij even voor dit zwakke kind en vergelijken onszelf met de Messias, het hoogste Bewustzijn voor deze ruimte.
En nu wordt het gevaarlijk, nu wordt het angstwekkend.
Ik zei u, de maatschappij kent dat niet, voor de maatschappij een twijfelend gevoel te bezitten, zegt niets.
Niemand, niemand zal u storen, niemand zal u iets zeggen.
U twijfelt ... waarom?
U twijfelt aan alles, maar twijfel nu eens aan uw ziel, aan uw goddelijke afstemming en u hebt niets meer!
Lezingen Deel 1, 1950
In eerste instantie kan de twijfel een signaalfunctie vervullen:
De twijfel is soms goed, omdat u door de twijfel de afbraak kunt aanschouwen.
Lezingen Deel 1, 1950
Maar als we blijven twijfelen, kunnen we geen hogere gevoelens en gedachten opbouwen:
We hebben gezien dat we elke gedachte, elk gevoel moesten terugvoeren naar de harmonie, waardoor alles is ontstaan, en zoals de Albron dat heeft gekund.
De mens heeft voor zichzelf werelden opgebouwd en dat kon niet door twijfel geschieden, daarvoor had hij alles van zichzelf in te zetten.
Lezingen Deel 1, 1950
Elke gedachte kan door analyse in harmonie gebracht worden met hoe de dingen zijn ontstaan:
De mens kijkt naar het allerhoogste en vraagt altijd maar weer: ik wil dit, ik wil dat, ik wil zus bezitten.
Maar de goddelijke metafysica dwingt u om élke gedachte te analyseren en te controleren en naar de harmonie te voeren, zoals de dingen zijn ontstaan.
Lezingen Deel 1, 1950
Een duurzame opbouw van onze geestelijke persoonlijkheid vereist vastberadenheid:
Wanneer u een bloem, een zaadje in de grond stopt en u haalt het er over tien minuten, een kwartier weer uit, u kijkt telkens weer, dan smoort u dat bewustzijn, dat verrot.
En zo gaat het met uw eigen persoonlijkheid ook.
In Gethsemane hebben we gezien dat we zó moeten denken, altijd maar weer naar die liefde, naar die harmonie.
Lezingen Deel 1, 1950
Na Pilatus komt Caiphas:
Na het getwijfel staat er een andere waarachtigheid voor u.
Dan staat het pak slaag voor uw leven, want door Pilatus komen wij tot het brute geweld.
En nu wordt het erger, van het een naar het ander, maar afdalend, naar de duisternis toe.
Hoe handelt gij, hoe zult ge doen wanneer het verkeerde woord nu eens tot u komt?
Lezingen Deel 1, 1950
Door de levenswaarheid kunnen we bepalen hoe te handelen:
U kunt door de boeken, door de levenswaarheid van Gene Zijde, van de meesters, kunt u nu bepalen hoe gij hebt te handelen wanneer er voor uw leven iets wordt gezegd dat u ’t bloed kost.
Wanneer men weet, wanneer u gaat voelen: het gaat om mezélf – nou, wat kan er gebeuren, als u weet dat ge God vertegenwoordigt in álles en dat door u de maatschappij leeft?!
Alles leeft er door u, want gij zijt werkelijke afstemming van de Albron, die alles bezit en dat is licht, leven en liefde.
Dat zijn elementale wetten, dat zijn zonnen, sterren en planeten, geestelijke, astrale werelden, dat is ziel, geest en persoonlijkheid.
En van dat laatste ... die laatste gedachte, dat gevoel dat handelt, dat voelt, zij is bewust zeker of zij heeft niets te betekenen, zij verliest zich in alles, elk ogenblik.
Lezingen Deel 1, 1950
Wat ik u hier, vanuit deze bron, kan schenken, is: hoe moet ge waken voor uzelf?
Dat hebben we nu geleerd.
Wij kwamen door die machtige ruimte naar de aarde terug, we hebben het Al gezien en nu staan we voor de menselijke karaktereigenschappen.
Duizenden dingen stormen er op ons af: vriendschap, waarheid, welwillendheid, rust, vrede ...
Ja, wat zijn dat voor dingen?
Hoe gaan we nu ... hoe moeten we nu leren denken?
Lezingen Deel 1, 1950
Wanneer de mens zegt, wanneer de mens de Bijbel aanhaalt ...
Ik zeg u: de maatschappij is niet zo ernstig, dat is heel eenvoudig.
U kunt dag en nacht doordenken, het is allemaal ruw en bruut en afbrekend, mismakend; maar wanneer de ziel gaat spreken, wordt het moeilijk en gevaarlijk.
De gevaarlijkheid dat u zichzelf zult verliezen, het gevaar is nu dat u uw godheid verloochent; en dat hebben er miljoenen gekund.
Ik wil u duidelijk maken dat elke gedachte, waarvoor ge ook staat – een vreemd iemand – dan staat ge voor het deel van uzelf dat u zult voeden en eens het licht zult schenken.
Het wordt daardoor zo gevaarlijk en zo moeilijk, omdat u naarmate – dat heb ik u duidelijk gemaakt op een morgen, daar staan we nu voor – omdat u als u eenmaal het licht krijgt, als u eenmaal de sferen die door harmonie, door rechtvaardigheid zijn opgebouwd, wanneer u dat eenmaal in handen hebt, dan gaat ge Gethsemane voelen, ge gaat Gethsemane uit.
Ge kijkt die Pilatus niet eens meer aan, die heeft niets te betekenen.
U hebt met twijfel en met afbraak niets meer te maken, u gaat regelrecht naar Golgotha.
Lezingen Deel 1, 1950
Hoe meer we de verbinding met het leven gaan voelen, hoe moeilijker het wordt:
Maar nu gaat ge voelen dat ge elke verkeerde gedachte in u opneemt en een marteling voor uw leven is, want uw bloed, uw leven daar, steekt u, slaat u.
En dat leven is van u!
U gaat in de sferen van licht begrijpen dat ge het leed, de smarten van deze mensheid – ál die miljoenen kinderen – moet gaan dragen, gaan vertegenwoordigen, want ze maken deel uit van uw voetstap.
Als die miljoenen mensen wandelend voortgaan en zij gaan naar beneden, dan is dit de afbraak, de stilstand voor uzelf; u kunt niet verder.
En daarom leven er zo lang mensen in de sferen.
Daarom duurt het ... daarom wordt het zo oneindig zwaar en moeilijk naarmate ge hoger komt om de maatschappij, om die ruimte, om al die volkeren der aarde in u op te nemen.
U voelt het wel, daarom staan de mensen daar zo lang stil.
Lezingen Deel 1, 1950
Wie alles opneemt, wie alles aanvaardt, wie geen twijfels, geen leugen noch bedrog in zich heeft, die stijgt boven het menselijke denken en voelen uit en heeft nu ruimtelijk bewustzijn.
En dan eerst gaan de planeten, de sterren, de zonnen tot uw leven spreken.
Dan zegt elke wet: ‘Wacht eens even, ontleed mij even.
Ik wil met u mee, ge hebt mij vergeten.’
Dan kunt u geen stap verdergaan, want elke voetstap zegt: ho!
Een nieuwe wet openbaart zich aan uw leven, die haakt zichzelf aan uw ziel, uw leven vast en zegt: ‘Ontleed mij, ik behoor tot u.
Ik ben van u.’
Voelt u?
En dat te zien vanuit de eerste sfeer hier op aarde.
Vertel me nu, vraag nu aan uzelf wat u hebt, wie u bent, wat u kunt.
Lezingen Deel 1, 1950
Pilatus dacht toen nog dat hij zich aan het leven kon onttrekken:
Pilatus wist het niet, maar nu moet u het weten.
Hij hád het moeten weten.
U moet voor de maatschappij ...
Het gaat hier om leven en dood, het gaat hier om God, om Christus, om uw ruimte, om de Albron, om miljoenen vragen, karaktertrekken, welwillendheid – altijd maar weer welwillendheid – rechtvaardigheid, liefde, geluk, leven, licht, vader-, moederschap.
Altijd maar weer om dat leven, liefde, geluk, vader-, moederschap, persoonlijkheid!
Daar staat de twijfel en die weet het niet, die wast zijn handen in onschuld, dit menselijke bewustzijn, en zegt: ‘Ik heb er niet mee te maken.’
Die slaat alles omver.
Hij – de goddelijke kern in zich – heeft met niets te maken!
‘Ik heb er niet mee te maken, het gaat mij niet aan.
Ik zal er ook nooit naar kijken, berecht uzelf!’
Lezingen Deel 1, 1950
Meester Zelanus vraagt ons of onze bron al stroomt:
En dan vraagt ge naar geluk, ge vraagt naar liefde.
Ge wilt het mooi, ge wilt het goed hebben, ge wilt gedragen zijn, maar wat zet gij ervoor in de plaats?
Waarvoor, hóé stroomt uw bron?
U remt uw bron, u zet er dijken tegenover.
Elke gedachte smoort ge weer.
Men moet u maar even raken: ‘Die is dit, die is dat.
Lezingen Deel 1, 1950
Pilatus hield nog het zwaard paraat:
Jazeker, aan de linkerkant het zwaard en in de rechterhand het kruis, zo gaan ze naar Golgotha.
Lezingen Deel 1, 1950
Maar die Pilatussen in ons moeten overwonnen worden om tot geestelijk bewustzijn te komen:
We hebben de Pilatussen in ons overwonnen, we weten dat we pertinent voor de geestelijke graad moeten getuigen.
En dan ontwaakt de harmonie, de welwillendheid, de inspiratie onder ons hart.
Lezingen Deel 1, 1950
Dat kan alleen door elke gedachte te verruimen:
Maar u bent de denkende kracht voor dit alles, u bent de persoonlijkheid die elke gedachte van de Pilatus afrukt.
Geef aan elke gedachte ruimtelijk gevoel, waarheid, levenslicht, van nu af aan.
Lezingen Deel 1, 1950
En dat gaat niet door te blijven twijfelen:
We hebben mensen gekend, mensen die de Christus achterna liepen en die Hem wantrouwden.
Ze hebben nu nog niets.
Ze lopen reeds tweeduizend jaar de Christus, de Messias achterna en ze hebben nu nóg niets.
Niets krijgt u, u bouwt niet, u breekt telkens weer af wanneer die twijfel, die ... dat dik zijn, die hoogmoed naast u staat.
Lezingen Deel 1, 1950
Of door te oordelen over een mens:
Het is het pak slaag dat de Christus daar bij Pilatus onderging.
Het is de beulpartij, de marteling die Hij had te aanvaarden door het onbewuste van de wereld, de mens die zichzelf, die zijn God, die zijn Christus niet heeft gekend.
Wij gaan vanuit de astrale wereld bewúst ín die Pilatus en dan staan we voor dit menselijke wezen en vragen hem onmiddellijk: waarom steekt u een hand uit?
Waarom vergrijpt u zich – heb ik u gevraagd verleden – aan een mens?
Waarom denkt gij te kunnen oordelen?
Waarom doet u dat?
Hij had onmiddellijk moeten weigeren.
U hebt niet het recht ...
Lezingen Deel 1, 1950
Ik heb u Pilatus getoond, hoe deze mens heeft gehandeld ten opzichte van het betere ik.
Ik heb u voor de toestand geplaatst om aan te voelen, want dat gebeurt nóg in uw eigen tijd.
U staat telkens voor rechtvaardigheid en dan kunt u een beslissing nemen.
En of die nu Pilatus heet en of die nu naar Golgotha gaat, of hij gaat naar Caiphas of hij gaat naar een groot, bewust mens, het kleinste insect in de natuur heeft hier het hoofd te buigen.
‘U hebt niet te oordelen’, zei het Goddelijke gezag.
En dit is nu het gevaar; dit is nu het breken en het vallen.
Ik kan niet stil blijven staan, weken en weken en maanden en jaren – en we doen dat dan ook – om die Pilatus te doorgronden, om de vloek van onszelf aan te voelen, te beleven en hem dan áf te maken.
Ik heb u aangetoond dat de mens moet gaan leren denken in de richting van Golgotha, in de richting van Christus.
Lezingen Deel 1, 1950
Pilatus wilde niets inzetten om de hogere liefde te kunnen beleven:
Hier in Gethsemane daar lag Christus te denken, alleen: Hoe moet Ik het nu doen?
Ik kan geen fouten verdragen.
Ik kan geen fouten maken.
Wat geeft dat kruis?
Ik weet, Ik word vermoord, Ik word geslagen en bespuwd.
Ik kom te staan voor de wereldlijke rechtvaardigheid.
Er zal iemand komen aanstonds die zijn handen wast in onschuld.
Maar die man is nog niet in staat om Mij te vertegenwoordigen.
Die man wil alleen niets, niets, niets beleven.
Hij wil met Mij, hij wil met Mijn goddelijke rechtvaardigheid, Mijn harmonie, Mijn liefde, Mijn licht, Mijn leven niet te maken hebben.
Hij zegt: ‘Ik bemoei me niet met die rotheid.
Vergrijp u maar aan een mens.
Ik sluit mijn ogen wel, ik ga lekker naar huis.
Ik ga in mijn eigen bezit.’
Nu moet u menselijk gaan denken, u moet nu menselijke vragen gaan stellen.
Want ik kan wel bij Christus stil blijven staan, dat u mooi, machtig vindt, u bent één, maar nu gaat u voor uzelf denken.
Wast gij nu altijd maar weer uw handen in onschuld?
En wilt ge met de opbouwing, met de ontwaking en met het werkelijke vechten en dienen, de liefde voor de mensheid, voor uw godheid, niet te maken hebben, dan bent u ook een onbewuste.
Lezingen Deel 2, 1951
Christus toonde ons het innerlijke pad naar het kosmische bewustzijn:
Ik bracht u naar Gethsemane, ik bracht u naar Pilatus en naar Caiphas en dat wil zeggen: uit de stilte van het oneindige te dalen, af te stemmen op het stoffelijke gebeuren.
U staat dagelijks, elk ogenblik staat u voor de Pilatus in u, waarvan ge de wetten zult beleven en waardoor uw persoonlijkheid kan bewijzen: zó zal ik mijn leven inrichten, zo moet ik het doen.
Elk ogenblik, iedere dag, elke seconde, voor elke gedachte staat ge voor een machtig probleem dat universeel diep is, kosmisch rijk, een gestalte krijgt, een persoonlijkheid, dat ziel, geest, leven en vader- en moederschap bezit, wanneer ge moet bekennen: zó zal ik handelen.
Nu eindelijk het kosmische kleurbekennen komt, ja, dan is het niet zo eenvoudig om te bewijzen wat ge kunt.
Maar altijd weer – zei ik u en gaf ik u het beeld – is de wandeling van de Christus onze weg.
Hij is de enige die aangaf hoe te moeten gaan.
Lezingen Deel 1, 1950