Geestelijk-wetenschappelijk -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘geestelijk-wetenschappelijk’.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘geestelijk-wetenschappelijk’.

De Universiteit van Christus

De inhoud van de boeken van Jozef Rulof behoort tot de geestelijke wetenschap van de Universiteit van Christus:
Dit is de metafysische leer, dit is de geestelijke wetenschap van de Universiteit van Christus.
Lezingen Deel 1, 1950
De geestelijke wetenschap ontstond toen de eerste mensen aan Gene Zijde vaststelden dat hun innerlijke leven als een astraal-geestelijke persoonlijkheid verder leefde:
Toen die eerste mensen aan Gene Zijde in de astrale wereld aankwamen, konden zij vaststellen dat het innerlijke leven een astrale persoonlijkheid was.
Zij konden denken, zij stonden op eigen benen.
Ze keken terug naar de aarde, ze zagen de stof.
Zij konden zich éénmaken met die mensen.
Ze daalden er ook in af en beleefden nu opnieuw – vanuit díé wereld – de stoffelijke stelsels, het menselijke organisme.
Is dit zo vreemd?
Zij vroegen natuurlijk: ‘Waar is de zon?’
Eindelijk ... de eersten die begonnen te denken.
Lezingen Deel 1, 1950

Zuiver naar de aarde

Jozef Rulof wordt in zijn biografie ‘Jeus van Moeder Crisje’ Jeus genoemd.
De geestelijke meester van Jeus vraagt hem om nooit een metafysisch boek te lezen dat reeds op aarde is.
Er zijn al vele boeken over de metafysische verschijnselen, maar de meeste zijn geschreven door aardse denkers die hun eigen ideeën opschreven.
Jeus kon de geestelijke werkelijkheid zelf beleven door zijn uittredingen uit zijn stoffelijke lichaam.
Hij las hierover geen andere boeken, zodat zijn eigen denken alleen gestoeld bleef op zijn eigen geestelijke ervaringen, en op de geestelijke wetenschap die door de meesters werd doorgegeven.
Hierdoor bleef deze metafysische leer zuiver:
„Wil je mij beloven, Jeus, om nóóit één boek over deze dingen geschreven, dus boeken die reeds op aarde zijn, te lezen?”
„Goed, meester, ik beloof het u, ik zal het nooit doen.”
„Ik heb er ’n bedoeling mee, Jeus.
Later zal ik je dat verklaren.
Dus je leest nóóit één occult boek of je wordt door iets anders beïnvloed en dat moeten wij voorkomen.
De wereld heeft reeds voldoende lectuur over de „metafysische leer” ... maar is onduidelijk, voor ontzettend veel, onwaarheid, en zou je kunnen besmetten en dat moet niet.
Dit is een geleerd woord, Jeus, maar het omvat alles wat je van mij zult ontvangen.
Jij zult straks echter de wetten beleven en ze ook zien, hierdoor sta je sterk en dat hebben al die mensen niet beleefd.”
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952

Geestelijk-wetenschappelijk onderzoek

Zelanus beleefde door zijn zelfmoord een geestelijke pijn, en hij besefte al snel dat men dit op aarde nooit te weten zou komen tenzij hij een middel zou vinden om zijn nieuwe geestelijke kennis door te geven:
Ik beleefde afschuwelijke dingen, toch leerde ik en maakte mij een wijsheid eigen, die men op aarde niet kende en nooit zou kunnen leren noch beleven, omdat die wijsheid bij het geestelijke leven behoorde.
De Kringloop der Ziel, 1938
Negen eeuwen lang bereidde hij zich voor op het moment dat hij zijn geestelijke ervaringen zou mogen doorgeven aan de aarde.
Eerst leefde hij in de duistere sferen, waar hij zich door zijn zelfmoord op had afgestemd.
Daarna kreeg hij meer ruimte, en kon hij zijn geestelijk-wetenschappelijk onderzoek op aarde en in de sferen aanvatten.
Zo bouwde hij door eigen beleving een geestelijke wetenschap op:
Negen eeuwen lang ging ik in die duisternis rond en keek.
En na vijftig jaar was ik in staat een mens die ik ontmoette, te zeggen: ‘Waar wilt u naartoe?
U leeft hier in een astrale wereld.’
‘Ik ben zoekende.’
Honderd miljoen mensen heb ik zo ontmoet, uit Frankrijk, België, Amerika, uit de oerwouden vandaan en we gingen in elkaar over en namen de handen, voerden elkaar terug naar de aarde: ‘Kom, ik zal u de weg wijzen om de aarde terug te vinden.
Wilt u weten of u daar bent gestorven?’
Ik weet nu, ik heb het gezien.
Ik ben naar de slachtvelden gegaan.
Ik ben ziekenhuis in-, (zieken)huis uitgegaan om te zien hoe de mens uit het stoffelijke organisme komt, heengaat.
En ik volgde de een naar die sfeer daar.
Die daar heb ik ontmoet, ik ken dat leven, het was daar, het was hier.
En ik kwam ook terug, door dat oplossen.
Ik zag, wanneer ik bij ‘kisten’ stond, bij sterfbedden, dat de persoonlijkheid direct uit het organisme oploste en verdween.
Toen ik dat leven achterna, honger had ik, geestelijke honger en dorst om te mogen weten welk geheim de God van al het leven voor mij hier verborgen hield.
En er waren geen geheimen.
Ik dat leven achterna en zag voor mijn ogen dat het verdween, oploste en tot embryonaal bestaan terugkeerde, terugging naar de aarde.
Ik sloot me op, jazeker, wandelende.
Ik maakte mijn berekening, ik voelde: ó, ó wat is dat diep, wat is dat machtig.
Maar er komt onfeilbaar de tijd terug dat die vonk terug moet naar de aarde, door wezens wordt aangetrokken, want de hogere graad is gereed.
Ik wachtte tweehonderdenvijftig en -tachtig en driehonderd jaar op één vonk, op één mens, om te weten of ik de waarheid volgde.
En toen ik dat zag, toen ging ik met die vonk, dit embryo als moeder, regelrecht terug in de moeder en voelde en beleefde de baring, de groei, het uitdijen in de stof, in de geest, het ontwaken voor beide levens.
En toen zag ik diezelfde moeder als man in dit organisme terug en zag ik: vader- en moederschap leeft in de mens.
God is vader en moeder.
Stoffelijke liefde – wist ik toen – voert u regelrecht naar de geestelijke, en de geestelijke naar de universele liefde, het éénzijn met alles, het weten.
Lezingen Deel 3, 1952