De klager uit Nederland

In het voorgaande is duidelijk geworden dat het CGKR de uitgever heeft vervolgd zonder voorafgaand grondig eigen onderzoek naar de boeken van Jozef Rulof, hun schrijver, uitgever en lezers.
Geprogrammeerd om het Vlaams Blok te bestrijden was het CGKR blijkbaar niet geïnteresseerd in deze ‘kleine’ uitgever, maar probeerde zij anno 2003 ervoor te zorgen dat Belgische politici hun voldoening kregen dat er meer veroordelingen uitgesproken werden op basis van de racismewetgevingen.
Velerlei klachten waren hiervoor welgekomen, zoals blijkt uit Vrielink pag. 590:
In het algemeen problematiseerden veel respondenten het gemak waarmee klagers iemand in de problemen konden brengen door klacht in te dienen.
Ook betrokken organisaties en instellingen, waaronder het CGKR, zouden hierbij een kritiekloze rol spelen en te gemakkelijk meestappen in het, als eenzijdig ervaren, verhaal van sommige klagers: iemand die zegt gekwetst of beledigd te zijn door bepaalde uitingen, werd daarin naar het oordeel van nogal wat incidentalisten te gemakkelijk gevolgd zonder verdere analyse van de uitingen waar het om ging.
Zeker wanneer haar Nederlandse collega het LBR haar per brief informeerde dat de uitgever naar België ging komen met ‘zuiver racistische’ boeken, zoals we lezen in het eenzijdig verzoekschrift pag. 1-2:
Het CGKR kreeg voorheen een brief van het Landelijk Bureau Racismebestrijding uit Nederland met de mededeling dat de Stichting Wayti Uitgeverij boeken van Jozef Rulof wou gaan verkopen op Belgische beurzen.
Het CGKR is overtuigd dat de vermelde boeken van Jozef Rulof inhoudelijk zuiver racistisch zijn (...)
In die zin had het CGKR geen ‘eigen interesse’ in de boeken van Jozef Rulof, zij is ‘gebruikt’ zonder te weten en te willen weten waar zij zich mee verbond.
Zij heeft nagepraat wat haar vanuit Nederland werd aangereikt, met inbegrip van lastercitaten.
Met behulp van de vergaande antiracismewetgevingen in België 2003 moest het gemakkelijk zijn om dit kleintje veroordeeld te krijgen.
Veel makkelijker dan in Nederland, aangezien de aangevers daar geen rechtszaak begonnen.
Ze zullen het wellicht handig gevonden hebben dat de Belgische staat deze strijd betaald heeft, terwijl zij in het veilige Nederland buiten schot bleven.
Deze ‘uitwedstrijd’ heeft wellicht een andere uitslag opgeleverd dan verwacht.
Terwijl de prima facie veroordeling breed door de Nederlandse aangever gebruikt werd om de uitgever te stigmatiseren, hoorde je van de Vrijspraak geen woord in Nederland.
De uitgever had anno 2003 geen ‘aanmerkelijk belang’ in België.
90% van de verkochte boeken van Jozef Rulof vond plaats in Nederland, slechts 7% in België.
De activiteiten van de uitgever vonden zelfs voor meer dan 90% in Nederland plaats, de aanwezigheid op de Belgische beurs was slechts een nevenactiviteit om meer bekendheid te geven in een land waar de boeken nog amper bekend waren.
Door dit gegeven heeft trouwens het OM te Brugge afgezien van vervolging, maar het CGKR wou daar niet naar horen.
Van in het begin was het duidelijk dat de Belgische rechtsgang een ‘opgezet spel’ was vanuit Nederland, omdat België 2003 de ideale arena leek om de uitgever veroordeeld te krijgen.
Vele respondenten ervoeren in de Belgische rechtspleging dat de agressor zich kon bedienen van een machtig Belgisch staatsapparaat (Vrielink pag. 588):
In het verlengde hiervan meende men in verschillende gevallen dat het kwetsend gehalte van de uitingen vooral of zelfs uitsluitend was gelegen in de gedecontextualiseerde, selectieve of zelfs onjuiste weergave van de uitingen en de beeldvorming eromheen door de tegenpartij, vaak – maar niet altijd – door het CGKR.
Het CGKR was het middel, niet de aangever (Vrielink pag. 385):
Ook voor de toepassingspraktijk is de (actieve) rol van slachtoffers en klagers van groot belang.
Zo blijken de politie en het OM in dergelijke zaken relatief weinig op eigen initatief op te treden.
Hetzelfde geldt voor het CGKR.
De instelling is er evenmin als het OM toe gehouden om te wachten tot het een melding binnenkrijgt vooraleer op te treden, maar zij onderneemt in de afwezigheid daarvan toch zelden tot nooit juridische actie.
Ook niet in gevallen van ‘onpersoonlijke’ uitingsdelicten, bijvoorbeeld in de media of op internet.
Om deze redenen zijn klagers bijzonder belangrijk.
De ‘klager’ zit in Nederland.
Het enige wat van ‘hem’ te zien was in de rechtszaak was een naam: Herman Nimis.
Maar ook deze klager heeft nog geen één rechtstreeks woord tot de uitgever gericht.
Blijkbaar is klagen iets heel anders dan met elkaar praten, respect hebben voor de opvatting van een ander, laat staan de ander liefhebben, dankzij of juist ondanks zijn andere opvattingen.
Dat is de boodschap van het werk van Jozef Rulof, in navolging van Christus: Heb elkander lief.