België op kop in 2003
Waarom leek 2003 een gunstig jaar voor de tegenstanders van het werk van Jozef Rulof om de uitgever voor de Belgische rechter te brengen?
Het eerst boek werd in Nederland geschreven in 1933, de meest gecontesteerde boeken werden geschreven rondom de tweede wereldoorlog, sinds meer dan 50 jaar werden de boeken ongehinderd, publiek en ononderbroken verspreid in de hele wereld, maar in 2003 werd de uitgever voor het eerst in zijn bestaan voor de rechter gedaagd.
Was België anno 2003 dan uitermate geschikt voor vervolging van de boeken?
Vrielink toont aan dat België in 2003 een koppositie innam in de bestrijding van racisme, negationisme en discriminatie.
Historisch gezien is dit opmerkelijk, aangezien België bij zijn ontstaan in 1830 juist een koppositie innam in de verdediging van de vrije meningsuiting.
Vrielink pag. 27:
Vanaf het eerste ogenblik van de Belgische onafhankelijkheid was de vrijheid van meningsuiting, in deze ruime zin, een prioriteit van het nieuwe regime en genoot zij een bijzondere bescherming.
Het is zelfs niet overdreven om te stellen dat een belangrijke reden voor het ontstaan zelf van de Belgische staat de wil van de Belgen was om te leven onder een regime dat deze fundamentele vrijheden werkelijk zou waarborgen.
Dit in tegenstelling tot wat het geval was in het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de daaraan vooraf gaande regimes.
Het bewind in 1830 wilde de vrijheid van meningsuiting absoluut beschermen.
(...) In feite hing men hiermee een vroege versie aan van wat aangeduid wordt als de (free) marketplace of ideas oftewel de (vrije) marktplaats der ideeën.
Het publieke debat en de botsing van ideeën verdienen maximale ruimte om zichzelf te corrigeren zonder overheidsinterventie, omdat dat laatste een groter kwaad is in een democratische samenleving van vrije individuen.
Ook toen in 1981 de Antiracismewet goedgekeurd werd, was de Belgische traditie van terughoudendheid nog overheersend.
Vrielink pag. 88:
De ambitie van de Antiracismewet was aanvankelijk beperkt.
De wet werd gezien als ondersteunend.
Opvoeding, onderwijs en voorlichting werden daarentegen primair geacht in de strijd tegen racisme.
Ook aan het publieke debat werd een belangrijke rol toegekend.
Uit de parlementaire voorbereidingen van wet blijkt een duidelijke wil om alleen in extreme gevallen op te treden: het strafrecht als ultimum remedium in strikte zin, wanneer er voor andere middelen – zoals discussie – geen ruimte meer bestond.
Ook het feit dat in de nieuwe wet bepaalde verenigingen de mogelijkheid krijgen om in rechte op te treden, in die dagen nog uitzonderlijk in het strafproces, werd veelvuldig op de korrel genomen.
Men was dus nog lang niet toe aan het CGKR.
Vrielink illustreert dit op pag. 92 door een citaat uit de Handelingen van de Senaat:
Zondebokken in het leven roepen is (...) geen democratische taktiek.
Het behoort juist tot de sfeer die men beweert te bestrijden.
Al te vaak zijn Joden en andere vreemdelingen zondebokken geweest.
En de heksenprocessen zijn een afschuwwekkend voorbeeld gebleven tot op onze dagen.
Enkele jaren geleden hebben de Verenigde Staten het McCarthyisme gekend.
De jacht op alles wat naar communisme rook.
Wil men in ons land nu het omgekeerde doen en de jacht organiseren op racisten, jacht daarbij meegeorganiseerd door bepaalde verenigingen die het recht krijgen het wild op te jagen tot voor de voeten van de rechters?
Maar amper 10 jaar later was het maatschappelijk klimaat volkomen omgekeerd.
Waardoor werd wit zwart?
Door het Vlaams Blok!
Vrielink pag. 264:
De ontwikkeling is nogal sprongsgewijs.
Parallel aan de doorbraak van het Vlaams Blok, vooral na 1988 en 1991, neemt het aantal beleidsmatige en wetgevende initiatieven opeens sterk toe.
Ook werden die initiatieven, met elke nieuwe verkiezingswinst door de partij of als een vervolgingspoging mislukte, verstrekkender en ruimer.
In veel gevallen gingen ze een stuk verder dan de internationale verplichtingen die eraan ten grondslag lagen of waren ze volledig voluntaristisch.
De nadruk verschoof voorts van discriminerende daden naar uitingsdelicten en maatregelen tegen (leden van) racistische groepen en verenigingen.
Dat juist dat type van maatregelen ook een uitwerking kon hebben op politieke formaties, zoals het Vlaams Blok, is niet toevallig: de link tussen de nieuwe maatregelen en de bewuste politieke groepen is veelal vrij direct en wordt vaak ook geëxpliciteerd.
In die zin kan worden gesteld dat de meeste antiracismewetgeving van na 1991 mede of soms zelfs in de eerste plaats ‘anti-Vlaamsblokwetgeving’ is.
Het gegeven dat de nieuwe aanpak in nogal wat gevallen de vrijheden – de expressievrijheid in de eerste plaats – in toenemende mate beperkte, werd steeds meer ondergeschikt geacht aan het belang van het antiracismebeleid.
Hierdoor ontstond een tweesporenbeleid.
Aan de ene kant heb je de Belgische grondwet en het Grondwettelijk Hof (vroeger Arbitragehof) dat strijdt tegen de inperking van de vrije meningsuiting.
Het Grondwettelijk Hof vernietigt herhaaldelijk bepalingen uit de antiracismewetgevingen die zij in strijd acht met de vrije meningsuiting uit de grondwet.
Zo verbiedt het Hof preventieve maatregelen, en verkiest zij een kritisch en tegensprekelijk debat boven repressie.
Ze aanvaardt geen vage strafbaarheidsbepalingen waardoor de burger niet meer weet wat wel en wat niet strafbaar is.
Ze stelt dat er voor een bestraffing steeds aangetoond moet worden dat de dader een specifieke intentie heeft, een bijzonder (kwaadwillig) opzet om kwaad te berokkenen.
En het Grondwettelijke Hof aanvaardt geen strafbaarstelling van opiniedelicten.
In de rechtsleer wordt een opiniedelict omschreven als “het strafbaar stellen van een opinie zonder dat deze een rechtstreekse aanranding van de rechten van anderen of van de samenleving inhoudt, louter omdat deze opinie afwijkend is van een andere, meerderheidsopinie of omdat ze een gevaar zou kunnen inhouden voor de op een andere opinie berustende maatschappelijke ordening”.
Aan de andere kant heb je inspanningen van Belgische politici om het Vlaams Blok te bestrijden.
Dit resulteert in vergaande antiracisme en antidiscriminatie wetgevingen.
Bovenop de Antiracismewet uit 1981 kwam in 1995 de Negationismewet, en in het jaar 2003 gingen de politieke partijen nog verder met de antidiscriminatiewet.
Dit was wellicht een Europese primeur op het vlak van vergaande bestraffing van discriminatie.
De juridische commentatoren hebben de prima facie veroordeling van de boeken van Jozef Rulof door de Antwerpse kort geding rechter op 15 mei 2003 beschouwd als de allereerste toepassing van deze gloednieuwe wet.
Vrielink pag. 691 en 693:
Daardoor behoort België tot de landen met de meest verregaande racisme- en discriminatiewetgeving.
Het wetgevende beleid inzake racistische meningsuitingen heeft zich de laatste jaren sterk laten leiden door de wil om volledige controle te krijgen op het fenomeen en dan vooral op de politieke verschijningsvormen ervan.
Het discours van radicale politieke partijen moest en zou onder de wetgeving vallen.
Indien dat niet of onvoldoende het geval was, dan diende de wetgeving te worden uitgebreid, aangepast of aangevuld.
Als deze studie één ding laat zien, dan is het dat een dergelijk uitgangspunt niet alleen onrealistisch is, maar dat het ook risico’s inhoudt.
Tenslotte werd in 2003 de Antiracismewet uit 1981 ook nog strenger gemaakt:
Vrielink pag. 181:
Het aantal gerechtelijke toepassingen van de Antiracismewet had weliswaar “een sterke stijging gekend”, aldus de wetgever, maar “niettegenstaande de hoogdringendheid” bleef het naar diens oordeel toch “een feit dat te weinig veroordelingen (...) werden uitgesproken in verhouding tot het aantal ingediende klachten”.
(...)
De concrete doelstelling was dus het vergemakkelijken van de toepassing van de Antiracismewet en het verder verhogen van het aantal veroordelingen op basis ervan, vooral op het vlak van uitingsdelicten.
En die doelstelling werd ook bereikt.
Tot 2004 ziet Vrielink een toenemende frequentie van racisme-rechtszaken waarbij ook in toenemende mate een veroordeling volgt.
Vrielink pag. 338:
In de tweede periode (1994-2004) is er – parallel aan de oprichting van het CGKR en de wijzigingen en uitbreiding van de wetgeving – een plotse toename van het aantal toepassingsgevallen van de wetgeving.
De focus op uitingsdelicten en expressies handhaaft zich.
(...)
Ook het percentage veroordelingen neemt toe, waarbij het vaak gaat om zaken die in de voorafgaande periode eerder tot vrijspraken leidden.
De rechtspraak neemt in algemene zin afstand van de meer terughoudende interpretatiestroming en kiest meer en meer voor de interpretatielijn waarbij racistische uitlatingen op zich laakbaar worden geacht.
De ruime lezingen die tijdens de eerste periode eerder uitzondering waren in de rechtspraak, worden in de tweede periode juist de regel: toetsing van het moreel element wordt zeldzaam en ook de concrete (materiële) bestanddelen en contextuele factoren komen minder vaak uitdrukkelijk aan bod.
(...)
In de tweede periode verwijderen de interpretaties zich dus van de oorspronkelijke opzet van de wet en sluiten meer aan bij de ingesteldheid (,,,) die in belangrijke mate geïnspireerd werd door de opkomst van het Vlaams Blok.
Anno 2003 kon een aanklacht in België dus steunen op drie specifieke en vergaande wetten (Antiracismewet, Negationismewet en antidiscriminatiewet), aangevuurd worden door het machtige overheidsorgaan CGKR (gespecialiseerd in deze rechtszaken en gesubsidieerd door de overheid) en verwijzen naar een veelvuldige ruime rechtspraak die naast de bestrijding van het Vlaams Blok en passant alles wat maar enigszins rook naar discriminatie of racisme meestal zonder gedegen onderzoek stigmatiseerde tot moderne ketterij.