Bedoeling van wetgever

De auteurs bespreken daarna de inhoudelijke beoordeling:
Zoals gezegd is de eerste stap bij de toepassing van de ‘hate speech’ wetgeving een onderzoek van de inhoud van de geviseerde teksten.
Uit deze toetsing moet om te beginnen blijken dat de expressies inhoudelijk voldoen aan de precieze, materiële termen van de strafbaarstelling.
Hoewel dit vanzelfsprekend lijkt, werd dit vereiste tot nu toe niet altijd even grondig onderzocht.
Met name bij de toepassing van de Antiracismewet hebben rechters zich in het verleden soms eerder laten leiden door een intuïtief aanvoelen van ‘racisme’, dan door de betekenis van de exacte termen van de wet.
De wet stelt het ‘aanzetten tot haat, discriminatie en geweld’ tegen een persoon of groep op grond van zogenaamd ras en etniciteit strafbaar.
In veel rechtspraak worden deze termen echter de facto verruimd: een aanzienlijk deel van de toepassingen betreft (racistische) beledigingen in strikte zin of haatdragende uitspraken en geschriften; hetgeen uitdrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever was.
In sommige gevallen – zoals in casu – gaat het zelfs veeleer om een ‘verdacht’ woordgebruik.
De Rechtbank van Dendermonde vermijdt een dergelijke verruiming en blijft dicht bij de terminologie van de wet.
Naar het oordeel van de Rechtbank waren de boeken “inhoudelijk (niet) van aard om te kunnen aanzetten (...) tot discriminatie, segregatie, haat of geweld”, zoals de toepassing van de Antiracismewet vereist.
De Rechtbank geeft aan dat ‘aanzetten’ – in navolging van het Grondwettelijk Hof – immers begrepen moet worden als ‘aansporen’, ‘opzetten’ en ‘aanstoken’.
Actieve termen, die vereisen dat “de strafbaar gestelde handelingen verder gaan dan louter informatie, ideeën of kritiek”.
In de voorliggende zaak was dat niet het geval, zodat “geen inbreuk op de Antiracismewet kan worden weerhouden”.