De kracht van het woord

De auteur besluit haar analyse met:
Deze bijdrage mag niet worden gezien als een pleidooi voor de verspreiding van racistische denkbeelden.
Wel wil zij benadrukken dat de rechterlijke beoordeling van “hate speech” cases steeds een afweging vergt van grondrechten, namelijk het recht op vrije meningsuiting versus het recht op niet-discriminatie.
Een handig toetsingskader voor een dergelijke omvattende evenwichtsoefening werd ons aangereikt in de het Rulof-vonnis van de Dendermondse rechtbank, die op haar beurt de mosterd haalde bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en bij ons Grondwettelijk Hof.
Dat toetsingskader komt erop neer dat de kracht van het woord de voorkeur verdient boven die van de strafwet om tegen meningen ten strijde te trekken, tenzij het waarschijnlijk is dat meningsuitingen rechtstreeks zullen leiden tot discriminatie, haat of geweld ten opzichte van de erin geviseerde personen.
De mate van waarschijnlijkheid dat een bepaalde meningsuiting discriminatie, haat of geweld tot gevolg zal hebben, dient te worden beoordeeld aan de hand van de gebruikte bewoordingen (of beelden) en van de omstandigheden waarin deze werden geuit.