Taalkundige en morele maatstaven

In een later artikel analyseren deze auteurs de Vrijspraak grondiger (zie J. Vrielink en S. Sottiaux, “Paranormale rechtspraak - De Antiracismewet, de Negationismewet en het constitutionele kader”, Auteurs en Media 2007/4, 414-417.).
Zo halen ze naar voren wat de drie rechters over de context geschreven hebben:
Naast de (mate van) openbaarheid en toegankelijkheid, moet in casu ook de historische context in rekening worden gebracht.
De rechtbank vestigt meermaals de aandacht op de tijdsgeest waarin Rulof schreef en daarmee samenhangend ‘de plaatsing van het woordgebruik en de betekenis ervan in die tijdsperiode’.
Alles moet daarenboven gekaderd worden in de ‘filosoferende context’ van de werken.
Met andere woorden: de term ‘ras’ en de evolutieconcepten die Rulof erop nahield, kunnen niet beoordeeld worden aan de hand van taalkundige en morele maatstaven van onze tijd of uit het dagelijks taalgebruik.
Laat staan dat het strafrecht erop van toepassing zou zijn.
Onder andere op dit punt is de onlosmakelijke samenhang tussen de verschillende toetsingsstappen duidelijk zichtbaar: indien de term “ras”, zoals deze gebruikt werd door Rulof, gezien de context van de boeken niet begrepen kan worden als het criterium “zogenaamd ras” uit de Antiracismewet, en indien de “kleuren” van de “levensgraden” evenmin overeenkomen met de grond “huidskleur” uit de wet, dan is daarmee ook niet voldaan aan de inhoudelijke vereisten van de strafbaarstelling.
Er is dan immers niet voldaan aan het zogenaamde “causaliteitsvereiste” (dat wil zeggen het vereiste dat de geviseerde expressies gebaseerd of gericht moeten zijn op een in de wet opgenomen kenmerk of discriminatiegrond) uit de inhoudelijke termen van de strafbaarstelling.
Bovendien – zo vervolgt de rechter – ‘kunnen de citaten niet los worden gezien van de totale inhoud’.
Daartoe moeten de citaten om te beginnen worden gecontroleerd: enerzijds om na te gaan of deze weldegelijk staan vermeld en anderzijds om na te gaan in welke context deze werden vermeld.
Voorts dienen boeken of geschriften steeds in hun geheel beoordeeld te worden: ‘Het volstaat dus niet om enkele citaten te lichten uit een omvangrijk oeuvre (meer dan 11.000 bladzijden) om dan te stellen dat elk boek afzonderlijk of het oeuvre in zijn geheel een inbreuk uitmaakt op de Antiracismewet en/of de Negationismewet’.
De rechtbank illustreert dit door enerzijds aan te tonen dat verschillende geciteerde passages in feite het tegenovergestelde betekenen van wat een gedecontextualiseerde lezing kan doen vermoeden.
Zo laat zij aan de hand van een gecontextualiseerde passage zien dat Rulof de figuur van Hitler weliswaar als “instrument” zeg, maar dan wel een instrument dat kwaad en leed veroorzaakte.
Tot slot wijst de rechter erop dat sommige ‘citaten’ zelfs helemaal niet in de werken van Rulof voorkomen.
‘Het gevaar van het gebruik van louter citaten of beweerde citaten kan aldus niet beter worden geïllustreerd’, zo concludeert de rechtbank.