Uitzonderingen op de vrijheid

Sinds de tweede wereldoorlog worden er wetten gestemd die het gebruik van die vrije meningsuiting om racistische denkbeelden te verspreiden aan banden legt.
Zo kwamen in België de Antiracismewet (1981), de Negationismewet (1995) en de Antidiscriminatiewet (2003) tot stand.
Deze wetten staan op gespannen voet met het principe van de vrijheid om meningen te verspreiden en te ontvangen.
We stelden dat volgens de vaste rechtspraak van de hoogste rechtscolleges, niet enkel het Arbitragehof in België en de grondwettelijke hoven in de andere lidstaten van de Raad van Europa, maar ook het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM), de vrijheid de regel dient te blijven en de beperkingen hierop de uitzondering.
Het Belgische Arbitragehof zegt hierover:
De vrijheid van meningsuiting is een van de pijlers van een democratische samenleving. Zij geldt niet alleen voor de informatie” of de “ideeën" die gunstig worden onthaald of die als onschuldig of onverschillig worden beschouwd, maar ook voor die welke de Staat of een of andere groep van de bevolking schokken, verontrusten of kwetsen.
Zo willen het pluralisme, de verdraagzaamheid en de geest van openheid, zonder welke er geen democratische samenleving kan bestaan (Europees Hof voor de Rechten van de Mens, 7 december 1976, Handyside t/ Verenigd Koninkrijk, §49, 23 september 1998, Lehideux en Isorni t/ Frankrijk, § 55, en 28 september 1999, Öztürk t/ Turkije, §64)
Op basis van deze bijzondere positie van de vrije meningsuiting als pijler van de democratische samenleving vernietigde het Arbitragehof in 2004 het burgerrechtelijke verbod op het verspreiden van ‘discriminerende uitlatingen’ in de antidiscriminatiewet, omdat de bepaling niet aangaf “waarin of wanneer die discriminerende uitlatingen de in een democratische samenleving toelaatbare drempel overschrijden van het verkondigen van ideeën welke kunnen ‘schokken, verontrusten of kwetsen’”.
Het Arbitragehof huldigt, met andere woorden, het principe dat een democratie en een zelfverzekerde samenleving het beste antwoordt op slechte ideeën door betere ideeën in de plaats te stellen.
Deze zelfverzekerde samenleving is ook begrepen in de intentie van de wet zoals die vastgesteld is bij de parlementaire voorbereiding van de Antiracismewet van 1981:
De evolutie van de gedachtenstromingen en de strijd tegen vooroordelen behoren veeleer tot het domein van de opvoeding dan tot dat van het strafrecht (…)
Artikel 10 EVRM stelt verder dat er uitzonderingen kunnen gelden, maar die zijn dan aan strikte voorwaarden onderhevig.
Als een land zo’n uitzondering wil inroepen om een strafbaar feit vast te stellen en bijvoorbeeld een boek te verbieden moet volgens de vaste rechtspraak van het EHRM tenminste dat boek zeer nauwkeurig onderzocht worden.
We verwezen naar de zaak Kuçuk/Turkije, waarin een auteur veroordeeld werd en zijn boek in beslag genomen door de Turkse overheid.
Turkije werd vervolgens door het EHRM veroordeeld omdat het Turkse gerecht bij zijn onderzoek van het geïncrimineerde werk bovengenoemde normen niet had nageleefd en zich enkel had gebaseerd op bepaalde passages (citaten) die zogezegd zouden oproepen tot geweld.
Het EHRM stelt (p. 11 arrest):
Het Hof merkt meteen al op dat het boek is geschreven in de vorm van een gesprek waarbij Indiener vragen stelt aan de PKK-leider.
Hoewel het boek passages over de Koerdische zaak bevat, worden er ook andere onderwerpen in besproken, waarbij beide gesprekspartners kritiek en commentaar leveren op een aantal politieke, historische en literaire feiten.
Daarom is het Hof van mening dat (…) het boek dient te worden geplaatst in de algemene context, die is geschreven in een literaire en metaforische stijl.
Het gesprek (in het boek) bevat weliswaar venijnige kritiek op de Turkse burgers en overheden (punt 12 hierboven, pp. 205 en 209-210 van het betreffende boek), maar het Hof is van mening dat dit eerder een afspiegeling is van de onverzettelijke houding van één van de partijen in het conflict dan het aanzetten tot geweld.
De facto kan de strekking van het boek in zijn geheel niet worden gezien als een aansporing tot gebruik van geweld, gewapend verzet of opstand; dit is in de ogen van het Hof een wezenlijk element waarmee rekening gehouden dient te worden (zie Gerger v/ Turkije (GC), nr.
24919/94, § 50, 8 juli 1999).(…) Het Hof is echter in casu van mening dat de nationale autoriteiten onvoldoende rekening hebben gehouden met het recht van het publiek om op een andere manier informatie te ontvangen (…).
In casu is het Hof van mening dat de inhoud van de publicatie (…) niet van zodanige aard was dat daarmee de ernst van de aantasting van de vrijheid van meningsuiting van Indiener, te weten zijn strafrechtelijke veroordeling, kan worden gerechtvaardigd.
De volledige (Franse) tekst van het arrest is te lezen als
De authentieke tekst is alleen in het Frans beschikbaar.
In de bijlage vindt u ook een
Hof Mensenrechten (3e afd.) nr 28493/95, 5 december 2002 (Kuçuk/Turkije)
In de soortgelijke zaak Alinak v. Turkije werd eveneens een boek in beslag genomen door de Turkse overheid omdat het zou aanzetten tot haat en vijandigheid door het discrimineren op basis van ras en etnische afkomst.
Het EHRM erkent in haar arrest van 29 maart 2005 dat bepaalde passages uit het boek inderdaad zouden kunnen aanzetten tot haat en geweld.
Het Hof wijst er vervolgens echter op dat het boek geschreven is in de romanvorm, een vorm van artistieke expressie die zich richt tot een relatief klein publiek vergeleken met bijvoorbeeld de massa media.
Het Hof houdt er wel expliciet rekening mee dat het voor de auteur en de lezers duidelijk is dat de roman zich baseert op waargebeurde feiten rond het dorp Ormaniçi.
In essentie steunend op het artistieke karakter van het boek en de beperkte impact ervan op de publieke opinie, concludeert het Hof dat de gewraakte overheidsinmenging in de vorm van het rechterlijke bevel tot inbeslagname van het boek, te beschouwen is als een schending van art. 10 EVRM
Om tot dit welafgewogen oordeel te komen geeft het Hof aan dat het het hele boek onderzocht heeft, zowel op volledige inhoud als op artistieke vorm en toonzetting.
Het Hof geeft aan dat art. 10 niet alleen de essentie van uitgedrukte ideeën en informatie beschermt, maar ook de vorm waarin ze getransporteerd worden.
U vindt dit arrest in
In een andere zaak naar aanleiding van de inbeslagname van een boek waarbij de auteur en uitgever ook nog eens strafrechterlijk veroordeeld waren wegens aanzetten tot haat en geweld onder de bevolking wegens onderscheid van ras en afkomst, stelde het EHRM andermaal vast dat art. 10 geschonden was omdat – ondanks het feit dat bepaalde passages getuigden van agressie en felheid op basis van discriminatie – het boek in zijn geheel niet aanzette tot haat of geweld, maar integendeel opriep tot vrede en samenwerking om via een vreedzame weg een oplossing te vinden voor gestelde problemen.
Concluderend stelden we dat een analyse van 10 recente arresten van het EHRM inzake de veroordelingen van auteurs en uitgevers voor het verspreiden van boeken met gecontesteerde passages aantoont dat volgens het Hof minstens dient nagegaan te worden:
- in welke (artistieke) vorm het geschrift is opgesteld;
- wat de algemene context van de geïncrimineerde geschriften is;
- of het geheel van het werk aanzet tot haat, geweld, …