Verkorting van dagvaardingstermijnen
De rechter in kort geding heeft toegestaan dat de uitgever gedaagd werd met verkorting van dagvaardingstermijnen.
De normale termijn van 2 dagen werd zo teruggebracht tot 1 dag.
De dagvaarding werd betekend op 12 mei 2003, en het kort geding zou 1 dag later gevoerd worden, op 13 mei 2003.
Het CGKR daagde vier partijen: Stichting GWG De Eeuw van Christus, Stichting Wayti Uitgeverij, Guido Vermeire, en VZW Paranormica, als beursorganisator.
De dagvaarding aan Guido Vermeire werd afgegeven op 12 mei 2003, de dagvaarding aan de uitgever in Nederland werd afgegeven aan de Post te Wilrijk op 12 mei 2003 om 10.00.
Daadwerkelijk werd de dagvaarding aan de uitgever in Nederland afgegeven op 14 mei, een dag na de geplande pleitzitting van 13 mei, zie
Officieel werd de uitgever dus pas in kennis gesteld van het feit dat hij gedagvaard werd ná de geplande pleitzitting waarop hij zich zou kunnen verdedigen tegen de aantijgingen.
De rechter in kort geding schrijft in haar beschikking op pag. 5 dat dit rechtsgeldig is:
(...) conform het protocol opgemaakt tussen België en Nederland.
Vermeire belde op 12 mei omstreeks de middag naar de uitgever in Nederland dat hij een dagvaarding had ontvangen om de volgende dag te verschijnen voor de rechter, en dat ook de uitgever gedagvaard was.
De uitgever wist uiteraard van niets.
Vermeire faxte de dagvaarding naar de uitgever, maar wegens de beperkte scankwaliteit van de fax van Vermeire was die niet leesbaar.
Enkele uren voor de pleitzitting wist de uitgever dus nog niet om welke feiten hij gedagvaard werd.
De rechter in kort geding schrijft hier verder over op pag. 5 van haar beschikking:
Dat de gerechtsdeurwaarder diezelfde dag nog een telefoon heeft gekregen uit Nederland vanwege verweerders met de mededeling dat de fax die zij van derde verweerder (die woonachtig is in België) hadden ontvangen niet goed leesbaar was en waarbij de gerechtsdeurwaarder werd gevraagd of deze nog een exemplaar had zodat zij onmiddellijk een advocaat zouden kunnen raadplegen.
Dat de regels inzake betekening van dagvaarding strikt werden nageleefd en dit conform de Beschikking van 9 mei 2003
(...) Dat verweerders rechtsgeldig werden gedagvaard;
De gerechtsdeurwaarder faxt de dagvaarding naar de uitgever op maandag 12 mei 2003 om 14.26 u (zie
).
De uitgever uit Apeldoorn in Nederland heeft op dat moment dus (binnen normale kantooruren) 2 uren en 34 minuten de tijd om een dagvaarding met uitvoerige bijlagen te lezen, te zorgen dat hij een Belgische advocaat vindt, dan de dagvaarding en bijlagen door te faxen aan die advocaat en samen met hem een gedegen verdediging op te stellen, om de daaropvolgende dinsdagmorgen 13 mei om 9.30 u in Antwerpen voor de kort geding rechter te verschijnen op beschuldiging van racisme en discriminatie, met het gevaar dat het verspreiden van het merendeel van de boeken van Jozef Rulof verboden worden.
De uitgever beschrijft deze gang van zaken in zijn besluiten voor het Hof van Beroep als volgt:
- concluanten hebben hun dagvaardingen niet betekend gekregen tegen ten laatste 12 mei 2003 om 12.00 u, terwijl dat nochtans opgelegd was door de beschikking van 9 mei van de voorzitter van de rechtbank; ten onrechte heeft de eerste rechter gezegd dat het voldoende was dat de deurwaarder de stukken aan de Post te Wilrijk afgegeven heeft op 12 mei 2003 om 10.00 u., terwijl verweerder in beroep er ook had voor moeten zorgen dat de dagvaarding vóór de inleidingszitting van 13 mei aan concluanten werd betekend, quod non
- concluanten hebben via derden moeten vernemen dat er op dinsdag 13 mei 2003 te Antwerpen een zaak werd ingeleid waarin ook zij als partijen waren vernoemd; de dagvaardingen lastens hen werden uiteindelijk pas betekend op hun adres in Nederland na de pleidooien van woensdag 14 mei (...)
- daarnaast heeft de eerste rechter ook de gelijkheid van procespartijen geschonden. Verweerder in beroep heeft rustig, blijkens het dossier minstens maanden op voorhand, zijn dossier, vordering en argumentatie kunnen opbouwen, terwijl concluanten op de inleidingszitting van dinsdag 13 mei slechts één dag (in feite slechts een halve dag) kregen om:
- kennis te nemen van het dossier van verweerder in beroep (met inbegrip van een aantal boekwerken van in totaal enkele duizenden bladzijden!) (...)
- zelf een dossier samen te stellen
Zelfs als men aanneemt dat men in kortgeding kan afwijken van de normale door het Gerechtelijk Wetboek voorziene termijnen, dan mag dit niet tot gevolg hebben dat het evenwicht tussen de procespartijen volledig verbroken wordt. Schending van de regels inzake het eerlijke proces.
Op de inleidingszitting op 13 mei hebben we uitstel gevraagd om kans te krijgen een verdediging op schrift te stellen.
De rechter heeft 1 dag uitstel toegestaan, zodat de pleitzitting verschoven werd naar 14 mei.
We hebben op 13 mei – dus op 1 dag tijd – een verdediging geschreven voor zowel de technisch juridische kant als voor de inhoudelijke kant.
Later hebben we deze argumenten en opmerkingen aangevuld in onze besluiten voor het Hoger Beroep op het kort geding.
Voor de bespreking in dit dossier van onze antwoorden op de aantijgingen van het CGKR maken we gebruik van onze besluiten in kort geding, onze besluiten in hoger beroep en de Toelichting.
Hierdoor wordt beoogd om herhaling van informatie te beperken en het overzicht van het debat te vergroten.
In de besluiten voor het kort geding schrijven we inderhaast op 13 mei:
Na zijn klacht bij de Onderzoeksrechter
had eiseres geen rechtmatig belang meer om nog bijkomend een procedure in kortgeding op te starten.
Deze procedure in kortgeding (met verkorte termijnen) heeft enkel tot doel door procesmisbruik op ultrakorte termijn een beschikking in haar voordeel te forceren:
- de inleidingszitting laten vaststellen op een datum waarop minstens twee van de vier partijen hun dagvaarding nog niet ontvangen hadden;
- dagvaarden van niet-betrokken partijen (derde concluante)
- manifest gebrek aan hoogdringendheid (zie supra); kunstmatig construeren van hoogdringendheid door verwijzing naar de beurs van 18 mei
- het vragen van draconische maatregelen met dwangsommen teneinde concluanten te intimideren
Bijkomend is de procedure gericht op intimidatie: niet enkel ten aanzien van de Stichtingen, maar ook ten aanzien van een werknemer (derde concluante) alsmede ten aanzien van het publiek (Jozef Rulof vervolgd wegens racisme; door VTM na tip van eiseres uitgezonden op maandagavond 12 mei 2003)
De door eiseres in de dagvaarding weergegeven feiten vormen een aaneenrijging van onrechtstreekse citaten, verkeerde interpretaties, uit hun kontekst gerukte citaten en pure leugens. (...)
Eerste en tweede concluanten hebben het volste vertrouwen in de zaak ten gronde (blijkbaar via klacht met burgerlijke partijstelling aanhangig gemaakt bij de Onderzoeksrechter te Dendermonde).
Zij zullen bewijzen dat de gewraakte boeken op geen enkele wijze aanzetten tot haat, geweld of discriminatie jegens een ras of bevolkingsgroep.
De door eiseres gevraagde maatregelen, namelijk het voor bepaalde of onbepaalde duur doen verbieden van de verspreiding van zekere boeken, hebben een definitief en onherstelbaar karakter.
Zulke maatregelen kunnen enkel bevolen worden door de bodemrechter.
Indien de rechter in kortgeding een zelfs tijdelijk verbod van verspreiding zou bevelen en zelfs als concluanten ten gronde gelijk zouden krijgen, dan nog is de morele schade onherstelbaar.
Het publiek zou immers enkel het verbod onthouden en concluanten zouden voor eeuwig een stigma van racisme dragen, hoe onterecht dit achteraf bekeken ook moge zijn.