Het CGKR

Zo was er in 2003 in België een situatie ontstaan dat het gespecialiseerd overheidsorgaan CGKR veel antiracisme rechtszaken begon en won, waarbij slechts oppervlakkig werd gekeken naar de eigenlijke inhoud van de aanklacht, zowel door het CGKR als door het OM en door de rechters.
De hoofdreden voor oprichting en werking van het CGKR was immers de opgang van het Vlaams Blok tegen te houden.
Tijdens de federale verkiezingen van 24 november 1991 brak het Vlaams Blok landelijk door en behaalde 10,3% van de stemmen.
Vrielink pag. 107:
De eerste concrete maatregel die voortkwam uit de reactiegolf na 1991 en die direct relevant was voor de toepassing van de racismewetgeving, was de oprichting in 1993 van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR).
Hiermee hadden de politieke leiders naast een anti-VlaamsBlok wetgeving nu ook een anti-VlaamsBlok overheidsapparaat in handen.
Om het Vlaams Blok – dat op een bepaald moment de grootste partij van Vlaanderen was – effectief te bevechten, moest hun overheidsapparaat er met de grove middelen tegenaan.
Er was geen ruimte voor onderzoek of bemiddeling, het CGKR gebruikt de botte bijl.
Dit wordt in het onderzoek van Vrielink duidelijk door de ervaringen van de talrijke slachtoffers van deze botte bijl.
Het onderzoek van Vrielink is namelijk uniek in de zin dat het niet alleen de ontwikkeling van wetgeving en rechtszaak in een sociaal-maatschappelijke context plaatst, maar bovendien de effectieve uitwerking op zowel de ‘klagers’ als de ‘beklaagden’ in kaart brengt.
Op de achterkant van het boek lezen we:
Wat dit werk vooral “uniek in zijn genre” maakt – zoals professor dr. Marie-Claire Foblets het omschrijft in haar voorwoord – is dat het licht werpt op de effecten van de strafwetgeving rond racisme en negationisme.
Door middel van gesprekken met klagers en aangeklaagden gaat de auteur na of de strafbaarstellingen in de praktijk doen wat de wetgever beoogt.
De resultaten van dat onderzoek zijn ontnuchterend: de wetgeving verwezenlijkt zelden haar doelstellingen en geeft vaak aanleiding tot averechtse effecten.
Verder schrijft Foblets in het voorwoord over de geïnterviewden (respondenten):
Vrielink is erin geslaagd tientallen mensen het woord te geven, hij heeft maanden geïnvesteerd in het luisteren naar soms schrijnende verhalen, zonder daarbij zijn eigen oordeel te laten doorwegen.
Bij sommige respondenten riep het gesprek pijnlijke herinneringen op, anderen zagen het als een opdracht om zo correct mogelijk te rapporteren over wat hen was overkomen, opdat hun eigen verhaal anderen tot lering zou strekken.
(...)
de lezer die, dankzij Vrieling, naar de ‘daders’ (aangeklaagden) luistert – zonder ze meteen te veroordelen – begrijpt dat racisme geïnduceerd, maar ook geconstrueerd, wordt door sociale en culturele factoren.
Wat de beklaagden betreft maakt Vrielink onderscheid tussen zij die de overtreding van de racismewetten bewust opzoeken en zij die ongewild door het CGKR werden aangeklaagd.
In het hiernavolgende belichten we enkele ervaringen van de tweede groep, waartoe ook wij behoren; Vrielink noemt ze ‘incidentalisten’.
Het is merkwaardig hoe onze ervaringen overeenstemmen met de meerderheid van de kritiek van de ‘slachtoffers’ van het CGKR.
Vrielink pag. 636-637:
Die kritiek had betrekking op verschillende, sterk samenhangende, punten die ook steeds bij vrijwel alle respondenten terugkwamen.
Om te beginnen (...) de perceptie dat het Centrum vooral of zelfs uitsluitend repressief te werk gaat.
(...) Veel bezwaren waren er verder tegen het gebrek aan communicatie van het CGKR en het niet-respecteren van het beginsel van hoor en wederhoor.
In het verlengde daarvan klonken verwijten van onzorgvuldigheid en het gebruik van betwistbare methoden.
(...)
Men ervoer het als bijzonder negatief en miskennend dat de instelling in hun zaken eigenlijk vrijwel zonder uitzondering direct was overgegaan tot juridische vervolging, zonder dat de betrokkene zelf gecontacteerd en gehoord werd.
Vrielink pag. 640 over Communicatie: geen hoor en wederhoor:
Wat de meeste respondenten het meest problematisch vonden in de concrete aanpak van het Centrum in hun zaak, was het feit dat de instelling hen nooit gecontacteerd had.
De incidentalisten hadden, buiten in de rechtszaak die vaak volgde, niet de mogelijkheid gekregen om hun kant van het verhaal te vertellen.
Dit wekte bij de respondenten onder andere de indruk dat het Centrum uitsluitend op basis van een eigen gedecontextualiseerde interpretatie of op basis van de versie van een eventuele klager voortging.
Met betrekking tot hun eigen versie en beweegredenen hadden de respondenten daarentegen het gevoel dat die voor het CGKR niet ter zake deden.
Een vrouwelijke politica formuleert dit als volgt (Vrielink pag. 703):
Ik heb geen contact of niets met hen gehad: ik weet gewoon van niets! Van niets! Ze leggen meteen klacht neer, zonder iets van inlichtingen te zoeken zelfs.
(...) daar nemen ze de moeite niet voor.
Vrielink pag. 642 over Onzorgvuldige en betwistbare aanpak:
Naast het niet respecteren van het beginsel van hoor en wederhoor, hadden de incidentalisten nog andere kritiek op de aanpak van het Centrum.
Die aanpak zou meer in het algemeen onzorgvuldig zijn.
Van gedegen onderzoek naar hun zaak, was naar het oordeel van de betrokkenen, geen sprake.
De personen zagen dit, afhankelijk van geval tot geval, in verschillende zaken tot uiting komen.
Een uitgever van krijgshistorische werken zegt hierover in Vrielink pag. 643-644:
Dus wij zijn ons dossier gaan bekijken (...).
We hebben daarin wel een interessante brief gevonden van het CGKR die een onderzoek heeft gedaan in de winkel.
Ze hadden niks gevonden.
(...)
Maar die waren dus wel anoniem gekomen!
Waarbij het frappante was, dat ze letterlijk zeiden: ‘we hebben ze niet kunnen betrappen op enige antisemitische of racistische uitspraak, noch op anticommunistische uitspraken’.
(...)
Dat betekent dus dat zij aan uitlokking doen.
In de bespreking van het proces-verbaal in het kort geding tegen de uitgever is deze uitlokking van het CGKR reeds aan bod gekomen.
De uitgever schreef hierover in zijn besluiten voor de drie rechters:
Vermeire kan tevens onder ede verklaren dat bepaalde uitspraken op de beurs aan hem ontlokt zijn en als dusdanig in de mond zijn gelegd door zijn ondervragers.
De advocaat van het CGKR heeft tijdens zijn mondeling pleidooi voor de raadkamer trouwens toegegeven dat zij enige ‘druk’ hebben uitgeoefend op Vermeire om hun gegeerde verklaringen te ontfutselen.
De respondenten onthullen dat ze niet alleen uitlokking, leugen en laster hebben ondergaan van de advocaten van het CGKR, maar zelfs regelrechte intimidatie.
Verschillende respondenten hebben ervaren dat de advocaten van het CGKR hun in de wandelgangen van het gerechtsgebouw uitscholden voor racist en antisemiet en dreigden met: ‘we zullen elkaar nog wel terugzien!’ (Vrielink pag. 648).
Velen ervoeren dat de advocaten tegen de rechter klinkklare leugens verkondigden in de vaste overtuiging dat ze gelijk hadden.
Dit bevestigt het gegeven in de strafrechtszaak tegen de uitgever dat de advocaat van het CGKR tijdens het pleidooi voor de drie rechters de leugens herhaalde wat hij in zijn eenzijdig verzoekschrift had geschreven, zoals: (Rulof was een NSB aanhanger).
Deze leugens ‘lekt’ het CGKR ook ‘toevallig’ aan de pers, om de publieke opinie voor zich te winnen.
Dit kwam reeds aan bod bij de bespreking van het kort geding in ‘VTM toont Hitler genie’.
Maar ook vele andere respondenten hebben dit ervaren (Vrielink pag. 709-710):
(...) meldden verschillende respondenten dat de feitenversies van de tegenpartij, die zij veelal betwistten, in de media volledig werden overgenomen voorafgaand aan het proces.
Ook de tenlasteleggingen kwamen in die berichtgeving soms al als bewezen voor.
Daarbij lijkt mee te spelen dat de burgerlijke partijen die vaak betrokken zijn bij de zaak – waaronder het CGKR of antiracistische vzw’s – een vrij gemakkelijke toegang hebben tot de media, waar dat niet het geval is voor de verdachten en beklaagden.
Kenmerkend voor de meeste berichtgeving over rasgerelateerde uitingsdelicten, is dat één kant van het verhaal veelal ontbreekt.
Wederhoor wordt in deze materie zelden toegepast.
(...)
Bovendien leidde het gebrek aan controle van feiten en informatie dat hieruit voortvloeide tot inhoudelijke problemen in de berichtgeving.
(...)
Vrijspraken of buitenvervolgstellingen lijken, althans in dit type zaken, als minder nieuwswaardig te worden gezien.
Zo komen CGKR en pers merkwaardig overeen in handelswijzen.
Vrielink pag. 621:
Wat de personen het meest stoorde in de berichtgeving was dat zij zelf zelden tot nooit de kans kregen om hun kant van het verhaal te vertellen.
Veelal werden de berichten eenzijdig opgesteld, zonder dat de respondenten ooit een journalist hadden gesproken.
Dit werkte een sterk gevoel van miskenning in de hand: er werd wel over de respondenten gesproken, maar eigenlijk nooit mét hen.
Ook kreeg men hierdoor het gevoel dat men al was veroordeeld voor het proces zelfs maar begon.
Een verspreider van een tijdschrift zegt hierover in Vrielink pag. 622:
Bakken artikels in de krant.
Maar er was bijna niemand aanwezig van de pers: (...) een iemand van Belga.
En iedereen had dat gekopieerd.
En ja, als hij dus zegt dat ik een goeie ben, dan staat dat in alle kranten; zegt hij dat ik een slechte ben, dan is het dat.
Dus ja, volgens die mens was ik de duivel-op-aarde.
(...)
De dag daarna: een speciale Terzake, gewijd aan mij!
Opnieuw geen enkele journalist aan mijn deur hè.
Niks, nul, zero.
Maar in Terzake wel 15 minuten daarover hè.
En VTM ook: Telefacts...
Gaan hè!
Volledig gaan!
Vrielink pag. 623:
Wat sommige respondenten, meer bepaald degenen die werden vrijgesproken, verder had gestoord, was dat er voor vrijspraken vaak geen aandacht was in de media.
In de gevallen dat de vrijspraak al in het nieuws kwam, was dat veel minder het geval dan bij de aanvankelijke klacht en/of eventuele tussentijdse veroordelingen.
De nieuwswaarde van vrijspraken of andere uitkomsten die geen veroordeling inhouden, wordt over het algemeen kennelijk als geringer beoordeeld.
Het gevolg daarvan is dat de betrokkenen het gevoel hebben dat ze met hun stigma blijven zitten.
Een man die veroordeeld en daarna vrijgesproken werd voor een vermeende uitspraak op straat zei hierover in Vrielink pag. 623:
Ik heb mijn rechtszetting achteraf ook nooit gekregen: daarna was er geen aandacht meer voor!
Dus de maatschappij weet helemaal niet wat er gebeurd is!
Die denken nog altijd: die jongen is veroordeeld geweest.
Anno 2003 is de Belgische ‘rechtsstaat’ zover gekomen dat men het zingen van een liedje misdadiger vindt dan het neerschieten van een mens.
Een radio-DJ zegt hierover in Vrielink pag. 649:
Er komt dan een beklaagde binnen, een allochtoon, die had bij een overval iemand neergeschoten, en het onderzoek had vijf jaar geduurd.
Die zijn raadsman zegt, ‘ja, in het kader van het onderzoek vinden wij dat de respectabele termijn overschreden is’.
Dat het dus veel te lang had geduurd, ‘en wij vragen dan ook de vrijspraak’.
En die persoon kreeg ook vrijspraak hè, ondanks dat hij iemand néérgeschoten had.
Ik heb een liedje gezóngen, het onderzoek heeft zes jaar en een half geduurd en ik word veroordeeld...
Dat zijn dingen die toch niet kunnen.
Maar ja, dat is de Belgische rechtsstaat dan zeker hè?
Welke ‘rechtsstaat’ hadden de tegenstanders van het werk van Jozef Rulof zich beter kunnen wensen dan België 2003?
In de strijd tegen het Vlaams Blok was het CGKR verworden tot wat ze in woord zou bestrijden: het respectloze beledigen, belasteren, aanvallen en veroordelen van onschuldige ‘beklaagden’.
Welk respect is er immers te ontwaren in het beschuldigen en vervolgen van de uitgever en de schrijver, zonder voorafgaand grondig onderzoek te plegen, zonder met een medemens te praten?
Vrielink zegt het heel netjes op pag. 703, in verband met het beginsel van naar een ander te luisteren:
Men kan argumenteren dat het zeker voor een overheidsinstantie als het CGKR gepast zou zijn om dit beginsel eveneens te hanteren.
Temeer daar dit aansluit bij de voorkeur die de instelling geeft aan “formules van dialoog, onderhandeling, verzoening en zelfs bemiddeling”.
(...)
Zo kunnen hierdoor eventuele misverstanden vermeden worden en het kan voorkomen dat er op basis van eenzijdige of incorrecte informatie verdere stappen worden gezet in een dossier.
Verder creëerde het feit dat nagelaten werd om de aangeklaagden te contacteren bij hen de perceptie van het CGKR als een instelling die personen niet menselijk of menswaardig behandelt, terwijl die juist hetgeen is waarvoor het beoogt op te komen.
En meer omvattend op pag. 706:
De vraag kan echter worden opgeworpen of het Centrum zijn bevoegdheid om op te treden in rechte eigenlijk wel moet behouden.
Een alternatieve en meer vergaande oplossing voor enkele geïdentificeerde problemen zou zijn om die mogelijkheid in haar geheel te onttrekken aan het CGKR.
Tijdens het schrijven van dit dossier geeft het CGKR op haar website www.diversiteit.be letterlijk weer onder de titel “Onthalen, luisteren, oriënteren en helpen” in de afdeling ‘opdrachten van het Centrum’: “Daarom geeft het Centrum de voorkeur aan formules van dialoog, onderhandeling, verzoening en zelfs bemiddeling.”
Waar zijn al die mooie woorden gebleven nu de uitgever heeft moeten ervaren dat het CGKR hem door middel van een eenzijdig verzoekschrift heeft geprobeerd te veroordelen, en toen dat niet lukte, de strijd intensifieerde in kort geding, pers beïnvloeding en strafrechtszaak, zonder ‘dialoog, onderhandeling, verzoening en zelfs bemiddeling’, ja zelfs zonder één woord met ons van mens tot mens te spreken?