Concrete weerleggingen

De uitgever heeft in zijn besluiten stap voor stap elke beschuldiging inzake racisme geanalyseerd. In het hiernavolgende komen de concrete weerleggingen van de uitgever aan bod.
De onderstaande tekst komt uit de besluiten ten gronde van de uitgever.
De ‘B’-punten verwijzen naar de citaten uit de boeken van Jozef Rulof die volgens het OM racistisch van aard waren, en die ook letterlijk opgenomen werden in het vonnis van de drie rechters als tenlasteleggingen inzake racisme.
B.1.
In het aardse, dus stoffelijke leven, gaat de mens van de eerste stoffelijke graad naar de tweede en dit is in het rassenprobleem (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) op aarde waar te nemen, wat ik je straks duidelijk zal maken.
Dat zijn de stoffelijke overgangen, waarin de mens leeft.
Zij die tot de eerste overgang behoren, ik bedoel de mens op aarde, leven in de oerwouden en hebben de hogere overgangen nog niet bereikt.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De schrijver spreekt hier over ‘het aardse, dus stoffelijke leven’, ‘de eerste stoffelijke graad’ en ‘de stoffelijke overgangen’.
Met ‘stoffelijk’ bedoelt de schrijver meestal ‘lichamelijk’.
Hij maakt een sterk onderscheid tussen het lichaam en de ziel van een mens.
Het lichaam wordt gezien als een tijdelijke verblijfsplaats voor de ziel die incarnatie na incarnatie ervaringen opdoet door middel van een lichaam, om zich als ziel te verrijken en te groeien tot een geestelijk hoogstaand wezen.
Met de zeven stoffelijke graden wordt dus de ontwikkeling van het menselijk lichaam bedoeld.
Het eerste lichaam op aarde met een echt menselijke bouw en gestalte wordt de eerste stoffelijke graad genoemd.
Dit is een benaming voor het lichaam, niet voor de ziel of haar gevoelsleven, noch voor de persoonlijkheid, en ook niet voor datgene wat wij ‘mens’ noemen.
Er leeft geen ‘mens’ in een stoffelijke graad.
Als de schrijver over stoffelijke graad spreekt heeft hij het over het lichaam waarin de ziel op dat moment leeft.
Voor de aanduiding van de ontwikkelingsgraden van het innerlijke leven van de ziel, ons gevoelsleven, spreekt de schrijver over innerlijke gevoelsgraden of bewustzijnsgraden.
De schrijver stelt dat de ziel op aarde zeven stoffelijke graden doorloopt, dit zijn zeven graden van lichamen.
De schrijver stelt dat als men dit begrijpt, men dan ook het ‘probleem’ van de rassen kent, dus waarom er verschillende mensenrassen zouden zijn en hoe die ontstaan zijn.
De schrijver gebruikt in bovenstaand citaat de term ‘rassen’ om zich duidelijk uit te drukken voor de lezer uit de tijd dat dit boek haar eerste druk beleefde, september 1939.
De schrijver geeft echter aan dat het lichamelijke onderscheid tussen mensen op basis van ‘rassen’ geen betekenis heeft.
In 1939 verbonden veel mensen aan ras en huidskleur nog vaak een waardeoordeel.
Maar de schrijver legde reeds in die tijd uit dat de verklaring van het verschil in lichaam tussen mensen – wat men met het oog waarneemt – ergens anders gezocht moest worden.
Hij spreekt over zeven levensgraden.
Hiermee bedoelde hij zeven opeenvolgende graden van stoffelijke lichamelijke ontwikkeling die de ziel beleeft.
De schrijver gebruikt het woord ‘ras’ om zijn lezers een gevoel te geven waar het om gaat.
Zijn lezers in 1939 denken in ‘rassen’ als onderscheid tussen mensen op basis van het lichaam.
De schrijver bedoelt een onderscheid op basis van het lichaam, en gebruikt daarom de ingeburgerde terminologie.
De schrijver wil echter iets uitleggen over ‘stoffelijke levensgraden’.
Het probleem van die categorieën van lichamen die de schrijver bedoelt is dat de lezer zo op het zicht niet het onderscheid kan waarnemen van wat de schrijver bedoelt.
Tussen bijvoorbeeld de zesde en zevende stoffelijke overgang van lichaam ziet men geen stoffelijk verschil.
Vanzelfsprekend is nu ook, dat de zesde bijna niet meer te onderscheiden is van de zevende levensgraad, toch is dat waar te nemen, omdat nu het bewustzijn spreekt.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De schrijver wil dus iets uitleggen wat de lezer niet onmiddellijk met zijn eigen ogen kan verifiëren.
Om toch een gevoel te geven waar het de schrijver over gaat, gebruikt hij dus het woord ‘ras’, een aards bekend begrip, omdat de lezer zich daar wel iets bij kan voorstellen.
Het gemeenschappelijke kenmerk tussen ‘stoffelijke levensgraad’ en ‘ras’ is dus het feit dat men een onderscheid maakt tussen wat wij ‘de mens’ noemen op basis van het lichaam.
Zo zegt hij ook wel eens: ik moet het doen met uw woordenboek, maar ik zou een nieuwe moeten schrijven.
Tussen ‘stoffelijke levensgraad’ of ‘stoffelijke overgang’ en ‘ras’ bestaat er voor de rest geen correlatie.
Enerzijds behoren volgens de filosofie van Jozef Rulof vele verschillende zogenaamde rassen (zoals de lezer ze indeelde in 1939) tot dezelfde stoffelijke levensgraad.
Zo hoort bijvoorbeeld het lichaam van ‘kleurlingen’, ‘negers’, ‘het oosterse type’, blanken, Chinezen, Japanners, Indiërs en vele andere zogenaamde rassen tot de zevende stoffelijke levensgraad.
Anderzijds strekt één zogenaamd ‘ras’ (zoals de lezer dat in 1939 bekeek) zich uit over verschillende levensgraden.
Zo behoren er bijvoorbeeld Chinese lichamen tot de zesde stoffelijke levensgraad en andere Chinese lichamen tot de zevende graad.
Het blanke lichaam komt voor in de vijfde tot en met de zevende stoffelijke levensgraad.
De schrijver zelf denkt dus niet in termen van ‘rassen’ maar gebruikt de terminologie van de mens uit de eerste helft van vorige eeuw om zich voor zijn lezers verstaanbaar te maken.
Wij gebruiken de aardse taal wel voor de aarde, omdat we ons daar op die manier verstaanbaar moeten maken, maar begrijp me goed, André, we gebruiken hier alleen onze geestelijke kracht, dus ook voor de taal.
Een Blik in het Hiernamaals, 1936
De schrijver denkt bij termen als ‘mens’ iets heel anders dan zijn toehoorders en lezers.
Om te weten te komen wat de schrijver met een bepaalde passage bedoelt is het daarom van essentieel belang de context mee te nemen in het beschouwen van een passage, en eigenlijk is het zelfs noodzakelijk om zijn hele filosofie van meer dan 11.000 pagina’s door te nemen, omdat dan pas met zekerheid duidelijk is wat hij met welbepaalde termen als bijv.
‘mens’ of ‘persoonlijkheid’ bedoelt:
(Meneer in de zaal): ‘Maar is het niet zo dat je bepaalde begrippen, bijvoorbeeld ook het woord persoonlijkheid en het woord God, dat over het algemeen de mensen er heel iets anders onder verstaan, ook als u er misschien onder zal verstaan?’
Jazeker, dat is het.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De schrijver stelt dat mensen die een lichaam van de eerste stoffelijke overgang bewonen in de oerwouden leven.
Hij bedoelt hier eigenlijk kannibalen mee.
Er liggen tussen het stoffelijke organisme zeven graden en de mensen die in de eerste graad leven, zijn diegenen op aarde, die men koppensnellers noemt.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zij leven hun eigen leven, zonderen zich van de massa af, leven in holen en krotten en zijn gereed om andere rassoorten (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) af te slachten en hun vlees te eten.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.2.
Op al de planeten die je hebt waargenomen, leeft alleen het donkere, bruinzwarte ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl).
Vanaf het beginstadium tot de laatste overgang toe zijn er van deze mensen geweest.
Doch het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) heeft slechts de derde graad voortgebracht, leeft dus alleen op aarde.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De tekst van de strafvordering was het woord ‘derde’ vergeten voor ‘graad’, een essentieel woord hier om het gezegde te begrijpen.
De schrijver bedoelt hier niet de derde stoffelijke levensgraad maar de derde kosmische levensgraad.
De schrijver stelt dat er zeven graden van kosmisch leven bestaan.
Het leven dat zich op de planeet aarde bevindt behoort dan tot de derde kosmische levensgraad.
De menselijke ziel die nu op aarde verblijft, zou voordien op andere planeten geleefd hebben in andersoortige lichamen.
De schrijver stelt dat de lichamen waar de ziel in verbleef op vorige planeten vóór de aarde, een bruinzwarte huidskleur vertoonden.
Hiermee bedoelt hij dezelfde huidskleur als de eerste stoffelijke overgang op aarde.
Vanaf het beginstadium tot de laatste overgang op die vorige planeten zouden er van die mensen geweest zijn.
Doch de blanke huidskleur is alleen voortgebracht door de planeet aarde.
B.3.
Ontzaglijk groot waren de dieren die hier leefden, toch weer niet zo groot als op de tweede planeet en de mens was behaard en sterk, hoewel dit een ander kleed was dan zij daar droegen.
Dit lichaam was reeds fijner en volmaakter, maar de huidskleur was donker.
Het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) kende men in deze tijd nog niet.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Deze tekst is gesitueerd in de oertijd van de ontzaglijke grote dieren (dinosaurussen e.a.).
De schrijver stelt dat er in de oertijd geen blank lichaam bestond.
De scherpe afbakening tussen stoffelijke overgangen is in de oertijd gesitueerd.
In de huidige tijd kan men niet meer spreken van zeven verschillende stoffelijke overgangen, omdat er nu ‘duizenden’ overgangen zijn.
In feite is elk lichaam nu een verschillende ‘overgang’ omdat er geen enkel lichaam nog tot één bepaalde graad behoort.
Het CGKR is zich blijkbaar niet bewust van het feit dat het onderscheid tussen zeven lichamelijke levensgraden in de boeken van Jozef Rulof bedoeld is om het historisch ontstaan van de verschillende zogenaamde rassen en lichamen van de mens op aarde te verklaren, maar dat in de huidige tijd dat verschil opgelost is.
B.4.
Er leven in de oerwouden nog donkere rassen (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl), die in die toestand moeten overgaan en de hoogste graad nog moeten bereiken.
Men moet deze niet verwarren met het oosterse type, want die wezens behoren reeds tot het volmaakte stoffelijke wezen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De schrijver waarschuwt hier voor het alleen kijken naar een donkere huidskleur in het kader van de stoffelijke levensgraden.
Hij geeft aan dat er ook in de hoogste (zevende, stoffelijke) graad lichamen zijn die donkergekleurd zijn en tot ‘het oosterse type’ behoren.
Hoewel met een gelijkende donkere huidskleur zijn deze lichamen volgens de schrijver geëvolueerd tot ‘het volmaakte stoffelijke wezen’.
Het is dus niet de huidskleur die het onderscheidend kenmerk is tussen de (eerste en zevende) stoffelijke levengraden.
Voor de donkergekleurde lichamen die tot de hogere (vijfde, zesde en zevende) stoffelijke overgangen behoren, gebruikt de schrijver meestal de term ‘kleurlingen’.
De donkere huidskleur van deze lichamen is volgens de schrijver ‘door de natuur zo gekleurd’.
Men kan hier denken aan de invloed van de zon.
De donkere huidskleur heeft dus niets te maken met de graad van stoffelijke afstemming – zoals de bruinzwarte huidskleur van de kannibalen – maar met een ‘kleuring’ binnen dezelfde hoogste stoffelijke afstemming:
‘Er zijn vele rassoorten, kleurlingen dus, die toch de hoogste stoffelijke afstemming hebben bereikt.
Is je dit duidelijk?’
‘Ja Alcar, maar zijn die mensen door de natuur zo gekleurd?’
‘Ja, de kleurlingen die jij bedoelt, hebben met déze wezens (eerste drie stoffelijke graden) niets uit te staan.
Maar zie deze wezens en kijk dan naar hen die je als kleurlingen ziet.
Hoe groot is het verschil!
Deze mensen (zielen met een lichaam uit de eerste stoffelijke graden) zijn nog niet zover, zij zijn primitief, onbeholpen en schuchter.
Zij zonderen zich van de massa af en kunnen zich nog niet aanpassen.
Die kleurlingen bezitten meer gevoel en zij leven tussen de blanken.
Die wezens (negers en kleurlingen), dat zal je nu duidelijk zijn, bevinden zich in een heel andere toestand en hebben met ons zielenleven verbinding.
Ook hun stoffelijke organisme is volmaakt en niet te vergelijken met al deze graden (laagste drie) die wij tot nu hebben gevolgd.’
Om het verschil in levensgraad te bevoelen zegt de schrijver te kijken naar het innerlijke van de mens.
Mensen met een lichaam van de zevende stoffelijke graad hebben ‘meer gevoel’ dan de kannibalen die ‘primitief, onbeholpen en schuchter’ zijn.
De levenswijze van de eerste vier stoffelijke overgangen staat in scherp contrast met de hogere stoffelijke overgangen:
Vanzelfsprekend is nu ook, dat de zesde bijna niet meer te onderscheiden is van de zevende levensgraad, toch is dat waar te nemen, omdat nu het bewustzijn spreekt.
Elk volk vertegenwoordigt nu dus een eigen levensgraad.
De rassoorten (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) vertegenwoordigen een organische afstemming voor de levensgraad.
En dat is het menselijke organisme.
Scherp tekenen zich de levensgraden voor de stoffelijke ontwaking af, ten opzichte van de eerste vier graden.
Chinezen en Japanners, vertegenwoordigen de zesde en zevende levensgraden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De mens nu van deze maatschappij is ontwaakt.
Deze mens heeft zich een wereld geschapen, hoe die wereld is, doet er niets toe.
Deze mens leeft in de steden en op het land.
Dat zijn nu dus miljoenen mensen die de zevende levensgraad vertegenwoordigen.
En dat zijn bovendien volken, stammen dus, die zich door de eeuwen heen als levensgraad afsloten en zich een naam als volk hebben gegeven.
Ook die ontwikkeling heeft duizenden eeuwen geduurd, waardoor al die nationaliteiten zijn ontstaan.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
De zevende levensgraad bevat dus miljoenen mensen die over de aarde verspreid leven en zichzelf in de loop der tijden gevormd en afgescheiden hebben tot verschillende volken, nationaliteiten, talen en culturen.
Maar voor de schrijver is dit onderscheid slechts secundair.
Al deze lichamen behoren tot de zevende stoffelijke overgang.
De mens zelf maakt een onderscheid tussen volken en nationaliteiten, maar de schrijver kijkt eerder naar het gezamenlijke van al deze mensen, en dat is dat ze tot dezelfde hoogste stoffelijke overgang behoren, of ze nu een ‘blanke, gele, rode, gekleurde of donkere’ huidskleur bezitten, of ze nu tot een (al of niet door hen zelf belangrijk geachte) verschillende afkomst of de nationale of etnische afstamming behoren.
Dit is voor al die overgangen, dus ook voor de hoogste graad.
Ook het tegenwoordige ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) leeft verspreid en is toch één, allen hebben één stoffelijke graad van organisme bereikt al spreken zij verschillende talen.
Dat heeft met dit alles niets uit te staan.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Het behoren tot de hogere stoffelijke overgangen wordt dus niet gekenmerkt door een ‘raskenmerk’ of ‘huidskleur’ of ‘de plaats op aarde waar men leeft’ maar door het feit dat de mens zich heeft los gemaakt van het lichaam en het leven in het oerwoud als kannibaal.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, ik mocht dat even horen, u zegt daar dat, de Japanner en de Chinees hebben het fraaiste organisme.’
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Een geestelijke leraar van Jozef Rulof antwoordt hierop:
Het fraaiste?
Wie zegt, hebt u mij over ‘fraai’ horen spreken?
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
Hij verduidelijkt dat enkel om het lichaam gaat:
U moet niet naar die oogjes kijken; u kijkt naar het organisme, dat is de zevende graad.
U hebt oosterse graden, u hebt westerse graden, u hebt ze in Zuid, Noord, Oost en West.
En dat lichaam heeft, of u nu daar leeft of u komt daarvandaan of hiervandaan, u hebt het hoogste organisme, de zevende graad voor organisch leven: u hebt u vrij- en losgemaakt van het oerwoud.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
De zielen waarvan het lichaam tot de hoogste stoffelijke graad behoort zijn verspreid over de hele wereld en zien wij als de meeste mensen en volkeren die op dit moment de aarde bevolken.
Als voorbeelden spreekt de schrijver met het woordgebruik uit 1939 over ‘blanken’, ‘het oosterse type’, ‘negers’ en ‘kleurlingen’, Chinezen en Japanners.
Ook de ‘neger’ (woordgebruik in 1939) heeft niets meer te maken met het donkergekleurde lichaam van de eerste stoffelijke overgang:
Gij weet bovendien, dat de kleurlingen als de donkere rassen, bovendien de zevende graad voor het menselijke organisme hebben bereikt en dat die kleurlingen géén oerwoudbewoners meer zijn.
Negers (zie artikel ‘Anti racisme en discriminatie’ op rulof.nl) hebben afstemming op de zesde en zevende levensgraad.
Gij kunt de verhoogde bewustwording vaststellen, de oerwoudbewoner moet dat stadium nog bereiken.
Dat zijn voor de negers (zie artikel ‘Anti racisme en discriminatie’ op rulof.nl) de bloedafstemmingen en heeft niets meer te betekenen voor de zeven levensgraden.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
B.5.
Het is dus geen wonder, André, dat er nog donkere rassen (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) op aarde aanwezig zijn.
In de biljoenen jaren die voorbijgingen, zijn deze wezens nog niet zover gekomen en daar zijn nog miljoenen jaren voor nodig.
Maar hoelang dit ook duurt, het zal en het moet geschieden.
Er komt dus een tijd, dat er geen donkere wezens op aarde meer zijn, dan zijn al die soorten van mensen in één soort overgegaan.
Dit is dan de hoogste stoffelijke graad die wij kennen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Met donkere rassen bedoelt de schrijver dus de eerste stoffelijke overgangen.
Wanneer al de zielen deze stoffelijke overgangen hebben doorlopen, zullen die overgangen oplossen en zullen alle mensen in één soort overgaan, dat wil zeggen een lichaam van de zevende stoffelijke graad bewonen.
De ‘biljoenen jaren’ verwijst naar de levens die de ziel heeft beleefd vooraleer zij aan de aardse (derde kosmische levens-) graad van ontwikkeling begon.
B.6.
„Er komt dus een tijd, dat er tevens geen bruinzwarte mensen (zie artikel ‘Mens of ziel’ op rulof.nl) meer op aarde zijn?”
„Zeer goed, André, ook die menselijke graden, zoals ik al zei, zullen en moeten oplossen.
Het verheugt mij, dat je dit alles hebt begrepen.
Er zullen wel rassen (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) aanwezig zijn, maar de eerste zes graden zullen in de zevende graad oplossen, omdat de ziel dit beleven moet.”
„Er zullen dus, als ik u goed heb begrepen, wanneer het einde van de aarde in aantocht is, alleen hogere diersoorten en tevens geestelijke mensen op aarde leven?”
„Ook dat is heel duidelijk, André.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De ‘bruinzwarte mensen’ verwijst naar de eerste lichamelijke overgang.
‘Er zullen wel (verschillende) rassen aanwezig zijn’ in de zevende (stoffelijke) graad!
Ook hier geeft de schrijver weer aan dat rassen en graden iets totaal verschillend is.
Er zullen verschillende rassen (in de terminologie die de lezer in 1939 gebruikte) in de zevende graad aanwezig blijven, nadat de eerste zes graden opgelost zijn.
De hoogste zevende graad bestaat dus uit lichamen die tot vele verschillende zogenaamde rassen behoren.
De schrijver stelt dat de ziel een evolutie doorloopt die zowel stoffelijk als geestelijk is.
Stoffelijk-lichamelijk doorloopt de ziel lichamen van de zeven opeenvolgende stoffelijke overgangen of graden.
Nadat alle zielen de eerste zes graden doorlopen hebben, zijn die lichamen niet meer nodig om de zielen ervaringen te geven en sterven die lichamen dus uit, omdat alle zielen dan in een lichaam van de zevende graad zullen (blijven) wonen.
Het stoffelijk lichaam dient alleen om de ziel de mogelijkheid te geven ervaringen op te doen in het stoffelijk leven, zodat de ziel als mens innerlijk kan groeien.
Die innerlijke groei mondt uit – ‘wanneer het einde van de aarde in aantocht is’ – in ‘geestelijke mensen’.
Het innerlijk gevoelsleven evolueert van een kannibalistisch gevoel in het oerwoud tot een geestelijk gevoel.
Het geestelijk gevoel is gekenmerkt door liefde voor al wat leeft.
Met het einde van de aarde bedoelt de schrijver de tijd dat alle zielen geestelijk voelen en alles geleerd hebben wat er hier op aarde te leren valt.
Dan gaan alle zielen naar de volgende (vierde) kosmische levensgraad, en daarna houdt moeder Aarde op met haar moederschap.
Deze tijd is nu al te berekenen aan de tijd dat de zon uit ons zonnestelsel ‘opgebrand’ zal zijn.
B.7.
In deze tijd had de aarde voor een derde haar taak volbracht en dit was een groot wonder.
Doch voor hen die in een lagere graad van stoffelijk organisme leefden en het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) ontmoetten, was het tevens een groot wonder deze mensen te zien.
Zij begrepen daar niets van, maar de blanken wisten met hen wel raad en vielen hen aan.
De meer stoffelijk gevorderde mens overheerste dus de planeet aarde, maar deed dit door doodslag en geweld.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
In 1939 – het jaar dat dit boek geschreven werd – was het nog schering en inslag dat de westerse mens ‘nieuwe stammen’ ontdekte in de oerwouden.
Wanneer deze oerwoudbewoners een blanke huidskleur ontmoetten, begrepen ze daar niets van omdat ze dat nog nooit in hun leven gezien hadden.
Ze wisten voordien van het bestaan van ‘blanken’ niet af.
Het moet voor hen wel een héél gek gezicht geweest zijn…
Van de blanke wordt hier gezegd dat hij de ‘meer stoffelijk gevorderde mens’ was.
De schrijver bedoelt dit tweeërlei.
Het blanke lichaam dat tot de zevende stoffelijke overgang behoort, is volgens de schrijver ‘meer gevorderd’.
Door het beleven van dat lichaam is de ziel ook in zijn gevoel ‘stoffelijk gevorderd’.
Hij heeft in de stof, de materie, een meer gevorderde levensstijl opgebouwd.
Hij heeft steden gebouwd die uiting zijn van zijn heerschappij over de stof.
Hij heeft stoffelijke gereedschappen ontwikkeld die zijn leven veraangenamen.
En hij heeft wapens uitgedacht en vervaardigd waarmee hij andere mensen kon overheersen.
De stoffelijk gevorderde mens (waaronder ‘de blanken’) overheerste dus de planeet aarde, ‘maar deed dit door doodslag en geweld’.
De betekenis van het woord ‘maar’ is hier significant.
De schrijver geeft aan dat de ziel in de zevende stoffelijke overgang wel stoffelijk gevorderd is, maar nog niet geestelijk gevorderd.
Hij is nog niet geestelijk voelend geworden, hij past nog doodslag en geweld toe, wat behoort tot een lagere gevoelsgraad.
De stoffelijke en geestelijke evolutie is dus niet gelijk gelopen, de mens is alleen stoffelijk gevorderd.
Integendeel, de ziel die in de hoogste stoffelijke overgang leeft heeft het grootste ‘kwaad’ in de geschiedenis van de mensheid uitgehaald.
Wat in deze besluiten over Hitler en zijn ‘soort’ is gezegd mag hiertoe als bewijs dienen.
Door hen is het allerdiepste kwaad beleefd, doordat zij de macht in handen hadden.
Het CGKR gaat er door een oppervlakkige en verkeerde lezing wellicht van uit dat in de boeken van Jozef Rulof ‘het blanke ras het hoogste ras is op aarde’.
De schrijver toont aan dat de ziel in haar blanke levens juist de ergste ‘misdaden’ tegen de mensheid heeft begaan en geestelijk gezien zo het diepst gevallen is.
De schrijver heeft het dus over een volgens hem stoffelijke evolutie, geen geestelijke of menselijke evolutie.
B.8.
Het ene ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) was echter verder dan het andere.
Er waren reeds, zoals je weet, blanken en dit ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) werd door de planeet aarde verfraaid, tot dit stofkleed de hoogste graad had bereikt.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Het blanke ‘ras’ werd door de planeet aarde verfraaid tot dit stofkleed (lichaam) de hoogste zevende stoffelijke graad bereikt had.
Vanaf de vijfde stoffelijke graad ontstond er een blank lichaam, en dit werd verfraaid totdat het tot de zesde stoffelijke graad behoorde, om vervolgens naar de zevende stoffelijke graad over te gaan. Op dat moment zijn er dus blanke lichamen in drie graden, de vijfde, zesde en zevende stoffelijke levensgraad.
Het blanke lichaam is dus niet synoniem met de zevende stoffelijke graad, net zomin als er alleen blanke lichamen tot de zevende stoffelijke graad zouden behoren.
Zoals hoger aangetoond is het blanke lichaam slechts één van de vele soorten die tot de zevende stoffelijke graad behoren, naast de meeste andere lichamen die momenteel door de ziel op aarde bewoond worden.
B.9.
Geen blanke zal zich met hen, die zich in die duistere en donkere gewaden bevinden, vergelijken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Er zijn zelfs menselijke wezens die men niet eens kent, die nog geen hoogste stoffelijke graad, het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl), hebben gezien.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
In de tijd dat dit boek geschreven werd, 1939, was er maatschappelijk een discussie of de nieuw ontdekte stammen in de wildernis ‘wel mensen waren’.
De westerse mens wist nog maar weinig van deze stammen af.
Men was nog maar net begonnen de vleugels uit te slaan en de aarde te bereizen.
In die tijd zou de doorsnee lezer van dit boek zich niet willen vergelijken met de kannibalen in het oerwoud.
Deze oerwoudbewoners aten immers nog mensenvlees.
Zo hoorde Jozef Rulof over de radio een verslag uit de toenmalige Nederlandse koloniën.
Op 10 april 1952 bracht hij dit op een Vraag en Antwoord avond ter sprake:
Wij zijn zo gek op Nieuw-Guinea, maar als onze ambtenaren een beetje diep het oerwoud ingaan, gaan ze de pot in.
Wij willen gaarne Nieuw-Guinea bewustzijn geven.
Daar zijn al mensen die een doctorstitel hebben en die daar ...
Ik heb ze voor de radio gehoord.
Ik denk: Nu moet je die mensen toch eens horen, dat zijn allemaal zomaar geen papoea’s meer.
Maar hij zegt het zelf, meneer: ‘Als we even over die bergen komen, gaan we de pot in.’
Daar doen ze nog aan schedelmeppen, eraf halen eventjes, dan komen we met zo’n grote haardos van een Hagenaar aan de jas en dan zeggen: ‘Ik heb er weer een.’
Dat gebeurt daar nog.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
In de eerste helft van de vorige eeuw beschouwden vele blanke westerlingen deze Papoea’s niet als mensen, maar als dierlijke wezens.
Jozef Rulof niet.
Jozef voelde dat ieder mens gelijkwaardig is, ongeacht zijn lichaam, levenswijze of bewustzijn.
Hij geloofde dat elke ziel uit dezelfde bron geboren was, ook al was dat niet op hetzelfde tijdstip gebeurd.
In ‘Het Ontstaan van het Heelal’ vraagt hij zijn geestelijke leider Alcar of de aardse geleerden de oorzaak van het verschil in bewustzijn tussen de menseneters en de ‘geciviliseerde’ mens al doorgrond hadden?
„Weet men daarvan op aarde af?”
„Neen, niets, maar wel weten zij, dat er verschillende mensenrassen (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) zijn, doch de betekenis van al die mensenrassen kennen zij niet.
Want waarom heeft de ene mens de hoogste graad bereikt en leeft de andere in het oerwoud en vergrijpt zich aan het leven van anderen?
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De boeken van Jozef Rulof geven in krachtige taal te kennen dat wat zijn tijdgenoten doen – het neerkijken op mensen met een andere huidskleur of levenswijze – op henzelf zal terugslaan.
De boeken roepen uit dat het de bedoeling is dat we elkaar respecteren én helpen in plaats van te vervloeken.
Er is geen plaats voor racisten die een ander ras vervloeken!:
Aan alles komt een einde en de laagste graad gaat in de hoogste over en de hoogste daalt tot de laagste af om hen te helpen.
Wie het éne of andere ras vervloekt, gaat zelf ten onder.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.9. lijkt te spreken over het blanke ras als de hoogste stoffelijke graad.
Supra is aangetoond dat naast het blanke ras ook het lichaam van de meeste mensen die momenteel op aarde leven behoort tot die hoogste stoffelijke graad.
Toch gebruikt de schrijver herhaaldelijk de term ‘het blanke ras’ als ‘vertegenwoordiging’ van de hoogste stoffelijke graad:
De zesde en zevende graad wordt vertegenwoordigd door het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl)!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 4, 1944
Waarom dan precies die ene zogenaamde rassoort eruit genomen om de hele stoffelijke levensgraad te vertegenwoordigen?
Omdat de blanke huidskleur een onderscheidend kenmerk is dat volgens de schrijver alleen voorkomt in de vijfde, zesde en zevende stoffelijke graad, terwijl de donkere huidskleuren in al de zeven stoffelijke graden vertegenwoordigd zijn.
Want er zijn donkergekleurde kannibalen in het oerwoud waarvan het lichaam tot de eerste stoffelijke graad behoort, en er zijn donkergekleurde ‘negers’ waarvan het lichaam tot de zevende stoffelijke graad behoort.
Het feit dat iemand een donkere huidskleur heeft vertelt dus niets over de graad van afstemming van het stoffelijke lichaam, terwijl het blanke lichaam verwijst naar de vijfde, zesde of zevende stoffelijke graad.
De term ‘het blanke ras’ staat in de boeken synoniem voor ‘de hogere stoffelijke graden’, met inbegrip van alle kleurtjes die in die hogere graden vertegenwoordigd zijn.
De schrijver heeft met de term ‘het blanke ras’ alleen het stoffelijke lichaam op het oog, en niet zozeer de ziel of mens die in dat lichaam leeft.
De geestelijke evolutie van de innerlijke mens is een heel ander verhaal.
Het lichaam is al wel blank of behorend tot de zevende stoffelijke graad, maar daarom is de menselijke geest nog niet geëvolueerd.
Het volgende citaat is genomen uit een Vraag en Antwoord avond.
Hierin is ‘Meester Zelanus’ een geestelijke leraar van Jozef Rulof.
Meester Zelanus is ook genoemd als de schrijver van ‘De Volkeren der Aarde’:
‘(Meneer in de zaal): ‘Het blanke ras is het hoogste ras.’ (…) ‘Maar als je eens een keertje bij mij op mijn werk komt, dan zou je bij je eigen denken dat je eigenlijk nog in het oerwoud aanwezig was.’ (…)
(Meester Zelanus): In het voelen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
(Meester Zelanus): Maar u moet het lichamelijk zien.
Dít is het blanke ras.
Maar uw blanke geest is er nog niet.’
De blanke huidskleur zegt dus niets over de graad van voelen en denken van de bewoner van dat blanke lichaam:
‘(Mevrouw in de zaal): ‘Hoe komt het dan, als het blanke ras het hoogste ras is, dat er nog zoveel mensen zijn die beestig zijn (…)?’
(Meester Zelanus): Mijn lieve kind, u hebt ook de geestelijke graad nog niet bereikt.
(…)
Wat doet de maatschappij, wat doen miljoenen mensen?
Ze zijn nog niet zover.
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar toch hebben ze het blanke lichaam.’
(Meester Zelanus): Tja, maar (…) in dat blanke lichaam leeft de dierlijke graad voor voelen en denken (…) Ze knallen u zo neer, nietwaar?
Ze hebben geen ontzag voor uw blanke ras, voor uw mens-zijn.
Er leeft goed en kwaad in uw maatschappij op de aarde, en die is bewust.’
B.10.
En toch, eens droeg hij dit zwarte kleed, want God kent en maakt geen onderscheid.
Eens leefden al die blanken in het oerwoud, allen zijn wij hier geweest.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Tot grote ontsteltenis van zijn (blanke) lezers stelt de schrijver van ‘Het Ontstaan van het Heelal’ dat ze allemaal ooit in het oerwoud geleefd hebben als koppensnellers.
Dat elke blanke als ziel vroeger geleefd heeft in een lichaam van de eerste stoffelijke overgang, met een levenswijze als kannibaal.
Dat iedere ziel doorheen de zeven opeenvolgende stoffelijke levensgraden wandelt.
Dat iedere ziel in grote lijnen dezelfde evolutie beleeft, en dezelfde graden van stoffelijke en geestelijke evolutie doorloopt.
Dit betekent dat iedere ziel in essentie ‘gelijkwaardig’ is, ongeacht het evolutiemoment van die ziel in het heden.
Voor de blanke lezers waarvan velen in die tijd neerkeken op de ‘zwartjes’ uit het oerwoud was dat een moeilijke ‘pil’ om te slikken.
B.10. handelt eigenlijk over ‘de geleerde’.
Vele geleerden in die tijd keken hooghartig op de ‘zwartjes’ neer:
‘(…) zij (kannibalen) jagen en moorden en eten mensenvlees en zijn als wilde dieren.
(…) Doch vraag dat nu eens aan een geleerde van de aarde die hiervan zijn studie heeft gemaakt.
Wat zal hij antwoorden?
(…) Ziet hij niet als een godheid op hen neer?
En toch, eens droeg hij dit zwarte kleed, want God kent en maakt geen onderscheid.
Eens leefden al die blanken in het oerwoud, allen zijn wij hier geweest.’
De schrijver stelt dat elke ziel alle zogenaamde rassen beleefd om zich in al die levens iets eigens te maken dat kan dienen voor de geestelijke evolutie:
Eenieder die op aarde leeft, welk ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) ook, heeft hier eens geleefd en heeft die wetten, dat natuurwetten zijn, moeten volgen.
In al de mensenrassen (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) gaan wij over en er is geen plaatsje op aarde of wij zijn er geweest en hebben daar geleefd.
Dat alles houdt met het stoffelijke organisme verband, de vele graden die er zijn en de vele rassen (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) die verspreid op aarde leven.
Van het ene leven gaan wij in het andere over en zullen ons in die levens iets eigen maken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.11.
Hier, mijn zoon, in dit diepe en donkere oerwoud, hier in dit zwarte stoffelijke kleed en in al die ellende, begon jouw en mijn leven op aarde.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De geestelijke leider van Jozef Rulof maakt het voor Jozef wel heel persoonlijk door hem te vertellen dat hun beider leven op aarde in het diepe oerwoud begonnen is als kannibaal in een zwart lichaam.
Vergeleken met de stoffelijke rijkdom die de ziel in de zevende stoffelijke graad kent wordt dat leven in het oerwoud beschouwd als ‘ellende’:
Deze mensen lopen naakt, kennen al die aardse genoegens niet die de mensen nu bezitten en die het leven op aarde veraangenamen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.12.
In het beginstadium van de aarde is dit begonnen.
Doch in die tijd waren het andere en donkere stammen, doch later kwamen de blanken en die wezens wisten eerst goed hoe het moest.
Het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl), dat deze genade van God niet begreep, zijn eigen stoffelijke afstemming niet kende, slachtte het donkere wezen af.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Het blanke ras gebruikte zijn gevorderde stoffelijke toestand en mogelijkheden om zijn donkergekleurde soortgenoten af te slachten.
Het blanke ras is dus geestelijk gezien helemaal niet zo ‘gevorderd’.
De ziel in haar ‘blanke levens’ heeft zich verloren in uiterlijke opschik terwijl ze haar geestelijke evolutie – waar het eigenlijk om gaat – liet verschrompelen.
Ze is niet alleen niet innerlijk geëvolueerd, ze heeft bovendien het natuurlijke van de ‘natuurvolkeren’ verloren.
Jozef Rulof vraagt zich in ‘Het Ontstaan van het Heelal’ af waar die hogere ontwikkeling van de zevende stoffelijke graad dan wel in bestaat.
Hij heeft immers van zijn geestelijke leider Alcar gehoord dat de ziel in die hogere stoffelijke graden juist haar natuurlijke harmonie met haar lichaam en omgeving verloren heeft.
Dit ziet hij onder meer terug in het feit dat de blanke moeders uit zijn omgeving medische hulp nodig hebben om hun kinderen te baren:
U heeft mij al die stoffelijke graden van de aarde duidelijk gemaakt, maar is daar niet één graad bij, die de geboorte op natuurlijke werking beleeft?
Hebben al die mensen hulp nodig, Alcar?”
„Neen, mijn zoon, er zijn mensen op aarde die zoals de natuur zijn en dit wonderbaarlijke proces alleen beleven, dus zonder hulp.
Het zijn die mensen, die wij in de eerste, tweede en derde stoffelijke graad hebben ontmoet en die hebben, zoals zij hier, al die aardse hulp niet nodig.
Je ziet daardoor hoe de intellectuele mens de natuurlijke weg heeft verlaten, ook al denken al die wezens verder te zijn dan deze arme zielen in die donkere gewaden.
Zij hebben zich een toestand geschapen die niet natuurlijk meer is.
Zij behangen zich met sierlijke dingen, gaan goed en rijk gekleed, doch hebben hun natuurlijke afstemming afgelegd.
Zij zijn verdwaald in hun mooie en rijke levens en doen dingen die de mensen in het oerwoud niet zouden kunnen doen.
Dat is het instinct, de natuur en die natuurwetten en krachten heeft de intellectuele mens verloren en bezoedeld.
Is het dan zo vreselijk wanneer ik zeg dat de natuurlijke kern zoek is?
Dat zij hun lichamen uiterlijk verfraaien en dat het innerlijk aan geestelijke honger sterft?
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.13.
„Er leven dus geen mensen meer op aarde, die de zuivere natuurlijke stoffelijke toestand bezitten?”
„Neen, als natuurafstemming, niet één.”
„Komen daardoor al die ziekten?”
„Daardoor komt de verzwakking en achteruitgang van dit natuurlijke stoffelijke gewaad.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
In die tijd was het volmaakt natuurlijk, doch ook het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) heeft dit proces verduizendvoudigd, is in die lagere graden teruggekeerd en bezoedelde zijn eigen stoffelijke afstemming.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
In het licht van de strafvordering inzake racisme is dit citaat wellicht een van de belangrijkste die juist de aanklacht weerlegt.
De schrijver stelt hier immers klaar en duidelijk dat op dit moment geen enkel mens op aarde meer in een zuiver natuurlijke stoffelijke toestand leeft.
Anders gezegd is er op dit moment geen enkel lichaam meer op aarde dat zuiver tot één van de zeven stoffelijke overgangen behoort.
We kunnen volgens de schrijver tegenwoordig dus niet meer spreken van zeven verschillende en opeenvolgende stoffelijke overgangen, laat staan van zogenaamde rassen.
Volgens de schrijver zijn immers mensen van wie het lichaam behoorde tot een verschillende stoffelijke levensgraad met elkaar gaan paren, waardoor hun kinderen een ‘gemengd’ lichaam kregen dat de verschillende stoffelijke overgangen in zich verenigd had.
Dit proces is ‘verduizendvoudigd’ zodat de onderscheiden overgangen opgelost zijn en niet meer bestaan.
Het onderscheid is dus volgens de schrijver louter historisch, interessant om te weten hoe alles gekomen is tot de huidige toestand, maar op dit moment niet meer ter zake.
De aanklagers denken blijkbaar dat de beschrijving van een toestand die miljoenen jaren in het verleden lag – het bestaan van zeven onderscheiden stoffelijke overgangen – sloeg op een huidige toestand.
B.13.
raakt tevens het probleem van de lichamelijke ziekten aan, en meer bepaald hun ontstaansgeschiedenis.
Volgens de schrijver is door het geslachtelijk mengen van lichamen uit verschillende stoffelijke overgangen de weerstand en kracht van het lichaam van de nakomelingen verzwakt.
De ene helft van het lichaam functioneerde immers op de afstemming van de ene stoffelijke overgang, en de andere helft had een andere kracht en werking.
Dit verschil stoorde de werking van de lichamelijke organen.
Waar in de oertijd dus eerst zeven stoffelijke overgangen ruimtelijk van elkaar gescheiden leefden in verschillende stammen die geen contact met elkaar onderhielden, zijn die stammen later met elkaar in contact getreden en hebben mensen uit die verschillende stammen met elkaar kinderen gekregen.
De kinderen zetten dit proces ‘duizendvoudig’ voort, en de weerstand en kracht van hun lichamen ging meer en meer naar beneden.
Waar de oermens een ‘oersterk’ lichaam had dat tegen koude en warmte en alle weersinvloeden bestand was, begon dit lichaam door de gemengde samenstelling van het bloed en de andere organen aan weerstand te minderen, zodat veel later de eerste ziekten konden ontstaan.
Op deze wijze verklaart de schrijver ook waarom het lichaam van de zogenaamd gevorderde zevende stoffelijke overgang juist zoveel aftakeling laat zien, waarom er zoveel vreselijke ziekten juist in die hogere stoffelijke overgangen de overhand nemen.
In het boek ‘Maskers en Mensen’ van Jozef Rulof wordt het begin van alle ellende onthuld:
„En nu moeten wij aanvaarden, dat wij mensen niets dan ellende bezitten.
God sloeg ons leven met ziekten.
Wij bevinden ons in ontzagwekkende ellende.
Maar wist u, dat gij niet nodig waart geweest, doktoren, indien gij uw eigen levensafstemming niet had bezoedeld?
Ik voer u thans miljoenen jaren terug!
Toen er nog geen steden waren, de mensen van uw universiteitswetten niets wisten, maar de wateren reeds hadden verlaten, of gelooft u dit ook niet, de stammen zich hadden gevormd, de bossen werden beleefd, zijn de ziekten ontstaan, geboren.
Maar waardoor, vraag ik mijn geleerde vader en de heren medici?
Gij moet mij uw antwoord schuldig blijven.
U ziet thans nog die rassoorten (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) op Aarde.
Dit zijn verschillende volken.
Elk volk was voor miljoenen jaren terug een stam.
Die stam was een levensgraad, een graad van bewustzijn voor het menselijke organisme.
Gij ziet, zei ik u al, rassoorten (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl).
Ik en wij, de miljoenen zielen van God die de Hemelen vertegenwoordigen, zien alléén stammen, soorten van organismen, voor de ziel.
De ziel beleeft de eerste en volgt hierdoor de ontwikkeling op Aarde.
De Aarde schiep zeven stoffelijke levensgraden voor de ziel.
Elke levensgraad bezit miljoenen mensen.
Miljoenen mensen als mannen en vrouwen, vertegenwoordigen één levensgraad voor het menselijke organisme.
De ziel bezit dus volgens haar eigen bewustzijn een lichaam en dat is de afstemming van een levensgraad, waartoe haar organisme behoort.
Maskers en Mensen, 1948
Wij vertegenwoordigen de hoogste afstemming voor het menselijke organisme.
Maar in onze omgeving leven ook de vijfde en zesde, ver en over de Aarde verspreid de vier andere levenswetten als mensen voort, die zich evolueren.
Ik ben vader.
En mijn vrouw, als dierlijke wezens zijn wij, leeft hier ook.
Wij zijn in staat om kinderen te scheppen.
En die kinderen worden als gij dat nu nog beleeft, op dezelfde wijze geboren.
Waarvandaan de ziel in dat leven komt, hebben wij het nu niet over.
Het gaat ons (erom), dat die mensen, wij, kinderen baren en kinderen scheppen.
Vanuit ónze eigen verkregen levensgraad.
Wij vertegenwoordigen als man en vrouw de hoogste bewustwording, omdat ons organisme die hoogte heeft bereikt.
Maskers en Mensen, 1948
Maar nu komt het!
Die mannen zochten naar ander leven.
Daar in dat oerwoud trokken zij verder en ontmoetten vele levens.
De gevoelswijsheid, om uw eigen leven te verzorgen, die bewustwording droegen zij niet onder hun harten, zij leefden zich volkomen uit.
De hoogste graad splitste zich met een lagere.
Waar wij kwamen verwekten wij kinderen.
Toen begon de mens aan zijn eigenlijke inteelt!
Hij scheurde zijn oerkrachten vaneen en deelde die levenswet met ’n ander.
De zevende en hoogste graad deelde zich met de vierde en derde graad.
Uit die derde en vierde levensgraad werden er kinderen geboren.
En die kinderen zetten dit proces voort.
Wat zien wij: na miljoenen jaren is dit universele lichaam verzwakt.
De eigenlijke oerbron is gesplitst.
De Goddelijke universele zelfstandigheid, die tegen weer en warmte, koude en natuurwetten is berekend, verloor door de eigenlijke splitsing de natuurlijke kern, de universele afstemming, die God aan deze levens voor de eigen soort en levensgraad heeft vastgelegd.
De mensen verloren hun weerstand!
De mannen en vrouwen kunnen niet meer tegen die enorme wetten op en bezwijken.
Er komen verzwakkingen tot stand, die oersterke lichamen kunnen niet meer tegen de natuurlijke wetten op en zoeken naar kleding.
Voordat deze afbraak begon weerstond dit natuurlijke organisme elke natuurlijke verandering.
Want het menselijke lichaam is als de wateren, is als de verdichte stof, in landelijk bestaan opgegroeid, maar heeft door de splitsing met de lagere levensgraden de eigen oerbron verloren en daardoor zien wij de eerste ziekten ontstaan!”
Maskers en Mensen, 1948
Elke stoffelijke graad bezat een eigen kracht en werking.
Die kracht en ‘afstemming’ van dat lichaam was terug te vinden in de sterkte van het beenderstelsel, de samenstelling van het bloed, de werking van spier- en zenuwstelsel, kortom de graad van ontwikkeling van alle stoffelijke stelsels en organen.
Wanneer twee mensen uit dezelfde stoffelijke graad zich voorplantten, erfde het lichaam van hun kind de oerkracht en afstemming van die graad.
Wanneer echter twee mensen uit een verschillende stoffelijke graad een kind voortbrachten, leefden in het lichaam van dat kind twee verschillende afstemmingen als lichamelijke kracht en werking.
Dit veroorzaakte een organische disharmonie.
Voor de natuurlijke evolutie van de ene stoffelijke graad naar de volgende graad had de ziel duizenden jaren gewerkt om alle stelsels van dat lichaam samen op een verhoogde kracht van een volgende stoffelijke graad te krijgen.
Door de geleidelijke lichamelijke evolutie bleven alle stoffelijke lichaamsstelsels van de volgende graad toch in harmonie met elkaar, omdat ze allemaal een verhoogde kracht en werking hadden en elkaar dus niet stoorden.
Maar wanneer twee mensen uit een verschillende stoffelijke graad een kind kregen, kon de natuur dit evolutionair verschil niet in één klap opvangen.
Hierdoor ontving het kind een lichaam waarvan de stelsels niet meer op eenzelfde kracht functioneerden Het ene deel van het lichaam functioneerde op de ene stoffelijke graad, terwijl het andere deel de stelsels naar een andere graad van werking stuwde.
Dit verschil trok het lichaam als het ware uit elkaar en zorgde voor een inwendige spanning in alle weefsels.
Bij de eerste vermengingen had deze inwendige spanning nog geen verzwakking van het lichaam tot gevolg.
De oerkracht van de stoffelijke weefsels overheerste nog de eerste verschillen in evolutionaire graad.
Maar het aantal vermengingen vermeerderde explosief.
Na duizenden vermengingen was de spanning zo toegenomen, dat geen enkel weefsel hier nog tegen bestand was.
Hierdoor nam de stoffelijke weerstand van de weefsels tegen externe omstandigheden drastisch af, wat de deur opende voor de eerste ‘ziekten’.
Die eerste ziekten waren heel miniem, omdat de weerstand in vergelijking met ons huidige lichaam nog heel groot was.
Maar na miljoenen jaren waren alle lichamen dusdanig verzwakt, dat ook de ziekten konden ‘evolueren’ tot de huidige ellende.
De schrijver legt uit dat de vermenging zich generatie na generatie meer uitbreidde, zodat in de huidige tijd geen enkel lichaam op aarde nog gerekend kan worden tot één stoffelijke graad.
Er zijn in feite duizenden graden ontstaan, waardoor de weerstand van alle menselijke lichamen drastisch gedaald is:
„Het menselijke ras, al die zeven graden, zijn in duizenden graden overgegaan.
Daarover wilde ik je vertellen, wanneer wij de hoogste graad hebben bereikt.
Er is geen zuivere rassoort (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) meer op aarde.
De zevende graad is besmet, is in andere graden overgegaan, met andere woorden: in die hoogste graden stroomt het bloed van de derde, tweede, vierde en vijfde en zelfs eerste graad.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Daardoor, André, is dat prachtige stoffelijke kleed in alle graden verzwakt, zijn er die innerlijke stoornissen, dus ziekten en vele andere kwellingen, die men op aarde kent.
Geloof mij wanneer ik zeg, dat de mens schuld is aan zijn eigen leed en smart, maar tevens aan al zijn ziekten.
De mens heeft zijn eigen afstemming bezoedeld.
In het dierenrijk is dit niet mogelijk, want een dier zou dat niet kunnen; dat leven handelt, ik heb je dat duidelijk gemaakt, naar zijn natuurlijke afstemming en kan niet anders handelen.
Doch de mens bezit hartstocht en door die hartstocht heeft hij zijn eigen afstemming vernietigd, ging dus die afstemming in een andere graad over.
Daardoor verzwakte de natuurlijke afstemming en trad er een onnatuurlijke toestand in.
Dit ligt echter miljoenen jaren terug en is niet meer te herstellen.”
„Er leven dus geen mensen meer op aarde, die de zuivere natuurlijke stoffelijke toestand bezitten?”
„Neen, als natuurafstemming, niet één.”
„Komen daardoor al die ziekten?”
„Daardoor komt de verzwakking en achteruitgang van dit natuurlijke stoffelijke gewaad.
Al die organen zijn er, zijn steeds zo geweest, doch de weefsels, dat miljoenenproces, is verzwakt.
Het stofkleed dat de hoogste graad als afstemming bezit, is een prachtig kleed en wanneer deze afstemming zuiver was gebleven, dan waren er al die ziekten niet die men thans kent, dan bezat datzelfde lichaam meer kracht, was beter tegen alles bestand, kon tegen zomer en winter, omdat dat kleed als de natuur, waarin het leeft, waardoor het tot stand is gekomen, één en dezelfde kracht en werking heeft.
In die tijd was het volmaakt natuurlijk, doch ook het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) heeft dit proces verduizendvoudigd, is in die lagere graden teruggekeerd en bezoedelde zijn eigen stoffelijke afstemming.
De kinderen die werden geboren, deden op volwassen leeftijd niet anders en daarom is het verduizendvoudigd en is de natuurafstemming zoek.
Nu is dit organisme zwak, zoeken de geleerden naar al deze ziekten, gaan tot in het derde en vierde geslacht terug om te trachten vast te stellen hoe dit komt.
Dit is voor verschillende ziekten mogelijk, doch de eigenlijke kern ligt miljoenen jaren terug.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zullen de doktoren echter nimmer die diepte kunnen voelen, of berekenen, Alcar?”
„Je bedoelt de verzwakking van het stoffelijke organisme?”
„Ja, Alcar, dat bedoel ik.”
„Neen, dat is niet mogelijk, dat ligt te diep in het verleden.”
„Maar wanneer er kinderen uit kerngezonde ouders zijn geboren, is dan nog die verzwakking aanwezig?”
„Ook dan, ook zelfs wanneer zij nooit ziek zijn geweest en op normale wijze zijn gestorven, dan nog is die verzwakking aanwezig.”
„Dan zou men toch niet zeggen dat die er is.”
„En toch is die verzwakking aanwezig, want de natuurlijke kern is reeds miljoenen jaren zoek.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De schrijver geeft aan dat de dieren zich ‘van nature’ niet vermengen met een andere stoffelijke graad.
Maar ook hier heeft de mens ingegrepen.
De mens begon verschillende dierlijke rassoorten te kruisen om iets anders te ‘fokken’, waardoor de natuurlijke weerstand van de dieren verzwakte.
Zo zijn er zelfs rassen gefokt die niet meer levensvatbaar zijn, omdat hun lichamelijke kracht en weerstand volkomen afgebroken werd.
Binnen de menselijke zevende stoffelijke graad is er nog wel een verschil tussen het blanke lichaam en het lichaam van de mensen die in 1939 ‘negers’ werden genoemd.
De ziel als mens heeft zich in haar blanke levens immers meer vermengd met eerdere stoffelijke graden, waardoor het blanke lichaam veel meer gesplitst en dus verzwakt is.
Uit de Vraag en Antwoord avonden:
Stem uit de zaal: „Mijnheer Rulof, nu de negers (toen deze contactavonden gehouden werden van 1949 tot 1952, was het woord ‘neger’ een gebruikelijke aanduiding van iemand met een donkere huidskleur)?”
Jozef zegt: „Voelt u dit dan nu nog niet?
De negers zijn reeds tot het volmaakte organisme gekomen, zij vertegenwoordigen slechts een bloedgroep en zijn de kleurvolken; kleurlingen, die dus de machtige stemmen als timbres moeten bezitten, omdat die organismen hen terugvoeren tot de natuurlijke werkelijkheid; ons blanke organisme echter is gesplitst.
Het is hierdoor, dat de neger zo’n machtig geluid heeft.
Ga nu de mens op Aarde even volgen en u ziet, dat één op miljoenen mensen het natuurtimbre bezit en nu horen wij die mens zingen met een rein, zuiver, ongesplitst organisme.
En daarvan zijn er slechts enkelen, omdat heel de mensheid is gesplitst.
Vraag en Antwoord Deel 1, 1950
B.14.
Maar waarom leven deze mensen niet tezamen?
Is dit niet eenvoudiger?
Waarom zien wij in al die overgangen op aarde dit terug en sluiten zich die groepen, al die zwarten niet aaneen?
Is dat niet vreemd?
Luister, André: zij kunnen zich niet aaneensluiten ook al zouden zij dat willen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Met de ‘zwarten’ in dit citaat worden de lagere stoffelijke overgangen bedoeld.
De schrijver legt uit dat die stoffelijke overgangen gescheiden van elkaar leven en zich niet kunnen aaneensluiten.
Ze hebben een verschillende levenswijze die gebouwd is op een verschillend gevoelsleven, waardoor zij niet meer dezelfde levensruimte kunnen delen.
Daarom leefden deze stammen gescheiden, in de tijd dat er nog onderscheiden stoffelijke overgangen bestonden.
Door de verhoogde kracht en werking van het lichaam van de tweede stoffelijke graad krijgt de ziel als persoonlijkheid andere gevoelens.
Zij leert de gevoelens ‘waardevol’ en ‘eigendom’ kennen, ze krijgt belangstelling voor het ‘bezitten’.
Waar de ziel als persoonlijkheid met een lichaam van de eerste stoffelijke graad helemaal niet bezig was met de jacht naar persoonlijke eigendommen, spendeert ze in een lichaam van de tweede stoffelijke graad al veel tijd aan het verkrijgen en behouden van datgene wat in haar ogen waardevol is.
In een lichaam van de eerste stoffelijke graad is het gevoelsleven van de ziel alleen bezig met eten, slapen en voortplanten, net als op de tweede kosmische levensgraad.
Wanneer er geen dieren voorhanden zijn, is ook een menselijk lichaam een stukje vlees dat de honger kan stillen.
Honger voelen, honger oplossen.
Basisgevoelens van overleving.
De ziel in een lichaam van de tweede stoffelijke graad op aarde krijgt al enig gevoel voor ‘schoonheid’, de persoonlijkheid gaat zijn lichaam ‘opmaken’, gaat zichzelf al mooi maken voor zijn medemens.
Schoonheid en eigendom doen hun intrede in het menselijk bewustzijn.
Toen de eerste zielen dit lichaam van de tweede graad van stoffelijke ontwikkeling hadden opgebouwd, zonderden zij zich af van de zielen die later op aarde waren aangekomen en waarvan het lichaam nog tot de eerste stoffelijke graad behoorde.
De zielen die in een lichaam van de tweede stoffelijke graad leefden wilden immers een ander soort leven uitbouwen, en voelden zich niet meer verwant met de levenswijze van de eerste stoffelijke graad.
Op dat moment leefden de zielen waarvan het lichaam tot verschillende stoffelijke graden behoorden dus van elkaar verwijderd:
Luister, André: zij kunnen zich niet aaneensluiten ook al zouden zij dat willen.
Die graden kunnen niet worden verbonden, want die stoffelijke graden leven gescheiden.
Het is een wet die hen van elkander scheidt.
Dit is de natuur en is de eerste en tweede graad.
Diep in hen ligt dat wonder en zij reageren erop als iets natuurlijks.
Beide graden kunnen elkaar niet uitstaan.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.15.
In deze donkere wouden leven dus drie graden.
De vierde graad heeft reeds met het andere, het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) verbinding.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
André zag andere mensen.
Ook zij waren wild en woest en toch, die stoffelijke lichamen waren anders.
Zij waren niet zo grof en hadden niet dat voordierlijke.
Doch hoe ver waren deze mensen nog van het volmaakte blanke lichaam verwijderd!
Het was een groot verschil, want hoe was zijn eigen stofkleed!
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Met het ‘voordierlijke’ bedoelt de schrijver het kannibalisme van de eerste drie graden.
De schrijver noemt dit ‘voordierlijk’ omdat de meeste dieren niet eens het lichaam van hun soortgenoten opeten.
Dit is de vierde graad.
Deze mensen zijn uiterlijk en innerlijk anders.
Wat de drie andere graden doen hebben zij eeuwen geleden reeds afgelegd.
Wat men daar eet, verkiezen zij niet meer, hun stoffelijke organisme vraagt naar andere dingen die om hen heen groeien.
Iedere constitutie vraagt naar dát voedsel, waar zij behoefte aan heeft.
Zij voeden zich met vlees evenals die anderen, doch geen mensenvlees, dat eten zij niet meer.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dat voordierlijke van de eerste graden verhindert hen ook om bijvoorbeeld wetenschap te ontwikkelen:
Zie, hoe krachtig zij zijn.
Van weten­schap en alles wat het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) bezit, hebben zij geen verstand.
Zij voelen alleen, kunnen niets dan voelen en dan nog op voordierlijke wijze.
Dit is de mens die in zijn voordierlijke maar stoffelijke toestand leeft.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Wanneer de ziel op haar levensweg het lichaam van de vierde stoffelijke graad kan ervaren, is dit een hele stap vooruit.
Deze graad van lichamelijke ontwikkeling geeft de ziel hogere gevoelens, hier legt de ziel als mens haar kannibalistische gevoelens af.
Het opeten van andere mensen wordt niet meer geduld in deze samenleving, het gevoelsleven van de ziel is volledig tot het ‘dierlijke bewustzijn’ overgegaan.
De verhoogde werking van de vierde graad van stoffelijke ontwikkeling geeft het gevoelsleven van de ziel verruiming.
Daarom gaan deze groep zielen reeds aan de rand van het oerwoud wonen.
Zij vormen dan ook de overgang naar de volgende stoffelijke graden.
Hier maakt de ziel als mens zich los van de leefomgeving waar zij in de eerste drie stoffelijke graden haar bestaan heeft opgebouwd.
Het leven buiten het oerwoud brengt ook heel andere noodzakelijkheden met zich mee, en geeft weer heel andere gevoelens te beleven.
Deze zielen staan aan de vooravond van de verkenning en verovering van de gehele aarde als levenstuin.
Ze worden zich meer ‘bewust’ van andere streken als woonmogelijkheid.
Vanaf de vierde stoffelijke graad is er echter geen correlatie meer tussen de graad van lichamelijke evolutie en de graad van innerlijke geestelijke evolutie van de ziel:
In de vierde graad zien wij het intellect, in de vijfde, zesde en zevende graad zien wij het oerinstinct afdalen.
Er leven mensen op aarde in de zevende graad, die dierlijke wezens zijn.
Hoe leven zij daar?
Duizenden mensen brengen zij om.
In de zesde graad zien wij dit eveneens en in de vijfde graad niet anders.
Zo leven op aarde al die stoffelijke en geestelijke graden verspreid en leven zich uit.
Houd dat nu eens uiteen.
Volg en voel dit en zeg dan of je de diepte van het zieleleven kent.
Wie kent dus zichzelf?
Wie weet waarvoor hij op aarde is?
Wie ziet in de ander zijn slaaf?
Wie herkent zijn vroegere meester in de bedelaar die hij ontmoet?
Dat is niet te peilen, want het ligt in de diepte van de ziel verborgen en dat maakt het menselijke karakter uit.
Het is daarom hier, dat de mens aan zijn karakter en persoonlijkheid gaat bouwen en zich in de geest gaat verrijken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De blanke lezer of toehoorder hoeft zich ook wat betreft zijn geestelijke ‘hoogte’ niets voor te stellen:
Verbeeldt u zich maar niets, verbeeldt u zich niet dat u als blank mens het hoogste beleeft ...
Ga naar Brits-Indië (koloniaal India), u ziet daar een machtige persoonlijkheid, ook een normaal, natuurlijk, krachtig, sterk bewust organisme, en daarin leeft de ziel.
Het Indische leven, het oosterse bewustzijn is u ver vóór.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
B.16.
Ziedaar, André, de vijfde stoffelijke graad.”
André zag deze mensen.
„Kent men hen op aarde, Alcar?”
„Ja, men noemt hen eskimo’s.
Vroeger, dus vele duizenden eeuwen geleden, droegen zij een andere naam.
In het Zuiden, Westen en Oosten leven al die andere mensen, die allen tot de vijfde graad behoren.
De vijfde graad heeft zich als de zesde en zevende op alle hoeken van de aarde in die miljoenen eeuwen verspreid en dat komt, omdat velen van hen op zoek waren naar bezit.
Toch is hier de kern van de vijfde graad aanwezig.
Hun lichamen zijn gehard en kunnen tegen dit klimaat.
Een ontzaglijk krachtig beendergestel heeft dit organisme.
Velen hebben een geloof, dat hun door een andere graad is gebracht.
Toch zijn ook zij natuurkinderen en het is niet toevallig dat zij hier leven.
De zevende graad zal in dit leven niet kunnen overgaan en de zesde evenmin.
Een andere afstemming kan dit leven niet beleven, ik bedoel overgaan in alles.
Dat is niet mogelijk, want de stoffelijke toestand past zich aan hun innerlijke leven aan.
Beide behoren tot elkander, al is ook hier het stoffelijke organisme het innerlijke ver vooruit.
Ik zei reeds, zij zijn niet onbegaafd, doch onder de zevende graad te moeten leven, is voor hen moeilijk, want zij kunnen zich slecht aanpassen.
Toch vinden wij in hen ook overgangen en dit betekent, dat er onder hen enkelen zijn, die zich aan de zesde en zevende graad kunnen aanpassen, doch hun stoffelijke afstemming blijft zoals ze is.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit citaat gaat niet over Eskimo’s.
De schrijver zegt: ‘Ja, men noemt hen Eskimo’s.’ Zo werden ze genoemd op aarde, zo werden ze genoemd door mensen.
De schrijver zelf noemt hen niet zo, hij spreekt over ‘de vijfde stoffelijke graad’.
Wanneer de mens het woord ‘Eskimo’ in de mond nam, dacht hij daarbij aan bepaalde mensen die een bepaalde levenswijze hebben.
Wanneer de schrijver spreekt over de vijfde stoffelijke graad, dan bedoelt hij in eerste instantie het lichaam dat de ziel bewoont.
Het lichaam dus van wat de mens Eskimo noemde.
De ziel echter die tijdelijk in dit lichaam van de vijfde graad woont, is helemaal geen ‘Eskimo’.
Die ziel is universeel, heeft voor dit leven in dit lichaam al miljoenen malen elders geleefd in andere lichamen met andere namen en levenswijzen.
Wanneer de schrijver zijn waardering uitspreekt voor het mens-zijn, dan gaat die waardering vooral uit naar de ziel, vermits dit volgens de schrijver het essentiële van onszelf is, datgene wat eeuwig leeft en in evolutie is, en op die evolutietocht miljoenen verschillende lichamen beleeft, met als doel niet het lichaam maar wel het innerlijke gevoelsleven te ontplooien.
Maar op dit niveau van de ziel – het enige wat blijft en van belang is volgens de schrijver – zijn er geen verschillende ‘waardebepalingen’.
De ene ziel is niet ‘meer waard’ of ‘belangrijker’ dan de andere.
Alle zielen komen uit dezelfde bron en zijn te allen tijde en op elk moment ‘even veel waard’.
Er is geen waardehiërarchie in zielen.
Wel stelt de schrijver dat de ene ziel in den beginne eerder geboren is dan de andere, waardoor die ene ziel in het heden al meer levens geleefd heeft en hierdoor de kans heeft gehad om zich innerlijk verder te evolueren.
De schrijver spreekt in dit opzicht over innerlijke gevoelsgraden.
De stoffelijke graad en de innerlijke gevoelsgraad loopt in ieder geval niet synchroon.
Het lichaam is hier tot de vijfde stoffelijke graad gekomen, maar het innerlijke gevoelsleven kan veel meer tijd nodig hebben om zich te ontplooien
Nu wij thans zover zijn gekomen, is het stoffelijke organisme het innerlijke leven ver vooruit.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Het lichaam past zich aan aan het klimaat.
Hierdoor past het lichaam van de mens die men Eskimo noemde zich aan aan het barre noorden en wordt daardoor gehard tegen de koude.
Andere lichamen (bijvoorbeeld van de vijfde graad) passen zich aan aan andere levensomstandigheden, bijvoorbeeld het steppeleven bij de mensen die men het Mongoolse volk noemt.
Deze verschillende klimatologische omstandigheden boetseren het lichaam tot dat wat de mens ‘ras’ is gaan noemen.
Het zijn echter in wezen aanpassingen aan de klimatologische omstandigheden en hebben met datgene wat de schrijver ‘stoffelijke overgangen of graden’ noemt niets te maken.
Doch het ene ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) is anders dan het andere en dat is heel duidelijk, omdat dit met het klimaat heeft te maken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.16. noemt deze mensen ‘natuurkinderen’.
Zij zijn in eenheid met de natuur waarin zij leven.
In de zevende stoffelijke graad zal de ziel deze natuurlijkheid verliezen en oplossen in het stadse leven.
Hierdoor kan een ziel die een lichaam van de zevende graad bewoont zich al moeilijk of zelfs helemaal niet meer aanpassen aan de natuurlijke levenswijze van de mensen die menj Eskimo’s noemde, los van het feit dat een lichaam van de zevende graad deze barre klimatologische omstandigheden moeilijk kan trotseren.
Ook omgekeerd zullen de meeste mensen die men Eskimo’s noemde zich moeilijk kunnen aanpassen in het stadse leven van de westerse mens omdat dit leven doorgaans véél minder ‘natuurlijk’ is geworden.
Daarom blijven de meeste mensen in hun eigen levensomgeving wonen, omdat ze zich prettig voelen bij hun eigen levenswijze.
Dit alles heeft weer niets met de term ‘ras’ te maken:
Iedereen voelt en bezit zijn eigen stoffelijke leven en dat is niet omdat dit een ras is, maar omdat dit de graden zijn die de mens zijn stoffelijke graad en toestand op aarde bepalen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De verhoogde werking van het krachtige lichaam van de vijfde stoffelijke graad stuwt het gevoelsleven van de ziel omhoog.
Vele zielen kunnen hierdoor hun gevoelsleven ontwikkelen tot de grofstoffelijke gevoelsgraad.
Hierdoor bouwden zij een samenleving op waarin het (dierlijk lichamelijke) recht van de sterkste aan banden werd gelegd.
Deze samenleving legt hierdoor reeds de basis voor de gelijkwaardigheid van alle mensen in hun voelen en denken, ongeacht de aard en kracht van het lichaam.
Toch is het niet zo dat de innerlijke gevoelsgraad van al deze mensen gelijk is.
B.16. zegt ‘Toch vinden wij in hen ook overgangen’ en die overgangen zijn innerlijk, die hebben weer niets te maken met hun stoffelijk lichaam, want ‘hun stoffelijke afstemming blijft zoals ze is.’ De term ‘Eskimo’ suggereert dat het om een homogene groep mensen gaat met gemeenschappelijke kenmerken.
De schrijver volgt dit wat betreft hun lichaam, maar niet wat betreft hun innerlijk gevoelsleven.
De zielen waarvan het lichaam tot de vierde, vijfde, zesde of zevende graad van stoffelijke ontwikkeling behoort, kunnen sterk verschillen in hun innerlijke gevoelsgraad.
Sommige zielen zijn hun lichaamsgenoten ver vooruit.
Sommige zielen waarvan het lichaam tot de vierde of vijfde graad behoort hebben zelfs reeds alle graden van stoffelijke lichamen beleefd, waardoor ze veel meer ervaringen hebben opgedaan, wat hun gevoelsleven aanzienlijk veranderd kan hebben.
Hierover gaat het volgende citaat.
B.17.
„Dan zal ik het je duidelijk maken, luister.
Het innerlijke leven, dat dus reeds tot het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) behoorde, daalt thans in een donker zwart lichaam (van de vierde stoffelijke levensgraad) af, om daarin de wet van oorzaak en gevolg te beleven.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Daarom en daarom alleen, zien wij onder hen intellectuelen, mensen met begaafdheid, zoals het hoogste ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) op aarde is en dat vinden wij in al die graden terug.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
In dat leven, toen ik daarin mijn haat, mijn verderf ging goedmaken, trok iets mij van het hogere ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) aan en toen kon ik het onder die zwarte mensen niet meer uithouden.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.17. gaat over de wet van oorzaak en gevolg.
Deze wet gaat dwars door zogenaamde rassen, stoffelijke graden, nationaliteiten en volkeren heen en brengt de ziel naar alle uithoeken van de aarde om het gevolg te beleven van wat zij in vorige levens als oorzaak in werking heeft gesteld.
Zodra deze wet in werking treedt heeft het stoffelijke lichaam niets meer te zeggen en is het de ziel die naar haar innerlijke stuwing haar levensomstandigheden schept.
Volgens de schrijver treedt deze wet in werking van zodra de ziel een eerste keer alle zeven stoffelijke overgangen heeft doorlopen.
Op dat moment heeft de ziel alles ervaren wat haar door het beleven van de verschillende lichamen geschonken kan worden en is zij vrij van de organische evolutie.
Maar in al die levens die de ziel zo beleefd heeft, heeft zij veel ellende gecreëerd voor andere mensen door haar voordierlijke en dierlijke levenswijze.
Die ellende trekt haar terug naar die mensen met de stuwing om het ditmaal goed te doen, en de medemens te helpen in plaats van af te breken.
B.17.: ‘Het innerlijke leven (de ziel), dat dus reeds tot het blanke ras behoorde (dat reeds in het lichaam van de zevende stoffelijke graad haar levens beleefd heeft in haar eerste tocht doorheen de zeven stoffelijke overgangen), daalt thans in een donker zwart lichaam (van de vierde graad) af, om daarin de wet van oorzaak en gevolg te beleven (vermits daar in die graad ook nog mensen leven waarmee de ziel verbonden is door vorige levens in oorzaak en gevolg).
(…)
‘Daarom en daarom alleen zien wij onder hen (vierde stoffelijke levensgraad) intellectuelen, mensen met begaafdheid, zoals het hoogste ras (de zevende stoffelijke levensgraad) op aarde is, en dat vinden wij in al die (stoffelijke) graden terug.
(…)’ De ziel die reeds lichamen van de zevende stoffelijke graad heeft bewoond, heeft in die levens intellectualiteit opgebouwd, stadse ontwikkeling.
De ziel die dan vervolgens in een lichaam van de vierde graad incarneert, neemt innerlijk die intellectuele ontwikkeling mee, wat zich aandient als begaafdheid.
Deze begaafdheid is dus niet erfelijk bepaald, maar ziel-erfelijk bepaald, het resultaat van de vorige levens in de hogere stoffelijke levensgraden.
De schrijver maakt deze beschouwingen persoonlijk door terug te blikken op zijn eigen verleden: ‘In dat leven (waarin hij reïncarneerde in een lichaam van de vierde stoffelijke graad), toen ik daarin mijn haat, mijn verderf ging goedmaken (waartoe de wet van oorzaak en gevolg mij dwong omdat ik daar ellende gebracht had in vorige levens), trok iets mij van het hogere ras (hogere stoffelijke levensgraden) aan (omdat ik onder hen geleefd had in mijn vorige levens en hun levenswijze had aangenomen) en toen kon ik het onder die zwarte mensen (van de vierde stoffelijke overgang) niet meer uithouden (omdat ik hun levenswijze reeds lang in gevoel achter mij gelaten had).
Deze wet van oorzaak en gevolg wordt door de schrijver als ‘evolutief’ beschreven, want hierdoor kan de ziel in het reine komen met alle ellende die zij in al haar levens aan andere zielen heeft aangedaan.
Hierdoor kan de ziel ooit als geestelijk wezen ‘de sferen van licht’ bereiken:
Het innerlijke leven, dat de zevende graad heeft bereikt, daalt thans in de vierde graad neer, om in die stoffelijke graad goed te maken.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit geschiedt vanaf de vierde graad, omdat het bezielende leven in de eerste drie graden niet kan binnengaan.
De mens die in de vierde graad zijn broeder of zuster afmaakte, wordt nu door dat bezielende leven aangetrokken, omdat haat, die verschrikkelijke kracht, hen doet verbinden.
Je ziet, zielen trekken nu zielen tot zich, het ene leven zal thans het andere ontmoeten en goedmaken.
Die haat, of hartstocht, hoe diep ook in het zieleleven teruggezonken, is tot ontwikkeling gekomen en trekt dat leven nu tot zich en wij zien oorzaak en gevolg, leren deze goddelijke wet kennen.
De oorzaak ligt duizenden eeuwen terug, doch de ziel keert tot daar eveneens terug, ontmoet dat leven op aarde en zal goedmaken.
Dit is voor ieder mens, hierin ligt de diepte van het zieleleven.
Als dit niet zo was, dan kon de mens onze sferen niet bereiken en was er voor het zieleleven geen mogelijkheid om goed te maken en aan zijn karma te beginnen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Dit betekent dat er vanaf de vierde stoffelijke levensgraad zielen van diverse pluimage bij elkaar leven.
Enerzijds de zielen die in hun eerste tocht doorheen de stoffelijke overgangen voor de eerste maal bij het lichaam van de vierde stoffelijke graad zijn aangekomen.
Zij zijn bezig aan het verruimen van hun bewustzijn door het beleven van de verhoogde werking van de hogere stoffelijke graden.
Zij zijn nog op weg naar de lichamen van de zevende stoffelijke graad.
En anderzijds zielen die het lichaam van de zevende stoffelijke graad al hebben beleefd, en terugkeren om hun karma en oorzaak en gevolg goed te maken.
Deze zielen hebben meestal al wat meer ‘gevoel’ opgebouwd, waardoor ze ‘anders’ zijn dan hun lichaamsgenoten van de vierde stoffelijke graad.
Daarom en daarom alleen, zien wij onder hen intellectuelen, mensen met begaafdheid, zoals het hoogste ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) op aarde is en dat vinden wij in al die graden terug.
De mens die dit beleeft, is zich natuurlijk van die wet niet bewust, want hij aanvaardt niet eens een eeuwig voortleven.
En achter de dood ligt dit alles, eerst dán, wanneer wij het leven na de dood aanvaarden, leren wij al deze geestelijke wetten kennen.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Zo komt de ziel voor de tweede maal in vele verschillende lichamen van de hogere stoffelijke levensgraden en beleeft nu talloze levens om zich met alle andere zielen in harmonie te brengen.
Dit brengt haar opnieuw naar vele volkeren, naar alle uithoeken van de aarde.
De ziel reïncarneert de ene keer in een rijk milieu, de andere keer als bedelaar.
De ene maal in een hoge sociale en maatschappelijke positie, de volgende maal helemaal onderaan in de maatschappij.
De ene maal in een blank, de andere maal in een donker lichaam, waar zij dan weer in het begin van de vorige eeuw door vele blanke tijdsgenoten veracht werden:
In het ene leven zwart of donker, zodat zij door eenieder die het blanke lichaam bezit worden veracht, in het daaropvolgende leven een meester in de ene of andere kunst, of koning of keizer.”
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Jozef Rulof vecht tegen deze verachting, tegen dit racisme en deze discriminatie.
Wanneer hij in Amerika verbleef, maakte hij voor eerst kennis met deze stelselmatige ‘apartheid’.
Vele blanken daar keken neer op hun donkergekleurde medemensen, die in die tijd in Nederland ook wel ‘zwartjes’ genoemd werden.
Jozef Rulof maakt hun duidelijk dat de ‘blanke’ in een vorig en volgend leven wellicht ook de donkere huidskleur als lichaam bewoont, en dat al die discriminatie op basis van huidskleur en zogenaamd ras je reinste onzin is:
‘Intussen geven wij de lezing over de ‘Reïncarnatie’ en spreekt men erover.
Jeus (Jozef Rulof) wordt door de zwartjes (Amerikaanse ‘negers’) gekust omdat hij voor hun levens vecht, omdat wij tegen de blanken zeggen, verbeeldt u zich maar niets, straks behoort u zelf weer tot de duistere rassoorten (donkergekleurde lichamen van de hogere stoffelijke overgangen) op aarde, omdat gij goed hebt te maken (aan de zielen die op dat moment in die lichamen wonen).
Bij die zwartjes daar, zitten doktoren, ze kopen boeken (van Jozef Rulof, De Volkeren der Aarde was in het Engels vertaald), ze gaan weg en ze willen geheel Harlem tot hem brengen, indien hij meer van deze lezingen geeft.’
Toch stelt het CGKR dat de boeken van Jozef Rulof stellen ‘dat er binnen de mensheid kwalitatieve verschillen bestaan tussen mensen op basis van hun huidskleur’ en ‘dat men racistische uitspraken doet met minachting voor het bruine of zwarte ras’.
Blijkbaar heeft het CGKR niet méér gelezen dan enkele uit hun context gerukte citaten en geen moeite gedaan om te onderzoeken wat de schrijver hiermee bedoelt.
De ‘wet van oorzaak en gevolg’ legt de nadruk op het verschil tussen menselijke benamingen en het gedachtegoed dat in de boeken van Jozef Rulof besproken wordt.
Voor de schrijver(s) van deze boeken bestaan er geen ‘mensen’ en ook geen ‘Eskimo’s’.
De schrijver(s) spreken over ziel en lichaam.
De innerlijke gevoelsgraad van de ziel en de stoffelijke graad van het lichaam kunnen in vele verschillende ‘combinaties’ voorkomen, die menselijk gesproken over één kam geschoren worden, en dan als ‘Eskimo’, ‘blanke’, ‘neger’, ‘Indiër’, ‘Chinees’ enz. benoemd werden.
B.18.
Wij hebben gezien dat er mensen in de eerste stoffelijke graad leven, die dierlijk en voordierlijk bewust zijn, doch daar en in het oerwoud kunnen al deze zielen niet blijven en gaan dus naar een hoger leven.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
De schrijver stelt dat het allerbelangrijkste in het menselijke bestaan bestaat in de evolutie van de ziel.
De ziel begint haar tocht op aarde in een lichaam van de eerste stoffelijke overgang als kannibaal in het oerwoud.
Op dat moment is de ziel zich ‘voordierlijk’ bewust, omdat zij haar soortgenoten afslacht en diens lichaam opeet, zoals zelfs de meeste dieren niet eens doen.
De schrijver stelt dat de ziel echter in dit voordierlijke bewustzijn niet kan blijven, omdat de ziel van nature ingesteld is om zich innerlijk geestelijk te ontplooien.
Doorheen zeer vele levens doet zij ervaringen op en leert onder meer door de wet van oorzaak en gevolg dat alle ellende die zij een ander aandoet uiteindelijk naar haarzelf terugkeert.
Langzaam maar zeker gaat zij hierdoor innerlijk evolueren naar de volgende innerlijke gevoelsgraden.
Zo komt zij tot het dierlijke gevoelsleven, waarin ‘de wet van de sterkste’ heerst, maar waarin zij reeds het kannibalisme heeft afgelegd.
Daarna volgt de ‘grofstoffelijke gevoelsgraad’ waarin zij reeds een gevoel opbouwt dat ‘het recht van de sterkste’ niet rechtvaardig is voor alle mensen, en daarentegen alle mensen gelijk moeten zijn in rechten en toegang tot middelen.
Vervolgens komt de ziel tot het (fijn)stoffelijke gevoelsleven, waarin zij reeds gevoelig wordt voor zaken als ‘de universele verklaring van de rechten van de mens’.
Respect voor iedereen, hoe anders die ook is, en een verbod op discriminatie, racisme en negationisme worden dan vanzelfsprekend.
Maar uiteindelijk is de ziel op weg naar de geestelijke gevoelsgraad van een hoger leven waarin zij universele geestelijke liefde voelt voor al haar medemensen en medezielen, en al het leven in de kosmos.
Deze liefde gaat veel verder dan het respect, in dit gevoel gaat de ziel kijken wat zij kan doen om al het leven geluk te geven.
Geestelijke liefde is ruimer dan stoffelijke liefde.
Christus sprak over deze geestelijke liefde met de woorden: Heb elkander lief!
Hij legde deze geestelijke graad van liefde uit door aan te geven dat we ook onze vijanden moesten liefhebben.
Een geestelijke liefde gaat immers uit naar het Leven, naar de ziel, en niet naar de persoonlijkheid van de mens, laat staan naar het lichaam.
In de boeken van Jozef Rulof spreekt men over ‘Heb lief alles wat leeft’.
Dan zien we geen persoonlijkheden meer, maar alleen Leven.
Dan kijken we niet meer naar rassen of huidskleuren, dan zien we dat er maar één zogenaamd ras is en dat is de mens die we universeel liefhebben:
Indien je de ruimte beleven kunt en het leven, dan stralen je ogen, dan leeft je menselijke hart en je ziel straalt, zoals de sferen van licht dat bezitten.
En er is slechts één ras op aarde en dat is de mens.
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944
Een aantal tijdgenoten van Jozef Rulof (en blijkbaar ook het CGKR in 2003) begrepen het verschil niet tussen de graden van stoffelijke lichamelijke evolutie en de graden van innerlijke geestelijke evolutie:
Ja, kijk, mijn vriend, wij hebben ...
Moet u goed begrijpen, moet u luisteren waar we over spreken.
We hebben het over de lichamelijke graden.
Dát is, waar u over spreekt, stel me die vraag, dat gaat over goed en kwaad.
Vraag en Antwoord Deel 5, 1950
In de stoffelijke graden, die Moeder Aarde voor uw evolutie schiep, zijn de volgende afstemmingen vertegenwoordigd: de voordierlijke, dierlijke, grofstoffelijke en stoffelijke.
De geestelijke behoort tot ons leven.
Op aarde vindt u al deze afstemmingen vertegenwoordigd, u kunt de mensen, die er in leven, aan hun handelingen kennen.
Geestelijke Gaven, 1943
Het zieleleven legt dus een lange weg af voor het op aarde bewustzijn bezit.
Alle soorten van mensen leven bijeen.
Maar iedere levensgraad valt te herkennen.
Aan zijn daden kan de afstemming, waarin de mens leeft, worden vastgesteld, de daden zetten u voor de wetten en voeren u tot de persoonlijkheid.
Aan het karakter, waaruit de daden voortvloeien, herkent u het innerlijke bewustzijn, waarna u kunt vaststellen op welke van de geestelijke innerlijke graden het afstemming heeft.
Geestelijke Gaven, 1943
Wie alles, wat ik u tot nu heb verteld, goed aanvoelt en begrijpt, zal thans de verklaring weten voor de vele schijnbare onrechtvaardigheden, die de wereld te zien geeft.
Waarom leeft de ene mens in het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) te midden van beschaving en gemak en beleeft de ander de ellendige staat van het oerwoud?
Waarom krijgt de een rijkdom en gezondheid en de ander armoe en ziekte als zijn deel?
Met deze vragen, die voor tallozen op aarde grote problemen zijn, weet ge alleen maar geen raad, als ge aanvaardt, dat ge slechts één leven ontvangt, zoals uw kerken en uw wetenschap nog steeds beweren.
Als ge kunt aanvaarden, dat de ziel een evolutie moet doormaken om al die stoffelijke graden te beleven, ziet u in, dat er van Goddelijke onrechtvaardigheid geen sprake is.
Geestelijke Gaven, 1943
Maar geniet u niet meer dan een oerwoudbewoner?
Is uw levenspeil met dat van een onbewuste te vergelijken?
Leeft u in een en dezelfde bewustzijnsgraad?
Neen, maar zie daarin geen onrechtvaardigheid van God tegenover de oerwoudbewoner.
De laatste kán uw levensgraad eenvoudig niet beleven, omdat zijn zieleleven er niet voor gereed is.
Zijn ziel moet nog aan stoffelijk bewustzijn winnen, om eens het geestelijke gevoelsleven te kunnen binnentreden.
U als blanke bezit in uw staat in elk opzicht meer geluk dan hij.
Het ellendige bestaan in het oerwoud ligt te ver van u weg.
Maar toch volbracht ook ú daar uw eerste levens!
Wat dus onrechtvaardigheid lijkt, betekent in wezen evolutie.
Om tot God als bewúste zielen te kunnen terugkeren moeten we alle graden, die Hij schiep, beleven.
In één leven is die hoogte niet te bereiken, daartoe zijn er vele nodig.
Geestelijke Gaven, 1943
De engelen uit de hoogste sferen aan deze zijde leefden eens in het oerwoud.
Eraan ontkomen kan niemand.
God schonk ons al deze graden om te ontwaken.
In ons leven heeft de astrale persoonlijkheid de graden leren kennen en is hen toen gaan begrijpen.
De meesters aan deze zijde voerden mij en anderen erin terug en overtuigden ons door het beeld van Gods scheppingsplan aan ons te tonen.
Eenieder, die de sferen van licht betreedt, wordt met de beleefde stadia in verbinding gebracht.
Er valt dan niet langer te twijfelen, de wetten spreken hun duidelijke taal.
Wij zien voor ons, hoe er steeds weer een lichaam gereed was om ons zieleleven in zijn evolutie te dienen.
Geestelijke Gaven, 1943
B.19.
Ook daar dus kent men een hoogste stoffelijke graad van het lichaam, doch daar is geen zwart en geen bruin meer (zoals in de eerste lichamelijke graden op aarde) en zijn de dierlijke (gevoels)graden beleefd.
Dat is voor de aarde, dat is voor al die andere planeten die men van de aarde af ziet.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
B.19. beschrijft een toestand op de volgende planeet waar de menselijke ziel na haar aardse levens naar toe gaat.
Op die ‘vierde kosmische levensgraad’ incarneert de ziel opnieuw in verschillende stoffelijke graden van lichaam, ‘doch daar is geen zwart en geen bruin meer (het bruinzwarte lichaam van de eerste drie stoffelijke overgangen op aarde) en zijn de dierlijke graden (van gevoelsleven) beleefd.
De zielen hebben dan in hun aardse levens en in het hiernamaals dat bij de aarde behoort de geestelijke gevoelsgraad bereikt, en ze incarneren met deze universele liefde op de volgende planeet, waar ze dus geen ‘dierlijke gevoelsgraden’ meer hoeven te doorlopen, vermits ze hun innerlijke ontwikkeling behouden.
Uit het boek ‘Het Ontstaan van het Heelal’:
‘Alles is daar (op de planeten van de vierde kosmische levensgraad) ook anders.
Men heeft daar een andere dampkring, omdat het stoffelijke organisme (lichaam) anders is dan het aardse stofkleed (lichaam).
Het aardse organisme is grof in vergelijking met dat van hen.
De mens op aarde is een scheppingswonder, maar daar is de mens doorschijnend (van lichaam) en is hij als een geestelijk wezen uit de vierde sfeer aan deze zijde (het hiernamaals dat bij de aarde behoort).
Het aardse lichaam is mooi en krachtig, doch dit (lichaam op de vierde kosmische levensgraad) is een geheel andere constitutie en andere bouw, ook de innerlijke organen, kortom deze planeet bouwde een ander stoffelijk gewaad (lichaam) dan de planeet aarde.
De atmosfeer is anders, de loop van de planeet verschilt met die van de aarde, alles is in een andere en voor de aarde onbekende toestand.
Ook de bloemen en bomen zijn anders en het water is als kristal en het leven van de mens is zo rein en zuiver, als slechts de volmaakt geestelijke mens (met een geestelijke gevoelsgraad) kan zijn.
‘Zijn hier ook ziekten, Alcar?’
‘Neen, André (Jozef Rulof), er zijn hier geen ziekten, geen zenuwstoornissen of al die verschrikkelijkheden die men op aarde bezit, want de innerlijke mens leeft zijn natuurlijke leven en past zich aan die wetten aan en tracht zich nog hogere wetten eigen te maken.
Deze planeet bezit dus één organisme (stoffelijk lichaam voor de ziel), doch de innerlijke mens kan hoger gaan en daarin vinden wij zeven graden.
Je ziet dus, André, dat het geheel anders is dan op aarde, want op aarde zien wij zeven stoffelijke graden.
Ze stelden voor zichzelf vast dat ze daar (op aarde) in een dierlijk onbewustzijn hun levens hadden volbracht en daarna stoffelijk (als stoffelijke gevoelsgraad) werden, stoffelijk gingen denken, in harmonie met het lichaam, met het leven daar op aarde, en hierna geestelijk en toen ruimtelijk.
En nu, vanaf de vierde kosmische graad gaan zij Goddelijk ruimtelijk denken en voelen én handelen.’
B.19. zegt ‘daar is geen zwart en geen bruin meer’ en door het citaat uit zijn context te rukken zou de lezer van dit citaat in het licht van de tenlastelegging kunnen bijdenken dat daar alleen maar ‘blank’ meer is.
Maar ook dit is niet wat de schrijver bedoelt.
Want ook blank is maar een huidskleurtje dat bij de aardse lichamen behoort, en geen belang heeft, of geen meer of minder waarde heeft ten opzichte van andere variaties van huidskleur.
‘(…) daar is de mens doorschijnend (van lichaam) en is hij als een geestelijk wezen uit de vierde sfeer aan deze zijde (het hiernamaals dat bij de aarde behoort).’
Het geestelijke lichaam van dat geestelijk wezen uit de vierde sfeer is helemaal niet blank of bruin of zwart, maar de huid weerspiegelt het universum aan kleurendiepte en rijkdom.
Om zijn blanke toehoorders alle hoop op een meerwaardig voelen over hun begeerd huidskleurtje te ontnemen, verklaart Jozef Rulof dat ze dat blank kleurtje ook niet kunnen meenemen naar de sferen van licht in het hiernamaals.
Vraag en Antwoord Deel 3:
‘Als de mens geestelijk bewust is (hier bedoeld de mens die in het hiernamaals een geestelijke gevoelsgraad heeft bereikt) dan zijn er geen littekens (meer te zien in het geestelijke lichaam dat de ziel dan bewoont), en dan is er van zwart, bruin en blank (als ‘geestelijke huidskleur’) geen sprake, want het geestelijke gewaad (geestelijke lichaam van de ziel in het hiernamaals) is miljoenvoudig.
De mens uit de eerste sfeer (eerste liefdevolle wereld in het hiernamaals) die kunt u al bijna niet meer ontleden als u zijn huidskleur ziet.
En nu de tweede sfeer, de derde.
Ik heb de mens in het Al (zevende kosmische levensgraad) gezien met zijn handjes en zijn huidskleur.
Ik was drie keer in het Al en daar heb ik de mens gezien; als u die huidskleur ziet dan ziet u in die huid, in dat vlees ziet u de ganse schepping.
De ogen van een mens aan gene zijde uit de eerste sfeer, dame, die stralen u liefdevol tegemoet, tweede sfeer, derde sfeer.’
B.20.
Je ziet daardoor hoe de intellectuele mens de natuurlijke weg heeft verlaten, ook al denken al die wezens verder te zijn dan deze arme zielen in die donkere gewaden.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
Vele tijdsgenoten van Jozef Rulof dachten door hun intellectualiteit ‘verder te zijn dan deze arme zielen (arm in stoffelijk bezit) in die donkere gewaden (het bruinzwarte lichaam van de eerste stoffelijke overgang).’ De boeken van Jozef Rulof halen deze mensen uit hun illusie en tonen aan dat velen onder hen – al leven ze in een lichaam van de zevende stoffelijke graad in een westerse samenleving – amper uit het voordierlijke gevoelsleven zijn geraakt, en hun handelingen nog steeds richting oerwoud wijzen.
Uit het boek ‘Het Ontstaan van het Heelal’:
‘Aan alles ligt de wedergeboorte vast, zien wij het eerste ogenblik terug en herkennen wij het als het begin van de openbaring.
Hier (in het oerwoud) leven mensen die van dit alles niets af weten, die door (vele mensen in 1939 die zichzelf beschouwen als) het blanke ras worden veracht en waarmee zij zich niet meer kunnen (willen) vergelijken.
Hier leven mensen die van het volmaakte Kind Gods (Christus) niets weten, die de eerste stoffelijke graad bezitten en duizenden malen op aarde zullen terugkeren.
Maar op aarde, in de steden leven toch ook deze wezens, al gaan zij in zijden gewaden en behangen zij zich met eretekenen.
Wij zien daar echter doorheen en herkennen hen onmiddellijk en zien hun geestelijke armoede.
Hun daden wijzen aan dat zij het zijn, naar hun gesprekken hebben wij geluisterd, aan hun doen en laten zagen wij wie zij waren.
In dat schone lichaam leeft nog steeds het voordierlijke beest.
In de hoogste kringen van de maatschappij leven deze wezens.
(…)
Hier (in het oerwoud) kennen zij echter nog geen God, daar (in de westerse steden) wel, doch zij handelen er niet naar, zij beleven alleen en gaan met alles wat zij bezitten hun ongeluk tegemoet.
In vele dingen zijn deze wezens (de eerste stoffelijke graden) verder dan zij (de latere stoffelijke graden), omdat zij (de eerste stoffelijke graden) kinderen zijn van de natuur en zich geven zoals zij zijn.
Doch daar in die grote steden zien wij mensen (met een lichaam van de zevende stoffelijke graad) die vermomd zijn, zoals geen voordierlijk wezen zich zou kunnen vermommen en die op deze wezens (met een lichaam uit de eerste stoffelijke overgang) neerzien.
(…)
Voel je waarom ik hier (op bezoek bij de mensen met een lichaam van de eerste stoffelijke overgang) ben, André (Jozef Rulof), en begrijp je dan dat iedereen die op aarde leeft, hier moet zijn geweest, wil hij de plaats waar hij nu is, bereiken?
Hier begint ons leven op aarde, dit is de eerste graad van stoffelijke en geestelijke afstemming.
Hier zijn wij op de planeet aarde gekomen, en in het oerwoud begint onze lange aardse weg.
Dit lichaam dat zij bezitten, is de eerste stoffelijke graad en de zevende moeten en zullen zij bereiken.
Hier is het waar de kringloop der aarde begint en waar de eerste steen wordt gelegd om te beginnen ons een plaats in het stoffelijke en geestelijke leven te veroveren.’
B.21.
Op aarde zien wij zwart en bruin, maar het hoogste lichaam in stoffelijke toestand is het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl), hier echter heeft alleen de mens met geestelijke graden te maken en daarvoor keert hij terug.
Het Ontstaan van het Heelal, 1939
‘Op aarde zien wij zwart en bruin (het bruinzwarte lichaam van de eerste stoffelijke overgang), maar het hoogste lichaam in stoffelijke toestand is het blanke ras (en alle andere huidskleuren en zogenaamde rassen van de zevende stoffelijke overgang), hier (op de vierde kosmische levensgraad) echter heeft alleen de mens met geestelijke graden te maken en daarvoor keert hij terug (in volgende levens op deze planeten van de vierde kosmische levensgraad).
 
Tot zover de concrete weerleggingen van de 21 citaten inzake de racismewet.