Rulof bij de ministerraad

Bij het ter oordeel leggen aan het Arbitragehof van de antidiscriminatiewet hebben de indieners het kort geding van de uitgever aangegrepen om op pag. 9 te stellen:
Uit de toepassing (in het kort geding van de uitgever) van het in de wet bepaalde vorderingsrecht door het CGKR blijkt dat op grond van de bestreden bepaling zelfs de verspreiding van werken van reeds lang overleden auteurs (…) wordt verhinderd, wat neerkomt op een ongrondwettige censuur die zelfs de consultatie van dergelijke boeken voor wetenschappelijke doeleinden onmogelijk maakt.
De Ministerraad werpt tegen dat middel de exceptie obscuri libelli op omdat niet wordt aangegeven waaruit de beweerde discriminatie zou bestaan, zodat hij onmogelijk de omvang van het middel kan inschatten en daarop kan antwoorden.
Inderdaad, de kort geding rechter had de uitgever prima facie veroordeeld zonder zelfs maar te zeggen waaraan hij precies schuldig was.
Vervolgens ontkent – tot tweemaal toe – de Ministerraad in deze discussie voor het Arbitragehof in A.9.4. op pag. 9:
‘dat de desbetreffende beschikking duidelijk op een bepaling van de bestreden wet berust en ontzegt het Hof in ieder geval de bevoegdheid om een oordeel te vellen over een beschikking van de voorzitter in kort geding, a fortiori nu de verzoekende partijen geen partij waren in die zaak.’
De rechter in kort geding had echter expliciet gesteld dat de filosofie van Jozef Rulof – meer dan 11.000 pagina’s lang, die deze rechter blijkbaar in 24 uur (van 14 op 15 mei 2003) doorgrond en grondig onderzocht had - ‘in strijd is met de wetgeving tegen het racisme en ter bestrijding van discriminatie’.
In de rechtsleer en pers-berichten terzake werd unaniem aangenomen dat dit de eerste toepassing was van de kersverse antidiscriminatiewet.
De uitgever schreef hierover in zijn besluiten ten gronde:
Het is dus zeer opmerkelijk dat de Ministerraad bij hoog en bij laag beweert dat de antidiscriminatiewet – die op dat moment ter discussie lag bij het Arbitragehof – niet was toegepast in onze casus.
Blijkbaar durfde de Ministerraad de beschikking van de kort geding rechter niet te verdedigen.
Vreesde de Ministerraad dat deze ‘toepassing’ de absurdheid van de verstrekkendheid van deze wet zou blootleggen, indien die het toeliet ‘werken van reeds lang overleden auteurs’ te verbieden?
Het is duidelijk als niet de antidiscriminatiewet maar wel de Antiracismewet en de Negationismewet zouden toelaten dat de ‘werken van reeds lang overleden auteurs’ verboden kunnen worden, dit op eenzelfde wijze de absurdheid van de bepalingen of de aanwending van deze wetten zou aantonen.
Toch blijft het CGKR tot in haar recentste besluiten vragen “tevens verbod op te leggen lastens beklaagden om alle geschriften of teksten nog te verspreiden waarvoor veroordeling op strafgebied zal worden uitgesproken.”
Blijkbaar heeft het CGKR niet alleen lak aan de elementairste vorm van ‘de vrijheid om denkbeelden te ontvangen’ zoals het Europees Hof dat gebiedt en aan artikelen 19 en 25 van de Belgische grondwet, maar is zij ook elke beschikbaarheid voor wetenschappelijk onderzoek vijandig.