Bijzonder opzet

Over het bijzonder opzet van het uitgeven van historische werken schrijft de uitgever in zijn besluiten:
De uitgever wil in dit verband toch aangeven dat het oeuvre van Jozef Rulof meer dan 11.000 pagina’s bevat, en tot stand is gekomen tussen 1933 en 1952.
Het is een historisch werk dat zich beweegt op het vlak van psychologie, parapsychologie, filosofie, religie, antropologie, astronomie en kosmologie.
Naar weten van de uitgever is deze rechtszaak een absoluut precedent.
Voor het eerst in de Europese geschiedenis is een uitgever naar een correctionele rechtbank verwezen op basis van historische werken waarvan hijzelf dus niet de auteur is!
Betichten vragen zich af of dit precedent ook een historisch horrorverhaal gaat worden door voor het eerst in de Europese geschiedenis een uitgever te veroordelen voor het uitgeven van historische werken waarvan hijzelf niet de auteur is?
Over het bijzonder opzet van de schrijver zegt de uitgever in zijn besluiten:
Wanneer het CGKR van hem een antisemiet wil maken, zullen ze wellicht niet gelezen hebben wat hij tijdens zijn ‘Vraag en Antwoord-avonden’ aan het verzamelde publiek gezegd heeft over zijn bijzonder opzet:
Ik kan eerlijk zeggen, dame: de jood is mij lief, en de katholiek en de protestant, want het is leven.
Ik ga de mens niet afbreken omdat ze het geloof hebben.
Vraag en Antwoord Deel 3, 1952
Over het bijzonder opzet van de uitgever zelf zegt hij in zijn besluiten:
Stichting Geestelijk-Wetenschappelijk Genootschap ‘De Eeuw van Christus’ is in 1946 opgericht door Jozef Rulof om zijn oeuvre te beheren.
Zijn literair werk kreeg een dergelijke omvang dat hij de organisatie van de beschikbaarheid van dat werk in zijn eentje niet meer kon bolwerken, naast het schrijven van nog meer boeken en het geven van lezingen.
Sinds haar oprichting ijvert deze stichting voor een goed begrip van de inhoud van de (nu) meer dan 11.000 pagina’s filosofische literatuur die Jozef Rulof heeft nagelaten.
De stichting wordt gedragen door vrijwilligers.
Zij helpen om zijn werk beschikbaar te houden.
Dit is het bijzonder opzet van deze stichting.
In de 60 jaar van haar bestaan is er nooit één bestuurslid, werknemer of vrijwilliger van deze stichting met het gerecht in aanraking gekomen wegens feiten inzake racisme, discriminatie of negationisme.
Als we het idee van de onderzoeksrechter volgen dat het gaat om ‘wat de betichte met dit werk van Jozef Rulof doet’, gaat het bij deze stichting erom te zorgen dat dit historische werk niet van de aardbodem verdwijnt.
Is dat racistisch of negationistisch?
Zouden bibliotheken en diverse musea zich voortaan ook zorgen moeten gaan maken?
Op 10 februari 2004 werden de stichting verhoord onder meer bij monde van bestuurslid van der Leur.
In het politieverslag vinden we het volgende ‘bijzonder opzet’ van mevr. van der Leur:
De kern van de boodschap is de boodschap van Christus ‘heb elkander lief’.
(…) Jozef Rulof spoort de mens aan meer begrip te hebben voor elkaar en elkaar te helpen, ongeacht hun kleur, afkomst, ras… omdat de mens in essentie uit dezelfde bron voortkomt, namelijk de goddelijke bron.
(…) Persoonlijk heb ik door kennismaking van de literatuur en de ideeën van Jozef Rulof nog meer kracht gevonden om mij voor mijn medemensen in te zetten.
Mocht er ook maar iets van al deze beschuldigingen die het CGKR de stichtingen ten laste legt ook maar waar zijn geweest, dan was ik er beslist van weggelopen en had ik mij er zeker niet meer voor ingezet.
Ikzelf ben trouwens ook categorisch tegen ideeën die racistisch, discriminatoir en negationistisch zijn.
Mijn persoonlijk leven mag hiervan een levendige getuige zijn.
Over het bijzonder opzet van vierde verdachte lezen we in zijn politieverhoor op 10 februari 2004:
Mochten de werken van Jozef Rulof ook maar een schijn van racistische of discriminatoire inslag hebben dan zou ik zeker mijn medewerking niet verlenen aan het verkopen en het verspreiden van dergelijke boeken.
Precies omdat die werken getuigen of aansporen tot het liefdevol bejegenen van de naaste draag ik mijn steentje bij tot de verspreiding ervan.
Over de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst schrijft de uitgever in zijn besluiten:
De arbeidsovereenkomst tussen de uitgever en Vermeire is overigens beëindigd op 29 februari 2004.
De reden hiervoor heeft direct met deze rechtszaak te maken.
Toen de uitgever op 12 mei 2003 gedagvaard werden in kort geding en te horen kregen dat er klacht met burgerlijke partijstelling was neergelegd, is hij flink geschrokken.
De uitgever heeft namelijk niet de intentie om wie dan ook kwaad te doen.
Na het kort geding heeft het bestuur van de uitgever besloten om geen activiteiten in België meer te ontplooien totdat over de grond van de zaak uitspraak was doen.
Het bestuur wilde op geen enkele wijze de zaak laten escaleren, of enigerlei aanleiding geven tot nog meer oververhitte reacties van het CGKR.
Gezien de beslissing om langere tijd (de lengte was niet bekend omdat die zou afhangen van de duur van het gerechtelijk onderzoek) geen activiteiten in België meer te ontplooien, was er ook geen werk meer voor Vermeire, zodat de arbeidsovereenkomst beëindigd moest worden.
Vermeire heeft hierdoor tot spijt van zijn werkgever zijn baan verloren en ander werk moeten gaan zoeken.