Het wettelijk kader
In hun vonnis pag. 8 - 10 hebben de drie rechters eerst het wettelijk kader geanalyseerd waarbinnen zij de beschuldigingen van het OM zullen toetsen. Hierin gaat het vooral om een precieze definiëring van de termen uit de wettekst:
Inbreuk op artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd, in één van de omstandigheden bepaald door artikel 444 van het Strafwetboek ((Anti)negationismewet of Revisionismewet);
In het algemeen belichten ze dat de wet restrictief toegepast moet worden, dus terughoudend:
Verder stelt het Arbitragehof onder B.7.8.:
“Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zich terdege rekenschap heeft gegeven van het fundamentele belang van het recht op vrije meningsuiting, doordat hij er bewust naar gestreefd heeft de beoogde strafbaarstelling restrictief en ondubbelzinnig te definiëren.
In het algemeen overigens behoeft de bestreden wet, vermits ze afbreuk doet aan de vrijheid van meningsuiting en een strafwet is, een restrictieve interpretatie.”
Daarna geven ze aan hoe het Arbitragehof alle termen ondubbelzinnig definieert:
“Over de betekenis van de begrippen “ontkennen” of “goedkeuren” kan geen misverstand bestaan.
In het eerste geval wordt het bestaan van de bedoelde genocide in haar totaliteit geloochend.
In het tweede geval hecht men er zijn goedkeuring aan en onderschrijft men aldus dienomtrent de nazi-ideologie.” (...)
Het “pogen te rechtvaardigen” gaat minder ver dan het goedkeuren, doch streeft ernaar door het herschrijven van de historische gegevens - de bedoelde genocide op een aanvaardbare wijze voor te stellen, en aldus de nazi-ideologie te legitimeren.
Bij het strafbaar stellen van het “schromelijk minimaliseren” ten slotte, is de toevoeging van het begrip “schromelijk” van bijzonder belang.
Uit de parlementaire voorbereiding blijkt zeer duidelijk dat de wetgever niet het minimaliseren zonder meer, doch enkel het minimaliseren op zeer verregaande en daardoor erge, grove en beledigende wijze beoogt.” (...)
De rechtbank is van oordeel dat de handelingen wetens en willens dienen te worden gesteld met een kwaadwillige, beledigende intentie en een de democratie vijandig gezinde ideologie in eer te willen herstellen.
Wat aldus het moreel aspect betreft van de in de Negationismewet weerhouden strafbare handelingen is een bijzonder opzet vereist.
Daarna passen de rechters deze ondubbelzinnige definiëringen toe op het boek dat bij uitstek de Negationismewet zou moeten overtreden:
De rechtbank heeft zich de moeite getroost om het boek “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien” door te nemen.
Uit dit boek blijkt duidelijk dat de genocide niet wordt ontkend, niet wordt geminimaliseerd, niet wordt gerechtvaardigd en niet wordt goedgekeurd.
(...)
Uit dit ‘gefilosofeer’ van Rulof blijkt nergens dat hij de genocide ontkent, goedkeurt, schromelijk minimaliseert of poogt te rechtvaardigen en evenmin enige intentie daartoe heeft.
De rechtbank gaat ter zake niet meer citeren, doch verwijst hiervoor naar de inhoud van het boek “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien” (2001) in zijn geheel.
Rekening houdende met het geschetste wettelijke kader en de elementen van de tenlastelegging A die de rechtbank kon nagaan via de drie beschikbare boeken, waaruit inhoudelijk en intentioneel geen inbreuk op de Negationismewet kon worden vastgesteld of weerhouden, kunnen de verspreiders van deze geschriften (boeken) uiteraard niet worden veroordeeld op basis van de tenlastelegging A (inbreuk op de Negationismewet).