Het wettelijk kader
De tenlastelegging stelt:
In de omstandigheden genoemd in artikel 444 van het Strafwetboek te hebben aangezet tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of leden ervan, en wegens een zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming van deze leden of van sommigen onder hen (art 1-2° Wet 30.07.1981 gew. door de wet van 12.04.1994 (B.S.
14.05.1994)), minstens door geschriften al dan niet gedrukt, aangeplakt, verspreid of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld te hebben: onder meer:
In hun vonnis pag. 10 - 13 hebben de drie rechters eerst het wettelijk kader geanalyseerd waarbinnen zij de beschuldigingen van het OM zullen toetsen. Hierin gaat het vooral om een precieze definiëring van de termen uit de wettekst, als het ‘aanzetten tot’:
Verder moet het gaan om het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld jegens een groep, een gemeenschap of de leden ervan, wegens het ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming van deze leden of van sommigen onder hen.
Onder de term aanzetten dient te worden begrepen als “aansporen”, “opzetten” en “aanstoken”.
Dit blijkt uit het arrest van het Arbitragehof d.d. 06 oktober 2004 bij toetsing van het zeer gelijkaardige artikel 6 lid 1 van de Antidiscriminatiewet.
Het Arbitragehof stelt namelijk:
“De term “aanzetten tot” geeft op zich aan dat de strafbaar gestelde handelingen verder gaan dan louter informatie, ideeën of kritiek.
De gebruikelijke betekenis van het werkwoord “aanzetten tot” is “aansporen om iets te doen”, “opzetten, aanstoken”.
(...)
Dat aanzetten zal in dat geval alleen kunnen worden verklaard door de wil aan te sporen tot haat of geweld, zodat de drie termen die in artikel 6 lid 1, eerste streepje, worden gebruikt, de verschillende gradaties van eenzelfde gedrag aangeven.” (Arbitragehof nr. 157/2004, 6 oktober 2004, B.49).
Met betrekking tot de discussie over het moreel element, meer bepaald de vereiste graad van opzet (algemeen of bijzonder opzet), kan gesteld worden dat hierover ondertussen duidelijkheid is.
(...)
Het Arbitragehof schept ter zake duidelijkheid.
Met betrekking tot het vereiste morele element bij de vrijwel identieke strafbaarstelling van “aanzetten tot” in de Antidiscriminatiewet stelt het Arbitragehof in het arrest van 6 oktober 2004:
“Uit de parlementaire voorbereiding blijkt ten slotte dat het om een opzettelijk misdrijf gaat.
Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat er sprake moet zijn van bijzonder opzet.
Wegens de draagwijdte die moet worden gegeven aan de termen aanzetten, discriminatie, haat en geweld, mag het niet gaan om een misdrijf waarvan het bestaan zou worden aangenomen vanaf het ogenblik dat de materiële elementen ervan aanwezig zijn.
Integendeel, om te kunnen spreken van een misdrijf dient het specifieke morele element dat vervat is in de termen zelf die in de wet worden gehanteerd, te zijn aangetoond.
Door de vereiste dat er sprake moet zijn van een bijzondere wil aan te zetten tot discriminatie, haat of geweld, wordt uitgesloten dat, indien geen sprake is van zulk een aanzetten, het verspreiden van pamfletten strafbaar zou kunnen worden gesteld (...); hetzelfde moet gelden voor grappen, spottende uitlatingen, meningen en elke uiting die, bij gebrek aan het vereiste bijzondere opzet, behoort tot de vrijheid van meningsuiting.
Een bijzonder opzet, een bijzondere wil om aan te zetten tot discriminatie, haat en geweld is derhalve vereist.
Naast de inhoud en het vereiste moreel element (in casu het bijzonder opzet), dient uiteraard ook rekening te worden gehouden met de context waarin de uiting plaatsvindt.
Daarna passen de drie rechters dit wettelijk kader onder meer toe op “Het Ontstaan van het Heelal” en “De Volkeren der Aarde door Gene Zijde bezien”:
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de drie boeken, waarvan zij kennis kon nemen, inhoudelijk niet van aard zijn om te kunnen aanzetten (aanmoedigen of aansporen) tot discriminatie, segregatie, haat of geweld en deze boeken evenmin met dat doel werden geschreven.
De bijzondere wil om aan te zetten tot discriminatie, segregatie, haat of geweld is niet aanwezig.
Rekening houdende met het geschetste wettelijke kader en de elementen van de tenlastelegging B die de rechtbank kon nagaan via de drie beschikbare boeken, dient de rechtbank aldus te concluderen dat er geen inbreuk op de Antiracismewet kan worden weerhouden.
Gezien die boeken niet in strijd zijn met de Antiracismewet kunnen de verspreiders van die geschriften (boeken) uiteraard niet worden veroordeeld op basis van de Antiracismewet.