Reactie van onderzoeksrechter
De reactie van de onderzoeksrechter op onze vraag naar bijkomende onderzoekdaden is te lezen in haar beschikking van 24 november 2004 (zie
):
Voor wat betreft het verzoek tot aanvullend verzoek zoals geformuleerd onder de punten 1 en 3 is het gevraagde niet noodzakelijk om de waarheid aan het licht te brengen en dient het verzoek te worden afgewezen als ongegrond.
Verzoekers vergissen zich immers door een verder onderzoek te vragen naar Jozef Rulof.
Deze laatste maakt geen voorwerp uit van een inverdenking-stelling en verzoekers wel.
De feiten waarvoor vervolging werd ingesteld gaan niet over de persoon van Jozef Rulof of zijn geschriften an sich, doch wel en des te meer over wat verzoekers met deze geschriften doen (zie tenlaste-leggingen).
(...)
Voor wat betreft het gevraagde onder punt 2 van het verzoekschrift kan aan de hand van een aanvullend verhoor van de burgerlijke partij, tevens initiatiefnemer in dit gerechtelijk onderzoek, meer duidelijkheid bekomen worden. Bijgevolg kan worden overgegaan tot herverhoor van de burgerlijke partij alsmede tot het overleggen van alle uittreksels uit de boeken zoals bedoeld in de klacht.
Vervolgens stuurt ze een brief naar de politie voor het herverhoor van de burgerlijke partij om alle uittreksels te overleggen (zie
).
De onderzoeksrechter vond het echter niet nodig om de context en tijdsgeest van de citaten te onderzoeken omdat volgens haar de geschriften an sich niet ter discussie staan.
In ons betoog voor de drie rechters onderwierpen we deze redenering van de onderzoeksrechter aan een logisch onderzoek:
Act A.
Eerst stelt het OM dat de uitgever schuldig is aan het overtreden van de twee wetten door het verspreiden van racistische, discriminerende en negationistische geschriften.
Vervolgens gaat de hele verdere tekst van de tenlasteleggingen over die geschriften, en wil het OM met losse zogenaamde citaatjes bewijzen dat die geschriften racistisch, discriminerend en negationistisch zijn.
Act B.
De uitgever stelt dat die zogenaamde citaatjes – omgeven door de beschuldigingen van het CGKR – een onjuist beeld ophangen van deze filosofie van 11.000 pagina’s, die de universele liefde onder mensen uitdraagt.
Dus vraagt de uitgever – verwijzend naar de rechtspraak van het EHRM – om te onderzoeken of die filosofie in haar geheel inderdaad racistisch, discriminerend en negationistisch is.
Act C.
De onderzoeksrechter stelt dat het niet om de filosofie gaat, dus dat die filosofie niet onderzocht dient te worden.
Het gaat dan klaarblijkelijk enkel om wat de uitgever ermee doet.
De uitgever verspreidt de filosofie.
Logische vraag: Stel dat het onderzoek uitwijst dat de filosofie ‘goed’ is.
Hoe kan het verspreiden van die goede filosofie dan ‘slecht’ zijn?
In de bovenstaande redenering valt de stelling niet te falsifiëren doordat de mogelijkheid tot objectieve toetsing geweigerd wordt.
In (wiskundig) logische termen uitgedrukt is de tenlastelegging op deze wijze een axioma in plaats van een te bewijzen stelling.
De uitgever is dus racistisch omdat hij racistisch is.
Vermits de filosofie racistisch is omdat ze racistisch is.
Punt.
Vanaf dan mag de uitgever gaan praten wat hij wil, maar het axioma mag niet in vraag gesteld worden.
En de onderzoeksrechter voegt er nog aan dat het falsifieerbaar zijn van de tenlasteleggingstelling ‘niet noodzakelijk is om de waarheid aan het licht te brengen’.