Het geestes- en het stoflichaam

André ontving steeds meer bewijzen van een eeuwig voortleven na de stoffelijke dood, waarom hij de mensheid trachtte te overtuigen, dat het geesteslichaam een apart lichaam is en dat de mens, na het stoflichaam te hebben afgelegd, het eeuwige leven binnentreedt.
Bovendien werd hem aangetoond, dat de geest het intellect lichaam is en het gevoelslichaam betekent.
Door de vele uittredingen, die hij door Alcar had mogen beleven, stond het voor hem vast, dat de mens op aarde leefde om zijn gevoel in de geest te ontwikkelen.
En dat was de liefde.
Na zijn laatste reis naar de hemel en de hel, was er niets meer in hem, dat aan deze waarheid twijfelde.
Wanneer hem het een of ander hinderde, liet Alcar het hem beleven, waardoor hij verschillende problemen leerde kennen en hij in de geest ontwikkelde.
Het beleven van vele toestanden was voor hem een grote genade, waardoor hij het geestelijke leven leerde kennen.
Wat hij in deze toestand beleefde, was zeer zeker de moeite waard om te worden verteld.
Het volgende gebeuren was ook zeer merkwaardig.
Reeds enige tijd voordat hij dit probleem mocht beleven, las hij een boek van een bekend schrijver over het leven van de Heilige Franciscus van Assisi.
De geschiedenis, zoals de schrijver deze had weergegeven, vond hij zeer wonderlijk en zij had hem diep getroffen.
Het grote geloof en de mensenliefde van Franciscus brachten hem tot nadenken.
Eén toestand was hem niet duidelijk en daarover piekerde hij veel; het was de zelfkastijding, die Franciscus zich toebracht.
Of het nu in waarheid was geschied of niet, hem interesseerde dit geval bijzonder.
Aan zijn heiligheid wilde hij niets te kort doen, maar hij begreep niet, dat Franciscus zich door zelfkastijding kon ontwikkelen.
Velen zouden hem dom vinden, maar het liet hem niet met rust, hij dacht er reeds enige maanden over na.
Hij (Franciscus) vond het geweldig, om naakt in een doornenstruik te springen, zodat het bloed van alle zijden langs het lichaam droop, maar of Franciscus daardoor deze hoge geestelijke afstemming had verkregen, dat was nu voor hem het raadsel.
André voelde voor de heilige alle eerbied.
Hij (Franciscus) was een mens met een groot heilig gevoel en daarvoor boog hij diep het hoofd.
Maar om aan hem te denken, beschouwde hij als verkeerd.
Ook hij wilde vooruit en omdat Alcar hem had duidelijk gemaakt, dat de mens het leven zou moeten beleven, begreep hij niet, hoe dit alles mogelijk was en kon zijn.
Een vrouw, die op aarde geen moeder werd en naar het moederschap hunkerde, keerde terug om het te beleven.
Zou diezelfde moeder zich op andere wijze van haar hunkering kunnen bevrijden?
Zie, dat waren problemen, die hij maar zo niet zag opgelost.
Zou een vrouw, hunkerende naar het moederschap, haar hunkering kunnen vernietigen en overwinnen door zichzelf te kastijden?
Was dat mogelijk?
Waarvoor diende dan het leven?
Hij gaf meermalen zichzelf antwoord, maar kwam niet tot een resultaat.
Zelfkastijding was toch niet de weg om in een klein aards leven in zo’n hoge toestand te komen?
De heilige bad dag en nacht, offerde zich voor alle leven op, maar waar was dan die zelfkastijding voor nodig?
Om hartstochten te bedwingen?
Hij leefde een rein leven; dat was toch voldoende?
Nogmaals, aan zijn heiligheid wilde hij niets te kort doen, maar het liet hem niet met rust.
Telkens betrapte hij zichzelf erop, dat hij weer met Franciscus bezig was en hij kon er maar niet van bevrijd worden.
Dan kwam er nog bij, en dit was een eerste factor, dat André van zijn aards leven iets wilde maken.
Hij wilde iets zijn voor anderen.
En welke middelen het ook waren, hij wilde ze aanwenden om zich geestelijk bezit eigen te maken, opdat hij, wanneer ook hij zou overgaan, in het eeuwige leven licht zou bezitten.
Alles wilde hij daarvoor doen, voor ieder wezen gaf hij zich in zuivere liefde en voor iedereen zou hij zijn leven willen geven, wanneer het van hem verlangd werd.
Het was geen ijdelheid om iets te zijn, hij wist, hoe nietig hij was.
De prachtigste schilderstukken werden door hem gemaakt en toch durfde hij zich niet voor schilder uitgeven.
Wanneer Wolff en vele anderen niet meer door hem zouden schilderen, was tevens zijn talent verdwenen.
Zo was het ook met het zien en genezen.
Als Alcar hem niet hielp, kwam van een diagnose niets terecht.
Hij wist immers, dat hij het niet kon en nooit zou kunnen, buiten hun hulp.
Hij was niets en bleef niets, hij was een instrument.
Maar wat hij zeer goed begreep, was dit: wanneer hij zich inspande en zich zuiver wilde geven, zou Alcar hem in de geest ontwikkelen, wat het geestelijk goud betekende aan Gene Zijde.
Was dit ijdelheid?
Neen toch!
Hij wilde alleen iets zijn voor anderen; daarom spande hij al zijn krachten in om zich de schatten des geestes eigen te maken.
Daarom hield hem dit probleem gevangen.
Op een avond ging hij, vermoeid, vroeg naar bed.
Toch kon hij de slaap niet vatten, omdat Franciscus hem bezighield.
Hij vroeg zich af, of Alcar zou weten hoe hij liep te piekeren.
Ging hem dit niet aan?
Of waren dit geen toestanden voor Alcar?
Maanden liep hij ermee rond en zag maar geen uitweg.
Nadat hij zijn laatste wonderlijke toestand had beleefd, durfde hij aan Alcar niets meer te vragen, want wanneer het nodig bleek, werd hij geholpen.
Thans zou hij zeer zeker alles belachelijk vinden en zou hij het zelf moeten uitvechten.
Waar bemoeide hij zich ook mee?
Waarom had hij het boek gelezen en alles letterlijk overgenomen?
Het was natuurlijk verkeerd, maar wat kon hij er thans nog aan veranderen?
Alles van zich afzetten, maar hoe?
Hoe vaak had hij het niet reeds van zich afgeslingerd en toch sloop het zijn ziel weer binnen.
Hij maakte zich kwaad en voelde dat zijn concentratie nog zo zwak was.
Enige nachten terug had hij er zelfs over gedroomd.
Hij vond het verschrikkelijk.
Hij kon niet eens rustig meer slapen.
Hij droomde, dat Franciscus hem had laten roepen en hem over zijn leven had verteld.
Hij zei tot hem het volgende:
„Ik weet van je denken af en weet daar wel raad op, ga maar mee.”
Hij had hem meegenomen naar een grote tuin achter een klooster en zei tot hem: „Ziedaar, spring er maar in, dan weet je ineens hoe alles is”.
Franciscus wees hem op een doornenstruik.
Hij keek hem daarbij aan, als wilde hij zeggen, je durft het toch niet en André sprong naakt in de doornenstruik, zodat het bloed van alle kanten van zijn lichaam droop.
Maar toen hij ’s morgens ontwaakte en hij zich zijn droom herinnerde, was er niets aan zijn lichaam te zien; het was dus een echte droom geweest.
En thans lag hij alweer over hetzelfde probleem te piekeren.
Hij werd er nog gek van, wanneer hij daar niet spoedig van werd verlost.
Hij concentreerde zich als nooit te voren, want hij wilde slapen.
Halve nachten wakker te liggen en nietszeggende dromen te dromen, daar werd hij niet wijzer van.
Hij dacht, ik zal bidden, net zo lang totdat ik in slaap val.
Het gelukte hem volkomen, het gebed bracht hem in diepe slaap.
Hoelang hij had geslapen, wist hij niet, toen hij dacht, dat zijn naam werd uitgesproken.
Hij keek om zich heen, maar zag niemand.
Weer hoorde hij: „André?”
Wie riep hem daar?
Kwam men hem weer voor het een of ander halen?
Hé, wat was dat?
Hij stond naast zijn lichaam.
Dadelijk dacht hij aan zijn vorige nachtelijke tocht.
Had men hem nodig?
Wie had hem bevrijd?
Alcar?
Waar was zijn leider?
Waren het weer andere problemen, die hij zou beleven?
Toen hij Annie mocht genezen, waren hem ook twee onbekenden komen halen en toen hem alles duidelijk werd gemaakt, waren het Alcar en diens meester.
Hoe slecht had hij over hen gedacht, thans wilde hij dit voorkomen.
Toch zou hij voorzichtig moeten zijn en zomaar niet meegaan, hij kon immers niet weten, of er toch ongelukkigen tot hem waren gekomen.
Weer hoorde hij: „André, wilt u ons volgen?”
Volgen, dacht hij, waarheen?
Aan de klank hoorde hij, dat het geen ongelukkige geesten waren, want daarin lag liefde; in de geest voelde en hoorde men dat onmiddellijk.
Aan deze zijde kon zich een demon niet verbergen, aan de één of andere toestand zou men hem kunnen herkennen.
Voor hem stonden twee wezens, in een licht waas gehuld.
Hij zag hen, maar toch waren zij als schaduwen.
Nog steeds hoorde hij niets van zijn leider.
Op hetzelfde ogenblik kwam in hem een liefdekracht, hetzelfde gevoel, als toen men hem voor Annie was komen halen en daardoor was hij vastbesloten om mee te gaan.
Hij stapte op hen toe en voelde, dat hij werd opgeheven en zij zich van de aarde verwijderden.
Zo, dacht hij, het is een reis naar de sferen.
Deze toestand was dus een andere dan die van Annie.
In snelle vlucht verlieten zij de aarde en hij was zeer nieuwsgierig, waarheen men hem zou brengen.
André keek naar de hemel en schrok.
Dat was niet in orde.
Zo’n toestand kende hij niet en had Alcar hem niet getoond.
De hemel was geel.
Dat kon toch niet?
Hoe kon een hemel geel zijn?
Nooit had hij daarvan gehoord.
Waren die hemelen aan deze zijde te vinden?
Hij vond het abnormaal, het was niet natuurlijk.
Hij kende het hemellicht vanaf de donkere gebieden tot in de vijfde sfeer, doch een hemel als deze had hij nooit kunnen waarnemen.
Hij nam zich voor om dubbel voorzichtig te zijn.
Hij zag een landschap met gele bomen en gele planten, alles was geel.
Kon dat natuurlijk zijn?
Neen immers.
Het was vals.
Voerde men hem naar onnatuurlijke toestanden?
Werd hij op de proef gesteld?
Waarvoor diende dit alles?
Steeds zweefden zij verder en hij voelde zich door de beide onzichtbare geesten voortgetrokken.
Eindelijk werd halt gehouden.
Hij stond op een hoge berg en keek in een diep dal, dat voor hem lag.
André voelde, dat men hem voor een toestand had geplaatst, want voor hem liep een pad, dat door het dal kronkelde.
Aan de overkant zag hij een groot gebouw.
Het enige in deze onafzienbare ruimte.
Moest hij afdalen?
Was dit hun bedoeling?
En onmiddellijk kreeg hij het gevoel, dat het hun bedoeling was; hij zou dat pad moeten volgen.
Vreemd was alles, onnatuurlijk en geheimzinnig.
Waarom sprak men niet met hem?
Zou hij niet terugkeren?
Daarin kon niemand hem tegenhouden.
Hij had geleerd en wist zich te concentreren wanneer er gevaar dreigde.
Toch was hij nieuwsgierig, wat dit alles te betekenen zou hebben.
Hij daalde af en het duurde lang, voor hij de overkant bereikte.
Eindelijk bevond hij zich vlak voor een kasteel, dat als uit de bodem scheen gerezen.
Hij bleef staan, om na te denken.
Het was een oud gebouw, uit geelachtige bloksteen opgetrokken.
Ook dat was niet natuurlijk.
Geen wezen zag hij en er heerste een drukkende stilte, wat hem niet prettig aandeed.
Een grote deur, die meer op een poort geleek, versperde de ingang.
Nogmaals keek hij in de natuur, maar hij zag geen levend wezen en ook zijn begeleiders waren verdwenen.
Die stilte maakte hem angstig.
Het leven was hier in slaap gevallen.
Geen wind, die de natuur opfriste, niets dan een dood klimaat, onnatuurlijk en geheimzinnig.
Hier zou zich geen mens gelukkig kunnen voelen.
Dan was en bleef hij liever op de aarde.
Wat zou daar achter die dikke deuren leven?
Mensen?
En waar waren zij, die hem waren komen halen?
Was dit het einde van zijn tocht?
Moest hij hier binnen?
Al die vragen spookten door zijn hoofd.
Hij ging iets dichterbij, misschien kwam er een oplossing.
Maar toen hij enige meters genaderd was, ging vanzelf de deur open, waarvan hij geweldig schrok.
Stokstijf bleef hij staan.
Nu zul je het hebben, dacht hij.
Doch geen mens kwam tevoorschijn.
Hij stond op zijn benen te trillen.
Wat betekende dat nu?
Hij keek in een lange gang, maar zag niemand.
Zou iemand achter de deur staan?
Neen, dat was niet mogelijk, de deur sloot tot vlak aan de muur, wat hij in een oogopslag waarnam.
Maar wat dan, wie had hem opengedaan; wachtte men hem hier op?
Waar was Alcar?
Op die vraag voelde hij weer, dat Alcar over hem waakte en hij trad binnen.
Hij was nog geen pas over de drempel, of voor hem zag hij zijn onzichtbare vrienden.
De lange gang was met tegels belegd en alles was weer geel en kaal.
Nu stond hij voor een lange trap, die hij afdaalde.
Hij telde de treden en vond het zeer vreemd, dat hij aan al die bijkomstigheden dacht.
Beneden gekomen stond hij weer voor een lange gang, die zij ten einde liepen en die in een grote zaal uitkwam.
Weer bleef hij staan en dacht over alles na.
Wat was dit voor een gebouw?
Waarom bracht men hem naar een onderaardse zaal?
Hij zag vele pilaren, die het gebouw als fundamenten steunden.
Ook hier was alles geel.
Geen andere kleuren waren er te zien.
Hij was er al aan gewend en vond het nu zeer gewoon, al wist hij, dat alles onnatuurlijk was.
In de zaal hing een dicht waas, waar hij niet doorheen kon zien.
Hield men alles voor hem onzichtbaar?
Stelde men hem plotseling voor een feit?
Zijn begeleiders voelde hij op enige meters afstand voor hem.
Toch was hij rustig en voelde zich met hen reeds vertrouwd.
Hij begreep, dat hij verder moest gaan, waaraan hij voldeed.
Schrede voor schrede ging hij verder, want hij was er zeker van, dat hij hier iets nieuws zou beleven.
Toen hij een tiental meters verder gekomen was, hoorde hij een zacht geluid, dat hij meende te herkennen.
Het eerste leven, dat hij op zijn lange tocht had gehoord.
Was het een mens?
Hij bleef aandachtig luisteren en het was, alsof iemand diep ademhaalde.
Weer ging hij verder, om voor de tweede maal te schrikken.
Daar voor hem zag hij drie wezens.
Eén van hen was ontkleed en droeg alleen een lendeband, die hij om zijn middel had geslagen.
Naast hem stonden twee anderen, sterke kerels, die beiden een zweep in hun handen hadden, waardoor hij plotseling dit tafereel begreep.
Zij droegen een geel kleed en de enige andere kleur die hij in dit land tot nu toe had waargenomen, was het zwarte koord, dat om hun middel was gebonden.
Nu voelde hij, dat voor hem een gedeelte van alle geheimzinnigheid zou worden opgelost.
Hij had in het leven na de dood geleerd, dat kleuren licht betekenden.
Die zwarte koorden hadden deze betekenis, dat hij zou beleven, wat zij van plan waren te doen.
Een lichtstraaltje schemerde door, maar wat was nu het gehele probleem?
Hij, die zich ontkleed had, was een schoon jong mens van dertig jaren.
Wat wilde men van hem?
Waren die twee sterke kerels zijn beulen?
Zou hij afgeranseld worden?
Wanneer het zo zou zijn, dan begreep hij, waarvoor men ook hem was komen halen.
Ja, hij haalde diep adem, dat was hij dus, die hij zo-even hoorde.
De jonge man trachtte alle krachten, die in hem waren, te verzamelen.
Zijn beulen wachtten tot hij gereed was en André voelde, dat de man zich vrijwillig zou laten afranselen.
Plotseling stapte hij op een van de pilaren toe, plaatste zich ervoor en wachtte af.
André beefde.
Hij verzamelde al zijn krachten, hetgeen hij duidelijk voelde.
Wat wilde men hem hier tonen?
Hij concentreerde zich op hem en wist, dat hij zich vrijwillig liet geselen.
Nu begreep hij alles.
Dit had met hem en Franciscus te maken.
Thans zou voor hem ook dit probleem opgelost worden.
Hier zou hij kunnen beleven, of zelfkastijding geestelijke ontwikkeling betekende.
Hij voelde een geweldige spanning.
De beulen stonden links en rechts van hem en wachtten op een teken, dat zij mochten beginnen.
André voelde, dat hij hun het teken gaf.
Links en rechts vielen de slagen en bij iedere slag, die men hem toebracht, bleven er op zijn lichaam brede rode striemen achter.
Spoedig was hij bont en blauw geslagen, maar hij hield moedig vol.
Zelfkastijding!
Eindelijk loste zich het geheimzinnige voor hem op, waarover hij maandenlang in een vreselijke spanning had verkeerd.
Nog steeds werd hij afgeranseld, maar lang zou hij het niet meer kunnen uithouden.
Het zweet, dat langs zijn lichaam droop, was rood gekleurd.
Zijn hoofd hoog opgericht, stond hij daar en liet toe, dat men hem geselde.
Hij was een held.
André voelde een geweldige spanning in zich opkomen.
Nu werd hem een mogelijkheid geboden te tonen, wat hij wilde, wat hij zou kunnen.
De jonge man glimlachte bij iedere slag, die men hem toebracht.
En ook hij voelde zich vol vuur, om ditzelfde te beleven.
Eindelijk werd opgehouden en voerden zij hem weg.
Hij had zich staande weten te houden.
Zou hij overtuigd zijn, dat het hem geestelijke ontwikkeling had gebracht?
Jammer dat hij was heengegaan, hij zou het hem hebben gevraagd.
Was hij voor eenzelfde toestand hier als hij?
Hij voelde een sterke kracht in zich komen.
Ja, hij was bereid.
En toen hij innerlijk had besloten, sprongen zijn twee begeleiders naar voren en waren gereed om hem te geselen.
Zo, zo, waren zij zijn beulen?
Toch wáren zij het niet, hij wilde het en zij zouden het niet doen, wanneer hij er niet toe besloot.
Maar wanneer hij het beleefde, was hij van al zijn narigheid verlost.
Hij dacht na, wat hij zou doen.
Het was wel geen doornenstruik, maar toch was het zelfkastijding en hij zou erdoor leren.
Neen, hij wilde thans niet terug, ook hij wilde het beleven.
Nu eerst zag hij, dat men op alles gerekend had.
Ook hij droeg een kleed zoals zij droegen, hoewel hij dit niet eerder had opgemerkt.
Had hij het eerst hier ontvangen, nu, terwijl hij ertoe besloot, het te doen?
Tijd om te denken had hij niet; hij slingerde het gewaad van zich af en stelde zich voor een van de pilaren op.
Op een halve meter afstand van de pilaar moest hij blijven, daar hij voelde, dat hij niet verder kon komen.
Hij begreep, dat men hem van voren en van achteren wilde raken.
De andere stond tegen de pilaar aangedrukt.
Was het een andere toestand?
André zuchtte diep, om al zijn krachten te verzamelen.
Hij besloot innerlijk, dat zij mochten beginnen en tegelijk vielen de eerste slagen.
Hoe verschrikkelijk was de eerste slag.
Zijn ziel schreide en beefde.
Bij iedere slag kromp hij ineen.
Verschrikkelijk dacht hij, wat ben ik begonnen!
Aanstonds zal ik bezwijken.
Ik houd het niet uit.
Hij keek omhoog en dacht enig ander licht waar te nemen.
Merkwaardig, dacht hij, wanneer ik mij op dat licht concentreer, voel ik de slagen niet zo aankomen.
Was het Alcar?
Hij zag er echter niet meer van dan een licht waas.
Werd hij geholpen?
Liet Alcar het hem voelen?
Bij iedere slag werd zijn concentratie gebroken; hij voelde de slagen striemen.
Zijn lichaam gloeide als vuur.
Het zweet brak hem van alle kanten uit en ook bij hem was het rood gekleurd.
Geen plaatsje was er meer vrij, van onder tot boven had men hem bont en blauw geslagen.
Alleen zijn hoofd en voeten werden niet geraakt en ook zijn handen bleven van striemen vrij.
Hij begreep zelf niet, waar hij al die kracht vandaan haalde.
Wat kon een mens sterk zijn!
Hij voelde, dat zijn volle concentratie op deze toestand was ingesteld.
Toch bemerkte hij, dat zijn krachten minderden.
Zijn gehele lichaam stond gespannen, zijn spieren werden lam geslagen.
Nooit eerder had hij zo’n kracht in zich gevoeld.
Alles speelde hij uit, geen reserve zou hij overhouden.
Nog spande hij zich in, daar hij voelde, dat hij ieder ogenblik zou bezwijken.
Hij wilde zich staande houden, zoals die andere.
O God, dacht hij, wat ben ik begonnen.
Hij keek naar het licht, daar hij op het punt stond te bezwijmen.
Hij voelde nu, dat wanneer hij wilde ophouden, zij onmiddellijk zouden staken.
Bij iedere arm die werd opgeheven, voelde hij reeds de slag, voordat deze hem werd toegebracht.
Neen, hij kon niet meer en dadelijk hielden zij op met slaan.
Ook het licht was verdwenen.
Daar stond hij nu.
Hoe vreselijk zag zijn arm lichaam eruit.
Hij was ontoonbaar.
Handen, hoofd en voeten waren niet geraakt, alle andere plaatsen waren vol bloedrode striemen.
Hij had het gevoel, dat zijn ogen uit zijn hoofd tevoorschijn kwamen, en alles stond strak gespannen.
Waar was zijn geestelijk bezit?
Hij voelde zich niets veranderd.
En toch had hij moedig volgehouden!
Het was een bittere teleurstelling.
Hij was niets veranderd, maar innerlijk dezelfde gebleven.
Hij was overtuigd, maar had een jammerlijke ervaring opgedaan.
Duur had hij het moeten betalen alvorens dit probleem voor hem werd opgelost.
Hij verwenste het ogenblik, dat het boek in zijn handen was gekomen.
Wat kon lectuur de mens beïnvloeden.
Alles had hij voor niets beleefd.
Het was zijn eigen wil en schuld en Alcar zou boos op hem zijn.
Tranen van verdriet over deze grote teleurstelling vloeiden over zijn wangen.
Zo-even had hij ze kunnen verbergen, nu echter was dit onmogelijk voor hem.
Hij voelde zich naar lichaam en ziel gebroken.
Had hij verkeerd gedaan?
Van het begin af was alles onnatuurlijk.
Hij had moeten terugkeren.
Duur had hij deze wetenschap gekocht.
Iedere schrede op dit pad had hij met een zweepslag moeten betalen.
Hoeveel zweepslagen zouden verschillende wezens niet ontvangen, voordat ook zij van de verkeerde weg waren overtuigd.
Wanneer zij in het hiernamaals zouden aankomen, hij wist het heel zeker, zouden velen het met zweepslagen willen goedmaken, maar dan was het reeds te laat.
De gedachte daaraan, dat het hem de ogen had geopend, was de zalf voor zijn wonden, waardoor de schrijnende pijnen verzachtten.
Wat moest hij hier nog uitvoeren?
Niets immers.
Hij wilde naar zijn lichaam terug, terug naar de aarde.
Zou ook dat niet eens meer mogelijk zijn?
Een geweldige angst overviel hem.
Hij voelde zich opgenomen en in een flits verwijderen.
Spoedig had hij de aarde bereikt en was hij in zijn stoflichaam teruggekeerd.
Met een lichte schok werd hij wakker en hij was zich bewust van alles, wat hij in de sferen had beleefd.
Hij voelde zich doodmoe.
Geen arm of been kon hij bewegen.
Zijn eerste gedachten waren voor zijn leider.
Niets hoorde hij van hem.
Had hij het verbruid?
Dat was toch niet mogelijk?
Was er niets meer aan te veranderen?
Hij kende toch zijn leider als een geest van liefde en hij wilde zich toch alleen maar overtuigen.
Hij zou er gek van worden, wanneer hij Alcar zou moeten missen.
O, het kwelde hem zo.
Hij zag op de klok en het was zes uur in de morgen.
Het was het uur, waarop hij steeds terugkeerde, wanneer hij met Alcar de sferen had mogen bezoeken.
Zou Alcar van alles afweten en hem hebben geholpen?
Hij wilde zich omdraaien, maar het was niet mogelijk.
Zijn gehele lichaam stond strak.
Alles deed hem pijn.
Hij viel in een diepe slaap, om tegen acht uur wakker te worden.
Hij kon zich gemakkelijker bewegen dan om zes uur.
Deze rust had hem goed gedaan.
Vlug stapte hij uit bed, om zich te kleden.
Hij ontdeed zich van zijn pyjama, en schrok, zoals hij nog nooit geschrokken was.
Wat was er met zijn lichaam gebeurd?
Van onder tot boven zat het vol striemen.
Het was bont en blauw, zoals zijn geesteslichaam het had beleefd.
Geen plekje was meer vrij, verschrikkelijk was het om te zien.
Alleen zijn gelaat, handen en voeten waren zonder striemen.
Lang keek hij naar zijn arm stoffelijk lichaam en beleefde weer, wat hij die nacht had meegemaakt.
Hij zag zich voor de pilaar staan en voelde iedere slag, die hem werd toegebracht.
Hij voelde het verdriet, dat hij na deze geseling gevoeld had.
Vreemd is het, dacht hij, maar ik voel mij zo intens gelukkig, wat zou dat te betekenen hebben?
Hij wist niet wat het was, maar het had een betekenis.
Zijn teleurgesteld gevoel was op slag verdwenen.
Wat hij in de geest had beleefd, had zijn stoflichaam overgenomen.
Welk wonder was geschied?
Dat het wonderlijk was, stond voor hem vast.
Welke machten waren het, waarmee hij was verbonden?
Was dit de bedoeling van Alcar geweest?
Het stoflichaam had de geestelijke toestand overgenomen, zoiets had hij nog nooit beleefd.
Hij voelde zich vreselijk moe, doch pijn deed het hem niet, al stond de huid over het gehele lichaam gespannen.
Hij smeekte Alcar, hem toch te helpen, doch hij hoorde niets van hem.
Waren het demonen, die hem dit hadden laten beleven?
Neen, dat was niet mogelijk, hij had het zelf gewild.
Hij kleedde zich spoedig aan, want moeder zou geweldig schrikken wanneer zij hem zo zou zien.
Het was toch zeer merkwaardig.
Zijn geesteslichaam was duizenden mijlen van zijn stoflichaam verwijderd en toch had het geesteslichaam de belevenissen op de stof afgedrukt.
Hoe kon dat?
Hij wist, dat, wanneer hij uittrad, hij toch door het fluïdekoord met zijn lichaam bleef verbonden.
Het fluïdekoord was de levensdraad, die beide lichamen verbond.
Hij dacht een oplossing te voelen.
Als het waar zou kunnen zijn, dan was het prachtig, maar zeer eenvoudig.
Feitelijk was er geen andere mogelijkheid.
Al was die draad onzichtbaar, toch waren beide lichamen één toestand.
Weer keerde hij in de geest naar de plaats terug, om na te gaan, hoe hij zich van daaruit voelde.
Misschien kon hij iets waarnemen.
Hij voelde zich wegzinken en verplaatsen en concentreerde zich.
Nu zag hij een smalle zilverachtige draad van hem naar het stoflichaam gaan, die hij duidelijk kon volgen.
Hij zag en voelde, dat het leefde.
Zou dit koord het beleefde hebben overgebracht?
Wat was het dan eenvoudig.
Maar was het geen eigen fantasie?
Zou hij zo gevoelig zijn?
Alcar had hem toch verteld, dat hij het fluïdekoord niet kon waarnemen, wel zij, die kosmische afstemming hadden.
Doch hoever was hij daar niet van verwijderd.
Maar wat dan?
Hij verwonderde zich er zelf over, dat hij bezig was om dit probleem op te lossen.
Zoiets was vroeger nooit in hem opgekomen.
Altijd wachtte hij af, totdat Alcar hem alles duidelijk maakte.
Ook was het hem duidelijk, dat dit proces zo heel anders was geweest dan alle vorige toestanden, die hij had mogen beleven.
Thans analyseerde hij alles, maar voelde zich ook alleen, daar hij van Alcar niets hoorde.
Was het diens wil geweest, hem dit te laten beleven?
Hij keerde weer terug tot de levensdraad.
Hoe gevoelig was hij geworden, wanneer dit waarheid was.
Hier toonde het hem aan, dat zijn gevoel sterk was ontwikkeld en de levensdraad die gevoeligheid bezat, wat eenieder, die zich geestelijk ontwikkelde, zou kunnen beleven.
Nu hij alles van begin tot het einde naging, was het niet eens een probleem meer.
De zelfkastijding had hem overtuigd, maar het was niet mogelijk, dat dit met zijn stofkleed iets uit te staan had.
Hij was toch niet in zijn stofkleed geweest?
Franciscus kon een heilige zijn, maar het was de weg niet, dat had hij toch duidelijk gevoeld.
Weer zag hij een ander beeld: voor hem was het reeds lang een vaststaand feit, maar voor de wetenschap zou het een prachtig bewijs zijn, dat het geesteslichaam een apart lichaam was, dat voortleefde in een eeuwige toestand.
Dat hij daar niet eerder aan gedacht had, of zouden de geleerden het niet aanvaarden?
Voor de parapsychologen was ’t het onderbewustzijn.
Of zouden zij nog andere hypotheses kunnen opstellen, om dit bewijs te vernietigen, om het tegendeel te bewijzen?
Waren dit onbewuste krachten?
Het was toch niet mogelijk, hij had immers alles bewust beleefd.
Wat hoorde hij daar zeggen?
„Stigmatisatie?”
Wie zei hem dat?
Het was Alcars stem niet, die hij hoorde.
„Stigmatisatie, of het suggereren, of concentreren op verschillende toestanden, wat suggestie is en zich op het lichaam manifesteert.”
Duidelijk had de stem gesproken.
Suggestie?
Suggereren?
Hoe was dat nu mogelijk?
Zou men dat zeggen?
Wist de wetenschap niets anders?
Hoe zou hij zich op zichzelf concentreren, terwijl hij niet eens meer in zijn lichaam leefde?
Geloofden zij niet, dat hij uittrad?
Wanneer hij schilderde en een geest van zijn lichaam gebruik maakte, dan was hij toch ook uitgetreden.
En toch werd er geschilderd.
Zou dat mogelijk zijn wanneer hij er zelf niets van wist?
Zou hij zichzelf moeten voorliegen en moeten toegeven, dat het zo was?
Kon hij zichzelf bedriegen, wanneer de kracht, het bewustzijn, het lichaam had verlaten?
Het was een andere toestand, een andere gave, maar een uittreding was een uittreding en dan had de geest het stoflichaam verlaten.
O, hij voelde thans de grote betekenis van deze uittreding en hij wilde redden, wat er te redden viel.
Hoe zouden dit onbewuste krachten kunnen zijn?
Hij was zich toch van niets bewust geweest en had geslapen.
Zijn geesteslichaam leefde en beleefde, wat het in de geest waarnam.
Dat lichaam, dat in de stof, de stof voerde en leidde, dat lichaam was het eeuwige lichaam dat voortleefde.
Dit geestes-intellect was het eeuwigdurende leven.
Wat zou er van dit grote gebeuren overblijven, wanneer het iets met onderbewustzijn had uit te staan?
Niets immers, maar hij wilde het zomaar niet overgeven.
Hij had het immers zelf beleefd.
Door het te beleven wist hij, hoe het geesteslichaam in die andere wereld kon leven en hoe al die afstemmingen waren.
Neen, het had met stigmatisatie niets te maken.
Het was veel eenvoudiger.
Wanneer men dat éne maar wilde aanvaarden, dat het fluïdekoord de kracht was, die beide lichamen verbond en daardoor, ook door zijn gevoeligheid, een aparte gave op de stof manifesteerde.
Nu viel hem ineens zijn droom in.
Ook hierin voelde hij een verbinding.
Het had met dit wonder te maken.
Franciscus had hem geroepen en hij was in de doornenstruik gesprongen en toch was er niets met zijn stoflichaam gebeurd.
Het was slechts een droom.
De kloof die zich tussen deze beide toestanden bevond, kon hij nog niet overbruggen.
Wat waren dromen feitelijk, en waarom was hij uit zijn droom niet verminkt wakker geworden?
Hoe was dit te verklaren?
Was die droom onderbewustzijn?
Dan had zijn onderbewustzijn geen betekenis, want het zei hem niets.
Dit had hij geestelijk beleefd, ja, hij was zich bewust geweest van alles, wat er met hem gebeurde en lette op alles, wat hij op zijn tocht ontmoette.
Zijn droom daarentegen was een echte droom, die niets betekende.
Hoe meer hij nadacht, hoe scherper hem alles voor de geest kwam, zodat hij het wonderlijke kon begrijpen.
En hoe fijn was de mens die op het leven hiernamaals was afgestemd.
Toen hij dacht, nu kan ik niet meer, werd onmiddellijk opgehouden.
Op aarde zou men het heel luid hebben moeten uitroepen, voor zij het zouden horen.
Hij kende die krachten, het was het bezit van een fijnere liefde, een hogere afstemming dan die van de aarde.
Hij begreep nu tevens, waarom hij dit alles bewust had moeten beleven.
Hij zou immers van alles niets hebben begrepen!
Hoe meer hij nadacht, des te meer voelde hij grond onder zijn voeten, wat hem voor deze toestand steunde.
Dan begreep hij ook waarom zijn leider zich niet vertoonde, hij zou dit alleen moeten mee maken, om alles zelf te analyseren.
Het was zijn eigen wil geweest, alleen had Alcar hem een mogelijkheid gegeven, om dit probleem te kunnen beleven.
O, hij was gelukkig, dat Alcar door dit gebeuren wilde aantonen, wat het geestes- en het stoflichaam zou zijn.
Niets anders dan dit, hij voelde het duidelijk.
Het was een schoon en prachtig bewijs van eeuwig voortleven.
Natuurlijk wist hij nog niet positief of het zo zou zijn, maar het kon bijna niet anders.
Hij zou afwachten, totdat zijn leider hem alles duidelijk zou maken.
Toch stroomde niets dan geluk in hem; hij had zich niet voor niets laten geselen.
Voor zulke bewijzen mocht men hem doodranselen, wanneer het de mensheid overtuigde, dat het geesteslichaam het eeuwige intellecte lichaam is dat voortleefde.
De wetenschap zou hier niets tegenin kunnen brengen, want dan zou het een onbewuste zelfsuggestie moeten zijn en dat waren geen wetenschappen.
Onbewuste wetenschappen kende men op deze wereld nog niet en hadden geen bestaansmogelijkheden op aarde.
Het was niets, omdat het onbewust was.
Stigmatisatie en concentratie of onderbewustzijn was niet mogelijk, het was, zoals hij het had beleefd, dat het geesteslichaam het intellect lichaam is, dat eeuwig voortleeft.
Hij voelde zich rustig en was gelukkig, dat hij het had mogen beleven.
In de middag hoorde hij zijn leider Alcar: „Zo, mijn jongen.
Hier ben ik weer, om je vele gebeurtenissen duidelijk te maken en op te helderen.
Heeft het niet te lang geduurd, André?”
André ontroerde, toen hij Alcars liefdevolle stem weer hoorde.
Hoe had hij naar dat geluid verlangd.
„Ik zal je enkele toestanden duidelijk maken, alle andere heb je reeds begrepen.
Alles was mijn werk, André, omdat je het zelf wilde.
Ik heb getracht je duidelijk te maken, hoe onnatuurlijk alles is en liet je in de geest dit alles beleven.
Aan onze zijde hebben wij die toestanden om de geest te overtuigen van alle onnatuurlijkheden, die zij voor natuurlijk houden.
Tevens liet ik je de onnatuurlijkheid van tevoren zien, maar je weetgierigheid hield je gevangen.
Nogmaals, het was niet mijn wil, doch je eigen wil, dit te beleven.
Ik maakte dus van je wil gebruik, om aan te tonen, dat de geest een apart lichaam is, dat eeuwig voortleeft.
Ook heb ik je geholpen, om het zelf te analyseren, waardoor je alles nog beter zou begrijpen.
Ik was het dus, die tot je sprak, doch mijn stem was een andere, die ik voor mij heb laten spreken.
In alles heb ik je gesteund en ik heb tevens je moed bewonderd, waardoor ik gelukkig ben; het bewijst je wil, om de mens van een eeuwig voortleven te overtuigen.
Je hebt hierdoor bewezen, alles te trotseren, hoe het ook tot je komt, om hen op aarde gelukkig te kunnen maken.
Doch het was niet mijn wil, vergeet dat nooit en te nimmer.
Er zijn duizend andere mogelijkheden om de mens te overtuigen, dan deze.
Toch ben ik gelukkig.
Daardoor zul je ander werk ontvangen, waardoor je velen zult helpen.
Je hebt ondervonden, hoe nuttig deze uittreding is geweest.
De psychische krachten die je hebt leren kennen, zullen wijsheid in de geest betekenen.
Alles werd je daarom bewust gegeven.
Je droom was door mijn inwerking, ik liet je die dromen.
Ik was Franciscus, André.
Ik wilde je daardoor aantonen, dat een droom met een geestelijke uittreding niets heeft uit te staan.
Wanneer je niet zou hebben besloten je te laten geselen, zou ik deze bewijzen niet hebben kunnen geven.
Is je dit duidelijk?
Ik twijfelde echter niet aan je krachten en willen, en ik hield je daarom met deze toestand verbonden.
Ik heb deze verbinding in stand gehouden en wel om vier redenen.
In de eerste plaats, om aan te tonen, dat de geest een apart lichaam is, dat eeuwig voortleeft.
In de tweede plaats, om te toetsen, hoe je ons werk begrijpt, dat je in de geest wordt gegeven.
Ten derde, om je te doen begrijpen, dat zelfkastijding de weg niet is om geestelijke ontwikkeling te verkrijgen en ten vierde, om te bewijzen, dat het spiritisme waarheid is, dat wij, die het stoflichaam hebben afgelegd, leven in een leven van geluk en een intellect lichaam bezitten, dat ons stoflichaam op aarde voerde en leidde.
En dit alles kon ik, omdat je een boek las, waar die zelfkastijding in voorkwam.
Wanneer wij instrumenten bezitten met psychische afstemming, kunnen wij de wetenschap van een eeuwig voortleven overtuigen.
Je hebt jezelf op vele vragen antwoord gegeven, die je duidelijk voelde.
Ik heb je echter weer in de geest verbonden en liet je het fluïdekoord in visionaire afstemming waarnemen.
Is je ook dit duidelijk?”
André begreep, omdat hij het had beleefd.
„Ik liet je dus waarnemen door je een gedachtenbeeld door te geven.
Ik was het licht, dat je waarnam onder het gebeuren.
Ik heb je gesteund, maar liet je toch de volle krachten aanvoelen, het geheel beleven.
Ik zal je zeggen, hoe het mogelijk is, dat het stoflichaam de geesteservaringen over kan nemen, of met andere woorden, hoe een geseling in de geest stoffelijk kan inwerken.
Dit geschiedt door het levenskoord, dat je reeds hebt gevoeld, dat beide lichamen verbindt al is het geesteslichaam van de stof gescheiden.
De wetenschap, zoals ik je op onze vorige tocht reeds duidelijk maakte, heeft proeven genomen om een medium door de kracht van een hypnotiseur, dus gedwongen, te laten uittreden.
Dat instrument werd een boodschap opgedragen en zou die volbrengen.
Het medium vertelde hun, wat het op verre afstand waarnam en dit waarnemen en spreken werd door het fluïdekoord overgebracht.
Het geluid kwam in een zachter klankvolume door dan wanneer het medium normaal sprak.
Ook deze toestanden zul je later door je eigen mediumschap beleven, wanneer zich dergelijke toestanden voordoen om beleefd te kunnen worden.
De wetenschap vond het zeer wonderlijk, doch spoedig werd het wonderlijke vernietigd.
Naarmate een medium deze gevoeligheid bezit, zal alles, wat het op verre afstand waarneemt, doorkomen en op het stoflichaam overgaan.
Deze aparte gave die je bezit, is nu in dit stadium van ontwikkeling gekomen, waardoor het voor mij mogelijk was, je dit alles te tonen.
Er zijn echter duizend andere toestanden dan een geseling, mijn jongen, waardoor wij dit alles kunnen beleven.
Het overbrengen van deze geestelijke waarnemingen is dus alleen mogelijk, wanneer het instrument deze gevoeligheid bezit.
Ik zal thans trachten, je het dromen duidelijk te maken.”
André dacht: Alcar weet alles, weet hoe ik denk en voel.
„Dromen zijn min of meer trancetoestanden.
In de slaap liggen zeven graden van overgangen, waarvan de zevende de schijndode is.
Op aarde kent men deze afstemmingen niet, ze zijn voor een mens niet vast te stellen.
Het is alleen mogelijk voor ons, die het stoflichaam hebben afgelegd.
Om op je droom terug te komen, het was geen droom, die je zelf beleefde, dat wil zeggen, uit je innerlijke toestand tevoorschijn trad, maar die je door mij was opgelegd.
Je droomde dus, omdat ik het wilde, door mijn wil en gedachtenconcentratie, hetgeen een afzonderlijke toestand is.
De mens kan dus dromen dromen, die hem in de geest zijn gegeven.
Jouw droom was een gevoelstoestand, door concentratie en sterke wil op je gevoelscentrum afgedrukt.
Is je dit duidelijk?
In een slaap liggen, zoals zo-even gezegd, zeven graden.
De eerste, tweede en derde graad zijn de menselijke rusttoestand, waarin de mens het gevoelsbewustzijn aan de stof onttrekt en waarin dus het gevoel in de geest overgaat.
Dan is de concentratie in de geest overgegaan, wat de halfwakende afstemming is.
Deze slaap is niet diep, doch evenredig naar de toestand van het stoflichaam.
Wanneer het stoflichaam geen normale gezondheid geniet, schrikt de mens spoedig wakker, omdat hij in zijn slaap door ziekte van zenuwen en andere organen wordt gestoord.
Wie zich in deze toestand bevindt, moet een gezond lichaam bezitten, wil hij voldoende kunnen slapen.
Wanneer het zenuwlichaam zich samentrekt, of in een gespannen toestand verkeert, is een normale slaap niet mogelijk, dan lijdt de persoon aan slapeloosheid.
Het spreekt dus vanzelf, dat de stof een storende invloed kan uitoefenen in deze toestand.
In de vierde graad van slaap onttrekt de geest zich aan de stof en is het stoflichaam van alle storende factoren verlost.
Zij, die zich in deze afstemming bevinden, zullen rustig slapen en niet spoedig wakker schrikken, omdat het halfwakend bewustzijn is overschreden.
In deze afstemming realiseert zich de mens zijn beleefd leven, al naar de gezondheid van het stoflichaam, omdat het stofkleed niet zal toelaten, dat het gevoelslichaam zich verwijdert.
Maar ook hierin liggen duizenden afstemmingen, die ervan afhankelijk zijn, hoe zich de mens in de geest heeft ontwikkeld en afstemming vindt.
Het is dus duidelijk, dat het zenuwlichaam op het gevoelslichaam reageert, ook, wanneer zich de mens in een onbewuste toestand bevindt, wat de slaap is.
Het geesteslichaam blijft en is zoals het in de stof leeft en voelt.
Wanneer dus het stoflichaam onder het peil van normale gezondheid verkeert, keert de concentratie in de stof terug en overschrijdt het gevoelslichaam de derde, tweede en eerste graad van slaap, om daarna in de bewustwakende levenstoestand terug te keren en in bewustzijn over te gaan.
Dit is het wakker worden, waardoor de stoffelijke organen hun werking hervatten.
De vijfde (graad) is die afstemming, waarin zich de splitsing tussen geest en stoflichaam voltrekt en het gevoel in de geest overgaat, wat het uittreden mogelijk maakt.
Dan eerst kan zich het geesteslichaam van de stof verwijderen en kan het gaan waarheen het wil.
Het geesteslichaam is dan het halfwakend bewustzijn overschreden en de geest is het bewust geestelijke binnengetreden.
De zesde graad bezitten maar weinigen op aarde.
Dit is een verhoogd geestelijk concentratievermogen, dat door langdurige studie is te bereiken.
De mens, die deze krachten bezit en de stof kan dwingen naar zijn wil en concentratie, kan in één uur meer slapen, dan anderen in de normale tijd, die op acht uren berekend is.
Deze toestand overschrijdt die van het uittreden.
Toch zullen zij niet kunnen uittreden, wanneer zij de geestelijke afstemming ervoor niet innerlijk bezitten.
Wanneer zij stoffelijk zijn, zullen zij door stof worden aangetrokken en is het dus niet mogelijk in de geest.
Zo zij voelen en willen, zullen zij zich afstemmen.
Het is dus een geestelijke wet, wat hun innerlijke afstemming is op geestelijk leven.
Zij zijn door concentratie zover gekomen, maar kunnen zich de schatten des geestes niet eigen maken, wat jij kunt, omdat je gevoel in de geest afstemming vindt.
Jouw afstemming is echter de vijfde en grenst aan de zesde.
Deze proeven hebben we reeds samen genomen en je kent de prachtige uitwerking ervan.
Het zal je dus duidelijk zijn, dat de mens alleen dan bewust kan uittreden, wanneer hij zich in de geest afstemt, en deze afstemming bezit.
De zevende graad van slaap is de schijndood.
Dan lossen de levensaura’s in de geest op.
Dit is duidelijk aan het stoflichaam waar te nemen.
Er zijn er, die dit hebben bereikt door concentratie en sterke wil.
Een voorbeeld hiervan zijn de fakirs.
Zij kunnen zich laten begraven en vele dagen onder de grond blijven, ja zij zijn tevens in staat, om hun leven op aarde te verlengen en te sterken, door anderen levenssappen uit te zuigen.
Wanneer zij zich laten begraven, wordt het stoflichaam door het fluïdekoord gevoed en in stand gehouden.
Om zich in deze toestand te brengen, heeft de fakir enige uren diepe duisternis nodig.
Die duisternis is nodig, omdat de levensaura zich in natuurlicht oplost, waardoor hij zijn beoogd doel niet zou bereiken.
Daarna kan men hem begraven en hij zal na lange tijd nog levend tevoorschijn treden.
Hun concentratie is vlijmscherp op het stoflichaam ingesteld en zij hebben het geheel in hun macht en kunnen de stof aan hun wil onderwerpen.
In de donkere sferen heb ik je verteld, wat de werking van de levensaura’s is.
De aura’s zijn levenskrachten, die de stoffen voeden door de gevoelskrachten van de wezens.
Wanneer de levensaura’s niet kunnen worden onttrokken, is van schijndood geen sprake.
De levensaura’s zijn de verbindingen tussen adem en gevoel.
Wanneer de mens leeft, gaat de adem door de daarvoor edele organen, doch de levensaura’s beëindigen het werk van de stof en zijn de verbindingsdraden, of -lijnen, tussen geest en stoflichaam.
Wanneer één van beide in disorde is, dus, of de adem of de aura, dan zal dit de dood tengevolge hebben, of een storing veroorzaken, waardoor hartverlammingen zich voordoen.
Dit is dan een geestelijke storing, die haar stoffelijke gevolgen heeft, waardoor het geesteslichaam van het stoflichaam scheidt.
De fakir kan dus die schijndode toestand bereiken, omdat hij het stoflichaam de levenskrachten heeft ontnomen, wat betekent, dat het ontdaan is van iedere geestelijke inwerking, op één procent kracht na.
Wanneer hij in zijn stoflichaam terugkeert, dan dient de levensaura als de elektrische stroom, om de machine in werking te brengen.
De stof leeft dus, doch de werking is haar ontnomen.
Deze hoge concentratie te bezitten is tevens een directe gave van mediumschap, waar ook geestelijke hulp voor nodig is, om dit tot stand te brengen.
Wanneer zij dus de gave niet bezitten zich aan ons te kunnen overgeven, zal het tevens niet te bereiken zijn.
Ik zou alleen over slaap en droom boekdelen kunnen vullen, om iedere gevoelsovergang te ontleden en te analyseren.
Ik deed een poging, je dit alles duidelijk te maken, omdat je je eigen afstemming zou begrijpen.
Ik hoop daarom, dat je alles duidelijk is.
Ik zou je duidelijk kunnen maken, hoe het stoflichaam vraagt en terugzendt, hoe de geest stuurt en zijn werking volbrengt tijdens het aardse leven, zolang het met de stof één is.
Doch later zul je dit alles ontvangen en zal ik je al deze overgangen duidelijk maken, waar men op aarde nog niets van weet, noch voelt.
Alle graden van slaap zijn bewuste en onbewuste levenstoestanden, waardoor je thans zult begrijpen, wat er met jou is geschied en hoe het mogelijk is, dat je stoflichaam het heeft overgenomen.
Mijn jongen, ik dank je voor je moed en willen, ons werk te doen, waardoor je wijsheid in de geest zult ontvangen, wat maar weinigen op aarde deelachtig worden.
Je sterke wil om iets voor anderen te zijn, kennen wij en voelen wij, en wij zullen je naar je eigen krachten laten beleven.
Over enige dagen zullen ook de stoffelijke verschijnselen zijn opgetrokken.
In de morgen heb ik je pijnen mogen verzachten, toen je in een diepe slaap was gezonken.
Thans ga ik heen, mijn jongen, nieuwe problemen zullen je worden duidelijk gemaakt.
Weet, dat ik je in alles help.
Dank God, voor je grote en heilige gave.
Je Alcar.”
Weer was er een probleem opgelost en had hij een ander wonder beleefd.
Hoe groot was Alcar.
Hij dankte hem voor zijn hulp en zijn onuitputtelijke liefde en tevens God voor alles, wat hij had ontvangen.