Onze eerste levens als cel

Tijdens de eerste levens als cel schiep onze ziel door haar liefde het moeder- en vaderschap, waardoor zij haar reïncarnaties kon beginnen.

De eerste planeet

In het artikel ‘stoffelijke levensgraden’ wordt beschreven dat het menselijke lichaam opgebouwd is door de ziel.
De schrijvers van de boeken van Jozef Rulof, de meesters, hebben geestelijk-wetenschappelijk vastgesteld dat dit niet alleen voor het lichaam op aarde geldt, maar voor alle planeten waarop de ziel stoffelijke levens beleeft.
De eerste planeet waarop onze ziel zichzelf een vorm gaf, was tevens de eerste planeet die in de ruimte tot stand kwam.
In het artikel ‘kosmische splitsing’ wordt beschreven hoe de eerste planeet en de eerste zon in het heelal zich vormden uit verdicht plasma.
De meesters noemen de verdichtingsgraad van dit plasma ‘geestelijk’.

Onze eerste cel

De eerste planeet was op dat moment een bol van geestelijk plasma.
Van deze geestelijke substantie maakte de ziel gebruik om haar eerste lichaam te vormen.
In het hart van de eerste planeet vormde de ziel met een kleine hoeveelheid plasma haar eerste lichaam als cel.
De meesters vergelijken dit vormingsproces met hoe in het huidige stadium op aarde wolken zich verdelen in miljoenen regendruppels.
In de eerste planeet werd het geestelijke plasma verdicht tot ‘wolken’, die in dat stadium ijle nevelen genoemd zouden kunnen worden.
Uit die nevelplasma’s konden de eerste ‘druppels’ afgescheiden worden, de eerste cellen.
Hierdoor kon de individuele ziel haar eerste leven als cel beginnen.
Op dat moment werd dus niet alleen het eerste geestelijke cellichaampje gevormd, maar ook de eerste individuele ziel.
De Alziel was nu zo ver geëvolueerd dat zij haar kleinste eenheid kon afsplitsen die later de menselijke ziel genoemd zou worden.
Op dat moment kreeg de menselijke ziel haar zelfstandigheid.
De individuele ziel kon nu haar eerste leven als cel beginnen.

De eerste liefde

Elke ziel heeft de twee basiskrachten van de Alziel, die ‘uitdijing en verdichting’, ‘baring en schepping’ of ‘moederschap en vaderschap’ genoemd kunnen worden.
De uitdijing zorgde ervoor dat het kleine cellichaampje begon te groeien.
De eerste zielen waren al spoedig omringd door vele soortgenoten.
Er volgde een eerste verkenning, twee cellen raakten elkaar even aan, maar het bleef bij een vluchtige kennismaking, want eerst moest het cellichaam volwassen worden.
Toen de eerste zielen hun geestelijke cellichaam tot volwassenheid hadden gebracht, kwamen ze tot hun eerste ‘kus’.
Ze verbonden zich met een cel van gelijke kracht en volwassenheid, en brachten hun cellichaam dicht bij elkaar.
Zoals in de huidige tijd op aarde moeder en vader hun eicel en zaadcel afscheiden en bij elkaar brengen, zo scheidden toen twee zielen een klein deel van hun cellichaam af en brachten dat bij elkaar.

De eerste kinderen

De twee afscheidingen verenigden zich tot één vrucht.
Deze vrucht dijde uit.
Toen deze vrucht door een groeiproces voldoende zelfstandigheid had bereikt, splitste die zich af van de oudercellen.
De vrucht groeide en ging zich op haar beurt splitsen.
Deze vrucht bestond immers uit twee delen, de twee afscheidingen van de twee oudercellen.
De vrucht splitste zich in deze twee delen, zodat er twee ‘kinderen’ ontstonden, een proces dat te vergelijken is met de huidige tweelingen op aarde.
Deze kindercellen konden nu aan hun eigen individuele leven beginnen.
Ze groeiden tot volwassenheid en stonden dan voor hun eigen voortplanting.
Hiervoor hadden deze kindercellen echter meer nodig dan hun eigen energie.
Ze waren namelijk anders dan hun oudercellen, die rechtstreeks uit het plasma van de planeet gevormd waren.
De kindercellen waren afscheidingen van de oudercellen.
Die oudercellen hadden maar een klein deel van zichzelf afgescheiden, zo’n vijf procent.
Hoewel de kindercellen daarna tot volwassenheid waren gegroeid, toch misten ze de volle kracht waarmee hun ouders zich hadden kunnen splitsen en voortplanten.
De kindercellen hadden voor hun voortplanting de ontbrekende kracht van hun ouders nodig.

De eerste dood

Hun ouders hadden inmiddels hun eerste leven voltooid.
Nadat ze hun voortplanting hadden beleefd, was hun eerste leven voleindigd.
Hierdoor hadden ze hun eerste ervaringen van baring en schepping opgedaan en hadden ze dit cellichaam als eerste levensvorm ten volle beleefd.
In dit cellichaam viel er voor hen niets meer te beleven, de zielen lieten dit eerste lichaam los en trokken zich terug in hun eigen kern.
Door hun lichaam los te laten, maakten ze zich klaar voor een nieuwe evolutie, voor een nieuw lichaam met nieuwe ervaringen.
Ze beleefden het proces dat de mens op aarde ‘sterven’ is gaan noemen.
Ze gingen door hun eerste ‘dood’, wat ook hier slechts een overgang was naar hun volgende bestaan.

De wereld van het onbewuste

Op het moment van hun eerste dood, ontstond de wereld van het onbewuste.
In die toestand verwerkt de ziel wat zij in haar vorige leven heeft beleefd.
Ook de menselijke ziel op aarde trekt zich na een stoffelijk leven terug in die wereld om de aardse ervaringen te verwerken en zich voor te bereiden op een volgende incarnatie.
Op aarde valt er natuurlijk al veel meer te verwerken, op de eerste planeet was het nog maar het allereerste begin, de belevenissen van het eerste leven als cel.
In hun eerste leventje hadden deze zielen hun eerste uitdijing en verdichting beleefd, maar om tot een ruimere bewustwording te komen hadden ze meer levens nodig.
De eerste zielen hadden dus een nieuw lichaam nodig en hun kinderen misten voldoende kracht om zich voort te planten.
Hierdoor trokken ouders en kinderen elkaar aan, want de een had datgene wat de ander nodig had.

De eerste reïncarnatie

Wanneer twee kindercellen hun eerste liefde beleefden, hadden zij hun ouders nodig om de honderd procent kracht te bereiken die vereist was om tot de splitsing van hun eigen lichaam te kunnen overgaan.
De eerste zielen verlieten hun wereld van het onbewuste en verbonden zich met het baringsproces van de kindercellen.
Hier ontstond de eerste reïncarnatie, de eerste zielen incarneerden in de vrucht van hun kindercellen.
Ook die vrucht bestond uit twee delen, elk van de parende kindercellen stond zijn deel af.
Toen deze vrucht gegroeid was, kon die zich splitsen, en op dat moment konden de eerste zielen in zelfstandigheid aan hun tweede leven beginnen.
Nadat de kindercellen hun voortplanting hadden beleefd, gingen ook zij over naar de wereld van het onbewuste.
Op het moment dat de eerste zielen in hun tweede leven tot voortplanting overgingen, kregen de zielen van de kindercellen de mogelijkheid om hun tweede incarnatie te beginnen.
Zo reïncarneerden ouders en hun twee kinderen telkens bij elkaar.
Door het baren van twee kinderen zorgden deze zielen niet alleen voor hun voortplanting, maar ook voor hun eigen evolutie, omdat er hierdoor telkens een lichaam beschikbaar kwam om in te reïncarneren wanneer die kinderen op hun beurt het moederschap en vaderschap gingen beleven.
Op deze wijze heeft de ziel zelf haar reïncarnatie geschapen.

Moederschap en vaderschap

Het specifieke moederschap en vaderschap was er niet vanaf het begin.
De eerste zielen waren vrouwelijk én mannelijk, ze waren nog beide.
Pas na zeven levens waren de eerste zielen moeder óf vader, na zeven levensgraden hadden het moederschap en het vaderschap zich elk tot een zelfstandigheid gevormd.
Nadat de ziel de volheid van de ene basiskracht had beleefd, ging de ziel over naar het andere geslacht, om de ervaring van beide basiskrachten in het eigen gevoelsleven samen te voegen.
Ook in de volgende evolutiegraden van het stoffelijke lichaam reïncarneerde de ziel zowel in het vrouwelijke als in het mannelijke lichaam, om telkens baring en schepping in zichzelf ten volle te ervaren.
Later zet de ziel op aarde deze evolutie voort door in alle opeenvolgende stoffelijke levensgraden zowel moeder als vader te worden, om de volheid van beide gevoelslevens te kunnen opnemen.

Tweelingzielen

Op onze kosmische levensweg hebben we een vaste levenspartner, onze tweelingziel.
Vanaf de eerste liefde op de eerste planeet is er één specifieke ziel waar we in alle eeuwigheid bij horen en mee verbonden blijven.
In de liefdevolle verbinding met onze tweelingziel hebben we ons eerste moederschap en vaderschap beleefd.
Op de eerste planeet bleef deze verbinding intact, maar vele tijdperken later werd die verbroken als gevolg van de disharmonie die toen door de persoonlijkheid werd gecreëerd.
Op aarde zijn nu de meeste zielen bezig om de verbinding met hun tweelingziel te herstellen, door deze disharmonie te herscheppen tot harmonie.
Dit gegeven wordt toegelicht in het artikel ‘harmonie’.

Van embryonaal naar kosmisch bewustzijn

Na de levens als cel op de eerste planeet bouwden de eerste zielen hun lichaam uit tot een visachtig stadium.
Deze evolutie wordt beschreven in het artikel ‘evolutie in het water’.
Nadat ze alle stoffelijke levensgraden van de eerste planeet hadden beleefd, gingen de eerste zielen naar de volgende planeten om hun kosmische evolutie voort te zetten.
Zo kwamen ze ook op de aarde, de hoofdplaneet van de derde kosmische levensgraad.
Deze eerste zielen leven nu niet meer op aarde, zij leven reeds in de hoogste kosmische levensgraad, het Al.
Lange tijd na hen, zijn wij aan onze eerste levens op de eerste planeet begonnen.
Na ons zijn er nog ontelbare zielen op de eerste planeet begonnen, die pas later hun eerste leven op aarde zullen beginnen.
Maar waar de zielen zich ook bevinden op hun kosmische levensweg, ze hebben met elkaar gemeenschappelijk dat ze op de eerste planeet hun eerste levens beleefd hebben als geestelijke cel, samen met hun tweelingziel.