Apostelen

De apostelen waren voor hun taak uit het hiernamaals op aarde gereïncarneerd, maar hun denken was beperkt door hun gevoelsgraad en de tijdsgeest.

Geboren voor hun taak

De apostelen waren geen toevallige voorbijgangers en tijdsgenoten van Jezus Christus.
Zij werden ‘wedergeboren voor hun taak’.
In het hiernamaals hadden ze zich al voorbereid op het apostelschap, zodat zij de zwaarte daarvan op aarde zouden kunnen dragen.
Voordat zij reïncarneerden leefden zij in het schemerland, de geestelijke wereld die grenst aan de eerste lichtsfeer.
Net als Mozes en de profeten waren zij bezield om aan de wereld de waarheid te brengen dat er leven na de dood is.
Eenmaal op aarde voelden zij die geestelijke werkelijkheid omdat ze die zelf al beleefd hadden.

Bewustwording

Ook de vrouwen van de apostelen waren op hun taak berekend.
Toen hun mannen hun gezinnen verlieten om Christus te volgen, namen zij de zorg voor de kinderen alleen op hun schouders.
De apostelen stuurden geregeld een bericht naar hun vrouwen, waarin ze de universele liefde van hun leraar beschreven.
Omdat de vrouwen het belang van de boodschap van Christus voor de mensheid voelden, bracht het apostelschap van hun mannen geen disharmonie in hun gezinnen.
Het gevoelsleven van de apostelen was nog niet afgestemd op de lichtsferen, daarom moest Christus hen nog leren dat ze met geweld geen universele liefde konden beleven.
Toen Petrus zijn zwaard gebruikte, zei Christus: ‘Petrus, Petrus, waar Ik al de jaren voor heb gewerkt, sla je in één slag aan stukken en brokken.’
Toen de apostelen met Christus in Jeruzalem aankwamen, begonnen ze te voelen dat er onweerswolken op komst waren.
Petrus werd bang dat hun meester iets ging overkomen.
Johannes legde de anderen uit dat ze zich niet moesten bemoeien met de weg van de Messias, maar dat ze zichzelf moesten voorbereiden op hun rol in het grote gebeuren.
Die rol konden ze alleen vervullen door hun eigen gevoelskrachten en door wat ze begrepen van wat hun leraar zei.
Ze behoorden tot de enkele mensen op aarde die hier al over durfden te denken, omdat ze voor die taak geboren waren.
Maar ze kenden hun kosmische ziel nog niet, Christus kon hen alleen uitleggen wat in die tijd begrepen kon worden.

Twijfel en verloochening

Christus richtte zich tot verschillende graden van denken en voelen, omdat zijn universele boodschap voor alle tijden was bedoeld.
Daarom aanvaardde Hij alle apostelen, elk met hun eigen karakter.
Zoals het artikel ‘Judas’ beschrijft, had die apostel nog eisende karaktereigenschappen.
En Petrus bijvoorbeeld verloochende Christus, ondanks de jaren dat hij naast de Messias had mogen lopen.
Hij had toen nog niet de bezieling van de christenen die later voor hun geloof de leeuwenkuil ingingen.
Christus had Petrus nochtans gewaarschuwd dat hij zijn leraar driemaal zou verloochenen voordat de haan ging kraaien.
Toen men Petrus vroeg of hij bij Christus hoorde, beweerde Petrus herhaaldelijk dat hij die man nooit gekend had en met hem niets te maken had.
Maar niet alleen Petrus was door de twijfel bevangen.
Alle apostelen twijfelden toen Christus aan het kruis hing.
Ze konden op dat moment niet geloven dat Hij de Messias was.
Ze dachten dat Hij maar een doodgewone rabbi was, die zich voor Christus en God had uitgegeven, want toen het eropaan kwam, liet Hij zich kruisigen als een grote stakker zonder zich te verdedigen.
Later begreep Petrus dat hij Christus niet kon verloochenen omdat de Messias onaantastbaar was.
Petrus voelde toen dat hij de waarheid had verloochend die Christus vertolkte.
Hij had angst om gefolterd en vermoord te worden als hij uitkwam voor de waarheid.
De haan kraaide alleen voor het deel in hem dat twijfelde en de foltering wilde voorkomen.
De haan kraaide niet voor zijn hele persoonlijkheid, want Petrus had ook sterke karaktertrekken.
Na deze verloochening vloog Petrus in razende wanhoop door Jeruzalem.
Hij voelde zich gekraakt naar lichaam en ziel en ging voelen hoe hij die verloochening had kunnen voorkomen.
Voordien had hij alle onware gedachten en gevoelens uit zijn persoonlijkheid moeten bannen.
Indien hij waarheid was geworden zoals zijn grote voorbeeld, dan had de leugen hem op dat kritieke ogenblik niet meer te pakken kunnen nemen.

Geestelijke gaven

Daar zaten ze na de kruisiging dan, de apostelen.
Jarenlang hadden ze wijsheid van hun leraar gekregen.
Maar nu was hun rabbi op schandelijke wijze gedood en stonden ze voor zichzelf.
Wat hadden ze zich van deze wijsheid zelf eigen gemaakt?
Wat was hun eigen innerlijk bezit geworden, vanwaaruit ze nu moesten handelen?
Ze zaten bijeen en wachtten op bezieling, ze hadden niet de kracht om vanuit zichzelf tot het verkondigen van de blijde boodschap te komen.
Christus kende hun toestand en kwam terug uit het hiernamaals om zich aan hen te laten zien, Hij wandelde tot hun grote verbazing met zijn geestelijke lichaam zo door een muur heen.
En ook nadat Hij naar het Al was teruggekeerd, bleef Hij hen helpen, Hij stuurde de Heilige Geest.
Dat dit eigenlijk de meesters van de Universiteit van Christus waren, konden de apostelen nog niet begrijpen.
Zij dachten dat het Christus was die hen aan wonderen hielp.
De meesters ontwikkelden bij hen geestelijke gaven, voor zover de apostelen dit konden verwerken.
Toen de apostelen bijeenwaren en besluiten moesten nemen, hoorden ze zelfs fysieke stemmen.
De meesters lieten de directe-stem horen waarbij ze hun geestelijke stemgeluid halfstoffelijk verdichtten zodat dit door de stoffelijke oren van de apostelen gehoord kon worden.
In het artikel ‘directe-stemapparaat’ wordt op dit verschijnsel dieper ingegaan.
Hierdoor hoefden de apostelen niet meer te twijfelen, ze hoorden hun geestelijke leiding.
Door dit bezielende woord konden zij hun leven voor hun meester inzetten.
Vanaf dat moment bleef Petrus zijn eigen waarheid vasthouden.
Later liet hij zich door zijn vervolgers afslachten, en was hij blij dat hij zijn twijfel had overwonnen.
De apostelen droegen nu de boodschap van Christus uit in woord en daad.
Ze beleefden hierbij helderziendheid en helderhorendheid.
Maar ze konden nog geen ‘verklaring op zielsniveau’ geven, omdat zijzelf en de mensheid in die tijd zo diep nog niet konden denken.

Terug in het hiernamaals

Ook toen de apostelen in het hiernamaals aankwamen, hadden ze nog geen begrip van de reïncarnaties van onze kosmische ziel.
Petrus vroeg aan Christus of Hij hem een nieuw lichaam kon geven om dan ditmaal meteen vanaf het begin zonder twijfel en met meer bezieling te kunnen getuigen van het woord van Christus.
De meesters maakten hem en de andere apostelen duidelijk dat dit geen zin had, omdat de mensheid nog niet voor meer wijsheid te bereiken was.
Christus liet hun zien wat Hij de wereld had kunnen geven, als die verder ontwikkeld zou zijn geweest en hem had laten leven.
Dan had Hij over God als Moeder gesproken, over Alziel en Albron, maan, zon en kosmische levensgraden.
Maar Hij wist dat dit eerst na tweeduizend jaar in de Eeuw van Christus mogelijk zou worden.
Toen begrepen de apostelen dat ze van het kosmische bewustzijn van Christus op aarde nog niet veel hadden leren kennen.
Ze vatten hun eigen geestelijke studie aan door het verleden van hun kosmische ziel en de mensheid te volgen.
De meesters toonden hun tijdperk na tijdperk en eerst toen zei Petrus tegen Johannes: ‘Je ziet het, Johannes, toen ik op aarde leefde, keek ik in de ogen van God, maar begreep hem niet.
Zon en Maan vertegenwoordigen deze wetten.
Kom, wij moeten verdergaan en ons de wetten van God eigen maken.’