Onze geestelijke muur

Dectar sprak van de ruimte; van daaruit zouden wij met elkander spreken.
Nu ik het bewust had beleefd, lag die mogelijkheid voor mij en zou ik erop verdergaan.
Als wij een vertrouwelijk gesprek voerden, moest dit van daaruit kunnen geschieden, maar dan leefden wij in de ruimte.
Door in slaap te gaan, kon ik mij nu bewust splitsen en onder het wandelen, waar wij ook waren, zou dit mogelijk moeten zijn.
Zelfs onder de meesters, hoe gevaarlijk ook, zou dit moeten, of wij werden onmiddellijk gevoeld en waren tevens verloren.
Mijn geestelijke hulp had mij de weg gewezen, ik had het nu reeds beleefd.
Als Dectar daarmee gereed was, konden wij rustig verdergaan.
De ruimte was oneindig, om ons daar te vinden was niet zo eenvoudig.
Afgezien van alle andere gevoelens, die ik moest verwerken, waren deze de allernoodzakelijkste.
Wij konden dan rustig de diepste problemen behandelen en waren toch voor hen allen afgesloten.
Nu ik nadacht en nabeleefde, voelde ik, dat de slaap tevens voor ons het raadsel oploste.
Daarom had ik dit moeten volgen, want in de slaap lag onze afsluiting.
Ik moest eerst door de slaap heen, wilde ik mijn muur kunnen optrekken.
In en om deze afsluiting lag de ruimte vast en kwam ik in de ruimte, beleefde en onderging ik de oneindigheid.
De ziel kon dan heengaan en dat waren de Grote Vleugelen, de geestelijke vleugelen, de allergrootste gaven, die de ziel als mens op aarde kon ontvangen.
In die wereld leerde de ziel wetten kennen, die tot die onzichtbare wereld behoorden.
Het was prachtig en ik voelde mij heel gelukkig.
Nu ik in het bezit was van dit grote geluk, begreep ik alweer meer.
Want ik voelde gevaar.
Ik mocht dus niet gelukkig zijn, of men zou het kunnen voelen.
De ene moeilijkheid stapelde zich op de andere.
Eensklaps keek ik naar buiten en schrok.
Er heerste diepe duisternis.
De uren waren omgevlogen, maar ik had er niets van gemerkt.
Dectar zei: „Je op niets instellen, Venry, ook niet op mijn komst, niet gereedmaken.”
Ook dat begreep ik.
Ik was dan gestoord en hier stoorde men niet.
Ook dat was heel natuurlijk.
In niets was hier iets onnatuurlijks, de natuur was wonderbaarlijk af, alleen ik niet.
En zo waren alle mensen en hadden zich het natuurlijke, zoals ik het nu had beleefd, eigen te maken.
Toen ik wat uitgerust was, ging ik verder.
Urenlang bouwde ik aan mijn geestelijke muur en bleef daaraan werken.
Eindelijk viel ik van vermoeidheid in slaap.
In de morgen trad Dectar mijn cel binnen.
Spoedig waren wij buiten gekomen en zei hij tot mij: „Heel goed, beste Venry, niets zeggen, alleen instellen, het is prachtig.
Maar ook ik ben gereed.”
Ik begreep, dat hij mij had gevolgd.
„Je weet nu, dat ik je volgde.
Ook ik schrok, toen het duisternis was.
Maar je hebt iets vergeten, Venry.”
„Ik heb iets vergeten, Dectar?”
„Jazeker.
Men volgt mij, Venry.”
„Hoe gevaarlijk is dit leven, Dectar!”
„Denk aan de muur, Venry!
Als je daar niet aan denkt, zijn we in gevaar.
Wij smeden een geheim wapen en vergeten hetgeen wij moeten volgen.
Vergeet niet, dat ik je dagelijks moet leren, Venry.
En dat moet voortgaan.
Onder je nabeleven heb je vergeten, dat de meesters je kunnen volgen.
Maar je vertrouwde op die andere hulp.
Je dacht en beleefde, doch daar tussen waren nog andere gedachten in je, zeer gevaarlijke.
Je beleefde alles, maar je was niet meer in je cel en dat maakte mij angstig.
Aan je eigen wapen heb je gedacht en ook weer niet.
Je was bezig iets op te bouwen, Venry, doch al dat andere?
En daarom is het zo moeilijk.
Het gaat er dus om, alles te leren, ver weg te kunnen gaan, maar rustig, niet ineens alles willen bereiken.
Je bent dan ver weg en toch nog op aarde.
Doch je hebt de goede weg gevolgd.
Er is nu geen gevaar, maar wees voorzichtig.
Daar in die andere wereld zijn wij nu veilig.
Vergeet echter niet, Venry, dat wij nog steeds op aarde leven.
Daarvoor zullen wij een onfeilbare telepathische verbinding opbouwen.
De meesters zijn daarmee gereed en dat is de kracht van deze Tempel.
Maar voel je, beste Venry, waarvoor en door wie dit alles is?”
„Is het door de begaafden ontvangen, Dectar?”
„Juist, Venry, door de natuurbegaafden is dit verkregen.
Wij allen dienen de farao en dat komt aan dit land ten goede.
Doch door jou en mij en daarom haat ik dit alles.
Wij zijn slaven, Venry, en ik voel mij gelukkig, nu ik kan spreken.
Ik spreek nu in gedachten en je hebt mij gevolgd en mij zelfs vragen kunnen stellen en toch is ook dat zeer gevaarlijk.
Steeds moet je daar aan denken, nooit mag je dit vergeten en moeten wij ons in de ruimte gereedmaken en toch wandelen wij in de tuinen rond, leer je van mij en volgen wij de wetten op.
Wij bespreken al deze mogelijkheden, doch van daaruit, dat alléén door volmaakte splitsing mogelijk is.”
In gedachten had ik Dectar gevolgd, doch nu sprak hij tot mij en zei: „Al deze kinderen, beste Venry, goed luisteren, maar je muur niet vergeten, werden uitgezogen.
Waren de meesters ervan overtuigd en ook de leerling en werd er dan weerstand geboden, Venry, dan wachtte een kerker hem op, om daar te sterven.
De meesten van hen bezweken voordien reeds, of een gif deed het hart stilstaan en vergeten was de eens zo grote ziener van Egypte.
Kijk, mijn beste, dat doet mij zeer, dat haat ik, dat verafschuwt Dectar.
Ik wil hen zien ten onder gaan, zoals zij ten onder gingen.
Wij zijn slaven, Venry.”
Ik had Dectar begrepen en hij sprak verder, maar als een geheel ander mens: „Ik moet je deze morgen veel woorden leren, Venry.”
„Waar is dat voor nodig, Dectar?”
„Om straks te kunnen spreken, Venry.
Deze woorden zijn nodig, om de andere in je wakker te maken.
De krachten die je bezit, alsmede verschillende talen, die je eens sprak en geleerd hebt, zullen de meesters weer wakker maken, om hetgeen je in die andere wereld ziet, te kunnen verklaren.
Je behoeft niets anders te leren en onze taal niet geheel te kennen; wat ik je leer is voldoende.
Die woorden trekken de andere in je op.
Is het niet eenvoudig, Venry?”
„Ik vind het prachtig, Dectar.”
„Wij weten, dat je in het verleden in dit land bent geweest, Venry, en daarin heb je heel veel geleerd.
Maar er zijn nog andere mogelijkheden, die je eerst later zult leren kennen.”
Dectar leerde mij heel veel woorden.
Ik luisterde aandachtig toe en toen hij daarmee gereed was, zei hij: „Zie je, Venry, ik heb heel veel moeten leren, jij hebt dat niet meer nodig.
Daarin zijn veranderingen aangebracht, het is voor hen, die natuurlijk begaafd zijn.
Zij mogen niets, niets van hetgeen wij kennen, leren, want dat stoort de gaven.”
Een tijdlang gingen wij naast elkander en waren in eigen gedachten verdiept.
Dectar was een meester en bezat prachtige gaven en was bekend als een groot genezer.
Maar wat hij in mij zag, ging diep, veel dieper, dan hij op eigen krachten ooit kon bereiken.
In mij waren de allerhoogste gaven, die men kende.
Door mijn gaven zag ik de dingen zoals ze waren gegroeid, doch ze waren nog niet bewust.
Die gaven wilde Dectar bezitten, eerst dan was hij een Koning in gedachten en concentratie, bezat hij het voelen en denken, waarvan de gewone mens op aarde niets begreep.
Deze gaven waren alleen bij de priesters bekend.
De woorden, die hij mij opnoemde, moest ik weer opnieuw herhalen en toen hij dacht, dat het voldoende was, bouwden wij aan onze geestelijke muur verder.
Dan zei hij tot mij:
„Zie je, beste Venry, ik kan je nu al deze dingen vertellen, omdat wij één zijn en daarin dezelfde gaven en krachten bezitten.
Al die jaren gingen voorbij, aan niemand mocht ik iets zeggen, of mijn leven was in gevaar.
Maar dan wist je ook niets van deze Tempel af en begreep je niet, wat „Isis” betekent.
En toch moet je alles weten.”
„Wat betekent „Isis”, Dectar?”
„In deze Tempel leert men de natuurkrachten kennen, Venry.
Maar vooral de liefde.
De meesters zullen al die wetten leren, doch door ons.
Ons teken is als deze Godin, Venry, de natuur onze Oppermeester en de Lotus het gevoel, dat in alles aanwezig is en dat wij moeten leren kennen.
Maar waar is al die liefde?
Wij leven in de Tempel van Isis en wij zullen Isis groot maken.
Als ik spreek van „Isis”, beste Venry, dan weet je wat ik bedoel, of ik durf zo niet te spreken en dan ben ik onduidelijk.
Ik zag en voelde de Lotus en werd stil, omdat de „Liefde” in mij kwam.
Op deze plaats leerde ik mijn eigen leven begrijpen, doch hun leven kennen.
Het is volstrekt niet diep, Venry, want het oneindige is zoek en verwaarloosd; de Lotus bezoedeld, zodat ik in mijn ontwikkeling te pletter loop.
Van al deze waarheden wist je niets, maar maak je in niets ongerust, Venry, ik heb je in alles gevolgd en ben gereed.
Maar ook de meesters zijn gereed, doch ik heb hen kunnen volgen.
Daarvan kan ik je nu nog niets vertellen, wellicht later, het is nu te veel voor je.
Dectar heeft heel diep en natuurlijk gedacht, Venry.
Ik leerde mijn eigen teken begrijpen, aanvaardde dit leven, zoals zij het van mij willen, doch ik waakte, stuurde mijzelf door al die gevaren heen en ben nog bezig.
Hier leeft „de liefde”, doch je zult die liefde leren kennen.
En nu genoeg, Venry.”
Wij gingen verder en Dectar leerde mij de natuur te voelen en te volgen.
Maar ondertussen nam hij steeds nieuwe proeven en controleerde hij onze muur.
Daarna bezochten wij de dieren, om ook daar ons geheime éénzijn aan een proef te onderwerpen.
Dectar trad de hokken binnen en speelde met de dieren.
Angst kende hij niet.
Voor hem bestond hierin geen angst.
Hij speelde met de dieren en nu ik wist, dat hij daar op andere krachten binnentrad, omdat hij in voelen en denken met mij in verbinding bleef, kreeg ik grote bewondering voor zijn gaven.
Eveneens was mij duidelijk, dat ik aan het begin van mijn ontwikkeling stond.
Dectar was reeds heel ver en bewust van vele mystieke wetten.
Toen ik hem daar zo bezig zag en aan al deze krachten dacht, riep hij mij tot zich: „Kom, beste Venry, kom binnen en speel met hem.”
Hij bevond zich in het hok van een van de machtigste dieren.
Een leeuw van ongelooflijke grootte speelde met hem en dat dier had hij in zijn macht, ook dan, wanneer het een ander zou bespringen.
Dectar zou hem het voedsel ontnemen, ook al had het dier grote honger.
In zijn concentratie voor aardse wezens, mensen en dieren, hoe gevaarlijk de dieren ook en de machten en krachten van mensen waren, hij scheen onfeilbaar te zijn.
Ik stapte het hok binnen, stelde onmiddellijk mijn concentratie in en het dier luisterde naar mij.
„Zie je wel, Venry, hij luistert reeds, je wil is veel sterker geworden.”
In alle rust beleefde ik deze sensatie.
Toch mocht ik mij niets verbeelden, want dan was ik niet meer mijzelf en dreigde er reeds gevaar.
Onfeilbare intuïtie betekende geheel op één doel ingesteld te zijn.
Het dier likte mijn handen, ging liggen en voelde in mij macht.
Zijn gehoorzaamheid was volmaakt.
Toen ik dat begreep, speelde ik onmiddellijk mijn krachten tegenover het dier uit en dwong het beest mij te volgen.
Het dier wandelde met mij naar buiten.
Ondertussen verwaarloosde ik mijn instellen op Dectar niet, doch ik voelde op dit ogenblik mijn hulp en begreep, dat dit mogelijk was.
Dectar zag, dat het dier buiten het hok wilde gaan en zei: „Ben je zo zeker van hem, beste Venry?”
„Laat mij, Dectar, ik ben daar geheel zeker van.”
Toen ik wilde, dat het dier zich neerlegde, deed het dat direct.
Hoe snel luisterde het beest naar mij en daarbij hield ik het niet eens vast, het volgde mij als een tam soort.
Wij waren geheel één.
Ik wilde, dat het dier zou gaan zitten en mijn handen likken.
De bek ging open en het beest deed, wat ik wilde, dat het doen zou.
Nu voelde ik wat concentratie en éénzijn betekende.
Een warmte steeg in mij op, het was heel veel liefde voor het dier en dit gevoel overheerste het beest.
Het dier kreeg neigingen om met mij te spelen en ook deze gevoelens kende ik, want ze waren van mijzelf.
Plotseling kreeg ik eigenaardige gevoelens en gedachten in mij.
Ik dacht dit beest te kennen.
In het dier voelde ik duizenden diersoorten en ik zou al die soorten kunnen volgen.
Daarna zag ik al die soorten en het werd mij te machtig.
Nu wandelde ik met Dectar en het dier door de tuinen.
Dit was niet zo buitengewoon, want eenieder, die het priesterschap wilde behalen, moest dit kunnen.
Maar voor mij, die slechts korte tijd hier was, vond men dat geweldig en het stelde mijn kracht en wil vast.
Een Hogepriester, die ons waarnam, kwam tot ons en zag dit spel aan.
Hij liet mij andere proeven nemen, waarnaar het dier luisterde.
Het dier had ik zó in mijn macht, dat het door mijn concentratie in slaap viel.
Het stond onder mijn wil, het dier onderging die wil en dat verwekte bij het dier slaap.
Toen ik het beest naar zijn hok terugvoerde, plofte het daar neer en sliep in.
Dectar liet mij nu voelen, dat hij onze muur aan een allerlaatste proef wilde blootstellen.
Nu zou hij tot mij spreken.
Een ongevoelig mens zou ons éénzijn niet kunnen volgen, doch naast ons was een meester in intuïtie.
De Hogepriester wilde, dat ik andere dieren onder controle bracht, maar ondertussen vertelde Dectar mij een geheel ander verhaal, dat ten zeerste de wetten bekritiseerde en alles, wat met deze Tempel had te maken.
Doch de meester voelde er niets van, onze muur was volmaakt.
Nogmaals bekritiseerde Dectar ten scherpste deze Tempel.
Als hij ons had kunnen volgen en had gevoeld, begreep ik, wat ons wachtte.
De stoffelijke en geestelijke kastijdingen waren niet te overzien, dagen geen voedsel en misschien algehele vernietiging.
Dectar zette alles op alles, niets, of geheel gereed.
En ik voelde, dat wij gereed waren, hij zou wel weten, wat kon en niet mogelijk was.
Hij was een geleerd priester.
De Hogepriester ontging alles, een geheime en onzichtbare uitstraling bedekte ons voelen en denken, omsluierde ons éénzijn.
Toen de Hogepriester mij volgde, zei Dectar tot mij, alsof het nog niet genoeg was: „Als wij niet zuiver en één waren, beste Venry, geloof mij, wij zouden voedsel voor de dieren worden.”
Ondertussen ging ik verder, liet verschillende dieren volbrengen, wat ik hen dwong te zullen doen, doch de meester keek toe.
Daarna peilde ik zijn gedachten en gevoelsleven.
Toen ik daarmee bezig was en hem in zijn gedachtengang volgde, ontmoette ik op die weg tot hem, Dectar.
Ook Dectar had zichzelf gesplitst en hij keek mij betekenisvol aan, maar zei, na een kort ogenblik tot mij: „Zie je, Venry, wij zijn nog in onze lichamen, maar kunnen nu reeds elkander in de ruimte ontmoeten.
Ook ik wil zijn gedachten volgen.
Nu snel terugkeren, het is prachtig.”
En wij keerden heel snel terug en mijn persoonlijkheid werd weer geheel één.
Wat ik bereikt had, was voor de Hogepriester voldoende, om thans nieuwe proeven te nemen.
Hij riep Dectar tot zich en zei: „Morgen moet je beiden komen, voor nieuwe proeven.”
Dan ging hij heen.
Ik had nu beleefd geheel bewust te zijn en toch wonderlijke krachten te beleven.
Dat instellen op een dier was prachtig, waarbij ik met Dectar één bleef, en het allermooiste was, dat wij elkander in hem hadden ontmoet.
Eerst dachten wij, dat hij ons had gevoeld, maar dit was niet mogelijk.
Dectar was zeer verheugd en zei: „Wij moeten hem blijven volgen, Venry.
Indien je voelt, dat er onzekerheid in je is en die onzekerheid in je blijft, sluiten wij ons daarginds op en moeten daar dan voorlopig blijven.
Wij gaan opnieuw wandelen, ik vertel je van verschillende wetten, maar wij blijven hem volgen.”
Zulks geschiedde, doch wij voelden niets bijzonders.
In verbinding zagen wij, dat de meester zichzelf voelde en niet meer aan het gebeuren dacht.
Die zekerheid in ons was voor ons het bewijs, dat wij gereed waren.
Onze muur was prachtig, ook al dreigde er steeds gevaar.
De avond brachten wij door met een onderzoek, want Dectar wilde, dat ik buiten mijn lichaam ging, doch hij zou mij in slaap brengen.
Dit was nodig voor de volgende dag.
Mijn eigen meester nam mij een eerste proef af.