Jozef leert zijn meester kennen
Jozef leert zijn meester Alcar kennen, die zijn laatste leven op aarde beleefd heeft als Anthonie van Dyck.
Jeus ziet ineens een mens in de kamer rondwandelen en hij ziet, het is een oud schilder.
Hij vraagt onmiddellijk:
„Wie bent u?”
„Ik ben” ... zo begint het gesprek ... „een oud meester in de schilderkunst.
Ziet u dat?”
„Ja, ik zie het.
Maar wat wilt u?”
„Ik wil door uw hand even iets schrijven.
Maar u ziet het, u kunt mij ook horen, wij praten immers tegen elkaar.”
„Ja, dat zie en hoor ik ook, maar wat wilt u van mij?”
„Ik ben je ... meester, Jeus.”
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Later leren we het laatste leven op aarde van meester Alcar kennen:
Ik heb u zijn vorige naam reeds genoemd, waarlijk, hij is Anthony van Dyck!
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952
Hieronder ziet u een zelfportret van van Dyck.

Antoon van Dijck werd op 22 maart 1599 geboren in het centrum van de stad Antwerpen. Hij was het zevende kind van twaalf van de rijke textielhandelaar Franchois van Dyck en Maria Cuypers.
Al vroeg kwam zijn talent om te tekenen tot uiting. Als tienjarige jongen ging Antoon in 1609 in de leer bij Hendrik van Balen, kunstschilder en opperdeken van het Sint Lucasgilde. Op vijftien of zestienjarige leeftijd schilderde hij zijn eerste zelfportret. In 1615 werd hij een onafhankelijk kunstschilder, en in 1618 kreeg Antoon officieel de titel ‘meester’.
In zijn jongere jaren was hij een van de favoriete medewerkers van Peter Paul Rubens. Van Rubens kon van Dyck veel opsteken: Rubens kende Latijn, had ‘voorbeeldige omgangsvormen’ geleerd, was als alom gerespecteerd historieschilder uit Italië teruggekeerd, was intellectueel veelzijdig en had een diepgaande kennis van de kunst en literatuur van de Oudheid. Omstreeks 1620 wist van Dyck Rubens op technisch vlak te evenaren.
Van Dyck richtte zich op het leven van Christus en hij ontwikkelde zich ook tot succesvol portretschilder. Hieronder ziet u een schilderij waarin hij Christus uitbeeldt.

In 1621 ging hij naar Italië. Hij verbleef er zes jaar waar hij de Italiaanse schilders uit de renaissance bestudeerde. Hij had er de gelegenheid werken van enkele beroemde kunstenaars te kopiëren, vooral van Titiaan, voor wie hij een grote bewondering koesterde.
Hij keerde in 1627 terug naar Antwerpen. Hij schilderde gedurende de vijf jaren in Antwerpen een groot aantal meesterstukken, waaronder de portretten van Maria-Louisa de Tassis en de eenarmige landschapschilder Marten Rijckaert.
Zijn meesterschap werd bekend bij koning Karel I van Engeland die hem naar zijn land haalde, waar hij in korte tijd erg beroemd werd. De koning kon Van Dyck goed gebruiken voor de uitbeelding en promotie van zijn visie op absoluut koningschap. In juli 1632 werd hij geridderd waarbij hij de titel sir ontving. In 1633 werd hij benoemd tot hofschilder van de koning.
In Engeland leerde van Dyck een astronoom kennen, Dennis Lefton en hij schilderde dit levensgroot portret van een astronoom.

Antoon van Dyck schilderde 542 portretten en 203 stukken met een religieus of mythologisch onderwerp. Karakteristiek voor zijn kleurgebruik is het warme ‘Van Dyck-bruin’, dat zijn naam gaf aan het betreffende pigment.
Een voorbeeld hiervan is het onderstaande portret van Teresa Sampsonia, Lady Shirley in Rome, 1622.

Hieronder ziet u een schilderij dat Jozef mediamiek ontving van meester Alcar. Zo te zien was van Dyck zijn bruin nog niet vergeten.

In 1641 werd van Dyck tijdens een verblijf in Parijs ziek en keerde snel terug naar Londen, waar hij korte tijd later overleed in zijn huis in Blackfriars (een gebied in de City of London).
Jozef Rulof zegt op een Vraag en Antwoord avond dat van Dyck na zijn overgang een ruimere kijk heeft gekregen op de waarde van zijn aardse kunst:
Toen meester Alcar tegen mij zei ... hij zegt: ‘Als ik één mens overtuig, waarlijk overtuig van leven en dood en God, dan heb ik meer bereikt dan in al de jaren van mijn kunst’, en hij was Anthony van Dyck.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951