Vraag en Antwoord
Vraag en Antwoord avond met Jozef Rulof, gehouden op donderdagavond 22 december 1949.
Goedenavond, mijn toehoorders, dames en heren.
(Zaal): ‘Goedenavond.’
Hier staat de eerste vraag geschreven: ‘In de courant las ik van een paard dat aan toevallen lijdt.
Kan dat?
En zo ja, zijn dat dezelfde verschijnselen als bij de mens?’
Van wie is dat?
Van mevr. Van Dijk.
Mevrouw, een paard en een dier kan dezelfde ziekten bezitten als de mens.
Want een paard heeft hersens, zenuwstelsel, een gevoelsleven en als daar, en wanneer daar een stoornis in ligt, dan kan dat dier epilepsie ontvangen en elk ander verschijnsel meer die ook de mens bezit.
Voelt u wel?
Dat is allemaal mogelijk.
Van wie …?
Mooi.
Dat is allemaal mogelijk.
Daar kun je natuurlijk wel dieper op ingaan en de toekomst zal het ook wel uitwijzen.
Zo had ik euh.…
Ik heb ook …
Ik heb dat bij ons in de buurt ook meegemaakt.
Iemand die had een paard en dat dier waarschuwde hem altijd zo heerlijk en dat heette ‘Piet’, en als Piet voelde dat het begon dan gingen die achterbenen van Piet die begonnen een beetje te draaien en trekkende, al trekkende ging Piet vooruit en in ene keer stond Piet stil en dan ging ie zo … de oogjes gingen lekker dicht en dan ging ie weg en dat duurde een kwartier en dan … moest ie natuurlijk losgemaakt worden en dan stond ie weer op en ging ie weer verder.
Ik heb dat dier wel twintig, dertig toevallen zien krijgen.
Maar het ging zo rustig en zo mooi.
Ik denk dat Piet het beter begreep als de mens want de mens spartelt harder en gaat … en is angstiger dan het dier, het dier ging rustig liggen, hoofdje rechts op de grond en dat … dat manifesteerde zich en het beleefde het.
Het dier beleefde die verschijnselen, stond daarna op en het was gebeurd.
Hebt u al … hebt u dat al eens bij een mens meegemaakt, ziet u andere verschijnselen.
Waarom?
Nu gaat … ik kan … ik kan nu wel ophouden, maar nu zou ik u kunnen vragen: waarom ziet u andere verschijnselen bij de mens?
Nu gaan we daar eens kos-kosmoligie, neen, nu gaan we daar eens een kosmologie van maken, een geestelijke grond.
(Jozef spreekt tot de geluidstechnicus): Zet ’m eens even op de zaal, meneer (…)
Wat voelt u ervan?
Waarom voelt de mens dit anders en beleeft de mens dit anders?
(Verschillende mensen praten door elkaar).
Niet allemaal tegelijk.
Daarzo.
(Man uit de zaal): ‘Het onnatuurlijke in de mens is de oorzaak waardoor hij (…) een paard dat meer natuurlijk is.
En een paard dat (…) zoals het is en een mens die wíl (…)’
Ja.
Meneer, u slaat de spijkers op de kop.
Dat is het.
De mens … heel mooi antwoord.
De mens … omdat de mens denkt, meer bewustzijn bezit, gaat de mens handelen.
Maar omdat de mens meer bewustzijn bezit en dat bewustzijn verkeerd heeft gebruikt, verbruikt, heeft de mens zijn natuurlijke, ook Goddelijke eigenschappen afgelegd en verloren.
De mens heeft zich gesplitst in duizenden dingen en de mens gaat onmiddellijk denken en als u bij die dingen niet gaat denken en u kon u overgeven, was er geen epilepsie.
Maar er is denken en er is gevoel.
Er is ook bewust gevoel.
U hebt het ‘paardbewustzijn’, een hond en elk dier heeft bewustzijn.
En omdat dit gevoel ís en al denkende, voelende, we weten niet of een hond denkt …
Ja, de wetenschap is wel zover dat ze zeggen, ja dat dier denkt dat en dat.
Er zijn er ook die zeggen: denkt een dier, heeft een dier een persoonlijkheid?
Daar weet de wetenschap maar weinig van af, hoewel de psychiaters en de psychologen ernstig aan het zoeken zijn, maar u voelt wel, ze staan straks voor een ongelooflijke, nu al, ruimtelijke diepe wereld.
Maar omdat de mens direct zich instelt wordt alles erger, honderd procent erger.
Als u zich in alles kunt overgeven, gebeurt er niets.
Dan herstelt de natuur zichzelf.
Daarom hebt u … mijn compliment, want dat is heus niet zo eenvoudig.
Ik geloof … honderden waren ernaast gegaan, maar door ons denken, door onze persoonlijkheid, nemen wij dat in handen en dat kan niet.
Dan moet u de stelsels kunnen kennen.
En een concentratie bezitten die zo diep gaat die … waardoor u alle weefsels, het gevoelscentrum overheerst en in uw handen hebt.
Duidelijk?
Dank u.
Nu gaan we verder.
De tweede vraag is: ‘Is het mogelijk een aanwijzing te geven hoe men tot begrip kan komen van ruimte in verband met oneindigheid.
Dus oneindige ruimte.
Is het woord oneindigheid dat door de mensen zoveel gebruikt wordt geen onzin?’
Neen.
(Jozef leest verder): ‘Men kan immers noch wat het oneindige leven, noch wat de oneindige ruimte betreft de betekenis van dit oneindige verklaren en begrijpen.
Is het misschien zo dat ruimte en tijd enkel voor ons op aarde werkelijkheden schijnen terwijl het slechts begoochelingen zijn, die oplossen in het leven na de dood.’
Bij de eerste vraag, meneer Veenkamp – ‘Is het mogelijk een aanwijzing te geven hoe men tot begrip kan komen van ruimte in verband met oneindigheid, dus oneindige ruimte’ – hebt u de boeken ‘Een blik in het Hiernamaals’ gelezen?
Een hel, een duistere wereld, is oneindig en eindig.
Want u komt er weer uit.
Wanneer u momenteel vasthoudt aan een daad die u naar de duisternis voert, u kunt uw hoofd niet buigen, u kunt een mens niet vergeven, dan komt er ook nooit een einde aan die hardheid, die wereld.
Alles trekt u aan door hardheid.
Als de mens niet kan vergeven dan staat ie stil.
Komt er … u zegt ‘kom laten we dat vergeten en vergeven’, dan hebt u al weer een nieuwe wereld.
Nu begint het nieuwe, nu komt het einde van een gedachte.
Deze wereld heeft ook een einde.
Deze wereld is rond.
Wanneer er geen huizen en geen herkenningstekens op de wereld waren, op deze aarde, kwam er nooit een einde aan deze aarde.
Dan zeg je ‘ja daar komt nooit een eind aan, we zijn hier al wel tien maal geweest, waar zijn we nu begonnen’.
Maar u weet de aarde is eindig.
De duistere werelden, de hogere werelden de … zijn oneindig en eindig.
De astronomen zeggen, het oneindige uitdijende heelal, er is geen eind aan dit heelal.
Dat is kletspraat.
Of, wij weten het niet.
Maar wanneer u dat vasthoudt wordt het onzin.
Want dit universum is eindig.
Dat eindigt een keer.
En dat is, dat kunnen wij al merken, of er was … als er geen einde was aan iets, aan ons bestaan, dus aan de levenswetten, dan konden en kunnen wij gerust zeggen: ja, wat heeft het te betekenen dit leven, als je in de kist gaat, is het afgelopen.
Maar wij gaan door.
Dan begint … Dood is er niet, weten wij.
Daarom krijgen wij een enorme oneindigheid.
Als u katholiek bent en protestant en u houdt de bijbel vast, staat u voor het einde van uw leven.
Dan gaat u de kist in.
Ja, op een goede dag dan wordt er weer getrompetterd daar in die ruimte, en dan moet u … wij hebben er verleden om gelachen, nu beginnen ze alweer, en dan … maar ik ga er toch niet op in, lekker, (gelach in de zaal) en dan worden we teruggeroepen en zul je zeggen: ‘ja, daar begint waarachtig weer een einde’, nietwaar.
Maar, eerste sfeer, tweede hemel, derde hemel, hoger en hoger komen wij toch langzaamaan in een ijlere graad en dan hebben we weer werelden beleefd.
En nu kunt u zeggen: de oneindigheid leeft in u.
Ja, want wij gaan naar het Al tot God terug.
En nu is er een einde, dat woord is noodzakelijk.
Dit is het einde, wanneer we aanstonds ophouden, is er ook een einde.
Aan een dag komt een einde.
Voor de ruimte niet.
Kijk, dat zijn allemaal menselijke begrippen.
De mensen, de mensen hebben die dingen opgebouwd.
Voor God en voor de ruimte is er geen dag, geen dag en geen nacht.
In de ruimte is er altijd licht.
Ook wanneer de aarde oplost en dit universum oplost, dan is er nog licht.
De zon gaat weg straks over miljoenen jaren, dan dooft die zon uit.
Maar dan leeft de mens weer in een andere wereld.
We gaan naar de astrale wereld, vierde kosmische graad, vijfde, zesde, en zevende en dan zijn wij in het Al.
Maar die bedoeling is, de bedoeling is, wanneer u de eerste freubelschool hebt beleefd, in de eerste klas, dan gaat u naar de tweede.
En nu kunt u zoveel klassen en schooltjes beleven totdat u tot God, in God teruggekeerd bent.
Nu krijgt u het einde te zien van een gedachte, van een week, van een jaar, van een oneindigheid die er niet is.
Voelt u wel?
Dus dat woord oneindigheid is zeer zeker noodzakelijk, dat kunnen wij nu gebruiken.
Maar gevormd en gemaakt door menselijk denken en voelen.
Wanneer de mensen die dat woord oneindigheid kosmisch hadden gevoeld en gezien dan was er van ons woordenboek niets terecht gekomen, weet u dat?
Want dan waren er daar honderden woorden verdwenen die we nu nodig hebben om het stoffelijke principe, onze persoonlijkheid, maatschappij, te kunnen uitbeelden.
Alles wat u ook hebt op de aarde, het woordenboek erbij, als u leest ‘liefde’, dan weet u, dat blijft bestaan.
En ‘oneindigheid’ is ook weer noodzakelijk.
Zo krijgen wij te zien, het einde aan dit maar het nieuwe daarachter.
Ook dat komt weer terug, en als u in God bent, hebben ze … – die vraag is hier al gesteld – zijn teruggekeerd, dan leven wij ook weer in de oneindigheid.
Mij is gevraagd en meester Zelanus in Amsterdam: ‘Wat, hoe zijn wij wanneer wij in God zijn?’
Ik geloof hier hebben we het ook behandeld.
Ik zei: ja, wat zal er gebeuren wanneer je nu werkelijk God, als God bent, je leeft in dat Al.
We hebben er ’s avonds … iemand vroeg: ‘ja, maar wat gebeurt er dan?’
Ik zeg heel eenvoudig.
‘Hoe leven wij daar.’
Ik zeg: nou heel eenvoudig, om negen uur wordt er gebeld en dan gaan we brood halen en een kopje koffie drinken we dan, en om één uur lekker warme soep, of die soep ‘snert’ heet weet ik niet
(gelach in de zaal).
Maar hebt u nog eten en drinken nodig?
Hoe denkt u?
Wat bent u?
Dat moet u maar aan de meesters overlaten in Diligentia.
Maar als u in God bent, dan hebt u weer zeven graden en dan komt u in de Albron en dan gaat u de Albron weer uit en dan gaat u weer door werelden, werelden ... er is geen einde.
En er is een einde.
Want het einde dat bent ú!
Dan bent u net álles.
U bent licht, leven, liefde, geluk, wind, regen en voedsel, kracht.
U bént alles.
Dan kunt u zeggen: ik ben niets en ik ben alles, ik vertegenwoordig alles, ik ben eindig, dat ben ik, en verdwijn ik uit uw ogen, dan ben ik oneindig.
Meester Alcar heeft me dat mooi geleerd, ja aan Gene Zijde.
Ik zeg: ‘Maar u bént er toch?’
Hij zegt: ‘Ja, en ik ben er niet.’
Hij gaf me een beeld van eindig, dit te beëindigen, geëindigd zijn, en het oneindige.
Hij zegt: ‘Tot kijk, tot straks, André’.
Weg was hij.
Hij zegt: ‘Hoor je me nog?’
Ik zeg: ‘Ja, ik zie … ik hoor u wel, maar ik zie u niet.’
Hij zegt: ‘Waar ben ik?’
Ik zeg: ‘Ja, hoe moet ik u nu vinden’.
Hij zegt: ‘Ik ben in het middenste der aarde.’
Toen vond ik hem terug in het midden van de aarde.
We waren daar aan het wandelen.
Er was vuur, er was water, er waren grotten.
Ik zag het darmstelsel van de aarde.
En toen ging hij zich weer verplaatsen en zo gaf hij mij beelden, omdat ik alles zou begrijpen waar u nu aan vraagt.
Voelt u wel?
En zo, door die beelden, krijgt u ook het gevoel, ja, dan heb je bezit.
Als je iets kort afmaakt en zegt ‘de oneindigheid is dat en dat en dat’, dan hebt u daar niets aan, want wanneer u het voelt.
is ook die oneindigheid in uw handen.
Dat leert u onmiddellijk.
Daarom maak ik me een beetje druk.
Nou, nu kunnen we ophouden.
(Jozef herleest): ‘Is het misschien zo dat de ruimte en tijd enkel voor ons op de aarde werkelijkheid schijnen te zijn?’
Ja, maar dat is in alles.
(Jozef leest verder): ‘Terwijl het slechts begoochelingen zijn?’
Neen, om de drommel niet, dat is geen begoocheling.
U gaat hier de kist uit, dat is het einde, het einde van het jaar, maar achter de kist wordt u weer wakker, een nieuw leven of u gaat verder.
En u staat weer voor een oneindigheid.
De eerste sfeer.
Hoe diep dacht u dat één gedachte was.
Als u de oneindigheid voelt van een gedachte ... iemand die kan zijn hoofd niet buigen voor dit, iemand die weet altijd alles beter, iemand kan niet luisteren, iemand kan niet denken, iemand kan dat niet.
Dan staat u ook stil, dan leeft u het eindige, dan leeft u de dag, dan beleeft u het uur, dan is er eigenlijk niet eens een minuutje die u toebehoort van een dag.
Er zijn mensen die leven een jaar – ik volg die mensen – en dan hebben ze in dat jaar ... kijk ik naar, ik ga elke dag na, bijvoorbeeld wat heb ik gedaan, wat heb ik verkeerd … dat verkeerd … dit is fout ... dat had ik zo moeten doen.
Wat leer ik elke dag.
En dan heb ik mensen gevolgd, ik heb mensen gevolgd tien, twaalf, vijftien jaar …
Ik zei u verleden, ik ken de mensen en de man die zei in veertig jaar al niets en de vrouw ook niet.
Dus die hebben wel wat geleerd in die veertig jaar.
Maar wat beleven wij op een dag, in een uur?
Wat heeft eindigheid en oneindigheid eigenlijk te betekenen voor u?
(Jozef richt zich tot de geluidstechnicus): Zet hem eens op de zaal, meneer.
Voor meneer Veenkamp, voor u.
(Jozef gaat verder): Kijk, als u de oneindigheid wil beleven in alles, moet u goed luisteren wat uw vrouw vertelt.
En als u dat … U hebt een gesprek met elkaar.
Nu krijgt de één, die krijgt niet gelijk van de ander.
Er is er één die gelijk heeft.
Hebben ze allebei geen gelijk?
Nou geeft niet.
Maar dan bent u bezig te leven.
Maar nu komt … Ik heb mensen uit elkaar zien gaan, prachtige persoonlijkheden gingen stuk, kapot kunt u wel zeggen, alléén omdat zij hem en hij haar geen gelijk gaf.
‘Ja, daar valt niet te praten met hem.
Ik smoor, ik stik in deze omgeving.’
Ik zeg, ‘joh’, ik zeg, ‘leg me die problemen eens voor, wie gelijk heeft, krijgt gelijk.’
Ik moest komen.
‘Nou goed, vertel eens op.
Goed, nu jij.’
Ik zeg: ‘Ja, nu hebben jullie allebei gelijk’.
Hoe bestaat het?
Beiden gelijk.
Ik zeg: ‘Begrijpt u dan niet dat u stilstaat?’
Daar gingen, daar gingen maar liefst drie maanden voorbij, drie maanden ruzie, ellende.
’s Avonds, hij thuis, niets zeggen.
Zij: ‘Hier staat het eten, eet maar.’
Heerlijk, hè?
Om zó een dingetje!
Ik zeg jullie zijn niet waard dat je elke dag, elke morgen nog ontwaakt en naar de zon kijkt.
Praat toch!
Behandel toch!
Wat is een psycholoog?
Word zelf psycholoog.
Maar in de eerste plaats een gedachte, een werk, een handeling ontleden, en maak daar een oneindigheid van en u staat direct weer beiden voor een nieuwe ruimte.
Maar dat doen de mensen niet.
Is dat zo?
U kunt zo ontzagwekkend elke dag leren wanneer u maar luistert.
Luistert u?
Ik leer elke seconde van de mens.
Ik denk, oh ja, die doen het zo, ik moet het zo niet doen, zo moet ik het doen.
Wat dacht u dat ik alles maar in mijn zak had gekregen?
Meester Alcar die heeft me haast doodgerammeld.
Ik zeg: ‘Sla me nog eens even.’
Als u hier aan de mens iets vertelt of u bent … hebt met mensen te maken … ik zeg: ‘Dat moet je zo doen.’
Ach!
Och!
Dan hebt u de … dat is de eindigheid.
De oneindigheid, daar hoeft u niet eens aan te denken.
Want bij het eerste woordje staat u stil.
Waarom?
Omdat de mens zich niet … de mens is angstig dat u de mens iets afneemt.
De mens is angstig dat ie iets verliest.
Wij kunnen niets verliezen.
Dat is waar.
Als u alles hebt, en alles … U wilt geloven, u wilt beter, hier komt aanstonds iets, zie ik al, over het gebed, u wilt bidden, u wilt geloven, beleeft u door uw gevoel een oneindigheid.
Hoeft maar niet zoveel bij te komen of in dat gebed komt er twijfel.
En dat kraakt uw gevoelsleven.
Waarom ben ik zo lang met u bezig?
Nu u de rest.
Is ’t goed?
(Jozef leest een ingediende vraag): ‘Waarde heer Rulof.’
Van wie is dat?
Moet u dat horen.
‘Nog éénmaal kom ik terug over de waarde van het gebed.’
Meneer van Straaten.
‘Toen ik drie jaar oud was, kreeg ik zenuwtoevallen.
Naarmate ik ouder werd, nam het aantal toevallen toe.
Toen ik twaalf jaar was, gebeurde het, dat ik vier à vijf aanvallen per dag kreeg.
Dat was voor mij niet meer om uit te houden.’
Dat geloof ik.
‘Ik zei toen tegen mijn moeder, dat ik een dominee wilde hebben, om voor mij te bidden.
Mijn moeder keek hier vreemd van op, maar zorgde ervoor, en dominee Posthumus Meyes, predikant voor Den Haag, kwam in de middag en vroeg aan mij, wat er aan scheelde.
Ik zei spontaan tegen hem, dat hij voor mij eens moest bidden, want de doctoren en professoren konden mij niet meer beter maken.
Ik zei hem, dat ik wilde genezen of doodgaan.’
Twaalf jaar was u?
(Meneer van Straaten) ‘Ja’.
(Jozef): Machtig.
‘Want zo kon ik het niet langer uithouden.
Hij zei toen tegen mij: ‘Maar bidden moet je toch zelf doen?’
‘Ja’, zei ik, ‘maar u kan dat veel mooier dan ik.’
‘Dan zullen wij het samen doen’.
Na het gebed heb ik er nooit meer één gekregen.
Dit was dus een wonder voor ons allen.
Later hebt u mij dit anders uitgelegd.
Ik stel erop prijs, dat u dit ook de hier aanwezige mensen wil uitleggen.’
Maar nu kwam ik tot een tweede vraag: ‘Daarboven staat dat dominee Posthumus Meyes door dit wonder zo gelukkig was, dat hij het vele malen in zijn preek over sprak, vooral, als hij mij in de kerk zag en hij zei dan tegen de mensen dat hij een wonder had beleefd door het gebed.
Hij is zelf door dit gebeuren ook extra zeker geworden van de waarde van het gebed ten opzichte van ziekten en sleept hierdoor vele mensen mede in die richting.
Nu is dus mijn genezing een dwaalspoor geworden voor anderen.
Dit in het bijzonder naar aanleiding van de woorden van meester Zelanus gesproken in Diligentia vier weken geleden ‘bid niet voor ziekten’.
Wilt u zo goed zijn hier een antwoord op te geven.’
U voelt wel, dames en heren, meneer van Straaten heeft daar gelijk in.
Ik heb hem dat allemaal verklaard.
U voelt wel dat de mens die zich losmaakt van het gebed, ook eigenlijk niets meer heeft, en wij die mensen los zouden maken van God en Christus.
Maar wij hebben het niet tegenover de mens die aan de bijbel vast zit, de mens die daar staat te schreien en haar man … ja, u kunt een contact hebben, weten wij, maar wanneer er …
Meester Zelanus heeft dat gezegd, wanneer de mens moet sterven kunt u die vader en die moeder niet behouden, ook al bidt u dag en nacht.
Dat is er verteld.
Is dat zo?
(Zaal): ‘Ja’.
Kijk, dan houden wij op.
Daar gaat het over.
Maar wat hier is gebeurd …
Nu ga ik u een vergelijking geven en dan weet u precies wat er is gebeurd.
Ik heb tegen meneer van Straaten in die tijd verteld, ik zeg: ‘Kijk, uw machtige wil en het geven van alles – ik wil dood of ik wil beter – dat heeft een wil opgetrokken en die wil heeft die kracht voor de genezing aangetrokken.’ Ik zeg al, had u gevloekt of had u dit gedaan of dat gedaan, u hebt op dat moment gebeden, goed, kunt u, daar zijn miljoenen mensen die bidden, dat kunnen we hiertegenover stellen, en dan tonen we daardoor aan dat u toch … dat die mensen door het gebed … of die Vader is werkelijk zoals men dat in het oude testament zegt, de ene bevoordeelt, de ene mens meer geeft dan een ander, bevoordeelt, en een ander kind mismaakt.
Er gaan vierhonderd mensen naar Lourdes, meer gingen er.
Wij hebben er vier.
De ene heeft dat, en dat en dat, ze hebben verschillende ziekten, het ene kind voelt iets, beter, het andere kind voelt helemaal niets, z’n moeder ...
die man krijgt ook niets, zegt: ‘Ja, misschien had ik het nog niet verdiend.’ Nee, het gaat ergens naartoe, en het andere kind wat er tussen in ligt tussen die vier mensen gaat dood.
Dat kind kwam niet naar Lourdes om dood te gaan, had het thuis ook kunnen doen.
Het ging naar Lourdes voor gezondheid.
Dus die God, die liefde.
En daar wordt gebeden, in Lourdes.
Dat zijn gebeden op honderd procent kracht, die deze meneer, deze ziel, meneer van Straaten, op dat moment voelde toen hij zich open gaf en instelde op God, op gedachten, op genezing en op alles.
Voelt u?
Dat ene kind werd genezen en dat andere kind gaat dood.
Het andere kind, daarzo – moet u die problemen maar eens horen – komt ziek terug van teleurstelling.
Door geslagen te zijn.
Nu krijgen we niet vier maar vierhonderd verschillende toestanden waardoor het gebed niet reageert.
Daar gaat het toch naartoe.
Andere … nu kunt u nog andere voorbeelden opnoemen, daar hebt u bijvoorbeeld weer voor kracht, persoonlijkheid, kunst, doet er niet toe, de mens bidt hier voor en daar voor.
Een moeder dankt – u leest dat in ‘Maskers en Mensen’ – een moeder dankt: ‘Heilige Maria.’ Oh, kunt u nog hoger?
Katholiek.
Ik weet nog wat, toen ik kind was, het liefst kroop ik daar maar de hoek in, ik denk, als er wat moois te …
Ik zeg tegen moeder: ‘Waarom bidden die mensen altijd bij Maria?’
Toen zegt moeder: ‘Ja, Maria steet ( …) dat sprek toch van eiges Jeus’, zegt ze, ‘Dat is toch de móeder van onze Lieve Heer.’
Giji kunt toch met mien bèter proate als met vader?’
Ik zeg: ‘Ja, dat kan ik’.
En dan kroop ik daar de hoek in en dan bad ik, want ik wilde ik nu eens voelen hoe Maria mij haar gevoel kon geven ten opzichte van moeder, maar dan ten opzichte van Onze-Lieve-Heer.
Heb ik …
Dat deed ik allemaal zo uit mezelf, was ik tussen vijf en zes jaar, en later tussen acht en negen jaar.
Altijd die hoek in daar rechts in de kerk was Maria.
Ik voelde nooit niets.
Nu zijn er mensen in de katholieke kerk, die altijd op Maria, de moeder van Christus, zijn ingesteld en bloemen, bloemen, altijd bergen bloemen, ook die vrouw uit ‘Maskers en Mensen’ die wij hebben, die legde elke dag, elke week lagen daar haar armoedige centjes in de vorm van bloemen aan de voeten van Maria.
Kijk, en dat is niet bij één mens, één moeder gebeurd, maar dat is bij misschien wel bij duizenden moeders op de wereld gebeurd die tot de katholieke kerk behoren en aan Maria, Onze-Lieve-Heer, Christus God, bloemen hebben neergelegd, kaarsen laten branden, niet?
En toch dood, of dat.
Dat kind wordt aan stukken en brokken, die verschijnselen die u leest, die beelden in ‘Maskers en Mensen’, die zijn gebeurd.
Dat kind kreeg haar kindje aan stukken en brokken.
Toen zegt ze: ‘Nou, nu ga ik niet meer naar de kerk.
Nu ga ik niet meer naar de kerk. want ik kan ook niet meer bidden, want ik heb me leeg gebeden.’ Wat zegt u daarop?
Wat zegt u daarvan?
Het gaat er mij over om u te laten voelen: Wanneer moet u bidden?
Ik heb ook gebeden voor zieken.
Ik zal u nog eens een ander gebed vertellen en dan kunt u eens kijken hoe de mens verschillend bidt.
Dat is een kracht, een wíl geweest die die man, deze meneer heeft zich ook zelf genezen.
Als u weet dat (hij) aan de ene kant helemaal lam (is) geweest en al die dingen meer en dan nog presteren, kunt wat hij nu kan, en andere mensen hebben dat gedaan … als u de mensen uit de oorlog ziet komen, moet u eens kijken wat ze met geen armen weer klaarmaken.
Allemaal wíl, wíl wíl wíl.
De wil doet alles.
De wil bracht hier een werking naar voren die zei: ‘Dan helemaal niet!
Dan dood!’ Neen, nu staat u er ineens in, want u stapt ineens over álle twijfelingen heen.
U komt van het eindige naar het oneindige, in een nieuwe wereld en pompt uzelf, u pompt de stelsels, de zenuwcentra, uw hersenen en alles, het gevoelsleven pompt u op een duizendvoudige kracht in de goede richting.
Dat was ineens een klap, een stoot, een sprong waardoor de persoonlijkheid – voelt u het? – de middelen, de kracht, de concentratie in handen krijgt en zegt: ‘En nú zúl je luisteren!’
Onbewust geschiedde dat in het lichaam van meneer van Straaten.
Ik heb een vriend gehad en die had kanker.
Begrijpt u het al?
(Zaal): ‘Ja’.
Die jongen die leed zo ontzagwekkend, ik zeg ja, ik kan niks aan je doen.
Mijn meester zegt: ‘Ik kan je niet helpen.’ Maar ik kan je verzachten, ik deed het.
En ik heb geleden met die knaap.
Ik heb me in mijn huis … daar komt ie rustig … komt ie leuk aanzetten, zegt: ‘Het gaat goed’.
Ik denk: oh jee, die oogjes die staan niet goed en nog geen tien minuten na die … oh daar begint het, ik heb dat gelaat, dat gezicht heb ik gróen zien worden, de ogen gróen, donkergróen van pijn.
En dan had … dat kreunde en kromp in elkaar.
Ik zeg God, mijn lieve mens, ik word dan haast gek.
Ik had zo mijn maag uit mijn ribben willen halen, ’k zeg, hier neem mijn maag, ik … waar zit die God, maar ik kende de wet, ik kon niets doen, als mijn meester zegt … ik … als ik hem behandel dan werd ’t nog erger.
Ik voerde dat op, ik joeg het de hoogte in.
Die zenuwen die begonnen te werken en hoe meer zenuwen – voelt u wel? – magnetisme voert het leven op, u moet door magnetisme … de mensen die u geneest die krijgen eerst vaak hevige pijnen maar daar moeten ze door want dat wordt genezing.
Ik raak hem nog even zo aan maar het is niet te zien.
Hij komt de volgende dag bij me.
(Ik vraag): ‘Is het weer gezakt?’ ‘Ja’.
Met warme baden en dit en dat, mijn kracht …
Ik denk: nou, wat ben ik nou waard, ik kan niks doen.
Je staat machteloos.
Bidden?
Ik had mijn gebed al lang beleefd, ik wist het al, ja ik denk ik hoef niet te bidden, al ga ik op mijn hoofd … wat kan ik nog meer doen dan mijn léven, mijn zíel, mijn persoonlijkheid, mijn lichaam inzetten.
Wat is dan, wat zijn dan een paar woorden als je voor een mens praat.
Als je voor … als je mens (…) wat zijn dan woorden als je dáárdoor de boel oplost door jezelf in te zetten.
Is dat niet het laatste?
Twee dagen later voelt ie zich prachtig.
Ik kom bij hem en ik denk: hé, vanmorgen, heb ik kracht.
Het gaat erin, het wordt rustig.
Hij zegt: ‘Ik geloof dat ik beter ben.’
Ik zeg: ‘Ja.’
Ik zeg: ‘Je zult straks eens wat zien.’
Hij is drie weken prachtig, vier weken prachtig, vijf weken, het wordt kerstmis.
Ik zie hem niet, ik hoor hem niet.
Na een paar dagen komt ie bij me, en zegt: ‘Het begint weer.’
Ik zeg: ‘Zo.’
Een week daarna dames en heren, daar kreunt ie weer, en daar kreunt ie weer en daar kreunt ie weer.
Ik dacht dat we gek werden.
Ja, ik zeg: ‘Dat moet alleen operatie.’ Maar hij wou het niet.
Toen zegt ie: ‘Nou zal ik je toch eens wat vertellen: ik heb gebeden, gebeden in mijn leven dat ik gek werd.’
Hij denkt nu: die Onze-Lieve-Heer die hoort dat niet, ik doe het anders.
Toen had hij drie weken geen pijn gehad, ’t was vóór kerstmis, toen stak ie een vier – vijfhonderd gulden in zijn zak en overal op straat waar hij maar arme kinderen zag, en arme mensen: pats!
Hierzo.
Hij zegt: ‘Ik ben zó gelukkig en zó … ik kan God van de wereld niet danken, ik heb al in drie weken geen pijn gehad.’ En toen deelde hij van gelukzaligheid … God, daar bemoeide hij zich niet mee, waar het vandaan komt doet er niet toe.
Hij zegt: ‘Of jij dat nu gedaan hebt, of wie dan ook kan me niet schelen, ik ben zó dankbaar’.
Hij deelde maar uit van geluk.
Hij gunde iedereen een prachtig kerstfeest.
Kerstmis is nog niet voorbij en daar lag ie weer.
Ik naar hem toe.
Toen zegt ie: ‘Ik heb … Ben je d’er?’
‘Ja, ik ben d’r.’
Hij zegt: ‘Wat heb ik een pak slaag gehad.’
Hij kon haast niet praten.
Ik zeg: ‘Zo?’ ‘Ja’, zegt ie: ‘Ik wou het te goed doen.’
‘Hoezo?’ En toen vertelde hij dat geval.
Hij zegt: ‘Die daarboven die zegt: “Aad, waar bemoei jij je mee?
Als de kinderen wat hebben moeten dan zal ik dat wel doen.
Ik heb jou toch niet eens nodig.”’
Hij zegt: ‘Nou, dan leer ik weer.’
Hij zegt: ‘Hij aanvaardt geen centjes.’
Ik zeg: ‘Maar je hebt die mensen toch gelukkig gemaakt?’
Ik zeg: ‘Die gevoelens die zijn er toch?’
Hij zegt: ‘Ja, maar daarboven Die heeft wel gedacht: ‘Man, ga toch weg, aanstonds kom ik weer terug.’
En dan zul je zeggen: ‘Ja nu heb ik je iets gegeven, ik heb je vrijgemaakt, ik heb je gelukkig even de pijn even weg, maar dat was ik niet.
Hij zegt: ‘Ik gun die mensen, die hebben een prachtig kerstfeest gehad en alles, ik gun ze dat graag, maar Hij zegt boven: ‘Waar bemoei jij je mee?’
Die deed het van geluk al, dat je een beetje genezing kreeg, om een ander geluk te geven, God te danken door de mensen een machtig kerstfeest te geven omdat hij geen pijn had.
Na drie weken kreeg hij een pak slaag en pijn zoals ie het nog nooit had gehad.
Hij werd niet kwaad.
Hij zegt … toen zegt hij … ik denk: daar kan ik van leren.
Ik had een ontzag voor die man.
Hij zegt: ‘Die daarboven die zegt: “Waar bemoei jij je mee?”’
Ik zeg: ‘Heb je niets meer te zeggen?’ ‘Neen’, zegt ie.
Ik zeg: ‘Dan ben je het ook weer gauw kwijt.’
Een uur daarna was ie het kwijt.
Weer een tijd vrij.
Toen zegt ie: ‘Wie ben jij?’ Ik voelde op dat moment: nu gebeurt er iets.
Maar niet door geld, niet door gedachten.
Ik stond er zo maar bij.
Ik heb de mensen wel eens ...
Ik kon in die tijd, dat heb ik meegemaakt, waar er iemand is die zegt: ‘Ja meneer, ik kan niet lopen.’
Ik zeg: ‘Moet u niet …’, ik had dat … dat gevoelsleven had ik al opgenomen.
Ja dat waren de meesters, ik zeg: ‘Loopt u maar.’ Ik had wonderen, ik heb wonderen meegemaakt, met genezing, maar die gebeurden nooit door het gebed.
Ik had er niet voor gebeden.
Ik zeg: ‘Ik heb wonderen meegemaakt’.
Het was zo erg dat ik er angstig van werd dat … ik heb me elléndig gebeden voor de zieken.
Ik kan het bewijzen omdat ik het mee heb gemaakt, anders wist ik het niet.
Ik heb u een ding verteld dat ik een gevecht heb gegeven, dat hebben we vastgelegd hier, om te vechten voor een mens, man en vrouw.
Ik kom daar, ik word geroepen.
Ik zeg niets aan doen, ik moet er toch naar toe.
Ik ga vechten, ik denk … een gelukkig mooi huwelijk.
Dacht niet aan mijn eigen huwelijk en aan mijn …
Ik denk aan niets meer als ik me daar in moet gooien.
Ik zeg: ‘Hij beter, en ik ziek’.
En ik kreeg zo’n gezicht en zo’n kracht in mij, alleen al omdat ik wilde, wilde, het kon niet op.
Ik had de wereld kunnen kraken in mijn handen alleen al door een gedachte.
Maar hij werd niet beter.
Ja, ik had hem even op straat, ik zeg: ja, dan gaat hij er toch weer in.
Hij werd ziek en bleef ziek.
Toen heb ik het gevecht aangestuurd en opgebouwd met Christus.
Ik heb het hier verteld.
Nietwaar?
(Zaal): ‘Ja’.
Ik heb gezegd als U …
U hebt gezegd: ‘Wie zijn leven kan verliezen zal het Mijne ontvangen.’
Ik zeg: ‘Ik zet het in.’ En als u niet komt… en als u niet komt ...
ik spreek dag en nacht naar boven.
Als u niet komt, schei ik er (mee) uit.
Meester Alcar kan wel meer vertellen, dan hebt u voor de wereld en voor de ruimte geen betekenis, is het gebed niks waard, niets waard.
Waarvoor moeten wij dan bidden?
Ziekte, wat doet u: ‘Ja, Vader, geef me gezondheid, geef me kracht.’
Ik heb moeten aanvaarden mensen, voor duizenden mensen, dat ik met het gebed, met mijn leven, met vlees, met eitjes, met druiven en met alles, en met bloemen, met boeken, met geestkracht, ik stond zó te hameren zoals ik hier doe voor die zieken, ik denk, en dat zál gebeuren, en dat móet, want ik zet mijn leven in.
Gebeurde niet.
Dan bent u magnetiseur.
Ik zeg: ‘De duurste medicijnen zullen we halen, erbij nog.’
Gebeurde niet.
Wilt u mij wijsmaken dat u met gebed alles kunt doen, dan zal ik het u afnemen en ik zal u iets anders geven.
Dan krijgt u, dan krijgt … dan moet u eerst door karma heen, kanker in de zesde graad en vijfde graad, daar moet u aan sterven, dat is uw overgang, doet u niets aan.
In de derde en vierde graad, zegt de dokter, kunnen we nog iets doen, maar vier, vijf, in dat stadium is er niets meer te doen.
Dat weet ik.
Daar zijn zeven graden van kanker.
Ik heb voor honderden patiënten gestaan die kanker hadden in de vijfde graad.
Ik heb mensen gezien die hadden nog maar een vonkje.
Komt een dame bij mij: ‘Ja, mijn kind is niet goed’.
Ik zeg tegen mevrouw, ik zeg: ‘Zij is niet goed, zij heeft kanker, zo een graadje, zo een graadje maar.’ Ik zag een groen vonkje.
Ik zeg: ‘Ja, is niks aan te doen.’ Dan gaat u nu maar bidden, u bent gezond nu.
U denkt dat u gezond bent.
Wanneer er volgende week bij u begint ‘ik heb zo’n pijn in mijn rug, ik heb hier pijn’, en de dokter zegt: ‘U zit vol met galstenen’, dan vraagt u zich af, waar komen die dingen vandaan.
Ik heb nooit geen hinder gehad van galstenen.
Maar halen ze zo’n tweehonderd, driehonderd bij u weg.
Meneer en mevrouw, dat is al twintig, dertig jaar terug is dat al begonnen.
Er is niemand vrij zonder galstenen, noch nierstenen want we hebben allemaal niergruis, we hebben galgruis en dat verhardt.
Wist u dat niet.
Dat heb ik bij mijn zieken meegemaakt.
Goed, we hebben gebeden, we hebben gebeden, die man gíng dood, moest dood, niets aan te doen.
Toen begon ik met Christus.
Moet u ook eens doen, dan weet u in ene keer wanneer u bidden moet.
U wil wat leren, kunt u elke dag doen.
Hebt u iets wat niet gebeurt, als Hij niet komt dan kunt ervan verzekerd zijn dat u verkeerd bent.
En vecht u voor waarheid, had ik … was dit niet waar wat ik had dan had meester Alcar en Christus die hadden niets kunnen doen en had ook Christus niet hoeven te komen.
Maar hij móest komen.
Wanneer ik niet in handen was geweest van meesters, nou dan had ik kunnen zeggen: ‘Ik schrijf zelf.’ Nietwaar?
Ik dien ergens voor.
Dat heb ik gezien, voor meesters.
Ik ging nu mijn meester voorbij, ik moest de hoogste hebben, de Christus.
U hebt gezegd op de aarde … of ik had anders moeten aanvaarden, dat is weer iets van de bijbelschrijvers, dat hebben ze Christus weer in de mond gelegd.
Moest ik rekening mee houden.
Neen.
Ik kon … meester Alcar daar wou ik niets meer mee te maken hebben.
Heel de ruimte, dat heb ik gezien, dat heb ik u verteld, keek, daar is één mens, één kind van God is op aarde bezig en vecht voor een mens en is aan het vechten met Christus.
Heel de ruimte was aan het kijken.
Zag ik!
Ik zag … Ik wil het u niet vertellen wat ik u nu zeg, ik wil het niet op die microfoon neerleggen maar u moet eens … u had mij eens in die tijd moeten zien hoe kwaad, hoe ontzettend kwaad dat ik was, want of er nou Petrus of Johannes kwam, ik zeg jullie kunnen ophoepelen.
Ik heb met jullie niets te maken, ik moet Meneer hebben.
Christus moet komen, ik heb met u gepraat van ja zo is het en zo is het.
Ik zeg daar hebben wij niets mee te maken, want de mensheid gaat aan deze toestand kapot!
Ik heb het niet voor mij alleen, dit is voor heel deze mensheid.
Ik wil mijn leven verliezen.
Dat is méér dan een gebed.
Dan móet u mij verhoren, zult u komen want het gaat om Uw leven.
Is dat leuk?
Mevrouw?
Zo hebben we gevochten.
Meester Alcar, de meesters kunnen niets meer met mij doen.
Ik zeg: ‘Ik heb u niet meer nodig, hoeft niet in mijn buurt te komen’.
Ik ging gewoon naar mijn zieken, maar we stonden als vúúr tegenover elkaar.
Ik ging mensen helpen.
Ik zeg, ik heb u niet nodig.
Ik heb u helemaal niet nodig.
‘k Zie al wat het is.
Als ik u nodig heb, kom ik.
Praatjes natuurlijk.
Ik werd kwaad.
Erg kwaad.
Hij zegt: ‘Laat die hummel maar, want die krijgen we wel.’
Maar goed, ik heb u verklaard, ik heb u … ik ga het niet weer vertellen voor de tweede keer.
Ik heb u verklaard … Christus kwam.
Hij zegt: ‘Wist u niet …?’
Ik zeg: ‘Ja, dat wist ik wel.’
‘Dat dit kind zou sterven?’
Ik heb gezegd …
Christus heeft gezegd, onthoudt het: wie zijn leven wil verliezen zal het Mijne ontvangen, maar dat gaat niet om een lichaam, dat gaat om je ziel en je geest!
Ik zeg: ‘Ja dat wist ik!!
Maar ik wilde het van U …!!! … wilde ik het horen!!!’
Dat is voor deze mensheid.
Ik zeg: ‘Daar kan ik álles door opvangen.
En toen heb ik met Christus gepraat, in mijn huis, kwam.
Toen wist … Hij heeft het mij verklaard.
Ik zeg nu kan de jongen … hij was al dood, hij was al aan de overkant.
Hij zegt: ‘Nu zal het eeuwige leven komen.’
En na veertien dagen zit diezelfde, ook een Gerard, die zit naast me en ik zeg: ‘Gerard, ben je er al?’ ‘Ja.’ Ik zeg: ‘Ben je wakker?
Hoe was het?’ ‘Oh’, zegt ie, ‘wat is het mooi’.
Had boeken …
Ik had hem de boeken voorgelezen op zijn bed, vier, vijf maanden achter elkaar.
Hij zegt: ‘Ik ben nu in handen van meester Alcar.’ Mooie jongen was het.
Toen kwam hij later weer terug.
Zaten we lekker in huis met elkaar te praten.
‘Daar hebben we nu het eeuwige leven, van Christus.’
Gaat daar … nu gaat u maar bidden, bid nu maar en geef en laat mijn man bidden, ik vond voor dat mooie, machtige, voor dat huwelijk …
Later bleek dat … dat het weer niet nodig was, dat het weer niet noodzakelijk was.
Later bleek het weer zo en zo te zijn.
Ik wílde me inzetten, ik zou het ontvangen en beleven.
Ik beleefde niet alleen daar een liefde, een gevoel, een wereld.
Ik beleefde nu het gebed waar meneer van Straaten het nu over heeft, en waar u het over hebt.
Christus kwam.
Hij ging eruit.
Wie mijn leven … wie zijn leven wil verliezen, zal het Mijne ontvangen.
Ik zeg: ‘Ja, Onze-Lieve-Heer.’ Gerard heeft het ontvangen.
Gaat u nu maar bidden voor ziekten, gaat u nu maar bidden voor ander bezit.
Waar bidden de mensen al niet voor.
Ik heb in mijn leven daarna nooit meer gebeden.
Ik doe het in een daad.
Ik heb geleerd wat een gebed is.
Ik heb alleen nog gebeden: ‘Geef mij wijsheid, kracht en liefde.’
En ik wil nu vanaf dat ogenblik, ik ben ook nog maar een hummel, maar van dat ogenblik af wil ik liefde en kracht zijn.
Ik wérd liefde, ik kreeg kracht, en ik kreeg wijsheid.
Of is dit … of zijn dit allemaal nonsens die u door de boeken krijgt.
Zijn dat allemaal nonsens?
Ik kréég wijsheid, want de ruimte ging open.
Maar het mooie gevoel… u denkt dat niemand het weet dat u bidt.
Ik heb miljoenen gezichten gezien, mooie mensen.
Ik ging door de eerste, de tweede, de derde, de vierde sfeer naar de … naar de … toen was ik nog niet in het Al geweest, dat is pas in de oorlog gebeurd, toen kende ik het Al nog niet.
Wel op papier.
Maar toen gingen we, gingen door, ik kwam zo vanaf deze wereld in het Al terecht.
Al die wezens zag ik in het gelaat.
Ze zeiden: ‘Toe maar, André!’ En die volgden mij.
Dat enorme gevecht, dag en nacht door, ten opzichte van Christus.
U bevecht met een mens, om met een mens te vechten dat zegt mij niets, en het zegt het bewuste kind van deze wereld niets.
Als u op mij kwaad bent, vind ik het best, maar ik ben nooit kwaad op u.
Maar om het gevecht, om een gevecht in te zetten met een meester, met God en met Christus, om iets bestaands, om iets werkelijks, om het gebed, om de waarheid, de liefde, het geloof en alles, dat kunt u elk ogenblik beleven en dan krijgt u over tien minuten antwoord.
Maar wanneer begint u?
Wanneer u dat verlangen erin hebt.
U moet vrij zijn van alle verlangens.
Twijfel en geloven hebt u niets mee te maken, u wilt hier weten.
Die man wilde weten.
Van Straaten wilde toen weten.
Hij zette op dat ogenblik precies alles in wat ik ook deed.
Nu gaat die dominee zeggen, natuurlijk, ‘Bid!’ Ja.
Nu ga ik weer daarop antwoorden, meneer van Straaten.
De dominee moet dat zeggen.
Want de eerste school voor de mystiek, voor de metafysica, voor de ruimte en de natuur is het protestantisme en het katholicisme.
Die mensen móeten beginnen om te bidden; moeten … nee, een mens moet je eerst eens leren om voor een pastoor en een dominee te gaan knielen en te gaan luisteren.
U moet u maar niet dadelijk met Christus en met kosmologie bemoeien.
Ik haal ook nooit iemand naar de kerk, integendeel … ik breng de mensen naar de kerk toe.
We hebben dinsdagavond in Amsterdam, dames en heren, ik zal er iets bijlassen ...
tentoonstelling is enorm in Amsterdam, want het stroomt mensen.
Daar is een jodenjongen, jodenkind, hij zegt ... hij moest … hij liep de hele middag op die tentoonstelling.
Hij zegt: ‘Ik moet meneer Rulof hebben.’ Ik kom.
‘Oh’, zegt ze, ‘die man die rent hier rond en moet meneer Rulof ...’
Ik zeg: ‘Goed.’ ‘Meneer, ik moet u hebben.
Ik heb gehoord: u bent een geboren katholiek.’
Ik zeg: ‘Ja.’
‘Maar dan moet u naar de kerk terug!
U hoort bij ons!’
‘Zo?’
Ik zeg: ‘Kalm, kalm, kalm, kalm aan.’
‘Ja, want dat heeft Jezus Christus geschilderd, dat kan geen mens op de aarde schilderen.
Dit is … dit is rein, dit is Christus zelf hierzo?’
Nu hangen daar dingen bij, ‘liefde’, die hebt u hier niet gezien, ik hoop dat u dan allemaal kunt, want de tentoonstelling, de kleuren zijn enorm.
Ik heb alleen bij mijn meester Alcar … en ik kan gerust zeggen Anthonie … euh Rembrand was erbij, ik heb kleuren van Rembrand, die hebt u … één hebt u al in Rotterdam gezien.
Ik zeg: ‘Meneer, niet zo erg.’
Ik zeg: ‘Kijk’, ik zeg: ‘ik ga terug naar de kerk …’
Hij zegt: ‘U hoort bij ons!
Heel de wereld heeft u nodig.
U bent in mijn ogen een heilige.’
Ik zeg: ‘Ho, ho, pas op.
Want ik ben ook, ik ben ook maar een doodeenvoudige jongen.’
Ik zeg: ‘Maar meneer, ik zal het gauw met u klaarmaken.
Heeft dat Jezus Christus geschilderd, dat mooie schilderij?’
Hij zegt: ‘Ja!’
Ik zeg: ‘Dan kost het tienduizend gulden meer.’
Toen zegt ie: ‘Daar kan ik niet tegenop.’
Ik zeg: ‘Dat begrijp ik.’
Ik zeg: ‘Dan vragen we er honderdduizend gulden voor.’
Ik zeg: ‘En dan zal de katholieke kerk die zal het kopen.’
Ik zeg: ‘Maar een heilige ben ik niet.’
Ik zeg: ‘Want ik zal vechten tot de laatste snik, nu, omdat ik katholiek ben geweest, ik ben het niet meer, ik ben nog … want ik wil die verdoemdheid kraken.
Dan kom ik terug.’
En dan al onze mensen komen terug naar de katholieke kerk.
Ik zeg: ‘Maar dan ga ik ook op de preekstoel staan.’
Ik zeg: ‘Die verdoemdheid moet eruit.’
Ik zeg: ‘Weet u dan niet dat mijn boeken op de brandstapel liggen van uw pastoor.’
‘Ja’, zegt ie, ‘maar… u moet terug.’
Nou ik had medelijden met die jongen.
Hij was echt hè, echt, écht.
Hij zegt: ‘Harry de Greef moet naar u toe komen.’ (https://nl.wikipedia.org/wiki/Henri_de_Greeve)
Ik zeg: ‘Ja, maar ik ben geen heilige, die jaagt me weg.
Als ik hem maar ‘Een Blik in het Hiernamaals’ laat zien dan ziet ie een, dan ziet ie een, dan is hij, dan is dit de stier ...
of de rooie lap.’ Ik zeg: ‘En dan vliegt ie der op af en dan verliest ie zijn persoonlijkheid.’
Want ik ben een ketter.
En dat kind zei: ‘Dat is zo mooi en zo rein …’
Dat stuk is mooi hoor.
Heb je het gezien?
(Zaal) ‘Nee.’
Dat witte … daar ligt een blauwachtige dauw … ’t is prachtig, ik weet ook waar het vandaan is gekomen.
Daar hebben ze Jongchi als het ware voor opgetrokken.
Maar dat had Jezus Christus geschilderd, zo mooi was het.
Nu blijf ik met beide benen op de grond want ik zeg: ‘Nu, dan kost het tienduizend gulden meer.’ Maar u voelt wel, iedereen bidt, katholiek, protestant, het joodse kind bidt ook.
Mijn vrouw die gaf hem nog iets leukers.
‘Ja’, zegt ie, ‘met die mensen kun je zo moeilijk praten.’ ‘Ja, maar, die mensen …’ zegt mijn vrouw, ‘kijk, u …, wij zijn uit de kerk gegaan; waarom bent u geen jood gebleven?’
Ja, daar zat ie weer.
Want als u dan zo voor uw gevoel en God zegt, waarom liet u het Joodse ras los?
‘Ja, ja …’ Ik zeg: ‘Nou meneer, wij nemen geen verdoemdheid aan, wij nemen geen God van haat aan, dit niet ...’ Voelt u wel.
Maar een mooi kind, een heel mooi kind.
Ik zeg: ‘Meneer, als u het klaar krijgt voor deze wereld dat de verdoemdheid eruit gaat …’
Ik zeg: ‘Al mijn mensen ...’ Ik heb meer katholieken als protestanten, als joodse kinderen.
Ik zeg: ‘Ze struikelen allemaal aan het einde, want dan zeggen ze: ‘Hoe kan God nu verdoemen?’’
Ik heb allemaal katholieken gehad, allemaal katholieken, want wij lopen vast.
Ik zeg: ‘U loopt aanstonds ook vast hoor.’
Maar voelt u, meneer van Straaten en dames en heren, voelt u dat u altijd kúnt bidden.
U hoeft … wij hebben … De meesters hebben u het gebed kosmisch verklaard, en dat wil zeggen: u staat nu met uw gebed voor een wet.
En die wet is: ‘U krijgt een kindje’.
Ik hoef u niet eens te vertellen hoe ik gevochten heb voor mijn kindje, toen ik wist na twee maanden al: ik krijg dat kind niet.
Toen wilde meester Alcar dat ik vocht.
Nou, ik heb gevochten, als ik ga vechten ten opzichte van de meesters, religie, geloof, wetenschap en alles, onze dingen, dan kunt u ervan verzekerd zijn, dan vecht ik alleen voor miljoenen.
Zo ontzettend is het dan als ik ga vechten.
Dat is langzaamaan opgebouwd: een oneindigheid van gevoel is het geworden, die wil is zo enorm, ik deins voor niets terug.
Wat is dat?
Daar ben ik zelf blij mee.
Ik kan zo met mijn hoofd tegen de muur patsen, dan ga ik er misschien doorheen, en als ik uit mekaar spat, zegt het me nog geen cent.
Die wil is zo ontzettend dat ik zo nu en dan op moet passen of ik kraak vanbinnen, ik spat uit elkaar.
Zo heb ik Christus lief gekregen.
Wat is dat?
Nu gaan we bidden.
Ik liep vast op mijn gebed, op dat, op dit, op dit, op dit, ik denk dan zal ik het verdikke met tien gulden doen.
Dan zal ik het met eten en drinken, met soepie, bloemen, boeken, wijsheid.
Ik heb m’n … ik heb oud en jong in mijn armen gehad toen ik genas.
In mijn armen links, oude mensen van zeventig en tachtig.
Ik heb zelfs kindertjes aan mijn borst gehad.
Ik zeg: ‘Laten wij eens gaan praten.’ Ik heb ze laten sterven.
Ik ben bij mensen gekomen, ik voelde me op een gegeven moment almachtig.
Toen zei meester Alcar: ‘Nog een paar dagen, dan is het afgelopen.’
Hij zei: ‘Want we zijn geen genezers van lichamen, maar we zijn genezers van zielen.’
Het bewijs nu dat ik hier sta.
Dat was in achtendertig.
Er komt iemand bij me met een arm zo krom van reumatiek, dat was weer aan het spoken, … een pijn!
Nou reumatiek is het móeílijkste voor een genezer wat er is.
U kunt innerlijke pijnen … maar reumatische pijnen, zo arm krom, vingers zo.
Ik zeg: ‘Ach jongen, dat is niets.’ Ga d’er zo heen, weg klaar.
Kom ’s middags … kom ik ergens, ik kijk zo door de muur heen.
Ik zeg: ‘Wat heb je aan dat been daarzo?’
Zo’n dik been is dat.
Ik zeg: ‘Mevrouw, ik zal het weer wegnemen.’
Weg was het.
Ik kom ’s avonds … twee dagen later kom ik bij iemand die ligt op sterven.
De moeder die … de vrouw die zegt … een pracht van een mens.
Die moeder, die vrouw die kon die man niet uitstaan, zegt ze: ‘Ik wil ’t kreng niet meer zien.’
Dat mag u horen, wereld.
Zo zijn de mensen.
Die moeder zei: ‘Ik wil het kreng niet meer zien.’
Die man die had een lícht in zijn ogen en ik hoorde van alles en dat die man zo veel goed deed voor de mensen.
Ik werd geroepen.
Ik kijk hem aan, meester Alcar komt, hij zegt: ‘Hij is spoedig bij ons.’
Ik zeg tegen haar, ’k zeg: ‘Wilt u nog wat zeggen?’
‘Neen, ik wil het kreng niet meer zien.’
Hoe bestaat het, wat een mens.
Gisteren kwam ik die kosmische graad nog tegen op straat.
Ik keek ze zo aan, ik denk: daar heb je ze.
Daar heb je een kosmische graad.
Van Mars, van Mars.
Ze heeft zo’n grote hellen, heeft ze in de ogen zitten, met pijlen.
Die schieten je dood met gedachten.
‘Hwoe’.
Maar wat zal dat arme kind nog meemaken, enfin.
Ik zeg: ‘Heb je nog iets te zeggen?’
‘Neen.’ Ik zeg: ‘Ja, nu kunt u het nog.’
Op dat moment, mensen, voelde ik me almachtig, ik voelde dat ik ruimtelijk diep was.
Ik zeg: ‘Goed’.
En hij lag daarzo, ijlende, ik zeg: ‘Kom kind.’ Een kind, een man van zestig, zo een reus, een ingenieur was het, ik zeg: ‘Kom.’
Hij lag daar met zijn hoofd onder de dekens.
Ik zeg: ‘Kom.’ En zo vanachter begon het denken, draaide zich zo om en toen hadden we de ogen vast.
Ik zeg: ‘Kom, ga rustig liggen’, vanbinnen allemaal, ’k zeg: ‘Lekker slapen, rustig slapen, niets meer willen weten van deze wereld, heel rustig, zo, zo is het goed.’
Weg was ie, slapen.
Ik zeg: Ik kom morgen om zeven uur terug, tegen haar.
‘Kan voor mij een zorg wezen.’
Ik zeg: ‘Maar ik kom terug.’
Ik om zeven uur, half … zes uur bed uit, ’k denk: hé, ik …
Ik zeg: ‘Meester Alcar, leeft hij nog?’
‘Ja, hij leeft nog.’
Hij zegt: ‘Kom, maak hem maar even vrij.’
En dan moet je … dan krijg je wel ontzag voor meesters en voor mensen en voor ziekten en voor alles.
Ik kom daar.
‘Hm …’, zegt ze, ze keek me bijna de deur uit.
Ik zeg: ‘Mevrouw, ik vraag u nogmaals.’
Ik zeg: ‘Hebt u nog iets te zeggen, want hij gaat.’ ‘Hè, hè, voor mijn part gaat hij naar Marokko.’
Ik zeg: ‘Ja, Marokko is dichtbij, maar dit is nog verder waar hij naartoe gaat.
Ik zeg: ‘Hij gaat eruit.’
‘Voor mijn part gaat hij d’eruit en d’erin, ik …’
Nou, ik zeg: ‘Ja, doet u de deur dan maar even dicht.’
En toen keek ie me zo aan, zo.
Ik zeg: ‘Heb je het nog gehoord?’ en toen sloot ie de ogen, hij gaf nog een smile, hij glimlacht.
Ik zeg … en dan gaf hij me zo de handen, ik ging naast hem zitten.
Ik zeg: ‘Jij komt dadelijk in handen van een meester.’
Ik zeg: ‘Moet je eens over me heen kijken.’
En toen gingen die ogen zo de hoogte in, hhh (zucht).
Ik zeg: ‘Nou die mond weer dicht.’
Ik zeg: ‘Ik zal hem niet dichtdoen, doe je zelf.’
Ik zeg: ‘Door de neus ademhalen’, ik zeg: ‘Dan gaat het sterven makkelijker.’
‘Ja!’ zegt ie, ‘voel ik, voel ik.’
Die mond dicht want als je zo doet zet je het lichaam uit, zie.
En als je zo doet, hou je de kracht erin en dan zetten de longen niet meer uit en gaat de bloedsomloop niet versnellen, dan kun je rustig terugzakken.
Doordat de mensen de mond open hebben, zetten ze het lichaam, alle organen zetten ze op werking.
En toen keek ie zo, mondje dicht, hij hield mijn handen vast.
Ik zeg: ‘Jij sluit de ogen, ik ga met je mee.’ Whoo, wat was dat mooi.
Ik heb hem gekust, handen gekust, zijn hoofd gekust.
Ik denk : ‘God, God, wat is Onze-Lieve-Heer mooi.
Wat is God en wat is Christus mooi.
Hoe bestaat dat mens daar nog …’ Ik denk: ach arme hummel, je weet het niet, ik ben niet eens kwaad op je.
Ik zeg: ‘Ik zal je straks een bos bloemen sturen.’
Hij gaat, hij sluit zijn ogen, hij zucht nog: ‘Jaah, nou zie ’k het, vergeef ze maar.’
En hij liet zijn handen zakken.
Dat was bij mij in de buurt, in de Berkstraat.
Hij gaat.
Ik zeg: ‘Mevrouw, u hoeft niets meer te zeggen, hij is dood.
Ik ga weg.’ Na vier maanden kwam hij bij mij terug, (ze) komen allemaal bij mij terug die ik daar naartoe heb gestuurd.
Ik zal eens … ik kan u mooie verhalen vertellen, alleen maar over dat gebed.
Dan kan je aan de gang blijven.
Ik heb ze ook bij me gehad, bij me gekregen, die ‘wouwen’ me helpen, ‘wouwen’ me helpen, ‘wouwen’ me helpen.
Maar nu praat ik met …
U hebt middelen, mij kunnen middelen niet schelen, geld kan me niet schelen.
Mensen hebben me rijk willen maken.
Mocht ik niet, waarom niet?
Omdat ik ze dan ook op mijn dak krijg.
Dan gaan ze zwaar worden ...
Als je voor God en Christus iets wil doen hebt u met mensen niet mee te maken.
Is dat niet zo?
Dacht u, als u zich uitslooft voor het genootschap en u zet uw leven en uw ziel in, dacht u dat ik dan op mijn knieën ga liggen.
Doe ik nooit.
Nooit niet.
Want dan neem ik het u af.
Ik heb hier iemand iets laten doen, die jammert nu al tien jaar, jammert nog.
Kijkt me niet meer aan want ik heb ze niet bedankt.
Ik zeg: ‘Voelt u dan niet, mevrouw, dat ik uw orchideeën wegneem die u naar Golgotha stuurt.’
Als ik er toch tussenin zit dan neem ik toch die bloemen?
Een meester dankt u niet, Christus dankt u ook niet.
Komt er eentje, ik gaf een machtige diagnose voor vier, vijf mensen, die waren ook al aan het bidden, bidden, bidden.
Ik zeg: ‘Meneer, bidden helpt niet.’ Ik zeg: ‘Hier is wijsheid nodig’ ...
dacht ik ook, zijn zoon, dokter.
Ik moet een diagnose geven.
(De zoon vraagt): ‘Dan mogen mijn vrienden daar (bij) zijn?’
‘Ja, meneer.’ Ik stel de diagnose.
Wat heb ik nu?
Ik ga in trance, treed uit, we komen in het lichaam.
Ik zeg: ‘U heeft dat en dat en dat en dat.’ ‘Hoe bestaat het.’
Toen zegt de zoon: ‘Nou …’ Meester Alcar laat mij zien wie dat is.
Ik zeg: ‘Wel heren doktoren, is dat goed?’
Dan waren het vier dokters.
Wouden ze me testen.
Toen zegt ie (de vader): ‘Heb jij gesproken, zoon?’
‘Neen’, zegt ie, ‘ik heb het niet gezien.
Goed.
Die man vond het zo enorm.
Ik zeg: ‘Meneer, er komt een boek van me uit.’
(Vader): ‘Ja, dat wil ik lezen.
Als dat waar is en dat en dat is waar meneer, dan kunt u een ton van mij krijgen om dat mooie werk te doen.’
Ik zeg: ‘Zo, dan mag u wel opschieten.’
Hij zegt: ‘Zo?’
Hij zegt: ‘Is het dan gauw met mij gebeurd?’
Ik zeg: ‘Ja, daar hebben we het niet over.’
Ik denk: nou hoogstens twee maanden, dan ben je eruit.
Maar hij wou dit en hij wou dat, ik gaf hem bewijzen van dit, meester Alcar gaf hem dit.
Dan krijgt u van mij bewijs.
Maar nu hebt u … U wilt wel graag bewijzen, maar je hebt ook liever centjes.
Dus die bewijzen waren nog niet zo sterk genoeg dat die schaal naar beneden ging en dat we vijfentwintig of … hij had daar honderduizenden.
Maar ook een hoop goed gedaan hoor.
Maar daar kwam nog geen vijf cent uit die zak.
Hij zegt: ‘Oh mijn lieve God, de hele wereld zoekt, u bent zo nuttig, u bent zo waar.
Wat kunnen wij doen?’
Ik denk: nou, die man die denkt zo lang totdat hij niet meer hoeft te denken hier, want dan is het afgelopen.’
(Jozef ziet het sein van de technicus dat hij nog twee minuten heeft): Twee minuten, dan moet ik gauw, vlug wezen.
Enfin hij gaat, en binnen zes weken is hij (er) uit, en mijn boek kwam net twee dagen te laat.
Als hij nog een week had geleefd dan had ik hem dat boek kunnen laten zien.
Ik denk: God zij gedankt.
Na acht maanden komt ie terug, uit het hiernamaals, hij had licht.
Heeft zoveel goed gedaan, liefde en geluk … voelt u wel?
Maar, om nu de wereld te verhogen, om de wereld gelukkig te maken, een mens met duizenden, met honderdduizend gulden helpen dat zegt allemaal nog niets.
Want dat is nog altijd maatschappelijk.
Is toch leuk voor u?
Bent u goed voor, maar dan heb je Christus nog niet, want Die heeft met ziel en geest te maken.
Hij komt daar vanmiddag, ik ben aan het schrijven ... toen zegt meester Alcar: ‘Kijk eens.’
‘Jozef’, zegt ie: ‘ik ben er, alles is waarheid!’
Ik zeg: ‘Zo?’
Ik zeg: ‘Meneer, ga dat Onze-Lieve-Heer vertellen.’
Toen zegt ie: ‘Wat?’
Ik zeg: ‘Vertel dat Onze-Lieve-Heer.
Wou u mij vertellen dat alles waar is.’
Ik zeg: ‘Meneer, dat ken ik al zo lang.’
Ik zeg: ‘Ik had meer aan uw honderdduizend gulden gehad.’
Dames en heren, uw thee staat klaar.
Pauze
… ‘Van Beieren moet nog komen’ (gelach in de zaal).
Dames en heren, de rol draait al.
Dus u bent ...
al pratende bent u op de wire-recording opgenomen.
Ik wou hier nog even een paar woorden van zeggen, over dat gebed, omdat er mensen waren die zeggen: ‘Ja, maar wat nu?’
En ik wou ook nog iets vertellen van die meneer waar ik het over had.
De mensen zullen wel denken: wat is dat hard.
Maar, als u gene zijde kent en de ruimten en Christus en God gaat aanvoelen wat het leven is door de metafysische wetten, u begrijpt wat leven en dood wil betekenen, dan … en u krijgt van meesters, krijgt u al die wijsheid, dan behoeft u … dan vinden die … dan zijn die meesters niet gelukkig dat u daar dag en nacht op uw knieën gaat liggen en de meesters dankt voor de wijsheid die u krijgt.
Hij zegt: ‘Want dan hebben ze een pak op hun schouders.’
Een meester, neem dat gerust van mij aan, wil niets met uw innerlijk te maken hebben.
Wanneer u begint te praten over dankbaarheid en over gelukkig zijn, want ze weten heus wel, morgen is het weg.
Daar zijn mensen bij me geweest, daar had ik mooie dingen (mee) beleefd, mooie dingen mogen geven met genezen ook al en al die dingen, boeken meer, schilderijen.
En hetgeen wat ik gaf, en er kwamen bloemen en bloemen.
Ik denk: wat is het nu jammer, nu heb ik iets gegeven, willen ze hun dankbaarheid betonen maar dat geld kunnen ze niet missen, in de eerste plaats niet.
Nu brengen ze zelf disharmonie voor het geluk wat …
Ik vraag niet om geld, ik moet geen bloemen.
Als ze dat doen uit de grond van uw hart is een meester daar dankbaar voor.
Meester Zelanus heeft één keer gezegd – elke morgen stond Diligentia vol – ik heb meer aan een gedachte die een bloem wordt, dan aan deze.
Dat wil niet zeggen dat hij u slaat met uw geschenken, hij vindt het heus wel leuk als ie heerlijk, als ie daar omringd staat van uw gevoelens op die planken.
Een meester slingert alles niet weg.
Maar wanneer ze … ‘Ooh, ooh, wat is het mooi’ … bloemen, bloemen … nou … na vier dagen of een paar weken daarna zei ik iets wat ze niet begrepen en toen lag ik met de bloemen in de straatgoten van de stad.
Daar kwam ik terecht.
Blijf nuchter, blijf eenvoudig, tracht het te begrijpen.
Als u voelt, toen die bankier … aan meester Alcar gaf hem de tik.
Niet?
Ik was aan het schrijven, hij laat mij los.
Hij zegt: ‘Antwoord eens even, u kent dat kind.’
En dan … net hetzelfde geval als verleden wat ik u vertel van degene: ik schrijf een boek.
Ik zeg: ‘Zo, ziet u hier niets?’ Neen, hij zag niets.
Hij … met andere woorden, daar staat meester Alcar, wij zijn aan het schrijven, hij laat me los, ik denk: ’t is goed, daar moet iemand … d’er moet wat gebeuren, wat is het?
Onmiddellijk begrijp ik: die moet een les hebben.
Dat kun je het makkelijkste op de wereld.
Hij kende ook die persoon.
Het was een schrijver, een heel bekend schrijver.
Maar hij zat vast aan zijn mooie geschriftjes, over seksuele dingen en alles, daar zat ie aan vast.
Hij wou mij wereldberoemd maken.
Maar nu komt die man, ik heb het u verteld, en nam ie mijn keel hierzo en die stigmatisatie, die druk van zijn duim stond erop.
Maar nu komt die bankier, die komt bij me: ‘Jozef’, zegt ie.
Meermalen heb ik zoiets meegemaakt, ik zit daar, ik kijk, daar heb je de ingang.
Hij durfde niet over mijn drempel heen te komen.
Hij kon niet over de drempel van de slaapkamer, hier voorkamer, hij kon niet over die drempel komen, mijn huis binnen.
Ik denk ...
ik stuur ze naar hem toe … ik denk: probeer nu daar maar eens over te komen, met je centjes.
Hatelijk, hè?
Ik denk: kom nu maar eens verder, meneer.
U kunt met geld alles kopen, maar nu sta je daar.
Nu moet je maar eens bewijzen waar je de krachten vandaan haalt om hier in mijn kamer te komen, in mijn buurt, waar de meesters werken.
Kom daar eens overheen.
En dat had ik u op aarde kunnen schenken.
Toen wilde u het niet, want geld is duur.
En toen zegt ie: ‘Oh, ik ben zo gelukkig.
Alles is waar, en alles waar ik leef, en ik vlieg en ik ben terug …’
Ik zeg: ‘Zo, vertel dat aan Onze-Lieve-Heer.’
Waarom moet die man bij mij komen?
Hoe moet ie mij vertellen …?
Ik had … ik had al duizenden reizen gemaakt.
Die had … wanneer die werkelijk was, want meester Alcar wist: die moet zijn tik hebben.
En de mensen maar terug naar de aarde om de mensen maar te vertellen: ‘Ik leef, ik leef, ik leef!’
Maar dat … maar in welke toestand, in welke positie leeft die moeder en die vader en die andere mens ten opzichte van u, Christus, ruimte, hiernamaals.
En toen kreeg hij van ons de eerste school.
Hij kreeg aan gene zijde zijn eerste tik.
Ik zeg: ‘Vertel dat maar Onze-Lieve-Heer.’
Want een astrale persoonlijkheid die zegt hem dat niet.
Want hij moest terug naar de aarde, hij moest daar zijn centjes zien, en hij … en hij had daar voor alles kunnen doen want hij was nog in contact met meester Alcar.
Ik zeg: ‘Meneer, bent u zo gelukkig na acht maanden?’ ‘Ja.’
Ik zeg: ‘Weet u dan niet wat er met uw centjes is gebeurd?’ Anderhalf miljoen.
‘Hrrrrrrr.’ Een ander ging de wereld over, hè.
Ik zeg: ‘U had daar neer moeten liggen daar en u had … mijn God, mijn God, en voor dit alles had ik kunnen hélpen.’
Hoef je mij niet te vertellen, dat moet je aan Onze-Lieve-Heer vragen.
En toen was dat de eerste tik.
Toen zegt meester … ik zeg … vraag meester Alcar: ‘Was het verkeerd?’
Hij zegt: ‘Neen, je krijgt een tien.’
Hij zegt: ‘Wij doen dat niet, maar jij kunt het nog doen, want hij had met jou te maken en hij was in verbinding, want hij wilde ook voor God, Christus, Golgotha en de ontwaking van de mensheid iets doen, door …
Hij had mij kunnen helpen.
Waarom?
We hadden dat boek uit kunnen geven want ik moest nog … we moesten nog een paar … ik denk, nou, ik was er nog niet met mijn kwartjes.
Hij had het me makkelijker gemaakt.
Nu dank ik God op de blote knieën dat me niemand heeft kunnen helpen.
Ik zeg u, want dan had ik dat ook nog op mijn schouders moeten nemen en had ik elke morgen de hoed af moeten nemen voor meneer.
Als ik hem tegenkwam ...
‘Hier ben ik weer’, en dat doe ik nooit!
Want ik blijf altijd mezelf, ik buig me nooit voor de mens, ik buig me wel voor uw persoonlijkheid, voor het gevoelsleven, voor als kind van God, maar nooit voor uw centjes.
Is dat duidelijk?
(Zaal): ‘Ja.’
En zo heb ik geleerd, van een ander, ik kan zo aan de gang blijven.
Heel dicht naast mij, mensen, ging over, hier begrijpen ze niets.
Gaan dood, gaan over, iemand wordt door een snoek … gaat vissen.
De snoek is groter dan hij.
Wordt in het water getrokken en verdrinkt.
Komt aan mij vertellen: ‘Nu begrijp ik het wie je bent.’
Ik zeg: ‘Op aarde begreep je mij niet, hè?’ ‘Nee.’
Ik zeg: ‘Ga nou maar … ga nu maar naar een ander, die zal je daar wel opvangen.
Vertel het die maar, want ik heb er niet mee te maken.
Kom over een paar jaar maar kijken.
En toen kwam ie later terug.
Maar heel anders: ‘Mag ik hier even rusten?’
Ik zeg: ‘Ja, rust maar.’
Toen heb ik ze op de stoel naast me neergezet, mochten ze zien hoe de woorden van Gene Zijde door kwamen.
Ik zeg: ‘Leer je daardoor?’
‘Oh wat is dat mooi.’
Meester Alcar zegt … links en rechts hebben ze naast me gezeten en dat mochten ze zien, hoe dat schrift ontvangen werd.
En dan gingen ze schreiende weg.
Had u later, met verleden, met ‘Maskers en Mensen’ van Eeden eens moeten zien.
Hij gaf me de kus toen … zijn hart brak toen het laatste woord kwam, toen hij moest schrijven ‘einde’, toen brak zijn hart.
Hij zegt: ‘Ach, ach, ach …’
Met de ogen dicht, handen voor de ogen, het gevoel naar de ruimte keerde hij naar het hiernamaals, naar zijn leven terug aan Gene Zijde.
Hij zegt: ‘Ik bots toch nergens tegenop’, zegt ie.
‘Ik ga regelrecht terug naar de eenzaamheid, want hier ga ik op teren en denken.’
Toen hadden we ‘Maskers en Mensen’ vastgelegd.
Weet u, de grootste strijd en de machtigste scheuring die erger is dan de dood was altijd wanneer het laatste woord kwam van een boek, ook door meester Alcar.
Meester Alcar zei, een half uur daarna: ‘Kom vlug, dan gaan we een wandeling maken aan Gene Zijde.’
Want dat is zo mooi, het éénzijn met weten, met wijsheid, met liefde, met gevoel.
Er waren mensen die zeggen … kijk … wanneer moet een mens dan bidden.
Ik zei immers, meneer van Straaten: ‘Eerst naar de kerk, eerst bidden, eerst bidden, voor alles, het doet er niet toe.’
Wat meester Zelanus ons bracht was de kosmische wet.
Wanneer u tot de mystiek komt, u wordt ruimtelijk bewust, dan gaat u leren wanneer ge bidden moet.
Is dat zo?
Voelt u wel?
Dus bidt zoveel u wilt wanneer u nog voor u zelf die ruimtelijke, meneer Veenkamp, oneindige zekerheid nog niet hebt.
Anders ben u fout.
En, ik zal u wat anders vertellen.
Er komt een meneer die wordt uitgemaakt voor ketter.
Hij zegt: ‘Maar ik heb geen God, ik heb met God niet te maken, met Christus, nou ja.’
Hij zegt: ‘Er zijn zoveel leugens verteld in die bijbel.’
Hij zegt: ‘Ik heb alles lief wat leeft, de natuur ook.’
Ik heb die man in behandeling gehad.
Toen zeiden ze: ‘Meneer, denk erom want u gaat naar een ketter.’
Ik ben nog geen twee minuten bij hem en we zijn vrienden, het lijkt wel of we mekaar honderdduizend jaar kennen.
Meneer, ik heb nog nooit, dames en heren, nog nooit zo een mens ontmoet.
Toen hij overging, ging ie regelrecht naar de tweede sfeer, maar op aarde was ie een ketter.
Hij bad niet, hij had … hij kende geen God, hij had het léven, voelt u?
Een gebed van een bewuste, een gebed van een dogmatisch kind, een gebed van een koe, een gebed van een paard.
Een gebed van een mens uit rangen en graden en standen.
Een gebed van een oerwoudkind.
Een oerwoudkind is bezig, ze zijn op reis, of die zijn ergens naartoe, ze moeten dragen, toen zegt de professor: ‘Kom, we moeten daarheen.’
‘Neen!!
En ze gaan gillen, deze kant op.
Weer iets.
Ja, hij had dat gelezen, ik heb dat geleerd, want als die beginnen te gillen en te bidden, dan … op hun manier bidden, dan ruimt u zich maar.
Hij zegt: ‘Dit is de weg!’
‘Nee!’
Ze jagen mij door modder heen, zegt ie, we verdronken bijna.
Wij gingen door modder.
Maar daar, zegt ie, wemelde het van mieren en slangen.
We waren volkomen … er waren er twintig, dertig verongelukt.
Daar kwam je in zo’n slangencentrum.
Hadden … die hadden … die baden?
Neen, hun natuur, hun Goddelijke bescherming hebben we daar beleefd.
Allah wisten ze niet van af.
Van Mohammed en van Christus, Golgotha, wisten die mensen niets.
Maar God zegt: ‘Zwartje (zie artikel ‘Anti racisme en discriminatie’ op rulof.nl), die kant op.’
Hun natuurlijke intuïtie beschermde hun voor de slangen en de beet.
Het gebed, de wil van meneer van Straaten en duizend andere mensen zegt: ‘Waarheid of leugen, beter of ziek, ik zet alles in!’
Dan werkt Christus.
Is dat voldoende?
Dan gebeuren deze dingen.
Wanneer u zegt: ‘Ik kan het niet aanvaarden’, dan kunt u het nooit aanvaarden, moet u wachten totdat u eindelijk aanvaardt.
En dan komt de wet, de werking.
Dan begint de wet, de liefde, de overgave.
Iemand die zei: ‘Dat is goed voor dit volk waar wij toe behoren.
Ja, u zegt dat wel, de mens moest zich overgeven en u schiet niet en als niemand dat gedaan had hadden we heerlijk nu nog onder de nazi’s gezeten.’
Ik zeg: ‘Ach, ach, ach, zo?’
‘Ja, wat dan?
Dan waren we weg.’
Ik zeg: ‘Zo.’ Ik zeg … meester Zelanus had het in Amsterdam er ook over… toen zegt meester Zelanus aan die man, ik heb het die andere man ook verteld.
Ik zeg: ‘Hebt u al eens een massa, een volk zien overgeven en vertrouwen ten opzichte van God?’ Bestaat nog niet.
Hebt u al eens duizend mensen bij elkaar, neem maar duizend mensen hier van ons in ene keer bij elkaar, ik neem u mensen, hier zitten zo’n tweehonderdvijftig mensen.
Wilt u mij wijs maken dat u, dat … misschien haal ik er één … misschien geen één, niet één uit, die als het erop aankomt de honderdduizend procent inzet op het vertrouwen voor God.
Ik heb er meer ...
ik wil … hier zijn meer mensen want ik heb de mensen de bewijzen zien geven.
Er zijn mensen onder u, als ik tegen die mensen zeg: ‘Vanavond ga ik met u tegen een boom’, ik zeg … ‘gaan we het water in, dan gaan we dood’, dan zeggen ze: ‘Allright Jozef, ik ga met je mee.’
Kijk, dat is volle overgave.
Maar nu de massa.
Als ik … meester Zelanus gaf u een mooi beeld: de mens vraagt om liefde, de mens vraagt om geluk.
Er komt een dame bij me, toen zegt ze … mooi kind … toen zegt ze: ‘Ja, daar loop ik nu.
Ik ben vijf-, zesendertig, krijg natuurlijk nooit meer een man want ik krijg geen kindje meer, en ik wil een kind.’
Ik zeg: ‘Wat ben je dom, wat ben je toch dom.’
Ik had haar vele mogelijkheden kunnen geven waardoor zij dat kindje krijgt.
(Jozef zei toen): ‘Waar gaat het over, waar gaat het om?’
Ik zeg – ja, we waren nog niet zo ver, anders had ik ze naar de wetenschap gestuurd – ik zeg: ‘Neemt u maar een injectie, in Londen doen ze dat al.’ Maar we waren nog niet zo ver.
Ik zeg: ‘Maar u hebt geen liefde, u hebt geen liefde.’
Ik zeg: ‘Binnen vier weken hebt u een man, als u luistert wat ik doe.
En krijgt u nog een kind ook.’ Die voorspelling, meneer, gevaarlijk hè?
Op het moment zag ik het.
Ik zeg: ‘Weet u wat u doen moet?’
Ik zeg: ‘U rent in de stad onder de mensen maar daar krijgt u de man niet, de schepping niet, het kindje niet.
Ik zeg: ‘Al loopt u naakt op straat, krijgt u uw kind nog niet.
Want dan gaat u de gevangenis in en zeggen ze, hé, wacht eens even.’
‘Wat moet ik dan doen?’
Ik zeg: ‘Zullen we klaarmaken.’
En toen moesten we nog … dat was ook voor de oorlog.
Ik zeg: ‘U gaat heerlijk elke middag tegen die en die tijd, gaat u om drie uur het Haagse Bos in.’
(Gelach in de zaal)
‘Daar lacht u om?’ U wilt een weg vinden waar God werkt, zal ik u wijzen dan geeft u me volkomen gelijk.
Dacht u dat u in de bioscoop, dat u daar de liefde vond, of in een dancing?
‘Meent u dat?’
Ik zeg: ‘Als ik onzin verkoop, dan meen ik het nog.’
Ik zag een lach en een traan …
Ze zegt: ‘Hoe bestaat het.’
Ik zeg: ‘U gaat elke dag een uurtje, half uur, al regent het bakstenen, nou, dan denkt u, nou vandaag, dan bent u al bevig, dan verlangt u toch niet zo naar wat liefde.’
Ik zeg: ‘De zon moet schijnen, u gaat eens naar de eendjes, voert ze … eendjes.’
‘Heb ik nog nooit gedaan.’
Ik zeg: ‘Daar heb je het al.’
Ik zeg: ‘U bent uit de natuur, u bent de natuur ontlopen.’
Ze gaat op bankje zitten.
(Gelach in de zaal)
Ja, wat dacht u, dat deed ze natuurlijk.
Ze gaf de eendjes ook eens iets.
De tweede week komt er een meneer, die voerde ook eendjes
(gelach in de zaal). Een week daarna zaten ze samen op het bankie, en vier maanden daarna waren ze getrouwd.
En negen maanden daarna werd er een zoon geboren.
Nonsens?
Meneer, ik kan u … Twee mensen hebben ruzie, het gaat niet meer.
Ik zeg tegen hem: ‘Zwijgen.’
De dame komt, ik zeg: ‘U zwijgt ook.’
In vier dagen hadden ze mekaar.
Is dat … is dat… is dat te koop aan de universiteit?
Meneer, als u in het hart kunt leven van de mens, zijn ze helemaal niet moeilijk meer, meneer, want ze staan naakt voor u.
Als u dat kind, dat grote kind van zestig en zeventig kunt leiden, zijn ze dankbaar voor het goede woord.
Ik ben een oud man, ik ben vierentwintig
(gelach in de zaal). Zij kreeg haar kind.
Ik heb de één daarheen gestuurd en de ander daarheen.
Ik zeg, mevrouw, wanneer u daar zit, dan bidt u.
Als u dat broodje geeft aan dat diertje dan voedt u het kind van God.
Voelt u?
Kunt u een boek over schrijven.
Die heeft geschreid, dag en nacht.
Die man die at me op.
Na twee jaar was ze hem kwijt, ging ie dood.
Maar ze had ...
ze heeft het moederschap gehad.
Ze heeft … ‘Het kan me niet schelen, al werk ik me dood voor mijn kind, ik heb … ik ben moeder, ik heb het geluk, wat is dat machtig!’
Meester Zelanus zei eens een keer, en daar heb je dat, ik heb dat allemaal van die gekken geleerd uit het hiernamaals.
Meester Alcar is immers ook, wij occultisten en spiritualisten en metafysisten, wij zijn allemaal krankzinnig.
Maar die gek daar in die ruimte zei mij: ‘Voer ze toch naar de eendjes.’
En ze ging naar de kinderen van God.
Ik zeg: ‘Houdt u dat dan maar van de aarde en geef mij dan maar de natuur.’
Toen zij uit de stad ging, ze zocht daar, overal, en toen kwam ze tot de rust, tot de stilte.
Ik ging ze zo in gedachten na, ik had geen tijd, anders ging ik ze … denk, waar zit ze nu.
Want dat was in (...).
En daar zat ze.
Meester Zelanus zegt: ‘Ik wil liefde?
Dan krijg ik mijn liefde.’
Maar die moet u niet in de stad vinden.
Daarvoor moet u de natuur in.
Of naar de kist.
Hij zegt: ‘Als u de dood lief hebt, dan komt dood, de dood bij u, en zegt die: mijn lieve kind, je hebt nog tijd om te leven, ik zal je daarheen brengen, daar loopt ook een kind van mij en die leeft nog een hele tijd.
En die heeft dezelfde gevoelens als u.
Die wacht ook, maar u moet … u moet dat bruggetje over.
U ploft daar eens in dat watertje een steentje en kijkt eens of daar kringetjes komen.
Maar die van u is heel klein.
U moet de ruimte zien.’ Meneer, ze zijn … ze zijn nu nog bezig om elkaar waarlijk en werkelijk te kussen.
Zo zijn er meer voorbeelden.
Bid door de natuur.
Heb vader en moeder in de natuur lief.
Ga in de natuur en door de natuur naar de oneindigheid van die natuur en u spreekt tot het werkelijk hart van God.
En u krijgt liefde, ziel en geest te zien, en daar bent u nooit te oud voor.
Het is merkwaardig, wanneer we tachtig worden dan beginnen onze lipjes te beven, want dan smaken we, dan proeven we dat we verkeerd hebben gekust en die liefde niet hebben begrepen.
Ja, is dat waar of niet?
Ik zie daar een heerlijke smile
(gelach in de zaal).
Maar ik ga verder.
Is het nu … is het nu in orde, meneer?
(Zaal): ‘Het is in orde.’
Fijn, weer vijf cent verdiend
(gelach in de zaal). Ja, ik krijg vijf cent van meneer.
Dadelijk legt ie, lag ...
nee, dadelijk niet …
(Jozef leest van papier): ‘De kosmische meesters ...’, staat er nu, ‘uit de vierde, vijfde, zesde graad zullen eenmaal tot het Goddelijk Al terugkeren.
Dus hun taak hebben ze volbracht, door de wijsheid en waarheid te verkondigen.
Nu is mijn vraag: Zo deze meesters tot het Goddelijk Al gestegen zijn, dan lossen ze op en bestaan niet meer.’
Nee, dat bestaat niet.
Ze blijven bestaan.
(Jozef leest verder): ‘Moet ik aanvaarden dat ze dan een deel van het universum zijn geworden en alles zijn wat daar is.
Bijvoorbeeld kracht, energie, verdichting, uitdijing, enzovoort?’
Ja, dat zijn zij.
Van wie is dit?
Waar is …?
Dat zijn zij.
Hebt u trouwens gehoord.
(Zaal): ‘Die vraag is al reeds beantwoord?’
Ja, die hebben we al beantwoord.
Maar, was u zondag op de lezing?
Daarvandaan dan, meester Zelanus heeft het machtig verklaard, niet?
U bent dan licht, leven, liefde, ruimte, leven, u bént leven, als u … waaraan kunt u pertinent weten dat u leven bent, en als u het leven aan dat leven aan die ruimte onttrekt, wat gebeurt er dan?
(Zaal): ‘… verliezen …’
Dat verliest u nooit, maar waaraan kunt u dat zien?
En, mensen?
De zaal staat open.
Wie weet het?
Ja, maar kijk, in deze wereld leven er geen strikvragen.
Maar we zijn vaak, u weet vaak ver van huis hoe het in elkaar zit.
Ik voer u vanuit de ruimte weer dicht naar huis toe en dan verliezen zich de mensen.
Dat moet u allemaal … ineens moet u dat weten.
En u zult zeggen: hoe bestaat het.
Hoe is het mogelijk.
Als ik u zeg wanneer u beter kunt zien, kunt voelen, kunt beleven.
Weet u het niet?
Niemand weet het?
Hoe … Nou, nu kan ik zeggen hoe bestaat het.
Dat zijn ...
dezen hebben nu drie-, vierhonderd lezingen meegemaakt.
(Zaal): ‘Ik weet de vraag niet.’
U hebt het gehoord.
Zal ik het nog eens een keer voorlezen.
‘Moet ik aanvaarden dat ze dan een deel van het universum zijn geworden en alles zijn wat daar is.
Bijvoorbeeld kracht, energie, verdichting, uitdijing, enzovoort?’
En nu komt weer wat meneer zei.
Wat zei u ook weer?
Waaraan kunt u vaststellen waardoor dat u leven bent, en als u dus geen leven meer bent, bent u ook niks meer, maar waaraan en waardoor kunt u dat vaststellen dat u dat bent.
(Zaal): ‘Door de liefde en de waarheid ...’
Dat is wel zo, maar dat is er nu glad naast.
Als u dat bent … kijk het gaat hierom om u duidelijk te laten zien zo … om u te laten voelen door een aards beeld dat u in het Al leven bent.
Weet u het niet?
Neen, dat is het niet.
We moeten terug naar de aarde.
Meneer gaat naar het Al, en ik ga van het Al weer terug naar de aarde, naar het allerlaatste wat er is.
(Zaal): ‘Ja, doordat we er zijn …’
Neen, nee, nee, nee, nee.
Ja, u bent er.
Neen, door de kist.
Als u doodgaat, dan … datgene wat niets te betekenen heeft, ligt daar dood en u gaat verder.
U weet het in ene keer.
Als ik daaraan mijn leven ontneem, is er niets meer.
Als u dus in het Al bent en u ontneemt aan het Al uw licht en uw leven, komt er duisternis.
Maar omdat u zult leven en God zúlt vertegenwoordigen, zegt de kosmologie, zeggen de meesters, zegt Christus, zult u éénzijn met de Albron en eeuwigdurend de ruimten door uw leven en bewustzijn en persoonlijkheid voeden.
Is dat een mooi antwoord?
(Zaal): ‘Ja.’
Dank u.
Komt zo uit de ruimte.
Maar dan moet u eens nagaan, ik sta hier wel te praten, maar ik … toen u al die vraag las, toen was ik al weer weg.
Ik ben ook altijd hier in contact met de meesters.
Maar op het ogenblik dat u daar sprak, meneer, gingen we naar het Al en direct weer terug naar de kist.
Dus dan heb ik op het ogenblik een uittreding gemaakt van mil-, mil-, miljoenen, biljoenen levens, en hier op aarde ligt het antwoord.
Voelt u wat meester Zelanus is en meester Alcar.
Ja, daar heb ik ontzag voor.
En dat antwoord komt toch maar, hè?
En dat is het, voelt u wel?
Want wanneer u aan dat leven wat u nu bent het leven ontneemt, dat is dan voor de wereld de dood, dan zakt het in elkaar en rot het weg.
En als u in het Al bent en u zegt: ik neem het leven uit de ruimten, dan heeft dat leven geen voeding meer, geen zien meer, geen ogen meer, geen licht meer, geen ziel meer, niets meer, want u zegt ‘ík ben het’, en komt er duisternis.
En daarom kunt u aanvaarden, meneer, u zult God in alles en eeuwigdurend vertegenwoordigen als een godheid.
En nu bent u al een menselijke god, een menselijke god met foutjes en met mooie dingen, want wij hoeven ons nog niets te verbeelden.
Vraag twee: ‘Het slot van de lezing van jongstleden zondag in Diligentia was: ‘en nu verder André.’
Deze woorden werden tweemaal herhaald.
En nu verder.
Was de bedoeling de beknopte lezing over de kosmologie aan de toehoorders kenbaar te doen worden en wij het voorlopig mee konden stellen om na enige tijd er dieper op in te gaan.
Is dat juist?’ Ja.
‘En nu verder’, zegt meester Zelanus, ‘nu verder André, denken, voelen, beleven.
Niet aan die woorden van mij vast blijven zitten.’
Nee, maar ik wil maar zeggen: ‘En nu verder.
Leven, denken, liefde geven.
Dat is het.’ Meneer, u krijgt dit terug.
(Jozef pakt het papiertje met de vragen en zegt): ‘Geef het even aan, meneer.’
En dan zet u mijn woord erbij, want dat komt in het boek, dat is noodzakelijk.
(Jozef neemt wat water, kucht even): Ik ben weer te vlug.
Ja, je kunt niet alles hebben, zeggen ze.
(Jozef leest van papier): ‘Mijnheer Rulof’, staat hier, ‘ik heb twee kinderen gehad.
De één woog elf, en de andere dertien en een half pond.
Dus dat is volgens mij abnormaal.’
Waarom, u hebt kinderen van vijftig, zestig, en tachtig pond.
Van wie is dat?
Van wie is dit?
Waar bent u?
… Oh dat mag, dat mogen we niet vertellen.
Ik denk zo, bij de driehonderdveertig
(gelach in de zaal).
(Jozef leest verder): ‘Daarna zes … daarna zes …’, nee, nou wordt het weer heilige ernst.
‘Dus dat is volgens mij abnormaal.’ Sorry, wederom.
‘Daarna zes miskramen en het laatst een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.’
Nu word ik nog euh… nu word ik nog euh, een kraamvrouw ook vanavond.
‘Volgens mij is dit, is dat stoffelijke afbraak.’
Waarom is dat stoffelijke afbraak, mevrouw, als u een kind krijgt van negen pond.
(Mevrouw reageert): (niet te verstaan).
Nee, dat zijn allemaal kindertjes geweest … als Adolf Hitler komt …
(Mevrouw reageert opnieuw): (niet te verstaan).
Nee, wacht eens even.
Als Adolf Hitler nu een demon … laten we zeggen dat ie een demon was.
Maar Adolf was niet zo een demon (zie artikel ‘Hitler’ op rulof.nl).
De mensen zeggen: ‘Oh, Adolf Hitler komt nooit meer van zijn schulden af.’
Maar wie was er vrij tijdens de oorlog, voordat de oorlog begon, van zonden en fouten.
Wie kan zeggen, ik ben vrij, Christus zei: gooi toch de eerste steen, gij gelukzaligen.
Wie gaat ...
wie durft het.
U hebt uw eigen pak slaag moeten betalen.
Adolf het zijne.
Wanneer hij te ver ging, wanneer hij ging beulen, zo en zo en zo, dat moet hij goedmaken, natuurlijk.
Maar elkeen heeft een eigen pak slaag gekregen.
Daarom, afbraak, had hij verdiend.
Maar ik kom op Adolf terug.
Adolf komt terug en heeft alle goede wetten voor God en harmonie overschreden.
Voor die beul, die brúist, die is waanzinnig.
Dat is waanzinnigheid.
Bewuste krankzinnigheid.
Als u even maar een gram van het normale af denkt, nu moet u … u zult kunnen vragen: maar wanneer kunnen wij nu zeggen, ja, wij … hoe kunt u de wetten overschrijden.
Doe maar een moord, dan heb u al een, hebt u al een leven vernietigd, dat leven moet u weer op de aarde terugbrengen.
U bent vader, goed dan zult u moeder worden om aan dat leven dat zestig, zeventig, tachtig jaar zou worden… dat hebt u vermoord op dertigjarige leeftijd, dat had nog vijftig jaar kunnen leven.
Dat hebt u verbroken, u zult die harmonie terug voeren.
Duidelijk.
Als u maar … Goed.
Wanneer op … u hebt al een wet overschreden, nou kunt u … de geboorte, vader- en moederschap, hartelijkheid, geluk, vertrouwen, liefde, allemaal wetten, die overschrijdt u als ik u bedrieg.
Als ik u mismaak en ik heb ...
scheld, en ik klets over u, ik roddel over u, ik maak u slecht, dan, dan… hoef ik u niet te zeggen wat een leuke liefde geef ik u.
Dan ben ik al bezig om de Goddelijke wetten van liefde, van gevoel en harmonie van God te verkrachten.
Als ik één gram nu van de waarachtige liefde van God zoals wij die moeten aanvaarden en beleven afneem en bezoedel, overschrijd ik Zijn wet.
Is dat duidelijk moeder?
(Jozef richt zich naar iemand in de zaal): Ik keek naar u (…).
Duidelijk?
(Zaal): ‘Ja.’
Voelt u wel?
Dus wij komen onmiddellijk in disharmonie.
Nu heb ik zoveel wetten overschreden dat mijn gevoel … door dat overschrijden is mijn gevoel in disharmonie met de natuurwet ‘geboorte’.
Nu kom ik in de moeder.
Als ik zo kom (Jozef blaast even), ik blaas maar even, blaas ik het embryo al omver.
Maar die ‘blaas’, dat is een stoffelijk gevoel, nu moet u de wíl eens inzetten van Adolf Hitler, van zo’n mens.
Die, die, die scheurt en wringt die tere weefsels als embryo in de moeder uit, omver, en nu gaat u de miskraam beleven.
Dus, en dat kan de mens … dat moet de ziel als Adolf Hitler moet dat zevenmaal beleven, dan komt het toch weer in harmonie voor de geboorte.
Zevenmaal krijgt de moeder dus niet bij u alleen, maar komt ie daar weer, hij wordt daar weer aangetrokken.
U hebt nimmer … u hebt nimmer dezelfde ziel.
Als u twee miskramen hebt, dan zijn het twee verschillende mensen.
Wanneer dat gebeurt, heeft dat weer betekenis met de ruimte, dan heeft dat te maken met oorzaak en gevolg en andere levens.
Ik heb een moeder … ik heb een moeder eens een keer meegemaakt, kan ik u bewijzen ...
u zegt: ‘Wat heeft die man allemaal meegemaakt, hè?’
Ik heb tussen dertig en nu heb ik tweehonderd miljoen jaar geleefd.
In die twintig jaar.
Zoveel is er door mij heen gegaan.
En ik ben nog niet zenuwachtig.
Ik ben nog niet zenuwachtig.
Maar die moeder had een miskraam, en ik zeg: ‘Tegen die tijd als ’t kind … daar tegen die en die tijd …’, wij bemoeiden ons nooit mee… maar het ging alleen meester Alcar wou het mij bewijzen.
Hij zegt: ‘Krijgt u … nu krijgt u een meisje’, goed, daar krijgt u een jongen, tegen die en die tijd, tegen die en die tijd moet het komen.
Ik zeg: ‘Het is hetzelfde kind.’
Ik zeg: 'Dat zal ik u … kan ik u later bewijzen,' ik zeg: 'Ja, u hebt er niets aan.'
Maar het is te bewijzen voor mij en op dat en dat en dat.
Ik zeg: ‘Want ik zal u de verschijnselen … als ik dus … als dat kind die en die karaktertrekken heeft en dat en dat gebeurt er dan kunt u aanvaarden, als ik daarin gelijk ben, moet u dat aanvaarden wat ik zeg, anders heb ik er niets aan.’
En toen kwam ik … konden we aan het karakter vertellen, zo en zo en zo, ik keek … dat kind wordt geboren in die tijd, kwam, ik zeg zo en zo en zo en zo is het kind eerst jarig, ik zeg en over tien jaar, twaalf jaar, dertien jaar dan is het zo.
Zo zo zo zo zo zo.
Dus dat kind, dat karakter hadden we voorspeld en vastgelegd vóór de geboorte.
Woordelijk kwam alles uit.
Ik zeg: 'Daar hebben we dezelfde ziel.'
Nu gaan we naar het verleden toe, nu gaan we naar het andere leven toe, nu gaan we naar Frankrijk, Amerika, waar komt dat … Voelt u?
Honderden werelden komen er met de geboorte voor de dag.
Nu hebt u zeven miskramen gehad, zeven verschillende wezens, allemaal … u hebt een mens gelegenheid gegeven om zich gereed te maken voor de geboorte-harmonie.
Dat zijn miskramen.
Dat stond eens een keer in ‘Evolutie’.
Waarom worden er meer jongens geboren dan meisjes?
Maar voelt u hoe normaal dat is?
Want als u normaal bent, in harmonie met alles, dan kregen we niet eens een miskraam.
Als u zegt: ‘Ik heb een miskraam gehad.’
Ik zeg: ‘Ja, jammer, maar dan, dan …’, want als u in harmonie bent dan kunt u die miskraam niet eens beleven want die behoort u niet meer toe.
U bent in harmonie, hoe kunt u disharmonie zijn?
Want misgeboorte is disharmonie.
Als u tegen mij zegt, dat en dat en dat, bent u gelijk weg.
U, met één woord ten opzichte van de ruimte, Christus en geboorte en moederschap, vaderschap, planetenstelsel, en met alles, als u dames en heren bij de meesters één woord zegt dan legt u gelijk uw naamkaartje neer.
En dan bent u weg.
Maar het geeft niet hoor, want euh, wij zijn allemaal vader en moeder geweest.
Oooh ik ben vroeger zo tekeer gegaan.
En nog ga ik tekeer.
En vraag twee komt nu.
(Jozef leest van papier): ‘Zoudt u mij hierover het één en ander kunnen vertellen.’
Dat heb ik u verklaard.
‘Ook had ik een droom enkele weken terug.’ Dat is dus dichter bij huis.
‘En daar kom ik ook maar niet uit.’ Zo, mevrouw, dan zullen we eens kijken.
‘Ik ging verhuizen.’ Nu komt de droom.
‘Ik stond voor een weg, en aan weerszijden van de weg kwam water, dit water kwam haast over de weg heen.’ Die droom hebben de mensen meer gehad.
‘Er stond een vreemde vrouw naast mij die de weg niet af durfde.
En heb ik die vrouw naar het einde van die weg gedragen.
Er stonden daar een clubje vrouwen, eender gekleed en vroeg ik ...’
Dat is heel mooi.
‘Is dat allemaal … is dat allemaal eigen gemaakt?’
En zeiden ze: ‘Ja.’
En brachten ze mij gezamenlijk naar een heel klein maar gerieflijke woning.
Ik zei tegen hun: ‘Wat is dat klein.’
‘Ja’, zeiden ze.
‘Je behoeft er toch maar alleen in te wonen.’’
Tot zover.
Is dat nou geen mooie droom?
(Jozef vraag aan de vraagsteller): Wat hebt u er zelf van opgenomen?
Oh, u zegt: ‘Ik weet het niet.’
Wat zou u ervan denken dames en heren.
Waarom kunnen wij Egypte … als u in Egypte bij de farao kwam … hebt u de droomuitleggers van de bijbel niet gehoord?
Dat waren de genieën.
Een bijbel - een droomverklaarder uit het oude Egypte en aan de (het) hof van zoveel oosterse koningen dat waren godheden.
En … dat ja, maar dat was wat in die tijd want toen konden de mensen nog niet zo denken.
Toen hadden ze nog geen verstand van vier, vijf en zes.
Is dat wat?
Toen moesten ze een droom … toen moesten ze een droom … want voor die tijd was een droom veel moeilijker als nu, toen moesten ze een droom volgens de wetten van moeder natuur verklaren.
Wanneer is één, twee, drie, vier, vijf, zes en zeven ontstaan.
Wie weet dat?
Wie is er zo rijk?
Wanneer is het woordenboek geboren?
Voelt u wel?
Zover moet u terug en dan komt u tot de reine, natuurlijke verklaring.
Is voor ons nu veel makkelijker.
Want die mensen die hadden geen God, die hadden geen reïncarnatie, die hadden geen oorzaak en gevolg, dan moest zo’n geleerde, of zo’n priester die moest daar een verklaring geven van iets met geen houvast.
Dat was moeilijk, hoor.
Maar wat voelt u ervan, dames en heren?
Dit is mooi, dit is mooi.
(Mevrouw uit de zaal): ‘Misschien heeft ze gewoon die kamer nodig.
Wanneer men in zichzelf afdaalt, dan al zit je daar maar op een houtje, dan is dat al goed.’ Ja, maar, die kamer, dat is iets.
Dat is geen bankje.
(Meneer uit de zaal): ‘Deze onbewuste ziel die tracht zich datgene wat ze in zich droeg, door het dagbewuste ik door te dringen en bovendien haar de ruimte te geven waar de ziel zich in bevoelt.’
(Jozef): Maar ik zal het je nog mooier zeggen en duidelijker.
Niet om dat af te maken.
Aan beide kanten water, aan beide kanten water, dan zegt u weer hoe bestaat het.
Aan beide kanten water is er, er is maar één smal weggetje, er is maar één weg tot God, door het menselijke organisme.
Want dat is dat kleine kamertje waarin u leeft.
En als u nu … zij nam die mens op en droeg het daarheen, toen kwam er onmiddellijk hulp en zei: ‘Kijk.’
Want dat wil elkeen van God.
Want als u met een droom bezig bent en u bent bezig met het leven en u draagt de mens die ene weg over, voelt u wel, en u komt aan het eind, dan wacht daar het nieuwe, toen kreeg ze het geschenk erbij … ach kind … dat is de woning van God waarin je leeft.
Je kunt … die kleine kamer is ruimtelijk en onmetelijk diep.
Maar vindt u het niet frappant en scherp, aan beide kanten water, er is maar één weg naar God.
Is het nou leuk?
(Mevrouw reageert instemmend).
(Jozef): Nee, u zegt dat u het niet begrijpt.
(Mevrouw): ‘Niet helemaal.’
(Jozef zegt lachend): Nu neemt u het mij af, hè?
Ja, zeg, nu heeft ze het begrepen, maar waar komt die dan vandaan?
Zoiets heb ik ook begrepen.
Dan had u … dan had u ’t anders …
(Mevrouw reageert).
(Jozef): Ja, maar ik laat het me niet afnemen hoor
(gelach in de zaal). Maar ik zal vertellen, ja, euh dat was er niet.
Nee, u wist het lekker niet
(gelach in de zaal). Ziet, ja, zo had ik … nee, u moest zeggen: ik wist het niet, nou begrijp ik het.
(Mevrouw in zaal): ‘Natuurlijk.’
(Jozef): Nee, wat natuurlijk?
U zegt wel dat het natuurlijk is maar u maakte het onnatuurlijk.
Dames en heren, de vragen zijn voorbij.
Dat schrijft u op en dan geeft u het volgende week aan de dame en dan zet u erbij wat ik erbij zei, wat nu mijn antwoord is, want dit antwoord is van boven.
En dan moet u er mooi bij zetten, dan krijgt zij het volgende week.
Volgende week bent u hier, hè?
Volgende week wel, allright.
Dames en heren, nu staat … we hebben nog tijd.
Ik heb de vragen als brieven en letters beantwoord, nu kunt u vanuit de zaal vragen, we zetten onmiddellijk de microfoon voor u klaar.
U nog iets?
(Meneer uit de zaal stelt een vraag).
Wat zegt u?
(Meneer uit de zaal): ‘Er was vanavond een vraag aan mij gesteld: hoe kon u zo vlot Engels kon spreken?’
Ja, ik zou u willen vertellen wat … ik kon vroeger … ik kon alleen maar plat toen ik naar Den Haag kwam, wâ
(gelach in de zaal). Waar heb ik dat Hollands vandaan (…) meneer?
Ik zei vroeger, ik ...
toen ik nog aan de garage was, toen zei iemand: ‘Waar moest je naar toe, baas?’
Ik zeg: ‘Ik moest naar Diligentia, daar hebben ze een récital (Jozef spreekt het woord verkeerd uit).
Toen zegt die jongen van veertien jaar: ‘Neen, baas, dat heet recital.’
Ik zeg: ‘Wâ?’
‘Dat heet recital’, zegt hij.
Ik zeg: ‘Willem, hier heb je een kwartje.’
De andere baas, we waren met z’n vieren die zegt: ‘Lees de krant eens.’
(Jozef herhaalt hoe hij het destijds uitsprak): ‘In nieuw jok is iemand van de zestiende etage gevallen en nog niet dood.’
Die jongen begint te lachen, ik zeg: ‘Waarom lach je?’
Toen zegt die: ‘Baas, dat heet niet nieuw jok maar New York’
(uitbundig gelach in de zaal).
(Die andere baas zegt): ‘Hoepel op, dat bestaat niet!’
Ik zeg: ‘Mijn lieve God, die jongen heeft gelijk.’
Die man was zo eigenwijs, hij liet zich dat nieuw jok niet aannemen, afnemen
(uitbundig gelach).
Ik zeg: ‘Wat ben je toch eigenaardig’, ik zeg … ik zeg: ‘ik maakte verleden een fout, ik zeg … ik zeg … u zegt récital.’
Hij zegt: ‘Nee, dat heet recital.
Ik zeg: ‘Toevallig een kwartje.’
En jij kunt hem wel vermoorden.’
Ik zeg: ‘Maar je leert ook niet.’
Daar heb ik van geleerd.
Maar ik heb geen Engels geleerd, ik moest naar Amerika, ik was in ’46 daar geweest, ik heb geen woord geleerd, ik kwam alleen met yes en no kwam ik terug.
Waarom?
Ik heb drie maanden geschilderd, en als ik in trance ben, hoe kan ik dan leren, hoe kan ik dan … hoe kan ik dan, euh iets opnemen, kunt u ook niet.
Als u slaapt kunt u toch niet leren?
Ik ben dan in slaap, dus ik heb daar vijftig, zestig schilderijen gemaakt in die drie maanden en als ik met … als ik … toen ik met Henk kwam, Henk die … en Anton, die zijn zestien, achtien jaar weggeweest, hij zegt: ‘Als je één Hollands woord zegt, praat’, zegt ie ‘dan kijkt iemand je ‘an’, we praten plat.’
Nou, wij weer naar ’s Heerenberg.
Hebben we heel ’s Heerenberg opgehaald.
Ik Zeg: ‘Wèt gie dat nog?’
‘Hoo, zegt ie…’ en dan kwamen … kwamen we in zo’n restaurant (…)
Geef mien een fijn ’s heerenbargs breudje.’
Zegt ie: ‘wat een (…)’.
Ik zeg: ‘Wat zegt u?’
Ik zeg: ‘Ik praat plat.’
Maar goed, ik heb in die maanden niet geleerd, verleden jaar heb ik ook niet geleerd, ook weer … kwam weer terug met yes en no, dat was in ’47 en nog met iets anders.
Maar yes en no had ik.
En tegen … en mor…, good morning, good good, ja good evening dat dat … dat kon ik alweer niet.
Maar ik … luisteren, luisteren, luisteren.
Ik werd moe, dit schiet niet op, want ik leer het toch niet, ik kan niet leren, ik kan niks leren.
Ik kon op school niet leren, nou nog niet.
Als je mij een rekeningetje voorlegt van viermaal vierentwintig en twee d’r achter, dan verlies ik alles, dan verlies ik alles want ik kom er nooit uit.
Ik heb nooit kunnen denken in stof.
Maar op school, ’s morgens, dat leest u in ‘Jeus’, als de meester daar stond, ik denk vanmorgen dan vraagt hij mij lekker niets.
Pht!
Ik in gedachten de bossen in.
Dan zat ik daar lekker met de ogen open.
Zegt ie: ‘U slaapt.’
Ik denk: oj oj oj.
Later leerde ik, leerde meester Alcar mij om zoveel procent denkkracht aan dat lichaampje te geven en de rest was van mezelf.
Dus dan hoorde ik hem nog in de verte, maar ik leerde niets.
Ben tweemaal lekker wezen blijven zitten door af te kijken … (gelach in de zaal).
Ja, ik zak … en ik zak ook.
Ik ben nou zo dankbaar dat ik niets geleerd heb.
Ja, maar dat kun je in de maatschappij niet zeggen.
Want u moet werken, ik werk ook.
Maar ik kon niets, kon geeneens Hollands.
Toen ik, toen ik aan mijn vrouw zei, ‘ik ga boeken schrijven’, zegt ze, ‘nou daar zal wat van terecht komen’ (gelach in de zaal).
En toen ik zei ‘ik ga schilderen’, zegt ze, ‘nou, nou wordt het nog erger.’
Ik zeg: ‘Kind, dat zie ik.’ Maar ik kan zien, en ik zag, ik zag, ik had waar ook.
Dit jaar zou ik terug (gaan) om nog enkele fundamenten te leggen, ook weer schilderen, en toen had ik ‘Maskers en Mensen’ afgemaakt, we hebben onze lezingen gegeven, een gevecht gevoerd op leven en dood.
Drie maanden zegt meester Alcar en meester Zelanus, krijgt u om een beetje Engels te leren, drie maanden.
En dan moest ik in (naar) Amerika terug om in Carnegie Hall te beginnen over ‘reincarnation’.
Ik denk, nou.
Daar zult u wat …
Piet Franken is vijftien jaar in Amerika geweest, en Piet … dan kwam Piet bij mij en dan gaf ik een woordje Engels, na na (grinnikend), dan vloog ie al weg.
Maar ik had een … ik had een … ik had mijn boek al en uit mijn boek ging ik lezen.
Dan zat Piet ...
(Jozef richt zich tot Piet in de zaal): ‘Piet, weet je nog hoe ik die woorden verhaspelde?’
Van ‘good morning’ maakte ik iets, dat verstond hij niet eens meer
(uitbundig gelach). Toen heb ik, toen heb ik een blaadje genomen en daar Engels, ik had zo’n berg boeken van iedereen bracht me boeken maar ik werd er niet wijs uit.
Ik zei: ‘Oh, yes.’
Oh en dan begon ik te denken, ik denk hoe moeten we dat dan doen.
‘Aj I see’, ja, ‘I see euh’, ‘Piet, I see’ ... heum heu, ‘ja, mijn lieve God.’ (Jozef maakt geluid) Nu weet ik het weer niet.
En ik weet het maar niet, hè.
Maar enfin ik ging door, meneer en mevrouw, ik ben zo ver doorgegaan meneer (…) tot het bloed kwam uit mijn neus.
Ik liet me (…).
Ik spande me zo met mijn hersens en mijn zenuwen naar die boeken en naar die lezingen…
We waren in dat jaar nogal een beetje fel en ik had … ik begrijp nog niet dat ik niet uit mekaar ben gespat, degene die een gevecht mee hebben gemaakt, want u weet toch niet wat er in mij omgegaan is.
Maar ik stond alleen tegen de wereld, ik denk nu zal de wereld dan maar eens komen moeten.
Een gevecht erop en ik wilde ook in dat gevecht nog Engels leren.
Ik móest!
Mijn broer zei: ‘Anders hoef je niet te komen.’ Nu moet het gebeuren, ik denk, och, och, och, en ik kan niet leren, ik kan niet leren.
Kan (alles).
Vertel me eens, vertel me eens wat de koe voelt als hij blért, kan ik het u verklaren, mevrouw.
Maar ik kan geen Hollands leren en geen Engels (gelach in de zaal).
Als een hond kwispelstaart, weet ik precies wat dat dier bedoelt, maar ik kan geen vierentwintig met vijfentwintig ontleden, dat kan ik niet.
Ik ben geen kantoor-(…), want ik zit (zet) die kruk weg.
Als ze me miljoenen gaven, kon ik nooit ...
advocaat kan spelen, want ik kan het niet.
Ik zou tegen die vrouw zeggen, hebben ze u bedrogen mevrouw, dan maak ik het wel weer in orde, neem het mijne maar (uitbundig gelach).
En als ik minister moet gaan spelen, nou, u hoeft bij mij helemaal geen belasting te betalen hoor.
Want u kreeg er nog geld bij.
Ik aan ’t leren, leren, leren, Piet Franken die liep maar weg, hij zegt: ‘Het gaat best.’
Ik zeg: ‘Ja, dat begrijp ik.’
Kwam ie op een avond bij mij, ik zeg: ‘Ladies and gentleman, my sisters and my brothers …’
Hij zegt: ‘Dat komt er goed uit.’
‘I want to tell you something about the universe.’ (Pauze) …
Ik zeg: ‘Wa wa wa waar komt dat vandan?’ (uitbundig gelach).
Hij zegt: ‘Je kunt het!’
Ik zeg: ‘Ja, maar nu ben ik het weer kwijt!’
Ik zeg: ‘Piet, het gaat!’
Ik heb nog een ander iemand gehad, kwam bij me.
En dan zat ze daar heerlijk in de stoel, ik denk nu zal ik eens even laten zien wat ik van de week geleerd heb, hè.
Nog een paar mooie woordjes erbij, ik nam altijd van die mooie woordjes, ik denk van die gewone woordjes ‘not’ en ‘no’ dat is niks.
Ik nou … ik zeg … ik dacht ‘nothing’ dat is mooi.
Maar ‘nothing’ was helemaal niets.
En dan kwam ik, ik zeg: ‘Yes.’
‘And, mister Rulof,
how are you?’
‘k Zeg: (stotterend) ‘Met met met … mien ik … Oh very fine, very fine, indeed, indeed … ik denk wat is dat nou eens weer, had ik ergens gelezen, enfin het ene woordje haakte … dat was een sport meneer, een mooie sport, het ene woordje haakte aan het andere.
Ik zeg … euh ik had van die mooie woordjes geleerd, ‘possibilities’ en ‘maybe’s’ en ik denk, maar waar is het nu allemaal, hè?
Enfin, ik was zo ver dat ik …
Meneer Franken zei: ‘Nou, het gaat best.’
Ik zeg … ik dacht: ja, het gaat best, maar ik breek nu al mijn hoofd en mijn nek eigenlijk over vier woordjes en Piet zat daar maar en heerlijk … ik zeg: Piet, nu ga ik lezen.
Boek d’erbij van mij in het Engels.
Oh (Jozef leest zeer gebrekkig Engels) (…) cre, creatoer…
‘Creation’, zegt hij, ‘creation.’
‘Oh ja, créésjen, créésjen … ik zeg (Jozef brabbelt) (…) (uitbundig gelach in zaal)
Ik heb eerst maar ...
ik dacht bij mezelf zo …
Ja maar, dames en heren, hebt u daar vanavond nu wel wat aan?
(uitbundig gelach). Ik dacht … ik dacht … ik dacht op het moment, op één ogenblik … en ja, en u had meester Alcar eens moeten zien kijken en meester Zelanus.
Ik denk wat die Piet … die Piet die doet dat helemaal niet goed.
Als ik … als ik in Amerika was, dan deed ik dat heel anders.
Ze hadden me … Ik had gehoord, je moet een aardappel in je keel doen.
Maar ik denk, ik doe het heel gauw, ik denk ik trek die mond een beetje uit elkaar en daar … en toen ging het ineens:
(Jozef spreekt vervormd): ‘How are you (…)’
Toen was het … ik was alleen nog maar eerst aan het happen, echt aan het happen (Jozef doet het voor), toen waren er al twee maanden weg (uitbundig gelach).
Toen had ik nog maar één maandje
(uitbundig gelach). Toen had ik nog één maand.
Toen had ik nog één maand.
Ja, u hebt goed praten.
Er zijn hier mensen bij, er zijn hier mensen bij die hebben, die hebben … ik ben op klompen en in de klei en onder de dakpannen geboren.
Ik ging naar de lagere school.
We hadden zes jongens en één meisje.
Vader verdiende in die tijd veertien gulden.
Ik heb die mensen in de steden, heb ik benijd, u hebt school gehad, u kon naar school, er zijn erbij misschien HBS of wat dan ook, lagere school, maar alle … u in de stad, in de steden hebt dat veel meer geleerd als (dan) wij buiten.
Wij konden geeneens Hollands.
Als wij Hollands leerden, moesten we zeggen: ‘Ja, meester’, dan waren we al vier maal gebroken voor dat dat ‘meester’ d’eruit kwam, want meestal heette het ‘baas’.
Want wij hadden direct plat, ons plat lieten wij niet los.
Wij hebben … ik heb tegen die meester gezegd: ‘Wâ wâ, wâ wi gij mie dan wies make dat dat mooier is als ’t onze?’
Toen zegt ie: ‘Nou, gao gij maor naor huus.’
Ik zeg: ‘Och, jao is goed.’
Ja, maar dat wou hij ook niet.
Wie bewijst ons, hebben wij die meester gevraagd, wat mooier is, plat of Hollands.
Maar in de stad heb je het nodig.
Toen kwam ik in de stad en denk: oh, wat is dat mooi.
Eerst in dienst.
Ik denk och die mensen worden van school gehaald met een parapluutje en die krijgen eten en drinken en zo, en dat en dat.
Ik denk, oh, wat worden die kinderen in de stad verwend, hè?
Ik zeg … en toen ik twee, drie, vier jaar in de stad was … ik zeg: oh, wat ben ik blij dat ik er niet mee te maken heb gehad.
Maar ik wilde maar laten zien wat u voor hebt en wij hadden buiten niets.
Goed, we gaan leren.
Ik had mijn mond bijna open, mijn mond begon al te rollen toen was ik eerlijk gezegd, nietwaar, meneer Franken, al twee maanden kwijt en had ik alleen yes en no.
‘How ha oeh ah how are you’, Toen zegt ie: ‘Het gaat best.’
Ik zeg: ‘Ja, het gaat best.’
En ik dat woordenboek, dat Engels woordenboek over, oh ja.
‘É, e, wat is een é?
Oh God, een é, oh ja, nee een a is een e, oh, dat duurde zo lang voordat ik die a voordat ik die … ik moest helemaal op die ruimte, ik moest van het gevoel af, hellen en hemelen hadden geen betekenis meer, al mijn gevoel moest weg, ik kon die hele wereld maar niet wegkrijgen.
Ik moest in die stof.
En, ik eindelijk, nou ja, ’t zal wel gebeuren, ik zeg: het gebeurt, nou ja het gebeurt onherroepelijk, maar ik denk: o wee, o wee, waar moet dat schip stranden.
Ik naar Amerika.
Ben in … kom in mei daar, één mei, één april, één mei …
Teun, mijn broer, zegt: ‘De vijfde hebben we de lezing.’
Hij zegt: ‘Spreek dan eens!’
Toen zegt meester Zelanus: ‘Geen woord!’
Ik zeg: ‘Neen, ik kan alleen plat.’
‘Ha, ha, ha ...’ zegt ie, tegen Hendrik
(gelach in de zaal). ‘En die moet in Carnegie Hall, moet ie een lezing geven in het Engels’, zegt ie.
Hij (meester Zelanus) zegt: ‘Niet praten.’
Ik zeg: ‘Neen, ik praat niet.’
Hij zegt: ‘Kún je dan Engels?’
Hij zegt: ‘Oh, mens.’
Want hij zei: ‘Als jij Engels kunt joh dan sla je New York, je blaast New York van de hand.
Zo machtig is (zijn) jouw dingen, maar ze verstaan je niet.’
Ik zeg: ‘Ja, de meesters hebben mij niet ontwikkeld in in … voor talen.
Want talen, zeggen ze, dat is weer een heel andere ontwikkeling, dan ga je in de capilepsie (catalepsie), dan moet je in de schijndood eigenlijk terug, want dan mag je geen gevoel, geen graad meer zijn, dan komt dat onderbewustzijn naar boven, voelt u wel?
Maar ik moest vijfentwintig procent hebben van mezelf om ...
wil de meester in mij spreken en vijfentwintig procent is weer denken en voelen van mij.
Dus die taal komt er niet uit.
Dan had hij alleen … hadden de meesters alleen het op taal moeten zetten en vanuit de schijndood, dan sta ik hier in een schijndood moesten zij een taal spreken.
Nou, is dat voor de wereld zoveel waard.
( … ) wat anders als dat je in het vredespaleis hier komt.
Het New Yorkse Carnegie Hall, daar heb je Carnegie Hall.
Oehhhh … (gelach in de zaal). Enfin, ik was niet bang, dames en heren, want ik heb meesters, ik denk nou waar het vandaan komt, komt het vandaan.
Het zal gebeuren.
Ik heb daar een klein hokje daarzo, mensen zitten in de zaal, hangen daar mooie platen, en ik zit daar zo lekker alleen in dat zaaltje, in dat ding, oh mooi stoeltje, ik denk ik ga lekker rusten zo, en in ene keer viel ik, val ik in slaap, twintig minuten voor de lezing.
Komt … mijn broer komt binnen, toen zegt ie: ‘Maar heb je dan helemaal geen zenuwen?
Het Panis Angelicus, dat speelt al.’
Ik zeg: ‘Wat?’
Ik zeg: ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ja’, zegt ie, ‘je slaapt.’
Ik zo, klaar, en ik ga de Bühne op daarzo.
Ik denk zijn dat nou Hagenaren of zijn dat Amerikanen.
Goeie grut, dat zijn Amerikanen!
Ik dacht waarachtig dat ik in Diligentia stond, hé.
Het Panis is bijna afgelopen, ik sta daar nog, ja, ik voelde mezelf zo’n beetje, en euh … het Panis gaat weg.
Meester Zelanus wou beginnen, hij zegt: ‘Eerlijk samen delen, fifty fifty.’
Ik zeg: want je kunt nu niet in trance, ik bleef in mijn lichaam, ik denk: ik ga er niet uit.
Ik moest erin blijven, want anders, hij kon met mij niets klaarmaken.
Ik zeg toch, ze hebben mij niet op taal ontwikkeld.
Ik ben geen instrument voor talen.
Ik denk, oh wat ben ik dom geweest, had ik toch … maar ik had nooit geen tijd.
Had ik in die tijd vijf woorden Engels geleerd, meneer, toen ik nog chauffeur was en als kind, dan was er een gat gekomen in die geestelijke wereld.
Ik sta daar, het Panis Angelicum is afgelopen, daar komt er een prachtige machtige kracht in mij, ik zie meester Zelanus, en de laatste tonen van het Panis Angelicum begint met … afgelopen, hij zegt:
‘Good evening my sisters and brothers in America.
First of all I want to bring you the very pleasant greetings and the spirit and love of all the children of the Netherlands.’
Mijn broer denkt, mijn God, het is gebeurd, het gebeurt.
Teun die kijkt met zo’n gezicht, en dan gaan we beginnen.
‘First of all … and now and now I want to, I want to … nou kan ik het niet eens, daar staan we weer (gelach).
I want to give you …
I want to bring you to the universe, to the laws of God.
We make a travel together from the moon to the earth, and we go higher and higher till the end of us life, tot in it All of God.
You know something about planets, stars and sun?’
En daar beg… ik zeg: ‘Nu gaan we walsen, zeg ik zo in het Hollands tegen meester Zelanus.’
We gaan walsen, en wij over die grote bühne, daar kon je een circus op zetten.
En wij aan het walsen.
‘And you think that you have one life in this world?’
En dan begonnen we over … ‘the reincarnation’, en vuur, vúúr kwam er, en toen die bezieling was, toen die bezieling opkwam, toen kwam … toen voelde ik me in ene keer in Londen, in Londen, en toen heette ik Dennis Lefton.
Ik had dat leven al gezien en meegemaakt door het derde deel van meester Alcar, ‘Het Ontstaan van het Heelal’, dat heb je gelezen, dat heb ik je verleden verteld, toen wilde ik maar paardrijden.
‘Where are my horses, I want to drive my horse this afternoon.’
Ik wil een paard, ik wil vanmiddag met mijn paard rijden, toen was ik mijn boek aan het schrijven.
Ik denk, o jee, die wil paard gaan rijden, nou wordt het, nou wordt het goed.
Ik had een baardje.
Maar in die tijd nu dat ik daar lag te slapen, dat was ik niet meer, hadden ze mij lekker eventjes in het verleden gebracht.
In een ander leven.
Toen … de lezing gaat voorbij, anderhalf uur, lezing gaat voorbij, daar zit een professor, daar zat er één, die dame was al bij ons geweest op een tentoonstelling.
Toen zeggen die dames … en klappen en klappen en klappen, ik moest vijfmaal terug komen.
Ik denk, dat gebeurt in Holland nooit want mijn mensen doen dat niet.
Tenminste voor mij niet, voor meester Alcar en meester Zelanus die moeten dat niet, dan gaan … wij gaan in rust naar huis, is niet zo.
Ik kwam daar maar niet weg, ik moest terugkomen.
Toen … na die … toen zegt meester Zelanus: ‘Aanstonds, vlug!’ zegt ie.
Ik zeg: ‘Wat zullen we doen?’
‘Daarginds de boeken’, en we hadden zo een tweehonderdvijftig boeken bij ons.
Hij zegt: ‘Die mensen, die Amerikanen, die houden veel van een autograaf’, zegt ie.
Hij zegt: ‘Ernaartoe!’
En ik ernaartoe, handtekeningen geven.
In tien minuten waren alle boeken weg.
Toen zegt die dame tegen … een dame zegt: ‘Tony, how many years you lived in America?’
Toen zegt Teun: ‘Achttien jaar.’
Toen zegt ze: je broer die spreekt beter Engels dan jij.
Die spreekt society-Engels, jij hebt … jij hebt euh …
Toen zegt ie: ‘Maar wat is er dan met jou gebeurd?’
Ik zeg: ‘Teun, die slaap was het!’
En meneer, dat moment dat ik in het verleden ging, is nooit meer bij me weg geweest, daarna konden we het.
Tot zover dan.
Het woordenboek kwam niet meer terug, want dat was dan weer te veel.
En als ik nu ga praten … kijk … die paar woordjes … meester Zelanus had mij gezegd: ‘die paar woorden uit dat woordenboek’, zei die: ‘haal die er maar uit, stop ze maar in u en ik haal ze er wel weer uit.’
En dat gebeurde in Amerika.
Maar nou moet ik u eens vragen, meneer, daar moet je vertrouwen voor hebben, hè?
(Instemming uit de zaal)
Ik kreeg van elkeen in Amerika een pluim, zegt: ‘Joh, it is wonderfull.’
En nu, ja, het verleden, ik ga zo praten dat komt vanzelf.
Ik weet het niet, meneer, ’t gaat nooit meer bij me weg, want het komt vanzelf.
Ik haal woorden … ik haal woorden uit de ruimte die ik niet eens geleerd heb, maar dan is … kijk, door die paar woordjes trek ik mijn verleden weer op.
Als u maar een paar woorden van het verleden optrekt, komt ’t hele verleden, dat is het zaadje in die bodem, en toen kwam dat Engels weer naar boven.
Ik stond verleden week zaterdag … ik denk waar haal ik het in vredesnaam weer vandaan.
Ik heb het niet geleerd en ik mag het niet leren, maar het ging.
Is dat voldoende, op uw antwoord, op uw vraag?
(Iemand uit de zaal reageert) Wat zegt u?
(Iemand uit de zaal): ‘Ik hoop dat die meneer aanwezig is die de vraag stelde.’
(Iemand anders uit de zaal reageert).
Die was het.
(Iemand reikt glaasje water aan) Oh, mooi, dank u.
Maar u voelt wel wat daarvoor gebeurt.
Ik euh … ik heb het van veel mensen gekregen en toen ik eenmaal aan de gang kwam, ik was er een half jaar, maar toen had ik … moest ik weer schilderen want ik heb weer zestig schilderijen moeten maken.
En toen had ik al ondergrond.
Dus het ene fundamentje, elke dag leerde ik iets, en dat fundamentje bleef, zodat ik … ik denk: ‘En nu oppassen, Jozef, en nu praten.’ En zo hadden we de tentoonstelling, ik zeg… en dan was ik elke dag op de tentoonstelling ...
‘May I now something about your paintings?’
‘Yes.’
‘What is the knowledge about this painting?’
Ik zeg: ‘Well you see, you can see a spiritual world, and there is water, there is lifeswater for your soul, for your spirit …’
En toen … ik denk … ‘You understand what I mean?’
‘Of course, sir, it’s wonderful.’
Teun daarna zegt: ‘Man, wat leer jij vandaag.’
Elke dag, omdat ik elke dag sprak en me zulke horens had, want toen dorstte ik als ik weet niet wat, ik denk want nu heb ik de tijd, nu slurp ik alles maar op.
Ja, toen ging het vanzelf.
Toen kwam ik terug met een, met een … niet met een mondvol, maar toch met vier gram Engels naar huis, naar Holland.
Dames en heren we hebben nog één vraag, we hebben al weer licht, (tot de geluidstechnicus) hoeveel hebt u nog?
(Geluidstechnicus): ‘Nou, nog wel een minuut of zeven.’ Een minuut of zeven, die laten we ons niet stelen, die leggen we op de plaat vast.
(Een dame vraagt): ‘Is psychopathie altijd karma?’
Psychopathie is evolutie.
Voor God is er geen karma.
Wij noemen het karma.
Is psychopathie karma?
Voor God … als dat waar was … wij moeten een antwoord hebben.
Voelt u wel?
Wij móeten een antwoord hebben.
Wij moeten een verklaring kunnen geven voor ziekten.
Karma.
U krijgt een ongeluk, karma?
Evolutie, dan is toch een dood, is toch erger als een beetje ziek zijn.
Ziekten, miskramen, al die dingen meer, al die narigheden die voor ons mensen narigheden zijn, zijn evolutiewetten.
Wij gaan, wij gaan … kijk, daarvan leer ik zo makkelijk.
De mens leert niet makkelijk.
De mens wil dat niet.
De mens wil niets.
De mens wil geen narigheid.
Ik … wat kan mij narigheid schelen?
Narigheden zijn er om te overwinnen.
Stilstand … u kunt rustig even … er zijn veel mensen op aarde, die rusten even uit.
Die zijn op de wereld om uit te rusten hierzo.
Er was een katholiek, ik zag in dat leven, ik denk, hé, daar stond ie voor het altaar en was ie aan het zingen, was ie pastoor.
Nu komt ie tot de metafysische leer in dit leven.
En toen kon ie niet meer.
Er zijn mensen die zeggen (…) die zijn allemaal … je ziet verschillende graden in de mens.
De ene is érg bezig, bewust.
Die mensen zijn stil, zitten daar, rusten.
Die rusten uit.
Er zijn geen ziekten voor God, geen karmische wetten … wij hebben het nu vaak … wij hebben God zij gedankt … wij hebben meer van die rollen, anders zeggen ze wat staat die man daar de boel door elkaar te gooien.
Want dat klopt niet, want verleden vroegen ze me …
Karma, dame, oorzaak en gevolg, meneer.
Karma, dame, en nu komt er vanavond: karma is er niet, oorzaak en gevolg is er niet, ziekten zijn er niet, mevrouw er is (zijn) ook geen zonden, voelt u wel, in wezen is alles evolutie.
Maar dat is dan de kosmische graad.
Zolang wij nog disharmonisch zijn, hebben wij oorzaak en gevolg, hebben we karmische wetten, neen, breken wij af.
Voelt u wel?
Is het niet eenvoudig?
Alles is ineens toch weer samen te vatten en dan wordt het leven heel eenvoudig.
(Jozef spreekt tot iemand in de zaal): Spreekt u maar hard, want u staat op de zaal.
(Mevrouw vertelt dat een krankzinnige zegt haar gekend te hebben in een vorig Egyptisch leven.
Mevrouw vraagt aan Jozef of ze iets te maken heeft gehad met die krankzinnige).
(Jozef antwoordt): Dat is natuurlijk allemaal … voor de maatschappij is dat allemaal wartaal, nou u … neem de grebbelinie maar.
Heu, als die vader van Theo daar ziek is éh, en die dokter komt binnen: ‘Ja’, zegt ie, ‘collega, er is zoveel tussen hemel en aarde …’
Toen zegt die dokter, die zegt: ‘Nou ja, (…) man is aan het ijlen.’
Maar dat is mooi hè?
Als je dan aan gene zijde komt en hij ziet daar zijn ziel en hij zegt: ‘Ja, collega’ en in een vorig leven was één van zijn … een bekend dokter, dan kun je waarachtig wel zeggen: ja, collega.
Want als een gek … als wij het dagbewustzijn verlaten, spreken we wartaal maar daarvan zegt ‘Maskers en Mensen’, en Socrates heeft dat eens gezegd: de gezonden op aarde zijn de gekken en de gekken zijn de gezonden.
Degene die in de maatschappij woont en leeft en de straten bewandelt, die zijn krankzinnig.
Hij zegt, want die doen gek, hij zegt de mens die in het krankzinnigengesticht leeft, die voor de maatschappij abnormaal is, die zijn bezig en beleven iets.
Want u beleeft stof vandaag, van ziel en geest hebt u niets.
En de krankzinnige zegt, ja, ik heb u gekend.
Ik heb u verleden verteld, een dame, een kind, is ook niet goed: ziek, krankzinnig.
Eruit.
Komt daar, kunt u wat doen?
(Tegen de geluidstechnicus): U waarschuwt mij, nog twee minuutjes.
Toen zegt ze: ‘U wilt mij genezen, dat kan alleen Dectar.
Dectar kan dat.’
Ik zeg: ‘Wat?’
‘Hmm, wat weet u van (...), wat weet u van het ouwe, wat weet u van het oude Egypte.
U weet niets.
Ik was daar.’
Ik zeg: ‘Ja, dat neem ik onmiddellijk aan mijn kind want u weet van mij niets.’
Toen zegt ze: ‘U wilt mij genezen, hoe heet u Jozef Rulof?
Die kan niets.’
Ik zeg: ‘Hoe bestaat het.’
Want ik moest nog aan ‘Tussen Leven en Dood’ beginnen.
De gek zei mij al dingen die ik nog niet wist.
Telepathie kon niet.
Meester Alcar is niet van plan om een gek dingen te geven.
Die gek, die waanzinnige, die abnormale, die voor de maatschappij abnormaal was, die keek in mijn leven.
Neen, die keek in het verleden, die ging maar eventjes achtendertighonderd jaar terug.
Daar leefden wij in de tempel van Isis.
Dat zij …
(De geluidstechnicus meldt dat er nog een halve minuut resteert).
Nog een halve minuut, zegt de doctor, de ingenieur.
Dames en heren, ik verwacht u zondagmorgen in Diligentia, want u krijgt daar de lezing: ‘De mens en zijn goddelijke geboorte.’
Ik groet u van meester Alcar.