Donderdagavond 27 maart 1952

Goedenavond, dames en heren.
Goedenavond.
Ik heb hier een mooi kaartje gekregen van iemand, het is de molen te Zeddam, niet de molen aan de Vliet (naam van een water in Nederland), u hoort het, we hebben er ook een bij ons thuis, buiten.
Wie wil dat mooie kaartje?
Van wie is dat mooie kaartje?
Wie was er in Zeddam?
Bent u daar geweest, dame?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Hebt u de Montferlandseweg en de Zwartekolkseweg en Montferland en de bomen gezien en de hut van Sint van Tien ook?
Hè-je het juddekerkhof ook gezien?
Ja, dat ligt er vlak naast.
(Er komt iemand binnen.)
Goedenavond, mevrouw.
Ik dank u hartelijk.
Ik zal hem meenemen en dan stuur ik hem die dokter daar die zo goed kan biljarten, dan ziet hij zichzelf.
Vindt u het goed?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, best hoor.’
Ja.
Dames en heren, ik heb hier ‘Een Blik in het Hiernamaals’ van verleden week, een pagina, u ziet het, ik heb het niet vergeten, dame, 174 (In verband met de diverse drukken van dit boek is een verloop van de pagina’s onvermijdelijk. U kunt dit fragment terugvinden in hoofdstuk 8: ‘Echte helderziendheid en het gevaar van zien’.).
“Toen men de Christus gekruisigd had, scheurde boven Golgotha de zwarte wolkenmassa, gevormd door de donkere, slechte gedachten van de mens, vanéén, en Gods heilig licht vertoonde zich aan de hemel.
Dit staat grotendeels ook zo in de Bijbel.
Nu is mijn vraag: kunnen genoemde slechte gedachten zo compact zijn dat men die met het stoffelijk oog waarneemt zoals dat op Golgotha het geval geweest moet zijn?”
Mevrouw, die wolkenmassa van de ruimte, dat had niets te maken met de menselijke gedachten.
Toen de Christus Zijn licht uit deze wereld wegtrok, ontnam, verduisterde dit universum; en dat is gebeurd.
Toen kwam er ineens een aardbeving; is gebeurd.
En dat had Hij van tevoren voorspeld.
En als u ...
En dat is ook voor ons.
Dat bewijst: indien wij ons licht aan het goddelijke ruimtelijke ontnemen en verduisteren, dan mist men iets van ons in die goddelijke, geestelijke, ruimtelijke, waarachtige, rechtvaardige, harmonische, liefdevolle liefde; vader- en moederschap, ziel, geest en leven.
Is dat zo?
Dat is gebeurd.
(Jozef leest verder:)
“Pagina 177 (hoofdstuk 9: ‘Zwarte magie’): Geesten van lagere orde hebben geen eigen wil of bestaan ...”
Dit wordt gezegd in verband met de zwarte magie.
“Vraag: Is deze wil door wangedrag uitgeschakeld en hoelang zal dat duren?”
Die wil van de mens is uitgeschakeld voor het goede, zó moet u dat lezen.
Die hebben geen wil meer – het ging over iets anders – voor het goede; die wil is uitgeschakeld, die wil is doodgemaakt, gesmoord, die wil is bezoedeld, verguisd, verkracht, die wil is volkomen mismaakt ten opzichte van – haal nu het woordenboek er maar bij – waarheid, welwillendheid, liefdevol, vriendschap, broederschap, zusterliefde, vaderliefde, plichtsbetrachting, waarheid.
Nu?
Ga maar door.
(Een mevrouw zegt iets.)
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Zelfopoffering.’
Ook dat nog, dame, natuurlijk.
Dat alles is uit die wil, die menselijke wil vandaan, dat is opgelost in duisternis, haat, hartstocht en geweld, vernietiging, bezoedeling, verkrachting en al.
Dat staat ertegenover.
Begrijpt u het?
Ik heb hier van u nog: “‘Een Blik in het Hiernamaals I’, pagina 225: Vergeet niet voor de ongelukkige te bidden, die straks hier zal komen.”
Bedoeld werd de man die gecremeerd zou worden.
“Vraag: Maar men kan toch niets voor anderen doen?
Men moet toch alles zelf doen?”
Dat hebben wij u geleerd, maar meester Alcar – dat heb ik u meermalen verteld – heeft ‘Een Blik in het Hiernamaals’ geschreven volgens ons menselijke, stoffelijke, aardse, maatschappelijke denken en voelen.
Dus niet geestelijk nog, en ook niet ruimtelijk en ook niet goddelijk bezien, maar doodeenvoudig, menselijk gevolgd.
En nu bidden we toch, dat wil zeggen: we stemmen ons af en op en in de mens om die mens door ons goede denken – dat kan een gebed zijn – tot ander leven, ander denken te brengen.
Duidelijk?
Ook alweer duidelijk?
Prachtig.
(Jozef leest verder:)
“Pagina 214 (hoofdstuk 10: Crematie en begrafenis): Er zijn twee louteringssferen, de ene grenst aan de sferen van licht en de andere aan de donkere gebieden.
Vraag: Grenzen die twee schemerlanden ook weer aan elkaar?”
Nou ...
Tussen Rotterdam en Den Haag, mevrouw, ligt een lange weg, liggen wateren, en als u die weg niet bewandelt en u gaat daar linksaf de weide in, dan gaat u door moeras en slootjes en ineens zit u onder water, hebt u geen houvast, geen lichtje meer.
En dat lichtje in ons voert ons vanuit de laagste sferen naar omhoog.
En dan heb je een sferenrijk dat afstemming heeft op het land van haat, dan bent u dus net buiten die haat, buiten die hartstocht, en als u dan hoger komt, dan krijgt u een sferenwereld, een mistachtige toestand, die u alweer tot hoger denken en voelen voert.
Want die daar bij dat land van haat, dat is een bruinachtige wereld, dat is een sfeer van bruinachtig, duister, zwart licht is het niet, zwart licht bestaat er niet, maar een donkere toestand, waar geen lichtje, niets meer is, geen grassprietje, een dorre, dorre, lege, kale vlakte, met bergen en dalen.
Maar komt u in dat sferenland, waar dat grenst aan de eerste sfeer, dan krijgt u alweer van die kleine grassprietjes te zien.
Maar er is geen lente, er is geen zomer, vogeltjes zijn er niet, je hoort geen getjilp, dame.
U krijgt daar het gevoel niet te zien van die mensen, dat u regelrecht omhoog voert en hartelijkheid is, en een beetje verwarming geeft; daar wordt nog gesnauwd en getrapt en geslagen.
Maar wanneer u dat nog in woorden doet dan bent u daar nog niet aan vast; ook al zit u al aan dat gesnauw en geslaan vast, want u bent het tenslotte en uiteindelijk zelf.
Maar daarin is er nog geen sprietje te zien, geen leven, en dat land grenst ... dat heet het schemerland, daar schemert er reeds, ik zeg u net, daaronder daar is er duisternis, maar het gaat schemeren, en de mens ontwaakt langzaamaan.
Maar daar zitten ze ook tweeduizend jaar lang, drieduizend jaar, tienduizend jaar; u kunt daar in vijf jaar vandaan komen.
Maar er zijn er die zijn zo ontzagwekkend van staal, zo hard, en de menselijke ziel is veel harder, een stuk staal is nog om te smelten, maar het menselijke karakter niet.
Want wanneer de mens zegt: ‘Ik vertik het’, dan kunt u niets meer doen, dan staat u machteloos.
Daar vertelt me iemand net: ‘Daar komt een pastoor en een kapelaan, en dan heb ik een lezing meegemaakt in Diligentia, en dan zegt die kerel: ‘Wat heeft die man achter zich?
Waarom ga je daar je goeie Hollandse gulden naartoe brengen, naar zo’n duivel?’
En die vrouw die gaat eropin, en die praat al in een maand niet meer tegen de vader van vijf kinderen en zegt: ‘Smeer hem maar en stik voor mijn part.’
Ziet u, daarin leven we nog.
Die mensen zijn nog krachtig en sterk.
Maar je hart draait om als een moeder zegt tegen de vader van hun kinderen: ‘Stik dan maar.’
Dan zou je ze toch, hè?
En die mensen die vechten dan om een beetje bewustzijn en zijn hartelijk en bewust, maar meneer pastoor en meneer kapelaan zitten ertussen en zij komen niet van die verdoemdheid los.
Ja, en daar staan we nu.
Het is om je leeg te schreien; maar als je het doet, je bereikt toch niets.
Vier weken lang is de mens niet in staat om te praten.
Zou je die twee, wie het ook is, zou je ze niet over de knieën nemen en het eruit slaan?
Maar dan slaat u zichzelf.
En dat in een maatschappij ...
Och, dit is nog niets: er worden er onschuldig in de gevangenis gezet, vijf, zes en tien jaar, mensen; er worden er onschuldig neergeknald.
Wat dan nog?
Wat dan nog?
De maatschappij lacht om een mens.
Wij zijn nog altijd kanonnenvlees, als u het zelf wilt.
‘Maar in mijn buurt geen polonaise’, zegt men daar aan de overkant, ‘als ik dans, dans ik zelf.’
Ik ben echt kifterig vanavond, houdt u daar wel rekening mee.
Ik ben nu bezig, dames en heren, om uw vragen te ontleden.
Ik schrijf ze nu zelf over.
De dame die bezig was (mevrouw C.C.M. Bruning werkte aan het tot stand komen van ‘Vraag en Antwoord’, Deel 1), zegt: ‘Geef mij ze maar want dan schieten we tenminste op.’
Moet u horen wat daarin staat – goeie genade, wanneer krijgen we de centjes om dat uit te geven – uw eigen vragen, dames en heren, liggen erin.
Moet u horen wat hier gezegd is; hebt u niets meer nodig als u dat leest straks.
En daar ben ik nu zo kifterig om, ziet u?
Ja, vanavond wordt er niet gelachen.
Heus niet.
Dat zit in de mens.
De werkelijkheid laat je weleens even ...
Dan zou je zo’n verhaal van zo’n man ... daar spat ik al door uit elkaar, innerlijk.
Met die man kan ik medelijden hebben, daar heb ik verdriet om; waarom kan een moeder, een moeder van kinderen, hoe kan een moeder zo zijn?
Zou je ze niet?
Ja, wat nu?
Hang ze nu maar op.
Probeer het eens met een mooi jurkje, dame, met een paar bloemetjes?
(Tot iemand in de zaal): Hé, wat zei u?
(Mevrouw in de zaal): ‘... centjes wel.’
Met centjes hebben we nu niets.
Ziet u, die vervloekte menselijke wil weigert.
Ze hebben met God ...
Ze hebben een God, ze hebben een Vader, ze gaan naar de kerk, ze bidden, ze biechten en ze gaan ter communie en leggen Onze-Lieve-Heer op het tongetje.
Maar ik zei vroeger toen ik acht jaar was: ‘Maar dat maken ze zelf, dat is maar van meel.
Dat kunnen ze bakken.’
En toen zei Crisje: ‘Jeus toch!’
Ik zei: ‘Niks te-Jeuse, dá kui biij de bakker kope, dan krie’g je een hele zak voor vier cent, maor dá’s Onze-Lieve-Heer nie’t, dá zou je wel wille.’
Ik zal die man even helpen, meneer, laten we ze maar slaan, hè?
‘Gebakken meelsnuupkes zijn het, en willen ze voor Onze-Lieve-Heer verkopen.’
Ik heb u dat verhaal al eens een keer gegeven, meneer.
Dat hebben er meer gedaan, hoor, ik alleen niet.
Dat hebt u toch gelezen in Jeus II?
Toen hadden we met zijn drieën afgesproken – ja, ik kom wel bij u terug – toen hadden we met zijn drieën afgesproken: bijt er dan eens op.
Ik zeg: ‘Ik wil het nu weten.’
En wij daar eerst aan het bidden, biechten, alle zonden kwijt; maar dat jatten had ik niet gezegd natuurlijk.
Ik zeg: ‘Ik heb een paar peren gestolen, meneer pastoor, en ik heb ...’
Ja, ik heb wat gezegd; dat mag natuurlijk niet.
Ik denk: ja, ik ga hier alles vertellen.
Nu moet dat er ook maar bij.
En de volgende morgen toen ging mijn vriend, die ging er naartoe en die ...
Ik denk: huichelaar, je durft niet; en die durfde ook niet.
En toen ik.
En toen legde ik Onze-Lieve-Heer tussen mijn kiezen, ik denk: nu gaat de hele kerk in elkaar.
En toen hoorde ik: ‘Vuile boef, schoft’, en alles.
Ik denk: Goeie genade, wat gebeurt er nu?
En ik zat en ik zat, ik denk: Ik ben schuld aan al die mensen want die vallen natuurlijk dood, die krijgen de hele kerk op hun hoofd.
Maar er gebeurde niets!
De haan die kraaide nog en ik liep de kerk uit; maar na een half jaar zat ik er nog aan vast, van de ángst.
Ik kon niet meer slapen.
Elk ogenblik hoorde ik: ‘Vuile ploert, je hebt op Mijn leven gebeten.’
En toen zei ik tegen moeder: ‘Heb Onze-Lieve-Heer veul pie’n gehad?’
En ‘Jao’, zegt Crisje, ‘van eiges.
Toen hebbe ze Die an het kruus geslage.’
Ik denk: O, daar heeft ze gelijk in.
Omdat Dèn nou tusse mie’n tande zit, dat vuult Dèn nie’t eens want Hiij hèt veul meer gekrege da gunt.
Maar het is er.
Een half jaar daarna, dames en heren, zat ik nog aan de angst vast, ik denk: Veronderstel, als ik een beetje groter word, ga ik direct in het kippenhok van Onze-Lieve-Heer.
En die mensen daar, die nu nog als moeder en vader van kinderen, die zeggen: ‘Stik, ik praat niet tegen je.’
Dat is nog erger dan dat.
Bijt eens op Onze-Lieve-Heer.
Durf Hem eens te bebijten, dan zegt Hij: ‘Hé, wacht eens even’, dan hoort u het gejank van de ruimte; maar niets jankt er omdat de meelzakken erin zitten.
Dat moet je tegen meneer pastoor zeggen, dan schrikt hij, dan komt hij nooit meer terug.
Als u last hebt van katholieken aan de deur ...
Bij mij kwam er ook een, meneer, ik zeg: ‘Meneer, ik ben Jozef Rulof.’
‘Hohohohoo’, zegt hij, ‘dan ben ik al weg.’
Ik zeg: ‘Godzijgedankt, eruit!’
En die mensen, dame, die bijten nog op de heilige hostie in het schemerland.
Want de katholieken daar die doen dat ook, en zoeken naar Onze-Lieve-Heer, vinden Hem niet en komen niet naar die eerste sfeer, want ze moeten die wil vergeestelijken, zachter worden, mooier.
Jaja, wat hebt u daar nu mee te maken, zou je zeggen.
Wat kijkt u, meneer?
(Het is niet goed te verstaan.)
Gaat uw gang maar?
O ja, ik heb hier tegen meneer gezegd ...
Wat zei ik?
(Meneer in de zaal): ‘Ik geniet van ze.’
O, hij ... daar genieten ze van als je echt zo lekker ...
(Jozef leest verder:)
“Een geest die van de aarde onmiddellijk naar de derde of vierde sfeer gaat,” hmm, dat is er al eentje, “zal zo goed als niets van de crematie voelen, toch zullen ze bij aankomst in een sfeer iets missen en daarvan last ondervinden.
Hoelang zal dit ongemak duren?”
Ik weet wat u bedoelt.
Naarmate u aan gevoel, en liefde, sensitiviteit in de geest bezit, hebt u geen last van de crematie.
Ik heb u dat verleden verklaard, u kunt die kracht van het lijk, dat is de bodem, dat is de substantie voor de grond waar u op staat aan Gene Zijde, die kunt u in slechts een miljoenste seconde nu opvangen en doet u niets.
En waarom niet?
En waarom niet?
Wie van u?
Het staat ook in die boeken ’s avonds – zijn die van u?
‘Nee dame’, staat er.
En Jozef zegt: ‘Nee meneer, u was er wel bij, maar u bent er glad naast.’
Het staat er net zo in.
Waarom nu, dame, kunt u dat zo ineens opvangen?
Wie van u?
Niemand?
(Mevrouw in de zaal): ‘... aardse gevoelens kwijt bent.’
Omdat u?
(Mevrouw in de zaal): ‘... aardse gevoelens kwijt bent.’
Omdat u uw aardse gevoelens kwijt bent, jazeker dame.
Neen, omdat u nu een geestelijk bewustzijn hebt.
En dat bewustzijn zuigt alles tot u.
U bent de aarde dus kwijt.
Maar uw liefde ... de mens die liefheeft, is niet te vernietigen en is geen shock te begeven.
De mens met ruimtelijk gevoel staat plotseling voor een toestand wanneer men zegt: ‘Ja, ik durf het niet te zeggen.’
Ik zeg: ‘Laat mij dat karwei maar even opknappen.’
Iemand was dood.
‘Hahawuwuwu, nu moeten we vader en moeder ...’
Ik zeg: ‘Laat mij dat dan doen, meneer.’
Huh, en ik ernaar toe.
Ik zeg: ‘Mevrouw, gelukkig?’
‘Ja meneer, het gaat goed.’
‘Zo, mevrouw.’
Ik zeg: ‘Veronderstel dat nu eens op slag u een boodschap gebracht werd, mevrouw, en er kwam een klein beetje narigheid bij en een mens gaat u voorbereiden: de mens die springt in het water, maar hij komt er toch weer uit.
De mens wilde zich ophangen en iemand sneed het touw door.
Maar een mens kwam plotseling onder een tram en toen stond alles stil, en toen lag daar ons geluk onder, dan schrikt u wel even.
Maar dood is niet doodgaan.
De dood is evolutie.’
‘Is mijn man dood?’
Ik zeg: ‘Ja dame, hij ligt nu rustig in het bedje te slapen, maar schrikt u maar niet want de dood is evolutie.
Hij heeft een ongeluk gehad.
Een ander durfde het u niet te zeggen, hebben ze mij naar u toegestuurd.’
Hèè, ik was het kwijt.
Zij aan het denken.
Ik zeg: ‘Zo gaat het goed, dame.
Rustig, kalm.
Zet maar een kop sterke koffie.’
‘U begrijpt het tenminste, meneer Rulof.’
Ik zeg: ‘Ja dame.
Kent u mij ook?’
‘Ja, mijn zoon die leest uw boeken.’
‘Ja dame.’
‘Maar ik wou er niet aan.’
Ik zeg: ‘En nu moet u er toch aan, is het niet?
Zakt u nog niet in elkaar, dame?’
Ik zeg: ‘Dat moet u niet doen, want u ziet hem terug.’
‘Wat ben ik blij dat ik u zie, want ik heb het nooit geloofd, ik dacht dat u een man was, zo en zo ...’
Ik zeg: ‘Nee mevrouw, ik ben pas veertig jaar.’
En ze schrok wel een beetje.
Maar dat had híj eens moeten doen.
Moeder bleef op eigen benen staan, ging rustig naar het ziekenhuis, heeft nog met vader even gesproken en toen nam ze afscheid en zei: ‘En nu ga ik ook boeken lezen.’
Want nu zou ze hem wel terug willen zien tussen dat slootje dat tussen Den Haag en Keulen, dat eindje.
Ja.
Had u nog iets?
Waar komt dát in ene keer vandaan?
Dat vloeit hier zomaar bovenop.
Ik ben dáármee aan het lezen en dát komt voor de dag.
Hoe bestaat het, hè?
O ja, ik was hier, dame.
Dus die shock die de mens in de stof beleeft, en liefde bezit ...
Een ander, voor dit leven, die zakt in elkaar en schreit en schreit en is ontroerd en tranen en tranen en tranen, maar de mens die de eerste sfeer heeft en liefde bezit, die zegt ...
En dat kan de katholiek ook en de protestant als ze groot zijn en werkelijk die God hebben, zeggen.
Hebt u dat gelezen van Crisje?
Negenendertig jaar, ging onze Lange Hendrik weg, en daar stond Crisje met zeven kinderen.
‘Nou ja’, zegt Crisje, ‘wat Onze-Lieve-Heer doet is goed.’
Ik denk: hoe bestaat het?
Wie kan het?
En toen begon het.
En toen las u in deel II: Lange, breng eens een vette kluif voor zondag, voor de soep voor de jongens want ze hebben geen eten meer.
Maar dat kun je niet, Lange, je kunt wel violen kapot spelen, maar daar hebben we nu niets aan.
Maar een vette kluif brengen voor de kinderen en Crisje kun je niet.
De ‘droedels’ met je vioolspelen, Lange.
Ik heb de Lange midden in zijn gezicht uitgelachen toen ik veertien was toen hij van Gene Zijde kwam, en terug, ik zeg: ‘Speul nog is, maor moe’der heb niks an ow gespeul, ow gekras.’
Want toen kon ik hem aan, hè, toen kon ik hem aan.
Toen was die grote Lange maar een kip voor me.
Maar eitjes zag je niet van de Lange want het waren allemaal windeieren die hij legde op aarde.
En achter de kist zei hij: ‘Jeus, nou wèt ik in welke wèreld dat je keek.’
Ik zeg: ‘Ja, als ze je dat nou voor die tijd hadden gezegd, dan was dat allemaal kléts.’
Alles is klets, de liefde van een mens is kléts.
Of die man nu zegt: ‘Vrouw, ik ben de vader van de kinderen’, allemaal klets, je kunt stikken.
Zo.
En als u dat bent en dat hebt, dame, dan kunt u dat niet opvangen als een shock, ineens die miljoenen wetten en krachten: dan staat u voor uw kleine nietszeggende ikje, en dan bijten de geestelijke motjes uw gewaad aan stukken en brokken.
Waar hebben we het vanavond eigenlijk over?
Dat haal ik allemaal uit de avonden die we nu beleven.
Dat is de heilige ernst, dame, geloof dat maar gerust.
(Jozef leest verder:)
“Pagina 209: Men hoorde de mens die gecremeerd werd schreeuwen: ‘Beulen, moordenaars.’”
Ja mevrouw.
“Maar hij had dit toch zelf zo bepaald?”
Ja natuurlijk.
“Mijn enige antwoord daarop zou kunnen zijn dat hij niet wist dat hij gestorven was.
Is het juist?
Maar hij voegde eraan toe: ‘Is dat iemand eren?’”
(Jozef zegt:) Die man, die musicus, die daar gecremeerd werd in ‘Een Blik in het Hiernamaals’, mevrouw, die zag dat ze hem levend gingen verbranden.
En dat ziet elkeen die levend gecremeerd wordt, of dood, want de mens zit aan zijn organisme vast indien hij die afstemming heeft.
Als u grof, bruut bent en slaat en de mens door het leven sleurt aan zijn haren, en verkracht, en al die dingen meer, dan zit u aan dat lichaampje vast, want (dan) hebt u geen licht.
En u bent zomaar niet los van dat organisme, dat gaat langzaamaan.
U maakt dan als het ware het schaduwbeeld mee van een echt rottingsproces voor de zelfmoord.
Want al dat afbreken en vernietigen, dat voert u naar die grote daad, die grote wil: de zelfmoord.
En hoeveel van die kleine en grote dingetjes voor de afbraak hebben wij niet in onze ziel, in ons hoofd, in onze geest, hè?
Dan bent u al bijna bezig om zelfmoord te plegen, want u hebt met uw innerlijk leven al honderdduizendmaal zelfmoord gepleegd.
En dat zijn allemaal vonkjes die vanuit uw ziel wegspatten, uit uw persoonlijkheid gaan, en díé kraken u achter de kist.
En vanzelfsprekend door de crematie; en dan hebt u te schreeuwen en te lijden, en dan zegt u: ‘Vuile boeven, blijf van mijn lichaam af, moordenaars!’
Maar je hebt het zelf gewild.
Dat is crematie.
(Mevrouw in de zaal): ‘... dat hebben ze zelf gewild ...’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘... dat hebben ze toch zelf gewild, dat hebben ze toch zelf bepaald.’
Ja, maar ik heb het gewild; maar als u dan niet weet hoe die wet in elkaar zit.
Iemand wilde graag bokser worden.
En toen zegt hij: ‘Nou kom, ik zal het je leren’, en toen begon hij en toen sloegen ze hem al dadelijk een blind oog.
En toen zegt hij: ‘Maar dát heb ik niet gewild.’
Toen zei de andere: ‘Dan had je maar niet moeten boksen.’
En in het leven zijn duizenden voorbeelden.
Iemand wilde talen leren, hij nam er zestien voor zijn rekening.
Toen zegt die moeder: ‘Had hij maar bakker geweest.’
De zeventiende bracht hem naar Rosenburg (psychiatrische inrichting in Den Haag).
En hij zit er nu nog.
Die dame kwam bij mij: ‘Kunt u iets voor hem doen?’
Ik zeg: ‘Nee dame’, die ene was net te veel.
Zestien talen.
Wat wilt u met die zestien talen doen?
Hoogmoedswaanzin is het.
Leer lief te hebben, dame.
Leer in harmonie te zijn met het oneindige en met déze plaats.
We hebben het daar in dat boek over: bent u lui, bent u vies, bent u vuil, bent u gemakzuchtig, bent u verprutsend, verknoeiend, verkwistend?
Mevrouw, leg dan eerst die fundamentjes voor dat, en zorg dat u met uw huis, uw man, uw kinderen in harmonie komt, dat zijn dan de geestelijke fundamentjes voor opwaarts te gaan.
Talen leren, aan kunst doen en uw vrouw laten verhongeren als schilder, dat is de grootste, de diepste moord die er is.
Is het niet zo?
En als u dat goedvindt, nu, ga dan met uw beiden aan kunst doen, maar val een ander leven niet lastig.
Er zijn mensen die doen aan kunst, moet u dat gedoe zien wat ze klaarmaken, maar kunst willen ze hebben.
Nou, ze hebben kunst; niet te eten.
Hèhè, haha, laat me niet lachen; achtduizend schulden, ze lopen hier naar de steun, maar ze zijn kunstenaar.
Meneer, ga toch weg.
Ik heb het u verteld.
Een kunstenaar bij mij: ‘Meneer Rulof’, ik moest daar iemand behandelen, ‘kom eens kijken.
Hoe vindt u mijn kunst?’
Ik zeg: ‘Ja meneer.’
Zestig zag ik er, en niet één af.
Die vrouw staat erbij, drie kinderen, die jongens kijken zó.
Ik denk: die hebben honger.
En aan hem hoef ik het niet te vragen want hij was zó.
En zij was dít.
Ik zeg: ‘Nou.’
Ik zeg: ‘Meneer, mag ik u iets zeggen?’
‘O ja, natuurlijk.
Mooi?’
Ik zeg: ‘Daar gaat het helemaal niet over, meneer.
Maar ze zijn niet af.’
Ik zeg: ‘Maak er één af en zie geld voor dat ding te krijgen, want die vrouw heeft honger.’
‘Heb ik dat niet gezegd, Hendrik’, zegt ze, ‘en dan trap je me de deur uit, en dan zeg je: ‘Je breekt mijn inspiratie kapot.’’
‘Ja’, zegt ze, ‘ja.’
Net als die man die daar de hele morgen aan het tingelen was op zijn piano.
’s Morgens om negen uur begon hij al.
En dat rammelde maar, de buren werden gek.
Het ging hem niet aan, hij spelen.
Hij moest zijn vingers losmaken want hij moest ’s avonds spelen.
Nou goed.
Ja, hij gaf alleen les, maar ’s avonds ging alweer niet door, maar hij moest les geven.
Hij moest toch zijn vingers los houden.
Zijn kunst!
Zij was al viermaal bij hem geweest: ‘Maar man ...’
‘Laat me met rust!’
En hij joeg haar zijn atelier uit, waar zijn piano stond.
Om twaalf uur komt meneer: ‘Eten klaar?’
Toen zegt ze: ‘Nee.’
Ze zei niet ‘eet’, maar: ‘Vreet jij die toetsen maar op want ik had je willen vragen: ‘Wat moeten we eten vandaag?’ maar nou is het te laat.’ (gelach)
Toen zegt ze: ‘Is dat nu hard, meneer Rulof, dat ik niet zei ‘eet’ zei maar ‘vreet’?’
Ik zeg: ‘Nee dame, je had hem ... nee, koeienpoep mag je hem niet geven, je had hem de wei in moeten sturen en had hem moeten zeggen: ‘Man, haal dan in vredesnaam een zak gras, hebben we tenminste nog een beetje groen vandaag.
Maar wat heb je verdiend?’
‘O ja, even kijken, waar is mijn portemonnaie’, zegt hij.
‘Die heb je nooit gehad, man.
Als die in je zak zit dan weet ik het ook.’
En toen zegt hij: ‘Nou, ga het dan maar lenen, de kruidenier die geeft je wel wat en de slager ook.’
Toen zegt ze: ‘Daar staat nog voor vierhonderd gulden.
Wat moeten we doen?’
Hèhèhè, en toen ging hij schelden toen de gemeente hem uit het huis zette.
En de huisbaas was een ploert, en was een oplichter, dat was een huisjesmelker.
Jazeker, die huisbaas had hém nodig.
Die huisbaas die zei heel iets eenvoudigs en dat begrijpt de mens niet in de stad.
Hij zei: ‘Ik moet ook eten, meneer, ik heb met uw kunst niet te maken, daar kan ik ook niet van eten en u helemaal niet want dat zie ik, u bent een wandelend lijk.’
Is het niet zo, meneer?
O.
Ja.
Dat staat allemaal in die avonden die we hier gehad hebben.
Ik vertel u precies wat we hebben beleefd.
Leuk?
Waarheid.
Ja.
Word ook kunstschilder, mevrouw.
Ga eens dweilen, ga eens in een gekkenhuis en help gekken.
Mevrouw, dat is de mooiste kunst die er is.
Ziekenhuis.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ze willen me niet hebben.’
‘Ga langs de deuren’, zei er een, ‘en praat over Jehova.’
Maar dát hoeft u niet meer te doen want dat nemen wij niet meer.
En nu komt het er maar op aan: Hoe ben ik echt?
Wanneer kom ik met steentjes, wanneer ga ik fundamentjes leggen voor duizenden en duizenden en duizenden andere dingen?
Wanneer ben ik in harmonie met mijn huis, met mijn mensen, met de maatschappij?
Sous les étoiles de Paris; hoe heet dat?
Bonjour, monsieur.
Oui.
(Een dame zegt iets.)
Ja, ik kan het ook in het Frans zeggen, dame.
(Er wordt hartelijk gelachen.)
En in het Russisch.
Nu laat ik ze verdikke nog lachen vanavond, en ik wilde ze niet meer laten lachen.
Ik zeg: ik word hier nu eens echt ernstig.
Aan de boom leert men de kinderen kennen, en dan gaat de tak naar rechts en naar links, maar in de grond zit het, vanbinnen.
Wij gaan verder.
“Pagina 209: (hoofdstuk 10:‘Crematie en begrafenis’): Men hoorde de mens die gecremeerd werd ...” dat heb ik u al verteld.
“Is dat iemand eren?”
Nee mevrouw, dat is niet iemand eren.
Wanneer de mens wil dat hij gecremeerd wordt dan moet hij ook die narigheid maar verdragen.
Wat vindt u, wat zegt u, moeder?
En wanneer hij dat nu zo leuk vindt, die hygiëne ...
Hier in Den Haag hebben ze Morti Mata Mutu, hebt u dat al eens gelezen in de krant?
‘Laat u cremeren want wij zullen voor u zorgen.’
En ze weten niet wat ze zeggen.
Ja, er was iemand aan de deur, toen zegt hij: ‘O, ben ik hier bij Rulof?
Die vent die neemt ons het brood af, want de mensen die hebben zich opgegeven om zich te laten cremeren, en dan komen we daar en dan hebben ze het veranderd.
Want ze laten zich nu naar Eykenduynen (begraafplaats in Den Haag) brengen.
Dat is uw schuld, meneer.’
Ik zeg: ‘Hebt u nu niet te eten, meneer?’
Ik zeg: ‘Meneer, dan moet je maar zien dat je een boterhammetje krijgt.
Maar van mij niet.’
Ja, ze lopen mij op straat achterna en zeggen: ‘Vuile dief, jij hebt ons het brood uit de mond genomen want je wilt niet dat de mensen door ons gecremeerd worden.’
Ik zeg: ‘Nou, scheld me dan maar uit, ik vind het best.’
Dat heb ik ook nog op mijn geweten.
En de lijkbezorgers die komen weer: ‘Godzijgedankt, meneer Rulof, dat u er nog bent want we hebben straks ...’
(Er wordt hartelijk gelachen.)
Ik heb bezoek gehad van meneer Innemee, hij zegt: ‘Meneer Rulof, een aandeel in de winst?’
Ik zeg: ‘Geef me maar vierentwintig ...’ (gelach)
Ik zeg tegen meneer Innemee: ‘Geef me maar vierentwintig procent, dan kan ik tenminste mijn boeken uitgeven over leven en dood, dan zal ik reclame maken voor nieuw en oud Eykenduynen (begraafplaats in Den Haag).’
Ik zeg: ‘En uw laboratorium daar, krijgt glorie, dat moet je behangen met rood, wit en blauw, dan weten ze precies dat we de Hollandse kleur ook nog vertegenwoordigen.’
En toen zei Innemee: ‘Ik zal het goed met je maken, dan krijg je een tientje van elke kist.’
Ik zeg: ‘Merci.’
Maar ik moet het nu nóg zien. (gelach)
Ik word altijd belazerd.
Dat zei Charlotte Köhler (1892-1977, Nederlandse actrice).
Hebt u dat gezien, Piggelmee, die film?
‘Jazeker’, kwam ze bij de intellectualiteit, ‘Och, wat is het, we worden altijd belazerd.’ (Jozef spreekt deftig.)
Toen wou ze het mooi zeggen.
Dat doe ik ook altijd.
Hij lacht weer.
Ik wou hier vanavond naartoe met kift, en nu zitten we hier, we zitten weer te gillen en te grinniken en te giechelen.
Ik wilde u niet laten lachen.
Waarom lacht u eigenlijk?
Meneer, lacht u ook?
Nee toch?
(Meneer in de zaal): ‘Het is gezond.’
Is het een gezonde lach?
Ja werkelijk?
Dan ga ik door.
(Mevrouw in de zaal): ‘Meneer Rulof?’
Ja dame.
(Mevrouw in de zaal): ‘Als je toch moet reïncarneren, stoort de crematie dan ook nog?’
Ziet u dan niet dat u met die brandwondjes van het verleden nog achter op uw rug loopt?
Mevrouw, als u goed kijkt, al die brandvlekken van de vorige crematie uit het prehistorische tijdperk die hebt u nu nog.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, maar laat dat geen sporen na of zo?’
Nu zal ik u eens echte onzin vertellen, geestelijke onzin.
In het oerwoud bent u verbrand.
Dat gelooft u zeker niet?
Toen hebben ze soep van u gekookt.
En die soep die brandt nog in uw leven, dame.
Meneer, dat gelooft u zeker niet?
Dat doet u niet?
Durft u mij hier uit te maken dat wij niet aan kannibalisme hebben gedaan?
Bent u de smaak kwijt van een menselijk handje hier, zo’n ...
Dit is het lekkerste, zeggen ze, dit. (gelach)
(Mevrouw in de zaal): ‘De muis?’
Wist u dat die oerwoudbewoners zeggen dat het binnen de handpalm het lekkerste is?
Ik dacht dít.
(Er wordt hartelijk gelachen.)
Het wangetje, leuk vet wangetje.
Een wangetje is heerlijk. (gelach)
Hahahaa!
Ik heb meester Alcar voor die wetten geplaatst, hij zegt: ‘Ga mee, dan zal ik je laten zien, want ze hebben mij ook één keer opgegeten.’
Hij zegt: ‘En dan zal ik je nu eens de hoogste meester laten zien, die was vroeger daar in die en die tijd was hij opperhoofd.’
Ik zeg: ‘Dat meent u toch niet?’
Hij zegt: ‘Ga mee.’
En toen gingen we naar het oerwoud.
Hij zegt: ‘Ik zal je nu het contact leggen met de ruimte en dan zul je een van de hoogste meesters in de zevende sfeer zien, die hier het opperhoofd is geweest.’
En toen kwamen we uit dat leven, dat zagen we, en toen gingen we regelrecht naar de zevende sfeer, hij was een van de hoogste meesters, en het was daar een opperhoofd, toen hadden ze er net een in de pan.
Ik zeg: ‘Hoe bestaat het?’
Meneer, geen gekheid.
Hij zegt: ‘Dat zien wij en beleven wij allemaal terug want we hebben het gedaan.’
Ik heb nu nog erge zorgen want ik heb mijn schoonmoeder in die tijd opgegeten, (gelach) mijn broer, mijn zuster.
Niet van ons eigen volk en onze eigen graad, maar we gingen altijd over de rug van die berg heen en dan gingen we een mens stelen.
’s Zondagsmorgens hadden we soep met beentjes.
Net als die film ‘Grazige weiden’.
’s Zondags krijgen wij in de hemel een sigaar van een kwartje en eten we vis.
En daar in het oerwoud hebben wij hele families weggevaagd, mevrouw, en die brand leeft nóg in ons.
Gelooft u het niet?
Zo ernstig is het.
En dan kunt u er nu wel even gekheid van maken, maar wij hebben allemaal aan kannibalisme gedaan, wij zijn toen eens lekker verbrand, zo, door de natuur, we zijn ergens ingevallen en we kwamen in een gloeiende ketel, we werden waterlijk en vuurlijk verbrand; en is ons duizenden malen overkomen.
Maar we weten het niet meer.
En dan is deze crematie nog niets, want dat gebeurt in slechts enkele seconden.
Maar het is allemaal waar.
U kunt erom lachen, maar het is allemaal waar.
Het oerwoud leeft nu nog in de mens.
(Jozef leest verder:)
“In de boeken leest men: Op de Vierde Kosmische Graad eet men geen vlees meer,” daar heb je het alweer, “maar dat doen we toch in de eerste sfeer niet meer.”
Mevrouw, zoudt u aan Gene Zijde nog een lekker bordje soep lusten?
Een lekkere bokking?
Gerookt hebben wij ze, in het zuur, gemarineerd, lekker scholletje.
Zondagmorgen om tien uur, als Petrus belt, rennen wij daar en dan krijgen we heerlijk ... (gelach) een heerlijk gebakken botje (vis).
Een kopje koffie erbij uit het schemerland.
En als we nog lager gaan, mevrouw, staan we weer aan de grens van het kwaad en dan drinken we weer onze oude klare.
Hoe lager u komt, mevrouw, nog even lager, en u krijgt al dierlijk vergif, dat is echte whisky.
Meester Alcar die zegt: ‘André, ga nog een beetje door want in de hemelen hebben ze vanavond pret, wij wachten al tot jij komt.’
Dat geloof ik direct want daar hebben ze toch geen leuke verhaaltjes meer?
Hij zegt: ‘Al de hemelen wachten, miljoenen mensen, mannen en vrouwen, wachten op de Buziau (J. F. Buziau, komiek, 1877-1958) als Paulus van deze eeuw want wij willen weer eens lachen, gezond lachen, pret.’
Dat wil zeggen: uit het verkeerde, het abnormale, de werkelijkheid trekken en die werkelijkheid een mombakkes opzetten, terug naar de mens, naar de maatschappij, naar leugen en bedrog, naar het admiraalschap.
En wat dan nog – zei ik u verleden week – als u burgemeester van Den Haag bent en u hebt dát niet achter de kist?
En wat dan nog als u generaal bent, u kunt hardlopen en vliegen, u bent een minister van sociale zaken en u hebt de centjes in uw zak, zoals onze Piet Lieftinck (minister van Financiën), en u kent dat halfje van Onze-Lieve-Heer niet, en u deelt dat ook nog uit en u besteelt Hem; bent u achter de kist zo arm als een kerkrat.
En als u die nonsens dan maar even wilt voelen, dan weet u precies waar al die geleerde heren naartoe gaan.
Tot zover, ik ben met u klaar.
Tevreden, dame?
Tevreden?
Ik krijg een dubbeltje van u vanavond. (gelach)
Doe er eens vijf cent bij.
Voor elk briefje van u een dubbeltje, dus vanavond heb ik méér verdiend.
Vijf cent, ik wou zondag even naar een bioscoop, mevrouw, vijf cent, toe nou? (gelach)
Mevrouw, wilt u mij eens een half uurtje bij u in huis halen, dan hebt u nooit geen ellende meer.
Ik kook voor u koffie, maar ik laat de melk aanbranden.
Wanneer het uitdijt, kom ik u halen, ik zeg: ‘Mevrouw, het uitdijend heelal zit in de melk.’
En dan hebben we niets meer, dan hebben we niets, dan hebben we niets meer. (gelach)
Nou moet u die ...
Komt u vanavond hier voor het eerst?
Dan schei ik eruit.
(Jozef gaat verder.)
“Wat is de reden dat zelfs hoge geesten het niet met elkaar eens zijn over reïncarnatie?
In Engeland gelooft men daar niet aan.
En in ons land lang niet allemaal.”
Zo, wilt u mij dan wijsmaken dat het hoge geesten zijn?
Van wie is dat?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik wou zeggen: kibbelen ze daar ook al?’
Ja mevrouw, de reïncarnatie ...
Als u de spiritisten hoort: ‘Er bestaat geen reïncarnatie.’
Ingenieur Felix Ortt (schrijver, dagbladjournalist, 1866-1959): ‘Jozef Rulof is een gek.’
Hij is weer over me aan het schrijven: ‘De prins van de ruimte is hartstikke gek.’
Ik ben de prins van de ruimte, dat heeft hij ergens gelezen.
Ik zeg tot hem: ‘Meneer, geeft u nu eens een koninklijk, ruimtelijk antwoord.
En ben ik dan niet de prins van het huis, u niet ook, meneer?
Wordt u ook.
Als u werkelijk de woorden van Christus vertolken kunt en die door kunt geven aan de massa en de mensen, de maatschappij, voor ziel, leven, de geest, vader- en moederschap, wedergeboorte, dan bent u prins van die ruimte.’
En Felix Ortt zegt dat ik gek ben want hij neemt geen reïncarnatie.
Maar zijn geesten zeggen dat ik gek ben; en de mijne die hebben de ruimte ontsluierd, die kijken achter al de sluiers van leven en dood, vader- en moederschap, meneer Van Straaten, de Vierde-, de Vijfde-, de Zesde-, de Zevende Kosmische Graad, het goddelijke Al.
En ze gaan nog verder en keren terug en maken met ons een reis – nu in Diligentia – naar de goddelijk bewuste mens en laten u staan voor leven en dood, die altijd en eeuwigdurend is.
Hoe zei ik dat?
(Mevrouw in de zaal): ‘Mooi.’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Mooi.’
Van wie is dit briefje?
(Mevrouw in de zaal): ‘Van mij.’
Mevrouw, die spiritualistische wereld zit vast aan het woord van Elise van Calcar (schrijfster, spiritualiste, journaliste, 1822-1904).
Daar hangt (een foto van) de dame die zei: ‘Er is geen reïncarnatie.’
En nu heb ik ze aan Gene Zijde ontmoet.
Ik zeg: ‘Zo’, nu moet u horen en nou moet u niet kwaad worden over wat ik zeg.
Ik zeg: ‘Zo, lelijkerd, wat doe je in mijn buurt?’
Ze leeft nu aan Gene Zijde, het was een goed mens, een lief mens was zij.
Hebt u nooit gehoord van de helderzienster mevrouw Akkermans?
Die geloofde ook niet aan reïncarnatie.
Zo nu en dan wel, maar dan weer niet, dan weer ineens niet.
Als het tegen haar inging was het weer fout.
Maar Elise van Calcar bracht hier onder het spiritualisme ...
Er waren, nou, ongeveer een vijftig-, zestigduizend mensen in Nederland.
Haar woord was wet, en het spiritualisme nam het over, zij geloofden in het mediumschap, in het denken en voelen van de mens, en toen stond alles op een dood punt, want zij werd aanvaard: reïncarnatie bestaat niet.
En nu kan ik ...
Ik kwam aan Gene Zijde, ik zeg: ‘Meester Alcar, voer mij onmiddellijk naar Elise van Calcar’, ik zeg, ‘en er zijn er nog een paar waar ik tegen moet vechten, want die wil ik even over mijn knie leggen hier.’
Ik zeg: ‘Ik sta thans tegenover het Nederlandse spiritualisme, ik kan de mens met God en zijn reïncarneren, met al zijn levens, de volkeren der aarde verbinden, en ik sta nu machteloos tegenover Elise van Calcar want ze hebben haar leven en haar woord aanvaard.’
Zou je ze niet?
Ja, zo is het nu, mevrouw.
Ik heb hier tranen geschreid in dit huis.
Ik heb het u verleden verteld.
Toen kwam de society hier, daar zit een dame, die heeft hier ook gesproken over: God is liefde.
Deze dame is ook een medium, en stond hier: ‘Weet u nog, Jozef?’
Ik zeg: ‘Ja, ik weet het nog.
Maar die geesten van u kwamen ook niet boven hun praatje uit.’
Is dat waar, mevrouw?
Kosmologie kenden ze niet, dat moet u dan toch maar nemen (accepteren), is het niet zo?
Vraag mij eens honderdduizend vragen over kosmos en over miljoenen wetten; ik krijg hier direct het antwoord.
En dat zag ik.
Maar u hebt het goed gedaan, zie, u hebt die mensen tot de ontwaking gebracht, u hebt ze een leerschool gegeven.
En daar kunt u blij om zijn.
Hebt u ook.
U bent eenvoudig gebleven, u bent een kind van Onze-Lieve-Heer.
We hadden het er zo-even nog over, een ander die wilde graag titels, titles: ‘I like to be incarnated in a countess.’
Maar Onze-Lieve-Heer heeft ze niet, die heeft ze niet.
Mevrouw, het spiritualisme staat op een dood punt omdat de spiritualist geen reïncarnatie aanvaardt.
Ik kan nu vechten als een wilde eend, ik zet mijn krachten in en ik sta hier in Nederland.
De theosofen weten het nog niet eens, die zeggen: ‘Ja, zo nu en dan, niet voor iedereen’, dus die God is een onrechtvaardige.
Niet voor iedereen.
Elk insect is vader en moeder en verpopt zich en wordt vlinder en reïncarneert.
En de mens nu niet, het hoogste wezen voor de schepping?
Nou ja, daar staan we.
Wanneer de theosofie, wanneer de rozenkruisers en de spiritualisten tot mij zouden komen, vraag me dan tien jaar lang hier en stel vragen, test me nu dan eens als je dan waarlijk wat wilt weten, test me nu op duizenden mogelijkheden.
Hier hebben we geleerden bij zitten; laat de ingenieur, de doctor, de metafysicus, laat de theoloog, de godgeleerde, laat al de psychologen komen en test mij hier en geef mij dan uiteindelijk het ja of het nee, want dan komen we eruit: dit is moordend doodgaan, dit.
Ja, ze willen stoelen zien dansen en getik, maar daar, door dat getik tikken ze ons naar het onbewuste, naar het gekkenhuis, naar Rosenburg (psychiatrische inrichting in Den Haag), want die tikjes, daar hebben we niets meer aan, we willen het woord, het zuivere bewuste woord, we willen nu veranderen, we willen ontwaken, we willen evolutie.
Waar of niet?
En dan sta je weer, dan sta je voor Elise van Calcar, die al twintig jaar over is, zitten we nog met Elise van Calcar hier in onze maag.
En nu is zij daar geestelijk bewust, in de eerste sfeer?
Zou ze wel willen!
Ik vroeg haar: ‘Bent u gelukkig?
Tranen?
Hier in de sferen nog tranen?
Schreien van armoede?’
Ik zeg: ‘Mevrouw, schrei om uw eigen hoogmoedswaanzin, om de bluf die u hebt gekend, die u aan de mensheid gaf.
Maar u wist het niet.’
Dat was bluf.
Dat was hoogmoedswaanzin.
U moet eerst dan iets zeggen, dame en meneer, als u het weet.
Dan mag je zeggen: ‘Het bestaat niet.’
Ik heb mijn dingen gezien, ik heb reïncarnatie gezien.
Toen ik negen maanden in mijn wieg lag en ik de wieg van mijzelf in beweging bracht – dat is gebeurd, dat leest u in ‘Jeus van moeder Crisje I’ – toen was ik ineens zeven jaar.
Waar haalde ik dat vandaan?
Dat moest toch terugkomen uit een vorig leven, ik was het toch nog niet?
Negen maanden, ik lag in mijn wieg, naast de wieg ben ik zeven jaar, ik kijk naar Crisje, ik denk: Ik zal ze eens bang maken.
Ik schup.
‘Hè’, Crisje.
Nog een keer.
Ik kijk in de ogen van meester Alcar, ik zeg: ‘Mag ik?’
‘Huhuhuh’, zei Crisje, ‘mie’n Jeus is behekst.’
Ik zeg: ‘Ja, dat zou je wel willen, ik zal het je straks wel vertellen, als ik maar praten kan.’
Maar ik kon nog niet praten, meneer.
Ook geen reïncarnatie?
Zie je, dat zijn bewijzen, meneer.
Met wat ben ik naar Den Haag gekomen?
Met universeel bewustzijn.
Mevrouw, dat leeft allemaal in die molen daar in die buurt van het Montferland.
Ga ernaartoe, dames en heren, ga eens lekker over de Zwartekolkseweg en de Montferlandse, ga eens door onze Plantage.
Maar mijn broers liepen er ook en die hebben net niks.
‘Johan, wèt giij het?’
‘Nee, ik wèt het nie’t.’
‘Wèt giij, Johan, hoe de kinderen gebore worde?’
‘Suuk het eiges maor uut.’
Ik vertelde u verleden week: nu komt hij bij mij.
Ik zeg: ‘Waorum heb jij daar op de Zwartekolkseweg niets gezien, Johan?
Ik schrijf er boeken door, ik schilder, ik praat tot de mensen.
Ik heb een mooi baantje gekregen.’
Ik zeg: ‘Ik ruil met jou niet aan de post.’
En dan zei Johan niks.
Dat kan hij ook niet trouwens.
Mevrouw, dit is narigheid.
Hierdoor staat de wereld stil.
De spiritisten lezen ‘Maskers en Mensen’.
Verleden in Amsterdam zegt er iemand, hij zegt: ‘Felix Ortt is weer over Jozef aan het schrijven.
Hij moet die Jozef maar hebben.’
Toen zegt mijn vrouw, en anderen, die zegt: ‘O, wat geeft het, hij weet niets.’
Hij zegt: ‘Hij heeft het nu over de prins van de ruimte en over reïncarnatie.’
Hij zegt: ‘Maar die spiritisten bedanken allemaal zijn blaadjes, want zij willen van zijn gedaas af.’
En nu zegt hij: ‘Dat is de schuld van Jozef Rulof.’
Hij zegt: ‘Daar komt al zestienmaal een matroos door, die is al zestien jaar over, en is nu nog dronken.’
En die mensen die hebben eindelijk die boeken gelezen, ‘Geestelijke Gaven’, dame, en daar staat in, meester Zelanus zegt: Als u, uw man, u bent man, nietwaar, u bent vrouw, en u bent nu eens heerlijk dronken geweest, u hebt eens een heerlijk fuifje gehad vanavond, en in die fuif – u was een beetje doezelig – stierf u, u kreeg een hartverlamming en was over.
Toen zegt hij: ‘Wie was er nu dronken?’
Het lichaam.
Maar die matroos, meneer, die komt al zestien jaar terug en telkens weer, en dan komt dat medium; dan zien ze het al aan het gelaat dat ze dronken wordt en dan: ‘Kóékah.’
Dan begint ze, dan moet ze braken ook, want anders geloven ze het niet, dan is het niet echt, zie je?
Echt braken, en dan een paar druppeltjes jenever in de mond, dan is het nog echter en dan spéélt zij de dronkaard.
En dan zitten ze daar: ‘Hè.’
En dan praten ze maar tegen die matroos, want die matroos vertikt het om aan zijn leven te beginnen, om een nieuw leven te beginnen, want hij wil die dronkenschap niet kwijt, meneer, achter de kist.
En toen zeggen die spiritisten: ‘Maar nu heb ik een boek gelezen van Jozef Rulof en die zegt, de meester die zegt: ‘Het lichaam is dronken en niet de geest’, dat klopt hier niet.’
En toen begonnen ze te denken en toen hebben ze Felix Ortt gezegd: ‘Jij kletst ook, want je weet het ook niet.’
En toen kregen ze ruzie en nu moet hij mij hebben.
Maar, meneer, ‘Geestelijke Gaven’, zegt meester Zelanus, ‘neem dit hier mee, lees dat en u hebt een geestelijk zwaard in uw handen.’
En toch gaan die spiritisten – die gekke spiritisten, meneer, hè, allemaal gek zijn ze – die beginnen nu te denken.
En als ze nu weten wat er in die boeken staat ...
‘Ik ben spiritualistisch opgevoed.’
En dan zeggen ze: ‘Hij breekt alles af.’
Ja, de rotzooi in dat heilige spiritualisme.
Er zijn geen dronkaards meer aan Gene Zijde, het lichaam is dronken en niet de geest.
We hebben wél geestelijke psychopaten aan de overkant, maar geen dronkenschap, dames en heren, want dat bestaat niet.
Heb ik gelijk, meneer?
En die spiritisten aanvaarden dat.
Is het dan niet, mevrouw, dat ik nu nog weer sta te schreeuwen en te schreeuwen.
En we hadden een tempel voor Christus kunnen bouwen, een Universiteit, met zijn allen, met onze vijftig-, zestigduizend mensen.
Ik moest elke dag zorgen dat ik honderdvijftigduizend boeken had voor de meesters.
En nu en nu en nu? ... Is dit ganse universele, mooie, machtige, geestelijke contact bezoedeld door de spiritualiste, Elise van Calcar.
Is dat niet jammer?
Val ik haar soms aan?
Nee meneer, nee mevrouw, aan Gene Zijde wilt u de waarheid.
Ik heb ze gezien, ik zeg: ‘Meester Alcar’, ik heb, jarenlang heb ik dat moeten horen, ‘waar leeft zij?
Leeft zij reeds aan Gene Zijde?’
Hij zegt: ‘Ja, wij kennen haar.’
Elkeen die maar één woord uitspreekt voor Christus, kent men aan Gene Zijde.
En toen ging ik naar dat oudje.
Ze bleef oud.
Een mooi mens.
Mooie persoonlijkheid.
En meneer, ze bleef oud.
Ik zeg: ‘Meester Alcar, wat is die ouderdom hierzo?’
Hij zei: ‘Omdat ze vastzit aan onwaarheid.
De mens draagt dat door (de mens geeft die onwaarheid aan andere mensen).
Ze kan nu niet ontwikkelen.
Ze blijft oud, ze blijft aards.’
Die vervloekte gedachten die zij ruimte gaf hier op aarde in onze spiritualistische, geestelijke maatschappij, die houden haar tot de aarde gedrukt, ze kan niet uitstijgen boven haar innerlijk.
Die onwaarheid die ze aan de mens heeft gegeven houdt haar nu buiten de eerste sfeer gevangen, mevrouw, want met zo’n narigheid en zo’n naslomp kunt u de eerste sfeer, die werkelijkheid is, niet betreden.
En waar leeft Elise van Calcar nu?
Waar leeft de koning van Engeland en al die keizers en koningen die waarlijk goed waren en liefde hadden?
En ze gingen moorden, ze lieten de mens vermoorden en ze (onder)tekenden doodstraffen; en waar leven ze nu?
In de eerste sfeer?
Die moeten terug naar de aarde om moeder te worden om die levens een nieuw lichaam te schenken.
En nu Elise van Calcar, ik zeg: ‘U zit lekker in de mist, hè?’
Ik zeg: ‘Dacht u waarlijk, mevrouw, dat ik hier nog ontzag voor uw gekraak en gepletter en afbraak had en dat ik medelijden met u had dat u niet in de eerste sfeer bent, waar u had kunnen zijn?’
Dacht u waarlijk dat ik mijn moeder ging verkopen en gelijk gaf wanneer ze onwaarheid heeft; wanneer mijn kind ongelijk heeft en dat ik daar maar een ander kind een klap in het gezicht geef omdat het mijn eigen liefde is?
Nee mevrouw, dat gaat aan Gene Zijde niet meer.
Elise van Calcar heeft haar eigen armoede te aanvaarden, net zo goed als de schrijver van zijn vuile romannetjes.
Die worden nu nog gelezen.
Ik heb er iemand zien zitten schreien en zitten kreunen.
Hij zegt: ‘Mijn ziel schreit weg en ik kom niet vooruit en ik wil vooruit, ik wil voor Christus dienen, maar die vervloekte boeken van mij zijn op aarde, de jonge generatie, de meisjes en de jongens lezen mijn hartstochtelijke lectuur en ik kom er niet vanaf, ze trekken me telkens weer naar die vuile, vieze, smerige rotzooi die ik ze gaf terug.
Ik blijf dood, levend dood.’
Is dat niet echt, meneer?
Ik heb die mensen gevraagd waarom dat ze het hebben gedaan.
Hij zegt: ‘Ja, ik wist niet beter.
Ik dacht iets te doen.
Ik dacht de mens maar iets te geven.’
‘Nee meneer’, zegt hij, ‘het is veel gemener: ik wilde eten en drinken, ik was te lui om iets anders te doen en daarom ging ik schrijven, ik had een talent en ik schreef vuil, hartstochtelijk gedoe.’
Haben wir noch eine Minute, Dame?
Meneer en mevrouw, het is op.
(Tot de geluidstechnicus): Meneer, wij moeten licht, wij hebben trek in een kopje thee.
Het is al gebeurd, meneer, de tijd is om.
Tot aanstonds.
PAUZE
Dames en heren, ik heb hier: “Ondergetekende maakte deel uit van een clubje dames, daarmee, daardoor ...,” ja, daar heb je het weer, ooo, het duurt natuurlijk even, maar we komen er wel, hoor.
“Ondergetekende maakte deel uit van een clubje dames, en het gesprek voerden over de wetten welke u ons tracht te verklaren.
Wij kwamen ook op het terrein der kunstmatige bevruchting.”
Van wie is dat?
“Het ging om dit feit: indien het een wet is dat een vrouw geen kind kan baren, kan dit dan toch ook niet door kunstmatige bevruchting plaatsvinden?”
U hebt dat drama ook wel gehoord want de wetenschap maakt van ons koud staal.
De menselijke liefde heeft straks niets meer te betekenen, voor deze tijd alleen, want ik heb het gisteren vastgelegd, dat hebben we hier behandeld.
De vragen en antwoorden van het gebouw ‘Ken U Zelven’, en daar leert de mens zichzelf kennen.
Mevrouw, u kunt geïnjecteerd worden en dan krijgt u een kind.
En nu vraagt u: “Wij kwamen op het terrein der kunstmatige bevruchting.
Het ging om dit feit: indien het een wet is dat een vrouw geen kind kan baren, kan dit dan toch ...”
Natuurlijk niet.
Als u niet vatbaar bent, uw eierstokken, en de mogelijkheid van uw innerlijk moederlijk leven bevindt zich in een stoornis, bent u niet te bevruchten; ook niet door een dokter, want het blijft precies hetzelfde.
(Mevrouw in de zaal): ‘Het gaat toch om iets anders.’
Nee, waarom?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, wat daar verder nog bij staat.’
Maar dit is de eerste vraag.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
“Mocht evenwel de een of de andere afwijking der vrouw de schuld zijn voor het niet zwanger raken en zal dit wel het geval zijn bij kunstmatige bevruchting,” dat zeg ik u al, het bestaat niet, “natuurlijk van eigen echtgenoot.
Dit is al bewezen.”
Heeft dan toch de man u bevrucht?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, het is al bewezen dat de vrouw langs de gewone weg niet zwanger werd en wél door de kunstmatige bevruchting.’
Dan was die man pertinent niet in staat om haar te bevruchten, anders bestaat het niet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Van haar eigen man heeft zij toen, is zij bevrucht geworden.
... (niet te verstaan).’
Daarna?
(Mevrouw in de zaal): ‘Door kunstmatige bevruchting.’
Van haar eigen man?
(Mevrouw in de zaal): ‘Van haar eigen man.’
En zo kon het niet?
(Mevrouw in de zaal): ‘Zo niet.’
Dat is mogelijk, want dan is er ...
(Mevrouw in de zaal): ‘... bij de vrouw.’
Dan is er een stoffelijke stoornis, en dan helpt de dokter de cel van de schepper, het sperma, regelrecht door te voeren naar de moederlijke cel, en anders blijft het hier of daar steken.
Meer niks, dat is de enige stoornis.
Dat kan.
Dat is ook al bewezen, hoor.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Dat kan.
Maar dan is er dus ...
Door een stoffelijke stoornis kunt u de wetenschap als hulp krijgen, dat is heel eenvoudig.
Maar wanneer de man niet de cel bezit ...
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, dan niet.’
Dat kan niet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Dat kan niet.’
Dat weten we nu ook.
(Jozef leest verder:)
“Dit was het punt van mijn hevige discussie want ...”
Daar hebt u een mooi gesprek gehad, dame.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, inderdaad.’
“... want twee der dames waren het hiermee niet eens.”
(Mevrouw in de zaal): ‘U heeft even daarvoor niet gelezen, wat daarvoor was.’
(Jozef leest verder:)
“Mocht evenwel de een of andere afwijking der vrouw de schuld zijn voor het niet zwanger raken, dan zal dit wel het geval zijn bij kunstmatige bevruchting,” maar dat hebben we nu behandeld, “natuurlijk van haar eigen echtgenoot.”
U kunt ook een andere bevruchting ontvangen.
“Dit is al bewezen.
Heeft zij dan zelf een wet geschapen?”
Zij heeft geen wetten te scheppen en dat kan ze ook niet.
“Dit werd aangeroerd.”
(Mevrouw in de zaal): ‘Daar gaat het juist om, om dit punt.’
Zij kan, u kunt, als u ...
U bent vatbaar, de dokter zegt: ‘U bent goed.’
De organen zijn allemaal goed.
Uw man kan het niet, en het dringt niet tot de moederlijke cel door.
Dat is alleen door een stoornis in het orgaan, in de leiding die naar die Tempel van de Moeder gaat.
Nu kan dat niet op eigen kracht en nu gaat de dokter u helpen, dat kan.
En dat is heel eenvoudig.
En dát hebt u behandeld?
(Mevrouw in de zaal): ‘Daar gaat het juist om, om dit kardinale punt: of men door iets een eigen wet kan scheppen, daar ben ik namelijk niet ...’
U kunt niets, u kunt alleen de schepping helpen, meer niet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Juist.’
En dat is al heel wat.
Dus dan is die dokter nog niet zo gek wanneer hij dat doet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, juist.’
Als ik hem mijn sperma geef en u krijgt het, en ik kan u zo niet bereiken, en dat sperma van mij dat moet op die lange weg ...
Want dat duurt een hele tijd, dat is een hele lange weg voor dat kleine miljoenste celletje.
Je kunt het met het blote oog niet zien, heren, dat is net een slangetje, en dat is net een kwabbol (kikkervisje), zoals wij dat bij ons buiten zeggen, weet u wel, zo’n visje met zo’n grote kop, en dat is heel klein; en dat staartje, mevrouw, dat is het universum.
En dat zwemt naar de moeder en dan kan het onderweg niet verder zwemmen, want er komt zo’n eiland omhoog, bijvoorbeeld, en het zet zich daarachter vast in die baarmoeder, in de eileiding, en dan krijgt u daar zo’n heuveltje, bijvoorbeeld, en daar kan het diertje niet overheen en het blijft zitten – leuk? – en de moeder krijgt geen kind.
En nu zegt die dokter, dat zie ik, dame: ‘Hij goed; dan zullen we u helpen.’
Heel eenvoudig, hij dringt door, hij gaat over die heuvel heen, en misschien nog een andere stoornis, er kan misschien een kuiltje in zitten en het diertje valt erin – het is een diertje, een menselijk diertje – en dan verdrinkt dat diertje misschien onderweg, of het blijft te lang, de kracht is eruit, heeft geen voortstuwing meer, de werveling die is eruit, en blijft daar en dan gebeurt er niets.
Ja.
En men gaf u niet gelijk?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, inderdaad.’
Maar dit is een mooi gesprek, onder dames is dat een mooi gesprek.
Dat kunt u met de heren ook doen, want dan leren ze tenminste iets.
Dit zijn de allermachtigste problemen die de mens zelf kan ontleden, want u bent het zelf.
Dit hoeft u heus niet onkuis te behandelen want dit zijn de goddelijke fundamentele wetten, daar praten ze al over de radio over.
Maar dit is het aller-, allereerste wat een mens moet weten.
Maar u hebt gelijk, dame.
Maar een nieuwe wet kunt u niet scheppen.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, het gaat nog even verder, daar vraag ik het juist nog daar even over.’
(Jozef leest verder:)
“Dit was het punt van hevige discussie.
Want twee dames waren het niet met mij eens.
Wij mensen kunnen toch niet ingrijpen in de goddelijke wet?”
Ja, dat kunt u wel.
Het afdalen der ziel in het moederlichaam, dat kunt u niet.
Maar u kunt die wet wel verbreken.
“Daar hebben wij toch niets in te zeggen?”
Maar wanneer nu de moeder zegt: ‘Ik wil geen kind’, en ze jaagt de vrucht weg en ze vermoordt de vrucht, dan verbreekt u het contact met de ruimte, met God, met evolutie, met de wedergeboorte, vader- en moederschap en alles.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, maar daar ging het niet over.’
Daar gaat het niet om.
Dus dat is het bewuste vermoorden, dat is moord, dat is werkelijke moord van de ziel.
Nee, dat kunt u niet, daar kunt u niets aan veranderen.
Als u tenminste niet ingrijpt.
(Jozef leest verder:)
“Gaarne hadden wij hieromtrent een antwoord.”
Hebt u nog vragen hierover, dame?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, het is me volkomen duidelijk, ik dank u wel.’
Dank u, tot uw dienst.
Wie van u?
Niemand meer?
Wat weten ze veel, de mensen.
Hier heb ik nog: “Doen wij verkeerd ...,” hebben we ook hier al van a tot z behandeld, “... met vlees, vis en gevogelte eten, dit is toch ook Gods schepping?
Er moet daarvoor gedood worden, is dat niet tegen de wetten in?”
Van wie?
Ik wil die naam graag weten.
Mevrouw, dame, we hebben het hier op een avond behandeld en toen hadden we het over snotkoppen en over reïncarnatie en over motkoppen – weet u nog? – die aardappelen.
En we hadden het over het eten van vis en van vlees.
Is het niet verkeerd, mevrouw, dat u een koe moet slachten en een paard en een ander soort dier?
Ik heb vegetariërs bij me gehad en dan zeiden de mensen: ‘Doet u ook aan vegetarisme?’
Ik zeg: ‘Mevrouw, waar komt u voor, voor mij of voor u?’
Toen zegt ze: ‘Het is toch verkeerd?
Wilt u mij helpen?’
Ik zeg: ‘U staat er best op.’
Zenuwachtig, mager, bleek.
‘Ja’, zegt ze, ‘ik voel me niet goed.’
Ik zeg: ‘Dat is mogelijk, dame, u bent volkomen ondervoed.’
Vegetarisme.
Neemt het niet.
Toen kwam mijn meester en toen zei hij: ‘Als u een biefstuk eet en aardappeltjes en goed vet, dan zal ik u helpen.’
‘Hèhè’, lachte ze mij midden in mijn gezicht uit.
Ik zeg: ‘Ga naar uw dokter.’
Zij naar de dokter en de dokter zegt precies hetzelfde.
Ze komt naar mij terug, ik zeg: ‘Nee dame, ik help u niet.
Biefstuk doet het nu.’
Vegetarisme, dame, is goed voor de mens die erbuiten van kan blijven omdat het lichaam in dat stadium leeft, want we hebben verschillende graden van organismen.
En dat wil zeggen: de voordierlijke, de dierlijke, grofstoffelijke, stoffelijke.
En we hebben in het blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) reeds de kern van het geestelijke gewaad en dat is de vegetariër, de natuurlijke, geboren worden, vegetariër.
En die mensen moeten dat niet meer eten en die hebben het ook niet meer nodig, die zijn als kind alreeds angstig en vies van vlees en al dat vet.
Maar vertel niet aan een mens: ‘Laat dat’.
En ‘dat is verkeerd’, dame, want de vis, mevrouw, is uit ons organisme geboren.
De heerlijke tarbot, mevrouw – waar komt die vandaan? – een snoek, zoetwatervis, of elke vis, al het leven dat de wateren bevolkt is uit de mens ontstaan.
Zo ook het dier van het land.
Maar we eten geen apen meer vandaag.
En nu kunt u gaan praten, ik zet u voor elk ding, voor elke vraag zet ik u schaakmat, geestelijk en kosmisch schaakmat.
Alleen geef ik u toe: wie vegetariër kan en wil zijn, doe het, want het lichaam verlangt niet meer naar het andere.
Maar waar is de koe voor geboren?
Zomaar?
Die melk die wij nodig hebben, u hoeft dat vlees niet meer te eten, maar die melk ...
Maar er zijn weer lichamen ...
De koe en elk dier, het dier dat tot de mens komt, de kip, het ei, al het gevleugelde soort van dier dat de mens eet, is uit de mens ontstaan, kreeg van de mens een evoluerend organisme en de Grote Vleugelen, maar is uit het merg, de nieren, het zenuwstelsel, het bloed – niet uit de hersens – de slijmvliezen en de klierstelsels geboren; en voor de wateren, meneer, uit onze gal, de walvis, de inktvis en al dat soort.
Dat heb ik gezien.
Ik heb reizen gemaakt, duizend stuks, om de wateren te leren kennen, als zelfstandigheid.
En waarom is dat eiwit van een tarbotje, een scholletje, en gaat u maar verder, dat u zo in de winkel kunt kopen ...
Een snoek en een paling, en al die dingen meer, zijn uit de mens ontstaan, en als we die niet eten, dame, dan komen ze vandaag of morgen zo het strand op, en dan vragen ze: ‘Eet mij alstublieft, want wij willen evolueren.’
En nu u.
Kunt u niet tegenop, hè?
Nee.
En als u zou willen ...
We hebben de mensen hier gehad, ik heb er een uur over gepraat en ik kreeg toch uiteindelijk aan het eind ’s avonds, u was erbij meneer, gelijk, is het niet zo, meneer?
Want ik bewijs het u waar ze vandaan komen, waar die diersoorten uit zijn ontstaan, want we zien onze eigen eiwitten in het dier terug.
Want in de wateren zijn wij geboren, en uit de wateren gingen wij weg; we kregen landelijk bewustzijn.
Maar Moeder Water, dat is moederschap, bracht eigen leven voort door ons, want wij lieten de kernen ervoor achter.
Dat heb ik gezien.
Daar brachten de meesters mij naartoe, want ik weigerde te eten, ik kon niet meer eten, ik kwam uit de hemelen, die reis hadden wij gemaakt, en toen zegt de meester: ‘Nu gaan we beginnen, het eten staat klaar.’
Ik zeg: ‘Ohoho, god, laat me toch in godsnaam niet eten, ik kan geen eten zien.’
Nou.
Ik denk: als ik aan eten denk, dan braak ik al.
Ik was in de hemelen geweest, ik kwam uit de vierde, de vijfde en de zevende sfeer, en toen moest ik terug naar de aarde en toen hebben ze daar een bal gehakt voor me neergezet.
‘Nou, begin er eens aan.’
Ik zeg: ‘O god’, en toen moest meester Alcar mij in trance brengen en hij moest eten want mijn lichaam had dat nodig.
Hij zegt: ‘Je lichaam heeft de vegetarische graad niet bereikt.
Want had je dat bereikt dan was je allang ..., door deze wetten van de ruimte was je allang bezweken.’
Hij zegt: ‘Je bent bij Crisje geboren en dat lichaam heeft nog dierlijk voedsel nodig.’
Uit welke graad komt u, dame?
Lach niet om een ander die vlees eet, en dat eet en dit eet, en als u vegetariër bent, wees dan blij en gelukkig, maar raad het de mens niet aan want u ontneemt de mens juist dat voedsel; door uw raad, dame, voert u de mens regelrecht naar ‘de kist’.
En dan kijkt de mens: ‘Hèhè, vies, bah.’
Ik zeg: ‘O ja, dame?’
Deze dame die bij me kwam, en honderden, dame, in de jaren, tussen 1930 en 1940, kon ik niet meer helpen want ze waren ondervoed en ze hadden ...
‘Ja’, zegt de andere, ‘er zijn oliën genoeg en dit genoeg.’
Mevrouw, dat moest dierlijk bloed en voedsel zijn, dat is bewezen in de maatschappij.
De geleerden kunnen het u vertellen; dit zijn geen nonsens, dit is waarheid.
U hebt dat nodig want uw lichaam bezit nog een dierlijke graad.
En dat weet u zelf niet.
Ook al bent u een blank ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl), wij leven in dierlijke graden.
Er zijn lichamen die hebben onherroepelijk dat vlees nodig, want het is er ook voor geboren.
En hadden wij het niet nodig, dacht u dat God het (dan) niet had laten ontstaan?
Het is jammer dat die koe, die altijd zo’n bar goeie, mooie, machtige melk geeft, nu ook nog dat biefstukje moet geven.
Foei.
Onze tuut, onze kip, heel het leven legt dat arme dier het schitterende machtige eitje, upside down, sunside up, hoe heet dat ook eens weer daarginds?
En dat smaakt als ik weet niet wat, hardgekookt en in het zuur, hoe wilt u het hebben?
En als ze uitgelegd is en het begint droevig te kakelen dan draaien wij ze de hals om, en dan gaat ze de pot in.
Ja, en dan eten we tuutesoep.
Eet u ook nog tuutesoep, dame?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Daar heb je het alweer, zie je?
Zondag zegt meester Zelanus: ‘Het krieltje (klein soort kip) zegt: mmm.
Dèn wèt het, hij leit nie’t meer, da mô’k Hendrik vertellen ...’, en dan gaat het verhaal door.
U denkt natuurlijk: er komt niks meer van.
En aan het eind van het ...
Ik heb me een aap gelachen toen hij dat schreef, hè?
En aan het eind van dat hoofdstuk zegt hij: ‘En zondag eten we tuutesoep.’
Crisje zegt: ‘Wa mô’k nou doen?
O ja, die witte die legt niet meer, dá mô’k Hendrik zeggen.’
En dan komt er nog een prachtig verhaal.
En aan het eind van het verhaal zegt hij: ‘En zondag eten we tuutesoep.’
Wat had u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik wou vragen: Waarom is uit de menselijke hersens geen dier geboren?’
Mevrouw, wie zegt dat: ‘Dat kan niet?’
U?
Maar dan moet u het bewijzen ook als u dat zegt.
U zegt: ‘Dat kan niet’, maar bewijs het nu eens.
U kunt zeggen: ‘Dat bestaat niet’, bewijs het nu eens.
Als ik zeg: ‘Het kan niet’, moet ik het bewijzen.
Dat heeft de meester mij geleerd.
Hij zegt: ‘Als u zegt: ‘Dat bestaat niet’, zul je het voor God moeten bewijzen; aan Gene Zijde sta je stil.’
Waarom kan dat niet?
(Mevrouw in de zaal): ‘Omdat het het denkvermogen is.’
U bent er dichtbij.
Ga nog eens even verder.
(Mevrouw in de zaal zegt iets, het is niet te verstaan.)
Dat is mooi gevoeld, dame, een tien.
Maar waarom?
Ga nu eens even verder.
Ziet u, iedereen heeft gevoel.
(Tot iemand in de zaal): Ja dame?
(Mevrouw in de zaal): ‘Omdat het de rem van het gevoelsleven is.’
(Een andere dame in de zaal): ‘De ziel.’
Ja, dat is ook al zoiets, maar dat is het niet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Het heeft niet met het gevoel te maken noch met denkkracht.’
Nee, het is een orgaantje, een middel, maar het is geen werkgevend orgaan.
Hersenen scheiden geen stoffen af om het lichaam te voeden.
En die stoffen als organen hebben een ander leven geschapen; hersenen zijn dood.
Hersenen behoren al tot de naschepping.
Is het niet machtig?
Elk ding, meneer, dat een levensvatbaarheid bezit om te baren en te scheppen ...
Maar dat hebben hersenen niet, hersenen is een dode stof die alleen een gevoel opvangt en het doorzendt, of wij barsten door ons denken uit elkaar, maar dat is geen bezielende stof.
Hersenen is slechts de matras waarop wij slapen.
Is het niet machtig, meneer?
Vertel dat nu eens aan uw prof.
Hèhè.
(Meneer in de zaal): ‘Die is al dood.’
Die is dood?
O, dan leert hij het daarginds wel.
Maar dame, voelt u, hersens ...
Maar we hebben het over vegetarisme.
Uit de niertjes, uit de klieren, juist uit de gal en de lever, die substanties die dat maagje alles geven om dat voedsel te verteren, bloedsomloop, slijmvliezen en alles, dame, die hebben nieuwe levens geschapen, en vooral het ruggenmerg.
De tarbot stemt zich volkomen af op het ruggemerg, en op de melk van de koe, en ook het eitje van uw kip.
(Mevrouw in de zaal): ‘En de mossel.’
Wat?
En de mossel.
Want elk orgaan, mevrouw, dijt uit, en evolueerde en schiep zeven nieuwe organismen uit dat ene celletje.
En nu krijgt u verschillende graden van organismen te zien.
Dat is de koe.
Een paard al niet meer.
Onze darmen hebben leven geschapen en dan komen wij bij de kwallen aan het strand, en de inktvis en de slang op de aarde; zo’n dooie schildpad, heeft ook nog lekkere soep.
Want elke graad weer, hoe dierlijk ook, dame, de slang, heeft ook weer leven geschapen dat in de hoogste graad en in de allereerste levensvatbaarheid voor ons heeft, en dan is het de slang in de wateren en dan heet het geen slangenvis, maar dan heet het paling.
En hoe heet dat lange ding?
Zeepaling.
En dan is de slang in de wateren op de aarde gevaarlijk, maar hij kroop eruit, en liet daarin iets achter dat het eerste was uit die graad en bouwde opnieuw het leven voort.
Dat heb ik gezien.
Ik ken een slang en een inktvis, laten de biologen en de geologen eens komen, dan kunnen ze kosmische colleges krijgen.
Maar ik heb geen studie gehad.
Waar hebben wij het vanavond over?
Waar hebben we het al die jaren al over, meneer?
Jaaa, o als u dat leest nu, wat daarin staat.
Mevrouw, doet u nog aan vegetarisme?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee.’
U wou het alleen maar weten.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik dacht, het is verkeerd om ze te doden.’
Ja, dat is de mens, ziet u?
Maar wanneer we doden ...
Ik zeg u, Christus zei tegen Zijn apostelen, de vissers: ‘Daar zult ge uw netten neergooien en dan vangen we.’
Waarom liet hij daar vierhonderdduizend vissen afmaken als de Christus een goddelijke liefde bezit?
Als Hij het wist en het deed, wat willen wij mensen dan nog?
En wij mensen: ‘Ik lust geen vis.
Vis doden is dierlijk, dat is ook moord.’
En de Christus vermoordde daar alles.
En gaan wij met ons denken en voelen over de Christus heen?
Kom kom.
Neem Hem maar en dan bent u zeker.
En dat gebakken, meneer, ’s middags om twaalf uur of ’s avonds om half zeven, ja, daar laat ik de snotkoppen (aardappelen) voor staan van die dame; ze is er vanavond niet.
Vanmiddag een gebakken bokking en dan zeg ik: ‘Ha, ik krijg mijn lever, mijn niertjes niet, maar mijn lever krijg ik terug.’
Ik zeg: ‘Jongen, je hebt lang genoeg geleefd nu.
Ik liet je uitdijen, ik gaf je mijn ziel, mijn geest, ik gaf je mijn hersens, maar nu heb ik je weer in de pan.’
Wat een vreemde eend ben ik toch, vindt u niet?
Hebt u nog vragen hierover, dames en heren, want ik heb niets meer.
Ik ben uitgekinderd.
(Tot een dame in de zaal): Ja dame.
(Mevrouw in de zaal): ‘Meneer Rulof, het is eigenlijk net zo erg om zo’n beest te doden om te eten als om het beest te doden voor wat proeven met medicamenten.
Ik bedoel alles bij elkaar niet om een beest natuurlijk te martelen, er zijn zoveel middelen om dat pijnloos te doen, geen gemene dingen.
Waarmee we alleen voor ...’
Ja, kijk, hoe lager het bewustzijn is voor de geleerde, een luis en een vlooi, en een rat die daar uw kamers en alles opvreet ...
Nou, geef de ratten de mogelijkheid, mevrouw, dan hebben wij geen wegen meer en geen huis meer, dan is de rat de baas, is dat dan ook goed?
En dat is werkelijk ongedierte, want een rat behoort tot het ongedierte.
Maar ze hoeven het ongedierte als rat ...
Een marmotje al niet meer, dame.
Waarom niet?
Een marmotje wordt ook gebeuld en gemarteld.
En een rat zeggen ze: nou ja.
Maar die mooie marmotjes ...
Waar stemt dat marmotje van, waar komt dat marmotje vandaan?
En dat heeft al een bestaande schepping.
En een rat is naschepping, een muis ook.
Maar dan hoeft u dat dier nog niet bewust zijn hersens en zijn licht uit de ogen te steken met een brandend iets om te kijken of die levenssapjes niet dienen voor de mens zijn licht en zijn hoofd ... (niet te verstaan).
Maar als u dat plaatje daar ziet daar van die dame: daar hebt u een konijn opengesneden, en het leeft nog.
En dan hebben ze een aap laten liggen met een open buik zodat ze het hart kunnen zien tikken.
Die vieze beulen.
En dan moeten ze dat hartje zien tikken; het tikt nog.
Als ik erbij sta, gaf ik hem een klap met een ijzer op zijn hoofd en ik zeg: ‘Meneer, ik red u maar, dan kunt u in dit leven geen kwaad meer doen.
Ik maak u daar maar kapot.’
(Meneer in de zaal): ‘Tik tik.’
Tik, tik.
Een voor zijn hoofd en een van achteren, meneer.
En dan zei Onze-Lieve-Heer: ‘Goed zo, Jeus.’
Toen ik Onze-Lieve-Heer zag, zei Hij tegen mij: ‘André, you can bring the people of Me, all my children, to laughing.’
Hij sprak Engels, Onze-Lieve-Heer.
Ik zeg: ‘Yes, Father.’
Hij zegt: ‘Tell my people, my children on earth, I have My life.
They have not killed me, all the people in Jerusalem, they killed themselves.
I have My life, My own life.
And Peter and the holy John.
But holy John and Peter live in the first sphere, not in Rome.’
Hoe zei Onze-Lieve-Heer dat?
Proost.
Had u nog iets, meneer, kan ik nog iets kwijt vanavond?
‘Give on earth my wonderful righteous smile’, He says to me.
Maar ik vertaal het zo meteen wel in het Frans.
Hij zei: ‘Geef mijn kinderen op aarde mijn rechtvaardige smile, want Ik lach ook weleens.’
Had u nooit gedacht, dame, dat Onze-Lieve-Heer weleens een smile, een glimlach vertolkte?
Ik heb Onze-Lieve-Heer zien glimlachen – ja, heilig, hè – in het Al.
Toen kwam Hij zó.
Even maar dit, hè, zó, die oogjes.
Ik zeg: ‘Ik laat me sterven voor U.
Maar ik laat me niet kapotmaken zoals ze het U hebben gedaan.’
Had u nog iets?
(Mevrouw in de zaal): ‘Meneer Rulof, deze meneer heeft verleden week een vraag aan u ...’
Een vraag in de bus gegooid?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
(Mevrouw in de zaal): ‘U had verleden week een vraag van hem.’
Meneer, zeg het dan maar, want ik heb alles in mijn handen genomen, ik heb er hier drie uitgehaald en ik heb uw vraag niet gezien.
(Meneer in de zaal): ‘Mijn vrouw die lag in het ziekenhuis naast een dame, die dame had een droom, dat, ze zag de Christus zag ze zo vreselijk slaan en afbeulen; en dat beleefde zij zo sterk in de geest, dat, de andere morgen was ze zelf blauw ...’
Wacht eens even, help me onthouden dat ik u direct iets ...
Vraag mij dadelijk iets, ik heb een mooi verhaal voor u.
Ga door.
(Meneer in de zaal): ‘En haar lichaam deed pijn ...’
Het komt net op.
(Meneer in de zaal): ‘Zij moest vervoerd worden, maar ze kon zichzelf niet meer oprichten.
En toen hebben, de verpleegsters hebben haar uit bed getild en die hebben ze op een brancard gelegd, en zo hebben ze haar vervoerd.
En de dokters die stonden voor een raadsel.’
Ja.
Ik denk dat zij, nu zij ziek werd, die vrouw ...
Zij zei: zij zag de Christus geslagen worden.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ze droomde dat de Christus aan het kruis genageld werd, en toen sloegen ze Hem zo vreselijk’, ja, voor die tijd, ‘en toen werd ze ’s morgens wakker en toen was ze helemaal bont en blauw.’
Mevrouw, dat is een beeld dat zij in Jeruzalem in die en die tijd moet mee hebben meegemaakt, anders kun je die dingen niet bedromen.
Wel kun je ze be-dromen ...
Is ze erg katholiek?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, heel erg.’
Dan geloof ik er geen cent van.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik heb het gezien.’
Hard, hè, mevrouw, zo direct maar: dan geloof ik het niet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, ik heb het gezien, ik lag naast haar.’
Ja, u hebt het gezien, mevrouw, maar dan is het de katholieke kerk die het haar geeft, dan is er geen werkelijkheid in.
Maar wanneer u geen katholiek bent ...
Het kan al eeuwen terug zijn.
Maar dan moet het vlug zijn, want de katholieke kerk kwam eerst ook na Jeruzalem, tweeduizend jaar, dan hebt u nog niet dat leventje gehad.
Want als u daar in Jeruzalem hebt geleefd en hebt gezien hoe de Christus werd geslagen en hoe Hij werd gemarteld en u stond daar ook tussen die mensen: ‘Kruisigt Hem en sla Hem’, of u stond daar tussenin en zegt: ‘O mijn lieve God, Hij is het, Hij is het, en nu gaan ze Hem vermoorden en nu gaan ze Hem geselen, nu spuwen ze Hem midden in Zijn gelaat’, en u hebt gezien hoe ze Hem aan het kruis hebben geslagen, want dat konden ze allemaal zien, dán was u erbij, dame.
Maar als u uit de katholieke kerk komt en u zit er nu aan vast, dan is het wel iets wat je in je jeugd hebt gekregen van meneer pastoor.
(Mevrouw zegt iets, is niet te verstaan.)
Ziet u, daarom vraag ik u onmiddellijk: Is ze katholiek?
Wat vlug, vindt u niet?
Ik heb u hier op een avond iets verteld, toen vroeg u mij: ‘Is hypnotisme voor de mensen goed, in de zaal?’
Toen zeg ik: dat is het rotste wat de mens kan doen.
Het zwaarste vergif.
Dat is in de mens iets wakker maken wat de mens moet behouden en dat kunt ge niet tot bewustzijn voeren, ik zeg, dat is levensgevaarlijk.
De een voelt niets en een ander wel.
Hebt u het gelezen in Engeland, dat een meisje daar is gaan gillen?
En nu is ze psychopathisch, ziek, door de hypnotiseur.
Had ik even gelijk, meneer, verleden?
Dank u.
Daar ging het mij om.
Ik zeg, daar heb je het nu.
Maar als ik het hier zeg ...
En de maatschappij?
Nou nee.
Die hypnotiseur die zit daar: ‘Ogen dicht.
Voelt u mij?
Drukken, drukken.’
En toen zat ik ook in de Karseboom (zaal in Den Haag), ik zeg: ‘De ‘droedels’ met je drukken.
Mij krijg je niet.’
En de hele halve zaal zat daar met die handjes.
Ik zeg: ‘Mevrouw, doe die handjes los: los.
Doe maar los, meneer: los.’
Toen zegt hij: ‘Blijf van mijn werk af!’
Ik zeg: ‘Ga weg, meneer, wat u doet, dat is allemaal narigheid.’
Toen komt daar een dame op de bühne, die moest daar gaan baden.
Goed.
Die moest gaan baden.
‘U bent heerlijk aan het strand en we gaan heerlijk pootje baden en de zon schijnt en u ziet de mensen.
Voelt u het water?’
‘Ooo’, zegt ze, en toen gingen de rokjes omhoog, mogen de mensen de knietjes zien.
Ik denk: Dat moest je mijn zuster of mijn familie doen, dan haalde ik je van de bühne af.
De vrouw wordt daar bezoedeld.
En de mens, van een oud mens, van een geleerd mens, van een goed mens maken ze daar op de bühne door hypnose een misbaksel.
En dat vindt hier de maatschappij goed.
Al die hypnotiseurs die moesten ze kraken.
Nu in Engeland krijg je daar een meisje, hij heeft haar gezegd, ze moest eens echt schreien ... (niet te verstaan), nu ligt dat kind al te gillen van het schreien, want die hypnose die is ingeslagen in het gevoelsleven en komt er niet meer uit, want heeft zich vastgezogen aan iets en nu kan hij het niet meer loskrijgen.
In Engeland wordt het nu verboden.
Maar de hypnotiseur weet niet wat hij wakker maakt.
Ik kan het u verklaren want ik ken het gevoelsleven van de mens, ik ken de geestelijke gaven.
Heb ik het hier op een avond niet verteld, dames en heren?
Nu heb je het geval, ik krijg volkomen gelijk.
En zo hebben we nog meer tussen hemel en aarde, leven en dood, meneer, waarvan de mens de wetten niet kent en zegt: ‘Bwww.’
Straks achter de kist haal ik mijn geestelijke knuppel en krijg ik gelijk.
Gelooft u het?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Merci.
Ja, ik heb het de hele avond tegen u; maar fatsoenlijk. (gelach)
Er zei in de pauze iemand: ‘Nu is meneer De Wit weg, nu heb je, daar in het hoekje hebben we de rest.’
Ik zeg: ‘Ik vind wel weer een ander.’
Ik moet toch iemand hebben waar ik even contact mee heb, anders dan praat ik hier maar in de ruimte, wat zegt u, meneer De Wit?
Wilt u dat tegen mevrouw De Wit zeggen, mevrouw, meneer?
Had u nog iets, dame?
(Meneer in de zaal): ‘U had nog een mooi verhaal voor ons.’
Meneer, ik heb dat verhaaltje net verteld.
Dat ging over de hypnose.
Ik heb het u al verteld.
Dames en heren, geef me iets leuks want we hebben nog even tijd.
(Tot iemand in de zaal): Ja meneer.
(Meneer in de zaal): ‘U hebt het daarnet over dronkenschap die niet aan de andere kant is, maar in ‘Een Blik in het Hiernamaals’, daar in die hellen, daar drinken ze toch ook?’ Ja.
‘Worden die niet dronken?’
Nee, dat is geestelijk vergif.
Die bezoedelen zich.
Dat brandt alleen.
In de hellen, u gelooft het niet!
Meester Zelanus die heeft soms, dinsdagavond, de mensen in Amsterdam angstig gemaakt.
Toen zegt iemand: ‘Wat is hartstocht?’
Hè?
Nou, daar kun je geen woorden voor vinden.
Dat kan ik niet.
Dat kan ik nou niet.
Toen heeft hij een klein sluiertje opgelicht, wat dan eigenlijk hartstocht is.
Hij zegt: ‘De meesters schrijven over: u kunt wetten overschrijden, hè?’
En toen heeft hij de mensen eventjes laten voelen hoe een wet overschreden wordt.
Toen zeggen de mensen: ‘Het was net of de duivelen in de zaal kwamen.’
En die komen ook.
‘Bent u nog niet angstig, meneer?’, zegt hij.
Ging hij maar weg, wat was dat vies, ik zag die aura opbouwen.
Hij zegt: ‘De hellen zijn nu hier.’
Hij zegt: ‘En dat is nog maar een kleinigheid.’
Meneer, wat is geestelijke brand in de mens achter de kist?
Wat is hartstocht achter de kist?
U gelooft het niet, in het schemerland wordt u niet aangevallen; maar, o wee, dame, als u met haat te maken hebt, en meneer.
U bent hier nog op aarde, u hebt zich niet uitgeleefd, ook al gaat u duizendmaal de maatschappij in en beleeft u de onderwereld, dames en heren, u kunt het lichaam niet uitleven want het is universeel diep, kosmisch diep.
Dus u snoept er maar iets van.
En dan komt u aan Gene Zijde, uw geest komt daar aan en die heeft niets, die heeft alles nog van de ruimte.
En dan komen mannen en vrouwen op u af en dan wordt u heerlijk geestelijk verkracht, mevrouw, en daaraan komt geen einde, meneer.
Uw levenssappen nemen ze volkomen weg totdat u daar neerligt, volkomen leeggezogen, en dan laten ze u even liggen, u komt toch weer bij want uw goddelijke vonk voert u tot het normale terug, tot het denken en dan groeit u weer en dan dijt u weer uit en dan komen ze weer terug, meneer, en dan wordt u daar geestelijk verkracht.
(Mevrouw in de zaal): ‘Meneer Rulof, dit is dan op de aarde, het is toch al zo erg als de mensen ...’
Kunt u hier op aarde niet beleven, dame, ook al had u een harem als een meneer, met veertig dames, en dan ging u tekeer zoals de mens niet tekeer wil gaan en kan gaan, mevrouw, dan leeft u zich nog niet uit; want dit is allemaal geestelijk.
Lichamelijk uitleven, mevrouw, als de mens nog altijd loopt ...
Dan moet u geen hersens meer hebben, geen licht meer hebben, geen ogen meer hebben, geen darmen meer hebben, geen hart meer hebben, geen bloedsomloop meer hebben, dat moet u allemaal kunnen uitleven.
Dat moet oplossen.
Dat bloed moet veranderen en dat moet een stinkend water worden, zo erg is het.
Dat kunt u in de geest, maar niet in de stof.
Kunt u dat hier?
Dat bestaat toch niet?
Dat is het.
En dan komt u geestelijk ... als een geestelijke persoonlijkheid hebt u afstemming op haat, op vernietiging, op getrap, op geslaan, op moordende afbraak in alles.
De mens kan flink tekeer gaan in de geest, en dan voel je wel: u krijgt daar pertinent uw eigen soort te zien, en dat zijn er miljoenen.
Dames en heren, word wakker en wees lief, dan heb je daar straks niet meer mee te maken.
Ik vertik het.
Ik heb ze daar gezien, dames en heren, dat ik maanden en maanden liep te walgen van die mensen.
Mijn eten: zat de stank van de duisternis in.
En daar de geest.
Ik zeg: ‘Meester Alcar, dat houdt ja geen paard uit?
Ik ruik die stank van de duisternis.
De hemelen, ja, wat willen de hemelen nou beginnen als je me al de rottigheid van de ruimte hebt laten zien?’
‘Je moet er toch door, André.’
Ik kon niet meer eten, ik kon niet meer drinken, ik kon niet meer zien, ik kon niet meer slapen, ik had medelijden met elk mens.
Als een mens maar hard was, dan schrok ik al, ik denk: och, daar heb je er alweer zo eentje die zich niet kent en die maar slaat en die maar trapt.
En dan geloven ze ...
‘Ach ja, zou dat nu wel, en is dat nu wel waar wat die vent zegt, hij is daar geweest.’
Ik zeg: ‘Meneer, voelt u het dan niet, is er dan geen Christus geweest Die zei: ‘Heb lief alles wat leeft, of de duivelen en de satans komen tot u’?’
Maar de Christus geloven ze ook niet, want dat bestaat niet.
Daar staat: gij zult niet doden.
En dan hebben ze een God en dan bidden ze: en ik doe het voor God, en ik ben door God op de troon gezet.
En ze tekenen doodstraffen dat de stukken eraf vliegen.
En dan nog: gij zult niet doden?
Ze lachen de Christus midden in Zijn gezicht uit, midden ...
(Tot iemand in de zaal): Wat zegt u, meneer?
(Meneer in de zaal): ‘Ze slaan Hem in het gezicht.’
Ze drinken elke dag Zijn bloed.
Leuk, hè?
Nou, u zult allemaal de hellen zien en de duisternis.
Straks zegt u tegen mij of tegen uzelf: ‘Had de zweep er maar op gezet.’
Maar, meneer, de méns vertikt het.
Ik maak het dagelijks mee.
Een mens die een moord heeft begaan en zo rottend was in twintig jaar, mijn god, mijn god ...
‘Ik houd van u’, zegt de Messias, zeggen de meesters, maar houd op, houd op.
Ik kan een man kussen als hij ophoudt om te slaan, dood te slaan.
En nu een moeder die daar zegt, daar heb je dat weer: ‘Wat bezielt je?
Stik voor mijn part’, tegen de vader van vijf kinderen.
Dan zegt hij: ‘Hoelang moet ik erover doen?’
Toen zegt ze: ‘Voor mijn part zes weken.’
God, mijn lieve god, vrouw, waarmee kan ik je gelukkig maken, niet voor die man en niet voor de kinderen, maar voor jezelf want je slaat je.
Veronderstel dat dat arme mirakel, een mirakel is het, direct eruit gaat, staat daar in het land van haat.
‘Zuig ze maar leeg, duivelen, totdat ze weet, totdat ze het laat.’
Heb je nu je zin?
Want zo hard wordt de mens.
Dan zegt de mens: ‘Streng.’
Daar zat er zo-even een, ik zeg: ‘Die onzin?’
Iemand liet me daar portretjes zien, tekeningen.
‘Het is het allerhoogste, wat ze mij gezegd hebben’, laat ze me zien.
Ik zeg: ‘Mevrouw, ga toch weg met die onzin, een kind van acht jaar kan het ook.’
En dat hebben de meesters gezegd.
Moet ik dan gaan liegen, moet ik zeggen: ‘Ja, het is mooi’?
Zij zegt: ‘Het is het allerhoogste wat er is.’
Ik zeg: ‘Mevrouw, zet er een kruis in, dan is het tenminste iets.’
Maar daar zat geen kruisje in.
En nu lopen ze weg.
Nou, loop maar weg.
Als ik zeg: Gene zijde is geestelijk bewust en de Christus Die heeft Zichzelf gegeven, Die is niet voor de mens gestorven, maar ze hebben Hem vermoord.
En als je weer een doodstraf eist, dan sla je de Christus van Golgotha vandaan ...
Maar Hij zei tegen mij: ‘They have not killed Me, André; themselves.’
Ze hebben zichzelf gedood en vermoord, maar Mij niet.
Ik zeg: ‘Onze-Lieve-Heer’, toen ik Hem zag, in de Kosmologie, ik zeg, ‘wilt U aanvaarden dat ik mijn bloed, mijn hersens, mijn licht wil geven voor U?
Maar voor geen menselijke hyena’s en voor geen leeuwen- en tijgerbewustzijn en gevoel.’
Ik zeg: ‘En de mensen die naar mij komen luisteren, Onze-Lieve-Heer, die zal ik leren dat: ze mogen slaan en trappen, maar zíj slaan niet terug; ze zullen zo sterk zijn in hun levenslicht, want de ruimte is erdoor ontstaan.’
En zijn jullie sterk, ja of nee?
‘Laat je niet trappen’ en ‘laat je niet slaan’.
Laat je maar afmartelen; hij martelt en zij martelt, meneer, toch zichzelf.
Achter de kist staan er honderd miljoenen naast u en die zeggen: ‘Hang ze maar op’?
Nee meneer, dan zegt ze: ‘Had me toch maar doodgeslagen toen ik zei: stik.’
Ik zeg ook nog weleens een keer: stik, maar dan meen ik het niet, dan is het meestal een bal gehakt.
Je dacht dat de wereld en de mensheid ...
‘Je moet weleens ruw zijn en hard’, zeggen ze.
Ja, waarvoor?
Om er iets tegen in te gaan.
Dan hebben ze nog meer zonden op hun dak, de mens.
Maar dat doe ik ook niet meer.
Ik heb me, één keer heb ik me te pakken gehad, nou.
Ik zeg: ‘Meester Alcar, ik was bij mensen, ik kon er niets aan doen, maar ik heb ze een klap midden in het gezicht gegeven want ze hebben Christus bezoedeld en u en de boeken en alles.’
Hij zegt: ‘Sla niet, André, want je slaat jezelf uit mijn contact weg.’
Ik zeg: ‘Ik doe het ook nooit weer.’
Ik zeg: ‘Er moet er nog een aan de boeken komen en dan vlieg ik ze aan.’
Ik zeg: ‘Vermoord ze nu maar, smijt ze nu maar in de kachel, bezoedel ze nu maar; beroddel me maar, beklets me maar, maak Onze-Lieve-Heer maar weer kapot en maak de hemelen hartstikke gek.
Maar ik doe je niets, ik lach je straks midden in je gezicht uit.’
Maar slaan doe ik niet meer.
Ik zal me wel in acht nemen.
Ik wil geen haat, dame, ik wil geen kif, geen vernietiging, ik wil niet snauwen en niet grauwen, en als je míj dat doet dan zeg ik misschien: de ‘droedels’.
Nou ja, dan weet u het misschien ook niet.
Maar de mens gaat voort, de mens slaat, de mens trapt, en of je nou schreeuwt en of je nou alles zegt en alles weet, de mens gelooft het niet.
Maar zo meteen achter de kist, ochohohoh, lach ik daar, bovenop een berg onder de levensboom van de ruimte ga ik zitten en ik smijt u met rotte appelen.
Maar niet één zal erbij zijn waar je een levenssapje uit kunt krijgen; en u stikt daar van de dorst, geloof het maar.
Mijn eigen moeder en mijn eigen broer en mijn eigen zuster ...
Ik ben niet in staat om een appel te pakken en om ze daar te gooien.
Ik zeg: ‘Eet en drink.’
Nee, sla er nu maar op.
Meneer, ‘de kist’ is dichtbij.
Het kan vanavond gebeuren.
En dan bent u met één been in het graf?
Nee meneer, dan staat u met beide benen achter de kist.
In een ruim leven waarin u haatte, vervloekte, snauwde, grauwde: ‘Rotwijf, rotkerel, stik voor mijn part’, in die drek zit je.
Ik schei ermee uit, ik doe het niet.
U wilt dat ik u ga haten?
Hèhè, meneer, vermoord me toch, maak me toch kapot, gooi me toch onder de tram, ik zal me wel in acht nemen om u te haten, om iets van u te zeggen.
Ja, ik ben gek.
Ik zal mij, door uw getart zal ik me de sferen uit laten slaan.
Want Christus gaf ons het voorbeeld, hoe Hij voor de Caiphas stond en Pilatus.
En toen Pilatus zei: ‘Gesel Hem.’
En toen kwamen de beulen en zeiden: ‘Wraèm.’
En die arme goeie Onze-Lieve-Heer zei niets.
En de Petrussen en de Paulussen die daar zaten die zeiden: ‘Dat is nu onze baas, dat is onze meester, dat is de Christus, Hij laat Zich slaan, Hij doet niets terug.’
Steek eens een hand uit, dan had Hij Zijn goddelijke ruimte verprutst, door de mens.
Ja, Hij was gek.
Ik verdom het, ik doe het niet meer.
Ik zeg niet: ‘Ik vertik het’, meneer, dat kunt u tegen uw familie in Den Haag zeggen, ik ben hier geen professor, geen intellectualiteit, dat heb ik toch, maar ik verdom het om u te haten, te slaan en te trappen.
Jazeker, meneer, ik ga mijn persoonlijkheid doden voor uw plezier, om aan uw rotheid vast te gaan zitten, ik zal u gaan slaan en gaan belasteren, dame; ja, ik ben gek.
Zo denk ik nu over mijn eigen leven en over dat van de mens.
En als u het nu niet wilt weten en niet wilt leren, nou, sla dan maar raak, achter de kist krijgt ge uw eigen knuppeltje te zien.
(Mevrouw in de zaal): ‘Men verklaart een mens voor gek als je niet terugslaat.’
Jazeker, maar dan bent u weg.
Deze maatschappij trapt en slaat terug.
Ik geef u de kans niet meer om mij te slaan.
Ik sla u alleen met wijsheid terug.
Een moeder die liefheeft, die zegt ook niet tegen haar kind: ‘Ik vermoord je.’
Crisje had bij ons thuis de moeilijkste lief.
Ze zei: ‘Dèn is krek as giij bunt, ook mie’n kind.’
Maar Gerhard was moeilijk.
Maar de moeder gaat het kind niet vermoorden.
En slaat terug.
Ze tarten u om te slaan, mevrouw, want de handen die jeuken nu.
En alleen al ...
Zou je zo’n geleerde niet daar met een hamer op zijn kop geven, om daar een aapje door – moet je dat smartelijke gezicht zien van dat aapje – om hem daar open te snijden.
‘Hier, lelijke mensaap, heb je nu genoeg?’
Maar dan heb je nog een moord op je geweten ook nog.
Want je blijft van het leven af, ook al ...
Dan kun je de hele wereld momenteel wel in de gevangenis zetten want Jan Rap en zijn maat steelt.
Ze zuigen uw hart leeg, dame, ze willen uw ziel en uw geest hebben.
Dat zal Johan de Wit ook wel weten.
Maar, de ‘droedels’, meneer Lieftinck. (gelach)
Ja.
Ben ik niet echt vlug, vanavond?
Ik ben erg vlug, want ik ben zo bliksemsnel in denken, meneer, dat is gewoonweg griezelig.
Ik heb nog nooit water gedronken van u, vanavond drink ik zo nu en dan (van de beker water die klaar staat voor de spreker).
Hebt u nog iets?
Dan laat ik het staan.
(Mevrouw in de zaal): ‘Meneer Rulof, u had het net over dromen’, ja, ‘ik heb veel last van nachtmerries’, nachtmerries, ‘heeft dat iets met je vroegere leven te maken?’
Met uw vorige liefde?
(Mevrouw in de zaal): ‘Leven.’
Ja, uw vorige liefde, dan hebt u toch ook het leven te pakken.
Ja, u hebt gezonde en u hebt werkelijk ongezonde nachtmerries.
Dromen te beleven is machtig en leuk, maar wanneer alles zo door elkaar wordt gehaspeld dan is het vreselijk.
Dan slaap je niet lekker.
En dan lopen ze u altijd achterna en ze krijgen u nooit, want u bent altijd aan de ren, hè?
Daar zit wel wat in.
Maar ik heb geen houvast, dame, want als u die nachtmerrie werkelijk opschrijft, dan rafel ik die nachtmerries wel uit elkaar, maar ik kan er zo niet instappen.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik word achterna gezeten door een paar leeuwen ...’
En ze krijgen u zeker nooit?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, ik wou vluchten, hè.
Maar ik moest een trap af, dat was zo gek’ – en die ook de trappen af? – ‘een trap in een dicht woud.’
Een trap af in een dicht woud, nog erger ja, dat is werkelijk een nachtmerrie.
‘Toen ik eindelijk bij die trap was toen was die trap weg, toen viel ik en toen werd ik wakker.’
En toen werd u wakker?
(Mevrouw in de zaal): ‘Toen werd ik wakker.’
En de leeuwen waren weg?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik ben er even uitgegaan en ik ga weer slapen en toen begon het weer opnieuw, toen werd ik door spinnen lastiggevallen, zulke ...’, zulke knapen, echte spinnen met een kruisje op de rug.
Kruisspinnen zijn gevaarlijk, weet u dat?
Mevrouw, dat zijn werkelijke nachtmerries, maar die nachtmerries die hebben betekenis, alleen ik heb geen contact, ik kan ze niet ontleden, ik kan ze niet verklaren omdat u mij ...
Ik weet niet wat daarvoor is gebeurd.
Want die leeuwen ...
Ik heb die mensen weleens bij me gehad ... die leeuwen, mevrouw, die leeuwenkarakters die vinden wij ergens in terug, en dan zat u, hier of daar zat u heus wel iemand achterna met een leeuwenkarakter.
En toen u dan beneden kwam aan het trapje, en u viel, toen was het in ene keer gebeurd.
Maar dat gaat voort.
En de geest bouwt tot het oerwoud ...
Dat is een oerwoud hoor, dame, want deze hele maatschappij is een oerwoud.
Maar nachtmerries zijn vies, dat is vreselijk.
Verleden vertelde me iemand een verhaal.
Toen zegt ze: ‘Altijd om twee uur ga ik gillen, en dan zit mij iemand achterna.’
Ik zeg: ‘Dan moet je een stuk touw over de weg spannen, dan breekt hij zijn nek.’ (gelach)
Toen zegt ze: ‘Maar hoe kan ik dat doen in de geest?’
Ik zeg: ‘Mevrouw, zo in den blinde.
Hier ligt het touw.’
Nu geen gekheid, maar dat kan.
Ik vertel nooit gekheid of ik heb de heilige ernst erbij, weet u dat?
Iemand die zegt: ‘Er loopt mij altijd iemand achterna die wil me te pakken krijgen.
En dat is nu al vijftien jaar aan de gang.’
Ik zeg: ‘Meneer, dan zal ik hem vannacht even laten vallen.’
Ik zeg: ‘Ik zal u helpen.’
Ik zeg: ‘U gaat maar, om twee uur gaat u slapen, niet eerder.’
Ik zeg: ‘En die eerste diepe slaap, u slaapt dan half twee, half drie, drie uur ...’
Want het was een patiënt van me.
En die man zijn zenuwen gingen kapot, alleen door dat niet slapen.
En altijd maar, als hij in slaap kwam, dan zaten hem twee kerels achterna ... (niet te verstaan) en die wilden hem maar hebben, portemonnaie, zijn centjes en dan chantage.
Ik zeg: ‘Meneer, wat hebt u in 1921, 1922, ik zie de winter, november, wat heb u toen gedaan?’
En toen was hij zelf het ongeluk voor die chantage.
En dat volgde hem, hij zat ergens in, hij gaf de mogelijkheid en daar is hij van geschrokken, en dat hield hem vast.
Ik zeg: ‘U bent het zelf.’
Maar goed, we hebben een geestelijk koord gespannen over de weg.
Ik zeg: ‘Die weg.
Hoe is de weg?’
‘Zo en zo en zo.’
‘Goed, en waar komen ze dan?’
‘Daar.
Dan staan ze achter die bomen en dan komen ze en dan rennen ze en dan moet ik weg.’
Ik zeg: ‘En daar zullen ze vallen.’
En toen hebben we een geestelijk koord gespannen, met meester Alcar, en toen vielen ze, ze gingen over de kop, kwamen in een sloot, dachten dat ze verdronken, want dat hoorde er ook bij, en hoe meer de schok voor die wezens was, des te dieper was ook de schok in hem en toen gaf hij een gil, en toen kon hij zich in die tijd verstoppen en toen kwamen ze het water uit, en toen renden ze door en konden ze hem niet meer vinden.
Vanaf dat ogenblik was hij zijn nachtmerries kwijt.
Het kostte hem tweevijftig, die behandeling.
En hij was al vijfduizend gulden kwijt bij de psycholoog; maar hij was het nog niet kwijt.
Bij mij kostte het twee vijftig, meneer.
Door dat geestelijke koordje.
(Tot iemand in de zaal): Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Mijn man heeft ook nachtmerries, maar van de week heeft hij me zowat gewurgd, maar ik werd wakker, in mijn slaap had ik hem al zo beet.
Dat is nogal aardig afgelopen.
Er is nog wel meer voorgevallen, maar ook met nachtmerries heb je dat.
Hij bedoelt het zelf, geloof ik, niet zo.’
Hij weet het niet eens.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, hij weet het geeneens.
Nee, want de andere dag toen zei ik het tegen hem, toen zegt hij: ‘Nee, ik wou opstaan.’’
Dus in zijn onderbewustzijn is hij u heerlijk aan het liefhebben met de handen naar uw keel toe. (gelach)
Mevrouw, het enige wat daar goed voor is, is een flinke mep op zijn neus.
Zo, whóem.
Niet met een knuppel, maar met zo’n klein latje, páts, dan schrikt hij en die schrik, die schrik ...
Ja, het is weleens nodig.
Dat is niet slaan, maar die tik ...
Als hij dat doet, dan zegt u - klets, huh -: ‘Ja man, voor het goede.’
En die schrik houdt hem tegen om zijn handen uit te steken, in slaap.
(Mevrouw in de zaal): ‘ ... (niet te verstaan) hij ziet vannacht, ziet hij wat ook zelf, dan gaat hij zijn bed uit ...’
Ja, hij is mediamiek.
Ik heb een dame gehad, die deed aan spiritisme.
En: ‘Ja, ja.’
‘En we hebben het zo mooi.’
En eindelijk ...
Ik zeg: ‘Meneer, laat ze ophouden, meneer, want dat is klets wat u daar hebt.’
Nou goed, ze gingen toch door.
Na vier weken moest ik komen: ‘Meneer Rulof, kom toch alsjeblieft want mijn vrouw is kierewiet.’
En daar zat ze: ‘De Heilige Geest komt en als we hem zien dan zal de wereld wel zien ...’
Ik zeg: ‘Ja, daar heb je het alweer, de Heilige Geest is het weer.’
Ik zeg: ‘Meneer, mag ik een emmer vol met koud water?’
Toen zegt hij: ‘Wat wilt u doen?’
Ik zei: ‘Een emmer koud water helpt alleen hier, mijn kracht helpt haar niet.’
Hij zei: ‘Ja, maar dat neem ik niet op mijn rekening.’
Ik zeg: ‘Ja, de buren krijgen er last van, maar ik heb een emmer vol koud water nodig.’
En ik had ze zo onder de straal gezet, en niet onder de krachten van de meester.
Maar een emmer vol koud water had het gedaan.
‘En als u niet wilt, meneer; over twee dagen gaat ze naar Rosenburg (psychiatrische inrichting in Den Haag).’
Ze wilden het niet.
En ik had ze alleen een shock willen geven, door koud water.
Twee dagen daarna zat ze in Rosenburg, en toen kreeg ze veertien shocks, en toen was ze er nog niet.
Doordat, ze wou ook medium zijn.
U kent toch wel de drama’s; het is toch geen wonder dat onze dingen in de straatgoten van de stad liggen.
Maar uw man is natuurlijk sensitief, en hij is natuurlijk, zijn onderbewustzijn, bezig, want we hebben honderd miljoen levens gehad.
Waarover heeft hij die nachtmerries?
Dan is hij bezig in zijn strijd, dame, en dan ligt u daar als een liefhebbend moeder, en dan word je heerlijk geworgd.
Leuk, hè?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, maar hij doet het weleens meer.
Ja, wakker is hij niet ...’
Maar het is droevig genoeg.
Maar het is geen droevigheid, het is het verleden dat in hem spreekt.
Maar pas op, want u wordt geworgd.
Want als hij éénzijn beleeft met die toestand waarin hij leeft, waardoor zijn handen zich uitsteken en ontspannen, dan zijn er heel wat mensen geworgd.
Ja.
Het kan nog gevaarlijk zijn.
Maar u weet nu hoe laat of het is.
Als hij u worgt dan gaat u lekker uw ‘vleugeltjes’ krijgen.
En hij zit met de narigheid, want de rechtbank die gelooft het niet.
Die zegt: ‘U heb uw vrouw geworgd.’
En dan gaat hij de gevangenis nog in ook.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, maar zover wou ik het niet hebben, toen wou ik op een andere kamer gaan slapen ...’
Ja, zover wilt u het niet hebben, maar veronderstel dat hij de kans krijgt om u wel te worgen, dan is het gebeurd.
(Mevrouw in de zaal): ‘Dan is het te laat.’
Kijk, en nu is er een mogelijkheid.
Als u nou bij mij komt, in die tijd bij mij kwam en u moet een diagnose hebben, dan vraag ik meester Alcar: ‘Wat is hier nu nodig?’
Dan zegt hij ...
Als ik het niet kan, dan gaat u naar een dokter en dan laat u hem iets geven voor zijn zenuwen zodat die zenuwen tot kalmte komen.
Want de zenuwen krijgen zijn gevoelsleven, de zenuwen gaan aan de gang, en dan is zijn beheersing, zijn concentratie, die nu onbewust is, is weg, en dan gaan de zenuwen handelen en die zenuwen zitten ook in zijn handjes en daar zit ook het gevoelsleven in, en dan grijpt hij al; en hij weet het niet eens.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, maar iets van de dokters dat heeft geen vat op hem want op zijn zenuwgestel werkt het niet.’
Nee, maar de zenuwen, die zijn het, om die te kalmeren ...
Ja, ik heb middelen genoeg voor hem als hij dat wil.
Laat hij onder ijskoud water gaan.
Laat hij kalm beginnen van de zomer, en laat hij het een tijd doorzetten.
Toen ik ‘Het Ontstaan van het Heelal’ had, toen plaatste de meester mij twee maandenlang, ’s avonds om half twaalf kon ik me heerlijk uitkleden, dan moest ik heerlijk onder de koude kraan, midden in de winter.
Waarom?
Zegt de meester: ‘Want de zenuwen van je, André, die staan op het kookpunt.’
Ik heb mijn dingen moeten verdienen, dames en heren.
Het was heus niet zo leuk om elke avond onder de koude kraan te gaan.
Maar de vlammen vlogen van mijn organisme af.
Het water was direct gloeiend heet, zo’n brand was er in mijn zenuwen.
En ik heb nooit hoofdpijn beleefd, één keer maar.
En toen praatten wij het er nog uit.
Wilt u verruiming?
Verruim dan uw wil en wees nooit lui.
Ik heb gezegd: ‘Ik wil met luiheid niet te maken hebben, en met moeheid helemaal niet.’
Ik heb nu honderd schilderijen gekregen, mooie machtige borden.
Ik heb er straks dertig voor u, als u er eentje van wilt hebben voor uw huis, voor uw gezin ...
Ja, dan zeggen ze natuurlijk: ‘Niet te duur, zeker.’
‘Niet te duur weer, hè?’
Maar die zijn voor ‘Jeus III’.
Wat zei ik nu zo-even, daarvoor?
(Meneer in de zaal): ‘Jeus III.’
Voor ‘Jeus III’, ja.
Maar dat was het niet.
Nee, ik ben het kwijt.
(Mevrouw in de zaal): ‘Schilderijen.’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Over de borden.’
(Meneer in de zaal): ‘Die schilderijen.’
Ja, daar had ik het over.
Maar er was nog wat anders.
O ja, ik heb het alweer, meneer.
Ik heb het alweer.
Nee, ik had het nog niet eens gezegd.
We hebben er honderd gemaakt, ik ben nu alweer aan het schrijven, ik heb alweer bijna weer een half boek af, maar ik ben niet moe.
Ik word nooit moe.
Ik wil met moeheid niet te maken hebben.
Want de mens is ruimtelijk diep en de mens kan zich zevenmaal uitputten, dat heb ik in de oorlog beleefd, geschreven, we hebben nu vijfentwintig boeken af, en ik zou er nog wel aan vijfentwintig kunnen beginnen, maar het is niet meer nodig, want de meesters zeggen: ‘Straks is het directe-stemapparaat op aarde en waarom zouden we je nu afbeulen?
Geniet nu maar van Moeder Natuur, praat eens met een bloem en een plant, want de mens luistert toch niet.’
Maar dat is niet waar, want u bent hier ook vanavond, meneer.
Dames en heren, tot zondagmorgen.
Daar spreken in Diligentia de meesters, want ik ben nog maar een grote sufferd.
Slaap lekker.
Tot zondagmorgen.
(Er wordt geklapt.)