Donderdagavond 14 februari 1952

Goedenavond, dames en heren.
Ik ga beginnen met: ‘Wat is de bedoeling van God geweest om Zich te splitsen indien toch alles weer tot het Al terugkeert?’
Van wie is dat?
Hebt u mijn boeken gelezen, meneer?
(Meneer in de zaal): ‘Niet allemaal.’
Wat is de bedoeling van God geweest om Zich te splitsen?
U bent een splitsing van God.
Maar wanneer de Albron ...
U moet God niet eerst nemen en zien.
Maar wanneer de Albron niet aan splitsing, aan vader- en moederschap was begonnen, dan was er immers nóg leegte.
God heeft – we zullen God zeggen – God heeft hierdoor die ruimten gevuld.
Er was toen niets, alleen kracht, leven.
En daardoor zijn er planetenstelsels ontstaan, universums, waarin wij leven.
U zit hier wel in een huis, maar u zweeft elk ogenblik met een vaart van zoveel kilometers per minuut door de ruimte.
Als u dat voelt, dan krijgt u gevoel, dan krijgt u bewustzijn en gaat u God voelen, dat wil zeggen, uw eigen goddelijkheid.
(Tot een paar mensen die net binnenkomen): Komt u binnen, dames.
En hierdoor is dus een universum ontstaan waarin leven, als God, aanwezig is; goddelijke vonken, wij zijn goddelijke vonken.
Een goddelijke persoonlijkheid hebben we ook, maar die moet nog ontwaken.
We zijn nog maar mensen en leven nog op aarde, terwijl er nog duizenden universums te beleven zijn.
En wanneer we nu in het Al zijn gekomen, zijn wij bewuste menselijke goden geworden.
Begrijpt u dit?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar u zegt, dan keren we weer tot God terug, dus dan zijn we weer op het uitgangspunt.’
Nee, dan zijn we op het punt waar wij het einddoel beleven en vertegenwoordigen.
(Meneer in de zaal): ‘Is dat niet hetzelfde als het begin?’
Nee, natuurlijk niet, want toen was u alleen kracht, toen was u alleen onzichtbaar leven en nu bent u een menselijke God.
Christus en miljoenen andere mensen die leven er al.
De mensen van honderd miljoen jaar terug die leven nu in het Al.
En wij zijn nog maar bezig op aarde.
Wij zijn nog niet zo oud, ook al hebben wij miljoenen tijdperken beleefd en honderd miljoenen levens gekend en gehad.
Maar we zijn nog niet oud, want we zijn nog maar pas op aarde.
Dit universum overwinnen wij wanneer we de planeten hebben beleefd, en, u ziet het, dit is een planeet.
Door vader- en moederschap, wedergeboorte, reïncarnatie, komen we terug en krijgen we een nieuw lichaam, een hoger stadium en daardoor gaan we verruimen.
Duidelijk?
Nog iets, meneer?
Hebben andere mensen nog een vraag hierover?
Want dit is de moeite waard.
(Jozef leest verder:) ‘Ik vermoed dat wij dat niet begrijpen’ – is het niet eenvoudig? – ‘begrijpen kunnen zolang wij de zevende sfeer niet bereikt hebben.’
De zevende sfeer, meneer, is nog niets; ook al beleeft u de eerste en de tiende sfeer – er zijn geen tien sferen – als zelfstandigheden als het ware ...
Niet?
Hoewel elke sfeer weer onderverdeeld is door andere toestanden, dat zijn graden, totdat u een sfeer, een ruimte en een wereld hebt overwonnen.
Maar wanneer u in de zevende sfeer bent, meneer, dan weet u nog niets (in vergelijking met de bewoners van de hogere kosmische levensgraden), dan weet u veel (in vergelijking met de andere bewoners van het hiernamaals en van de aarde), dan bent u hier (op de derde kosmische levensgraad) kosmisch bewust.
En dan gaat u weer verder, u wordt weer embryo, en nu wordt u door een ander universum, de Vierde Kosmische Graad noemen dat de meesters, aangetrokken.
En dat planetenstelsel – hebben we hier ’s avonds eens over gesproken – is wonderbaarlijk.
Als u de lezingen nu meemaakt die nu komen in Diligentia ...
Wij gaan nu beginnen met het vader- en moederschap van het universum voor de mens.
Heel dit universum is alleen vader- en moederschap.
Doodeenvoudig: het ligt volkomen open.
Als de astronomen dat wisten, en pertinent konden aanvaarden dat de maan als moeder, als Almoeder voor deze ruimte zichzelf splitste en daardoor leven gaf aan bil ..., bil..., biljoenen vonken, uit God ontstaan ...
Dat hebben we al beleefd, nietwaar, mensen?
En nu komt dat voor het universum, het vader- en moederschap, en dan gaan we rechtdoor naar de Vierde Kosmische Graad, de Vijfde, de Zesde; en de Zevende Kosmische Graad is het goddelijke Alstadium, maar nu het bewuste goddelijke Alstadium.
Het Alstadium van vóór de schepping heet: onbewust stadium.
Doodeenvoudig.
Niet, moeder?
Toch doodeenvoudig?
Is het niet eenvoudig?
(Tot iemand in de zaal): Wat zag u?
Meneer, hebt u nog iets?
Ze zat zo lekker te staren.
Niemand meer een vraag over dit?
Het is het Al!
Zijn we nu al uitgepraat?
Wat jammer, hè?
Ik kan er nog wel honderdduizend jaar over praten.
We hebben hier: ‘Tijdens de laatste lezing in Diligentia,’ dat gaat ook naar het Al, ‘toen werd door meester Alcar onder andere verklaard, dat hij,’ dat was meester Zelanus, ‘dat hij de wetten had gezien.’
Zij zien ook de wetten.
U kunt ze hier ook zien.
‘Het antwoord op de vraag, wat deze wetten zijn, is mij niet duidelijk.
Kunt u mij verklaren of er verschil bestaat tussen wetten en krachten, en zo ja, waaruit het verschil bestaat?
Zijn deze wetten en krachten zelfstandige entiteiten, bewustzijn?
En zo ja, waaruit bestaan zij?
Wat is hun inwezen?
Wat zijn ze per se?
En wat is hun uiterste oorsprong?’
Van wie is dat?
Meneer?
Meneer, de theosofie, de theosoof ...
Meneer, weet u niet wat een wet is?
Heeft de theosofie dat ...
(Tot de zaal): Nee, ernstig.
Wat zegt de theosofie?
Ik wil dat wel graag weten.
Wat geeft u de theosofie hierover?
(Meneer in de zaal): ‘Daar geef ik geen antwoord op, want ik wil graag úw antwoord weten.’
Nee, o, bent u bang dat u tekort komt?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Meneer, ú bent een wet.
Een machtige wet zelfs.
U bent ook kracht en u bent ziel en u bent geest en u bent leven en u bent een persoonlijkheid, maar bovenuit en boven alles een wet, een goddelijke wet.
Wist u dat?
Dus dan komen we op één punt.
En de hele natuur is één wet.
Maar nu hebben we zelfstandige wetten, zelfstandigheden als wet.
En nu kunt u beginnen.
Nou, zegt u dan ook eens wat, ik wil ook weleens graag horen wat Blavatsky zegt.
Ik smijt altijd met wijsheid en nou geeft u mij niets terug.
Nou, zeg dan eens wat.
(Meneer in de zaal): ‘Ik zou het verschil tussen krachten en wetten ...’
O, nou ...
(Meneer in de zaal): ‘Dat zijn gewoonten.’
Zijn dat gewoonten?
(Meneer in de zaal): ‘Dat zijn gewoonten die ontstaan zijn door ...
Alles is harmonie, dus alles wat onharmonisch is moet naar harmonie gebracht worden.’
Ja, maar wáárin, waarin leeft in de schepping de disharmonie?
In de ganse schepping ... er is maar één disharmonie.
Er zijn er meer, natuurlijk, maar dat weet u.
(Tot de zaal): Nee, dat is juist interessant, dames en heren, want hier kunnen we van leren.
Want dat is toch de mogelijkheid; dan krijgen we vergelijkingen en dan komen we tot diepten.
Daarom vraag ik hierover.
Hier kunt u zes weken over praten.
Voor mij dus niets meer?
Is het geen jammer?
Hier liggen ...
Deze vraag, meneer, verbindt mij en de meesters met duizend boeken.
En nu weten we al niets meer.
Is het geen jammer?
U krijgt de avond.
Ik maak er vaak iets van.
Maar u kunt veel mooiere avonden hebben als u zelf denkt en vraagt.
Dit vind ik interessant.
Kijk, u zegt: ‘Tijdens de laatste lezing ...
Kunt u mij verklaren of er verschil bestaat tussen wetten en krachten?’
Natuurlijk is er verschil.
Welk verschil?
In de eerste plaats, u bent zelf een wet.
De nacht is een wet.
Als wat?
Als wat?
De dag is een wet.
Als wat?
Wat is de dag?
(Meneer in de zaal): ‘Niet als zelfstandigheid.’
Jazeker.
(Meneer in de zaal zegt nog iets.)
Nee, de dag is een zelfstandigheid, de nacht is een zelfstandigheid.
De nacht als wereld is een eenheid, is een persoonlijkheid, is een zelfstandigheid.
Een boom, een bloem, een hond, een kat, een mens, regen en wind: zelfstandigheden, krachten, ook krachten; maar ook zelfstandigheden en een persoonlijkheid.
De regen is een aparte persoonlijkheid.
Voor wat?
Voor groei, bloei.
De wind, om het aan te wakkeren; door wind, door storm krijgen we regen.
Dus de fundamentele krachten die naar die zelfstandigheid gaan zijn onderverdeeld in wind, storm, kracht, regen.
Dat is geboorte.
Voor de zon is dat scheppen.
Was er geen zon meer, waren we in de tijd van een jaar, zijn we allemaal morsdood.
Niet, niet gelukkig; nee, morsdood.
Dus kracht.
Maar ook een zelfstandigheid en een wet.
De nacht is een wet; de dag is een wet, dat zijn goddelijke wetten.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar nu heeft meester Zelanus in Diligentia verklaard: hij had die wetten gezíén.’
Ja, maar daarom zeg ik: dat kunt u ook.
(Meneer in de zaal): ‘ ... gaan zien in de werking.’
Als u die mensen bekijkt ziet u een paar honderd wetten.
Allemaal wetten.
En wat?
Vaderschap, moederschap, licht, leven ...
(Meneer in de zaal): ‘Ja, dus in de werking alleen, niet als entiteit, niet als persoonlijkheid.’
Nou, maar lieve mens, zijn dat geen persoonlijkheden?
(Meneer in de zaal): ‘Dat is de mens in de werking van die wetten.
Vaderschap en moederschap, nietwaar, dat zijn ook wetten.’
Já.
(Meneer in de zaal): ‘Nietwaar, maar we kunnen ze niet zien.
Ze zijn ...’
Mijn hemel, ik kan ze hier zo in me opnemen.
(Meneer in de zaal): ‘ ... abstract.’
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Ze zijn abstract.’
Zijn dit abstracte mensen?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Nee, maar ik heb het over die mensen.
(Meneer in de zaal): ‘De eigenschappen van de mensen.’
Zijn die abstract?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Meneer, als ik niet oppas ben ik mijn portemonnee kwijt.
Vindt u dat abstract?
(gelach)
Ja, hier stelen ze niet.
Maar als ze mij een klap geven, of ze doen me dit, vindt u dat abstract?
Die persoonlijkheid die laat zich volkomen zien.
Ben ik abstract nu ik aan het praten, aan het voelen, aan het denken ben?
Is dat abstractie?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, hetgeen wat u uit wel.
De persoonlijkheid zelf niet.
Maar wat u uit wel, dat is abstract.
Dat is niet zichtbaar.’
Ik ben aan het lezen, ik doe iets.
Dat is toch een concreet iets?
Dat is toch dagbewustzijn.
Maar goed, nu ga ik over in de abstractie.
(Jozef laat een stilte vallen.)
(Meneer in de zaal): ‘Dat zijn uw gedachten hierover.’
Ja, hoort u ze niet?
Hoort u ze niet?
Dat is abstractie.
(Meneer in de zaal): ‘Ja ...’
Maar nu gaan wij ze ...
Dus dat is nog baring, ik ben nu aan het baren.
Weet u wat ik nu zeg?
En nu ga ik scheppen.
Als het woord – dat is voor de persoonlijkheid – als het woord innerlijk is gevoeld, dat zijn gevoelens, die zetten we om in stof, woorden, dat is scheppen.
En dat is voor de nacht baring, een wet.
En voor de dag de zon, ook een wet.
De nacht is moederschap en daglicht is vaderschap.
Dus een wet als vader, als moeder, als licht, als leven, als persoonlijkheid, als kracht, allemaal kracht.
Is dat beantwoord nu?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar wat de ... (niet te verstaan) ... nu per se is?’
Weet u dan niet wat nacht is?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, wat kracht per se is, het inwezen van kracht.’
Het inwezen van kracht, weet u dat niet?
Weet u dat?
Wat zegt Blavatsky daarover?
(Meneer in de zaal): ‘Dat is de manifestatie, de eerste manifestatie van het goddelijke Al, nietwaar ...’
Ja, ja, maar wat is dat?
(Meneer in de zaal): ‘Het is ondenkbaar voor ons menselijk begrip.
Dus als de krachten ... moeten we ons denkbeeldig voor gaan stellen, nietwaar, dan grijpen we veel te hoog, dat gaat boven ons begrip.’
Ja, als u tenminste over de Albron praat.
(Meneer in de zaal): ‘Natuurlijk, dat is de oorsprong.’
Ja, maar die Albron ... dan komt u er niet meer uit, nietwaar?
Daar kunnen wij toch niet bijkomen?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, daarom juist.’
Ja meneer, wacht eens even, ‘daarom juist’, zegt u, maar, meneer, dat lééft in de mens, in een diertje, in een plantje.
Als ik, moet u goed luisteren ...
U kunt dat niet verwerken?
(Tot de zaal): Kunt u dat begrijpen, dames en heren?
Wat zegt Blavatsky daarvan?
(Meneer in de zaal): ‘Hetgeen wat ik hier zeg, dat ...’
Kan zij dat ...
Is dat niet te verstoffelijken dat gevoel?
(Meneer in de zaal): ‘Maar de werking is zichtbaar.’
Ik kan nu hier, vanaf deze plaats kan ik de Albron manifesteren.
Ik kan dat.
U kunt dat ook.
Maar ik kan dat hier.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, de werking.
Maar kunt u het laten zien?’
Jazeker.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, hoe moet ik dat zeggen, als entiteit, als persoonlijkheid?’
Ja, u wilt toch zeker niet dat ik die werkelijke Albron naar de aarde trek.
(Meneer in de zaal): ‘Juist, dat is hetgeen, nietwaar, als men zegt: ik heb de wetten gezien, dat nemen we aan, niet de werking ervan, dat was de strekking van ...’
O, u wilt zeggen, meester Zelanus heeft die wet gezien en hij kan die mee naar de aarde nemen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, of hij die mee kan nemen is vers twee, het gaat erom: hij heeft ze gezien, zegt hij.’
Ze zíjn het.
U hoeft ze niet te zien.
Daarom ga ik op dat zíjn in.
U zegt: ‘Ze zien.’
Daarom zeg ik: hier zitten wetten.
Een hond, een kat, de natuur, elk ding, elk ding, elk stoffelijk ding is een goddelijke wet.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, in de werking.
De theosofie verklaart: het is onverklaarbaar.’
Och, klets.
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Ziet u wel, meneer, onverklaarbaar.
(Meneer blijft er doorheen praten.) Wat was de Albron, de Almoeder?
Kunt u dat niet voelen?
Is dat onverklaarbaar?
(Meneer in de zaal): ‘Dat is ondenkbaar.’
Hèhèhèhè, nou dan zijn we dan toch wel een stuk verder, ik ben blij dat ik het hoor.
(Meneer in de zaal): ‘ ...nog menselijk.’
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘U denkt altijd nog menselijk.’
Ik?
(Meneer in de zaal): ‘Het goddelijk bewustzijn, goddelijk kunnen denken, dat bestaat niet.’
Bestaat dat niet?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, dat bestaat niet.’
Mijn lieve man, in die menselijke toestand doe ik elke dag goddelijke taken.
(Meneer in de zaal): ‘Ja meneer, als mens, nog steeds als mens zijnde, maar niet als God zijnde.’
Ook wat.
(Meneer in de zaal): ‘Honderd procent ...’
Dus u wilt mij hier al als God zien?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, dat zeg ik juist, als u God wás dan kent u God voor honderd procent.
Maar u moet eerst God voor honderd procent zijn, dán bent u God zelf.’
Ja, daar praten wij al zeven jaar over, dat we dat niet zijn.
U luistert niet.
Ik zeg tegen die meneer: ‘U bent een godheid in een menselijke toestand.’
Zei dit u dan niets?
Je komt altijd op moeilijkheden.
U denkt ver, maar u slaat stukken over.
Mag ik het zeggen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, ik ga naar de kosmos toe.’
Je gaat naar de kosmos, maar híér ligt de kosmos.
(Meneer in de zaal): ‘In zijn werking.’
(Tot de zaal): Daar is niet mee te praten.
Is dat zo of niet?
Glashelder breng ik u terug naar de aarde, en dan is daar weer iets, een gat en dan ...
Maar wij moeten maar weer verder.
Ik zei: ik kan u verklaren dat ik hier de Albron beleef, en elk mens.
En de theosofie zegt van nee.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, hetzelfde.’
Precies hetzelfde.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar daarom kennen we God nog niet.’
Kent u God nog niet.
Dat is die abstractie in die theosofie.
Wij kennen God van a tot z.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, in Zijn werking.’
In Zijn kracht, in Zijn geest, als Zijn persoonlijkheid, als Zijn licht, als Zijn leven, als Zijn vader-, als Zijn moederschap kennen wij God.
Ik heb Hem gezien.
(Meneer in de zaal): ‘Met ons menselijk begrip, menselijk denkvermogen; verder kunnen wij niet komen, want er zijn grenzen.’
Ja, voor ú.
(Meneer in de zaal): ‘Wij zijn geen goden.’
Ach, wij zijn nog maar grote sufferds.
Dat zijn wij.
Maar wij hebben contact gekregen met mensen die die wetten hebben gezien.
Nee, ze zijn geestelijk bewust, kosmisch bewust; en nu kennen ze God.
Ze weten alleen dat ze de Vierde Kosmische Graad nog niet bezitten.
Ik ben er geweest.
Ik heb het Al gezien.
Ik heb God gezien zoals Hij in het Al bewust is.
Driemaal was ik in het Al.
Kunt u dat aanvaarden?
Gelooft u natuurlijk niet.
Nee, dat gaat te ver.
Maar ik heb de boeken, meneer.
Ik heb de boeken.
Ik heb de reizen gemaakt.
De boeken liggen vast.
Die eer die krijg ik niet.
Maar er is nog niemand geweest daar, geen theosoof is er in het Al geweest.
Nee meneer, geen Boeddha, geen Mohammed.
Ik heb ze allemaal gezien en gesproken op Golgotha toen we terugkwamen.
Daar stonden ze.
Ik heb Blavatsky ook gesproken; op Golgotha, in de geestelijke wereld stond ik voor haar.
En toen hadden wij het hierover.
Ik doe haar werk, weet u dat?
Ik ben de voortzetting van Blavatsky.
Wist u dat?
Maar de theosofie die moet mij niet.
Ik ben de voortzetting van alle mystieke wetten op de wereld.
Die eer heb ik gekregen, dat staat in de kosmologie, die hebben we beleefd.
Als u de boeken had, moest u het aanvaarden; dan zult u wel moeten.
Elke faculteit van de aarde moet het aanvaarden want zij moeten die leer en die wijsheid uitdragen.
Ik kan geen halve kosmos of geen verkeerde kosmos naar de aarde brengen.
Ik heb ...
Blavatsky, Pythagoras, uit het oude Egypte, Rudolf Steiner, Ramakrishna, al de mystieken die hun hand hebben uitgestoken, meneer, die vertegenwoordigen wij hier vanavond en in de boeken.
Ik ben de voorzetting van Ramakrishna, van Blavatsky en van alle mystieke meesters op de wereld.
En dan hoeft u het niet te nemen, maar ik zeg het u.
En dat zal ik u bewijzen als u hier duizend jaar kan zitten.
Want ik sta nooit met de mond vol tanden.
Maar ik wou u iets moois vertellen.
Ik zal u het beeld geven omdat u zegt: ‘Dat is niet te verklaren.’
Dames en heren, luister goed, dan kunt u zien, dan zult u beleven hoe de Albron begon.
De Almoeder, de Alvader, die kennen wij niet, zeggen ze, God Die kennen wij niet.
Maar wij kunnen u met de Almoeder en de Alvader verbinden.
Wij.
Toen de Almoeder begon te denken – dat was de Almoeder, dat was God niet, dat weet u toch, nietwaar? – toen begon zij te baren en te denken.
Er was denkkracht in de ruimte.
En die heb ik ook.
En die hebben de mensen ook.
Als vader en moeder gaan verlangen, als de moeder gaat verlangen naar een kindje dan is zij astraal, geestelijk, ruimtelijk, Albronnelijk precies op dezelfde kracht en de wet als toen de Almoeder begon te denken aan baring en aan scheppingen.
Als de moeder vraagt om een kind, beleeft de moeder hier op aarde, en elk diertje, dezelfde wet als kracht en gevoel voor baring en schepping; hier op aarde, meneer.
Dus de Albron leeft hier in de mens.
Vindt u dat niet leuk?
Is dat niet heerlijk eenvoudig?
Daarom haal ik het zo vanuit de Albron naar de mens.
Daarom zeg ik: kijk, dat zijn allemaal mensen.
Meneer, heb ik gezien, heb ik beleefd.
Ik heb álles beleefd.
Ik praat niet uit boeken.
Maar dan kunt u mij controleren met uw wijsheid.
Leugens hebben we hier niet.
U kunt zeggen: ‘Neem ik niet.’
Prachtig, dat moet u weten.
Daar ben ik nooit kwaad om.
Alleen, het houdt u tegen.
Maar Blavatsky heeft dat niet beleefd.
Toen ik voor haar stond op Golgotha, toen kwamen wij ... toen kreeg ik een naam, daar heeft meester Zelanus al eens een keer over gesproken, en toen moesten de anderen die hier waren ...
Ziet u, daarom is het zo ontzettend droevig.
Krishnamurti kreeg de kans, hè.
Krishnamurti is een gevoelsbewuste, meer niet, niets meer.
Van de ruimte?
Toen Ron Landell in Amerika naar hem toe kwam, hij zegt: ‘Krishna, geeft me de waarheid, jij moet het weten.’
‘Ik weet het niet.’
‘Meen je dat?’
Hebt u dat boek van Ron Landell gelezen, moet je eens lezen.
Meester Alcar zei: ‘Dát zul je lezen.’
Toen las ik het.
Ik denk: die blaas ik allemaal van mijn hand.
Toen zei meester Alcar: ‘Ik dank je.’
Toen kwam Ron Landell, toen zei Krishna: ‘Weet je het?’
Annie Besant is toch een kopstuk.
Welke hebt u van de theosofie?
Annie Besant, Blavatsky, over wie hebt u het eigenlijk?
(Meneer in de zaal): ‘De originele, dat is Blavatsky.’
Ze zijn gesplitst tot in het oneindige nu.
Waardoor, weet u dat ook?
(Meneer in de zaal): ‘Het interessante van dit gesprek is dat het Oosten en dat Blavatsky ...’
Ziet u, omdat ...
Annie Besant had bij mij moeten komen toen ze dacht: Christus leeft in Krishnamurti.
Toen had ze bij mij moeten komen dan had ik haar die val kunnen be ...
Had ik haar kunnen ...
Nou, zeg het eens?’
(Tot iemand in de zaal): Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Dan had u haar kunnen behoeden daarvoor.’
Ik zakte daar helemaal weg, dan kun je niet meer denken.
Dan denk je niet meer in stof.
Ik had haar kunnen behoeden voor die val.
Moet u eens nagaan, is dát een meester, die daar de leer ...?
De theosofie is zo ontzagwekkend machtig.
Heeft veel franjes.
En daar slaat Annie Besant de leer in de soep omdat ze denkt dat daar Christus op aarde komt in een mens, in Krishnamurti.
God, god, god, mijn lieve god.
Zij in de sferen; wat een armoede.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, zij op zich, zal ik maar zeggen, er zijn een hoop theosofen op het moment.’
Maar mijn lieve meneer, de theosofische wereld kreeg een schok van jewelste toen dat gebeurde.
Zij mag die fout, en mocht die fout, en kan die fout niet maken.
Toen kreeg Krishnamurti ... die moest naar Oxford, hij moest studeren.
In Amerika vocht ik tegen de mensen.
Toen hebben ze een boek geschreven.
Ik heb het boek hier in een hoek gegooid.
Christus die was daar in het Oosten geweest, en daar zat Christus in de tuin en toen zegt hij: ‘Hé, Jezus, zou je nog eens iets willen vertellen van de Bijbel?’ en dan gaat Jezus maar praten.
Daar maken ze van Christus een surrogaat.
Die man, die hoogmoedswaanzinnige, die zo over de Christus praat.
Wij vechten als duivelen – dat hoort er ook niet bij, nietwaar, maar wat moet je anders zeggen – als duivelen voor de Christus om Hem rein en zuiver te laten zien, want wij kennen Hem.
En daar, komt daar zo’n gek van een kerel en gaat naar het Oosten en laat daar Christus ...
Jezus Christus zit daar in een tuin en zegt: ‘Kom’, had daar nog zo’n jongen bij zich, ‘kom, we moeten nog naar een paar zieken.’
Het lijkt wel of het een marskramer is.
En die mensen ...
Ik zeg: ‘Meneer ...’
‘Och, dat is het machtigste dat we hebben.’
Ik zeg: ‘O ja?’
Ik zeg: ‘Meneer, één ding, u bewondert mij ...’
Ik was de grootste knaap in Amerika.
Met mij wilden ze reclame maken want ze hadden niets.
Ik was het.
De bladen kwamen; kwamen ze bij Jozef Rulof, ze hadden zelf niets.
Allemaal klets.
Mijn bloed liep daar weg, door het bedrog.
Toen kreeg ik dat boek in handen, ‘De meesters van het Oosten’ (B.T. Spalding: ‘Meesters van het Verre Oosten’).
Ron Landell die heeft ze achtervolgd, de wijsgeren.
Hahahaha, niet om die mensen uit te lachen, maar die hebben daar een mogelijkheid gekregen.
Krishnamurti die stond daar in het Oosten, toen zei Annie Besant, toen kwam hij, en hij zou praten – ik kom op dat Christusverhaal terug – en toen zegt Annie Besant: ‘Daar hebben we nu tweeduizend jaar op gewacht.
Hij is er.’
Toen zei Krishnamurti: ‘Ik zal streng zijn, maar rechtvaardig.’
‘Och och och’, zegt Annie Besant.
Ze zag in de mens de Christus.
Christus leefde weer in Krishnamurti.
Goh, oh, oh, ik heb ze van Holland uit hard uitgelachen.
In Amerika precies hetzelfde laken en pak.
Ik zeg: ‘Meneer, als ik naar een school ga, kan die school mij helpen als Gene Zijde, de meesters moeten werken?’
‘Nee, o God, bewaar me, Jozef.’
Ik zei: ‘Ik mocht niet eens een boek lezen.’
‘Prachtig.’
‘Ik heb er twintig.
Maar dát hebben jullie niet.’
In Amerika zijn mijn boeken niet, meneer.
Amerika heeft de mediums, de indianen, dat zijn ze.
Maar dát van mij hebben ze niet.
Daarom moest ik naar Amerika toe, ik heb het uitgevonden.
‘Geestelijke Gaven’, moet u lezen.
Er zijn er maar enkelen, één op de honderd miljoen mensen: er leeft er niet één, meneer, die direct, echt was.
Bedrog bedrog bedrog, bedrog bedrog bedrog.
Ik denk: God, hoe bestaat het.
Meester Zelanus, hij zegt: ‘Wij kennen de mensen, we weten precies wel waar de mediums leven.’
Van Christus hebben ze gemaakt, dat Christus daar naar die school en die school en die school ... en toen werd de goddelijke Messias losgelaten op de mens.
Toen was Hij gereed voor Jeruzalem.
Dat maakt die oosterling, die journalist ervan.
En het Oosten schept en dweept en vliegt met wijsheid; meneer, ze zijn niet meer zover als wij.
Wij kunnen hun ...
Wat ik daar vanavond zeg, dat kunt u in het Oosten niet eens vinden.
Ze zeggen ...
Ja, ze zijn daar machtig tot in het universum.
Er zijn erbij, die denken heel ver.
Ik ben met meester Alcar naar China gegaan, er zat er één in de bergen van honderd-acht jaar.
En toen vroeg ik, toen wij van Golgotha terugkwamen, vroeg ik aan meester Alcar: ‘Waar leeft nu de hoogstbewuste op de wereld?’
Dat is toch mogelijk, als je toch reizen maakt?
In China was er nog één, die wist veel.
Hij zegt: ‘Kijk, daar.’
Toen kwamen we in een tempeltje in de bergen en daar zat een oude Chinees, heel oud, verschrompeld, en hij had het hoogste bewustzijn.
Hij zegt, meester Alcar: ‘Kijk zelf hoe ver zijn bewustzijn gaat.’
En toen zag ik zijn aura, en toen wist ik het.
Hij was net in de eerste harmonische sfeer.
Hij was in alles harmonie.
Een prachtziel, voor zichzelf.
Hij was denkende, denkende, denkende.
Maar dat zijn wétten.
Ik had Annie Besant onmiddellijk kunnen vertellen: ‘Haha, wat gaat u klaarmaken?
Och, och och och, Krishnamurti ...’
Toen kwam Ron Landell.
‘Weet je het niet?
Indien je het mij niet zegt ...’
Ron Landell is een Hongaar, maar hij leeft in Engeland.
Ik heb hem nog geschreven.
Ik schreef hem ook: ‘Kom naar Den Haag, dan zal ik het je vertellen.
Je vliegt over de wereld heen, Krishnamurti achterna en nog andere wijsgerige mensen, kom naar de Esdoornstraat, dan zal ik het je vertellen.’
Hij had geen tijd.
Hij wilde zijn boek schrijven.
Ik zeg: ‘Meneer, geef mij die eer eens.
Ga eens zitten en stel mij eens een honderd miljoen vragen.
Ik weet het.’
Maar ik krijg die tempel niet en die miljoenen niet van Krishnamurti.
Die moest naar de universiteit en de universiteit kan je alleen maar van de wal in de sloot brengen.
Verdoemdheid.
Hebt u al eens een meesterschap op dit gebied, meneer, van een universiteit zien komen?
Hebt u al eens een kind voor dit werk in een stad geboren zien worden?
Dat is voor deze wereld ‘noch nicht da gewesen’ (dat heeft nog nooit bestaan).
Dat komt allemaal uit het oerwoud of uit de klei.
Ik kom ook uit het oerwoud, uit de Achterhoek, biij ons proate ze plat.
Ziet u?
Maar het heeft geen betekenis.
Maar was ik in de stad geboren dan was het ook weggeweest.
Krishnamurti moest naar de universiteit, Cambridge of Oxford, waar was hij?
Hebben ze hem verprutst?
Nee meneer, hij moest leren praten.
Hèhè, hij moest leren praten.
Toen ik naar Den Haag kwam, kon ik alleen plat.
Hij moest leren praten, hij moest leren denken.
En kan dat op de universiteit?
Wist Annie Besant dat niet?
Is dat de steun, zijn dat de fundamenten?
En na Krishnamurti, na Blavatsky zijn er geen meesters meer geweest.
En toen kwam ik op Golgotha terug met meester Alcar en meester Zelanus, en toen waren we in het Al geweest, in die Albron, en toen zagen we de mens als een godheid, ik zag Christus.
En toen zeg ik aan meester Alcar: ‘Waarheen gaan we?’
Ik moest me weer klaarmaken op de aarde, hij zegt, meester Alcar: ‘Er is maar één punt op de aarde waar je dat kunt, en dat is Golgotha.’
En toen ben ik daar neer gaan liggen zoals Judas – hebt u ‘De Volkeren der Aarde’ gelezen? – toen heb ik me ingegraven, ik ben daar gaan zitten.
En op de tweede reis weer.
En de derde reis, toen waren ze er allemaal, tot Mohammed en Boeddha toe, Rudolf Steiner, Blavatsky, Mary Baker Eddy – en elk mens, elke ziel die voor de mystieke ruimte kracht, bewustzijn en gevoel heeft gegeven – die waren op Golgotha en die moesten iemand aanschouwen en aanvaarden.
Die vroegen mij iets.
Hèhèhè, die vroegen míj iets.
Ik zeg: ‘Ja, ik ben het.’
En toen werd ik voorgesteld.
En toen zei meester Alcar iets.
Maar er waren ook meesters van de vijfde, de zesde en de zevende sfeer, en die beaamden dat.
En dat was dan daarvoor.
Blavatsky, Rudolf Steiner.
U zegt weleens: ik val aan.
Nee meneer, dat weet u niet, maar wij dienen één universiteit, één leven, één persoonlijkheid: Christus.
Ziet u, ik ben de voortzetting, meneer, van de theosofie.
Kwamen ze maar, dan hadden we in een tijd van twee jaar de machtigste tempel hier in Holland.
Vertel dat eens aan mijn broeders.
Vraag ze eens of we twintig, dertig lezingen mogen geven voor de professoren en doctoren, en dat we die eenheid krijgen hier in Nederland, wij Nederlandse kinderen met fel bewustzijn; dan gaan we een tempel bouwen ter ere van Christus die klinkt als een ... niet als een klok, maar als het universum.
Meneer, de macht heb ik in handen.
Ik kan alleen praten, ik kan alleen de wijsheid geven, maar ik heb geen vijf cent.
Pvt.
Ik ben zo arm als een kerkrat.
Dat zou u wel willen.
Maar dít is het, ziet u?
Dít is het.
Ik daag ze uit, de theosofen.
We hebben een lezing gegeven over de val van Annie Besant en de macht van Annie Besant, net daar tegenover.
Een lezing in Diligentia, in 1946, over Krishnamurti.
De hele theosofische wereld kon Jozef Rulof wel vermoorden.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar dat is een zijtak, meneer Rulof.’
Ja, geef nu toe, het is toch ook allemaal theosofie.
Als we over spiritisten praten dan heb ik het toch niet over Haarlem of Amsterdam, dan heb ik het over één spiritualisme.
Een zijtak; denk nu ruim.
Wat theosofie is, is toch theosofie?
Als u nu over de katholieke kerk praat dan hebben we toch geen afdelingen meer, dan hebben we eenheid.
Toen daagden ze mij uit, meester Zelanus, om voor vijfenveertig minuten een lezing te geven voor de theosofen en dan zou ik tegenover die en die dames spreken.
Ik zeg: ‘Meester Zelanus, een mooi briefje voor u.’
Hij dadelijk in de pen, in de machine, hij zegt: ‘Wilt gij de machtige theosofie in vijfenveertig minuten terugvoeren tot de straatgoten van de stad?
Mag ik u verzoeken om mij tien avonden te geven van twee uur?
En dan kunt ú spreken.’
Ik heb niks meer gehoord, meneer.
Ze wouden het in vijfenveertig minuten doen.
Kunt u de theosofie in vijfenveertig minuten behandelen?
(Meneer in de zaal): ‘Maar de grondprincipes wel.’
Och meneer, dat bestaat niet.
De grondprincipes ...
Wil ik hier de Universiteit van Christus vertegenwoordigen in vijfenveertig minuten, moet ik beginnen: lezingen, lezingen, lezingen.
Het ontstaan van het Al, de Albron, de Almoeder, de Alvader, het Allicht, waar we mee begonnen zijn in Diligentia, vanaf de maan naar het universum, voor het universum, en dán gaan we de mens volgen als embryonaal leven terug tot God, en dan de ziel, dan de persoonlijkheid, het dierenrijk en Moeder Natuur.
Kunt u dat in vijfenveertig minuten?
(Meneer in de zaal): ‘ ...de hoofdzaken wel.’
Nee meneer, ik moet hun de wetten, de opvolgende wetten verklaren, anders komen er gaten, want daarin grijp ik die mensen, zeggen de meesters.
Want als zij daar in vijfenveertig minuten ...
Kunt u het katholieke geloof ook in vijfenveertig minuten behandelen?
Dan verkracht u dat geloof, want er zit machtig veel goeds in.
(De meneer in de zaal zegt nog wat.)
Dat kunt u in vijfenveertig minuten niet.
U kunt geen, in vijfenveertig minuten, een godsdienst, een geloof ontleden, laat staan het universum.
(Meneer in de zaal): ‘Dat kunt u in tien lezingen ook niet, dan komt u ook te kort.’
Daar is er iets van te maken, in tien.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, iets van te maken, juist, maar wat is ervan te ...’
Nou ja, daar hebben we het weer niet over.
Het gaat, het blijft nu weer bij die vijfenveertig minuten en die tien lezingen.
U legt zout op slakken.
‘In tien lezingen kunt u dat ook niet.’
Dan kunt u een hele hoop, maar niet dit.
U vergeet die kern alweer.
U springt van de hak op de tak.
Die kern ... vijfenveertig minuten, wat is dat?
Is het niet zielig?
Ik heb niets meer gehoord.
Meester Zelanus ook niet.
Was het maar waar.
Waarom maak ik mij eigenlijk zo dik, hè?
(Jozef leest verder:) ‘Zijn deze wetten en krachten zelfstandige entiteiten?’
Wat zegt u daar?
Entiteiten.
Ik mag graag iets leren.
...‘entiteiten, bewustzijn?’
Zijn deze mensen nu niet bewust?
Die zijn niet bewust.
Is er niemand in de wereld bewust?
Deze mensen zijn, of de mens in de maatschappij ...
Is een katholiek, meneer, een protestant, zijn dat onbewuste mensen?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, allemaal bewust tot een zekere graad.’
Voor hun toestand.
Maar bewust in hun toestand.
(Meneer in de zaal): ‘Natuurlijk.’
Maar voor wat, meneer, zijn ze goddelijk bewust?
Voor wat?
Moet u eens nagaan waar wij direct naartoe flitsen.
Voor wat zijn die katholiek en een protestant, dat is de jood, de mohammedaan, de boeddhist, waarom, waarom zijn die mensen goddelijk bewust, waarin?
Goddelijk bewust.
Alles hebben we hier in handen.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, alles wat ze van waarheid eigen hebben gemaakt, dat zijn ze goddelijk bewust.’
Nee meneer, nee meneer.
Wie van u weet het?
(Zaal): ‘Vader- en moederschap.’
Vader- en moederschap.
(Meneer in de zaal): ‘Dat is ook waarheid.’
Nee meneer, het gaat alleen maar ... (Meneer in de zaal praat er doorheen.) Nee meneer, geen waarheid; in de waarheid kletsen we dat de stukken eraf vliegen.
In de waarheid hebben we niets.
We hebben veel waarheden opgebouwd.
Maar de katholieke kerk heeft er nog heel weinig.
Als de katholieke kerk zegt: ‘Heb lief alles wat leeft’, is de katholieke kerk goddelijk bewust in de liefde; áls je het doet.
Hemelen zijn er natuurlijk niet te koop.
Verdoemdheid is er niet.
Erg onbewust, het verschrikkelijkst dat er is.
Maar vader- en moederschap is een goddelijke incarnatie en daarin is de katholiek, de protestant, de mohammedaan, het kind in het oerwoud goddelijk bewust, in zijn baring en schepping.
Maar in niets anders.
En weet u nog waarin?
(Meneer in de zaal): ‘In de reïncarnatie.’
In de wedergeboorte.
Dat zijn drie dingen – dat zijn de lezingen – en dat zijn goddelijke kernen.
Dat hebben wij niet in handen.
U denkt wel dat u geboren wordt ...
U denkt wel dat u een kindje aantrekt door uzelf, maar dat bestaat niet.
(Meneer in de zaal): ‘Juist, dat is hetgeen waar we laatst nog over gesproken hebben, over die kwaaie wil.
Weet u nog?’
Die kwaaie wil?
(Meneer in de zaal): ‘Toen heb ik gezegd: kwaad bestaat niet, dat hebben we niet in handen ...’
Nee meneer, u had in die grens door moeten denken want nu blijft u nog stilstaan, nu wilt u nog gelijk hebben van toen, maar u krijgt geen gelijk.
(gelach) Maar u had uzelf eruit moeten denken.
U denkt nu naar mij toe.
U hoeft niet aan mij te denken.
Maar u moet naar die ruimte denken.
U wilt pertinent van mij gelijk hebben, dat bewijst dat u die bekrompenheid niet loslaat.
Dat wat ze u geleerd hebben, meneer, dat laat u niet los.
Ik heb hier wetten gezien en beleefd.
Ik vertel niets na.
U praat na wat ze u daar geleerd hebben.
(Meneer in de zaal): ‘Nee meneer, dat is niet waar.’
Hebt u dat ook uit uzelf?
Treedt u ook uit?
Treedt u uit?
(Meneer in de zaal): ‘Ja meneer.’
Treedt u uit?
(Meneer in de zaal): ‘Uittreden niet ...
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Ik beleef het innerlijk.’
Dat kan, neem ik u niet af.
Maar dat waar u weer gelijk in wilt hebben ...
(Meneer in de zaal zegt nog iets, er wordt doorheen gehoest.)
Nee meneer, ik heb het u verklaard en u komt er weer op terug.
Nee meneer, het is dít: in de goddelijke kern, in het oerwoud beleeft de mens een goddelijke wet: baring, schepping en wedergeboorte.
Meer is er niet.
En waar de disharmonie in leeft, meneer, weet u ook.
De disharmonie.
Zijn dat zelfstandigheden, zijn dat krachten?
Meneer, er is maar één ding, zei ik, dat leeft maar in één toestand, dat was het eerste woord waar we over gesproken hebben.
In één toestand ligt de zelfstandige afbraak, en in al dat andere zijn we goddelijk harmonisch en dat is de baring en de schepping.
Maar nu gaan we beginnen, wat we hier leren op aarde, nietwaar, en daarin zijn we een chaos.
Is het niet duidelijk?
Maar de wedergeboorte is er, hebben we niet in handen.
U zegt wel – kijk, meneer gaat weer terug -: ‘Als je geboren wilt worden, dat wilt u zelf.’
Neen, dat is een goddelijke wet.
U hebt er niets mee te maken.
Dan zegt u, toen hadden wij het over de eigen wil ...
Nee, dat is de godswil die hier bezig is.
En is die nog niet sterk genoeg?
Als u geboren wordt, als er een kindje wordt geboren, is er een goddelijke wet verstoffelijkt voor de mens, voor de reïncarnatie.
(Meneer in de zaal): ‘Meneer Rulof, hoe kan het dan dat een moeder geen kind wil ontvangen als de goddelijke wet, de goddelijke wil zegt: dat kind moet geboren worden.
Hoe kan dan een moeder een kind weigeren?’
En dat snapt u niet?
(Meneer in de zaal): ‘Dat begrijp ik niet.’
Hè, zo.
Ineens bent u ver weg van de aarde, en in de ruimte, en een doodeenvoudig iets voelt u niet?
Omdat nu de mens in disharmonie is met moederschap.
Waarom worden er zoveel nonnetjes, had ik het over, pastoors ...
Toen schrijft u nog: dat is karma dat hij pastoor wordt, en dat houdt u nog?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Wat jammer.
Dus ik ben hier bezig in mijn eigen stomme karma.
(Ze praten door elkaar.
Jozef zegt daar doorheen): Dit is ook karma.
Dit is ook karma.
(Meneer in de zaal): ‘Stil nou eens even, nietwaar, de goddelijke wil, nietwaar, wordt door de disharmonie van de mensen, het karma, - niet? -, weer vertegenwoordigd.’
Ik ben hier bezig en ik heb de boeken en ik heb de schilderijen en vanmiddag hebben ze mij een openbaring gegeven, een onfeilbare openbaring.
Ik kwam van Amsterdam dinsdagavond, en ik zat in het hok, ik was de mensen iets aan het vertellen over het voetballen en toen moest ik in mijn hokkie daarzo, voor de lezing, en toen kwam Jongchi tot me.
‘Dag dag’, zegt hij altijd, ‘André.’
En toen zegt hij: ‘Kijk eens even.’
En toen kijk ik, ik zeg: ‘O, wat is dat prachtig.’
‘Dat gaan we morgen maken.’
En toen vertelde ik het tegen meneer Van Straaten en nog mensen.
Ik zeg: ‘Een visioen.
Och, als dat kan, als dat kan.’
Meneer, vanmiddag is dat er.
Mijn wil?
Ik kan het niet.
Het visioen, onfeilbaar, zit erop, op een porseleinen bord.
Geloof, liefde, leven, vader-, moederschap.
Och och och, een Van Dyck.
Van mij?
Goddelijke wil?
Mijn wil?
Hèhèhè, ik heb er niets mee te maken.
Dus de mens heeft geen wil?
Nee, de mens heeft wil.
Een moeder die geen kind wil, kan pertinent die wil doorvoeren.
Meneer, ik zeg toch al, een goddelijke wet is het, vader en moeder te zijn, en dat krijgen we nooit in handen.
Wanneer meneer pastoor naar de kerk ... die wordt nu pastoor, en schakelt zich uit voor de openbaring: vader te zijn, schepping, baring.
Als wij allemaal, zei ik, pastoors werden en nonnetjes, dan stierf de mensheid in slechts enkele jaren uit, dan werden we zestig jaar en dan was het afgelopen.
(Meneer in de zaal): ‘Dan zouden we sterker zijn als de goddelijke wil, dat bestaat niet.’
Maar waarom zijn wij dan geen pastoors, meneer, waarom bent u het dan niet en ben ik het niet?
(Meneer in de zaal): ‘Omdat u ...’
Omdat ik niet wil.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, uw denken is op het ogenblik ook gebaseerd op hetgeen wat u in voorgaande levens opgebouwd heeft.’
Ja, maar dan gaan we weer terug.
Het gaat om dat willetje.
En die wil is voortplanting.
Die moeder die geen kindje wil dat is een dierlijk onbewuste ziel.
En dat is ze nog niet eens, meneer, want een dier weigert nooit.
Die moeder heeft geen moederlijk, menselijk moedergevoel, en dat moet nu ontwaken.
Maar het was er vroeger, het was er al.
Zoudt u denken, als een moeder hier in dit blanke ras (zie artikel ‘Er bestaan geen rassen’ op rulof.nl) die geen moeder wil zijn, dat ze het in het oerwoud niet is geweest op die lange reis naar het blanke ras?
Honderd miljoen maal!
Maar nu is het dagbewustzijn, waardoor verknoeid?
Dat moederlijke gevoel is verknoeid.
Weet u waarom?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, door bijkomstige aspecten.’
Door wat?
(Meneer in de zaal): ‘Door verschillende bijkomstige aspecten.’
Nee meneer, er is maar één toestand, er is maar één toestand.
U moet niet zeggen als een moeder geen kind wil dat ze dadelijk maar onmoederlijk is.
(Meneer in de zaal): ‘Nee, dat zeg ik juist, het gevoel ligt ín haar, maar het zijn de aspecten, de omstandigheden ...’
Nee meneer, geen aspecten; wétten weer, wetten.
(Meneer in de zaal): ‘Ja wetten, die karmisch ook weer verantwoord ...’
Niks te karmischen, meneer, vader- en moederschap en homoseksualiteit, verlossing van vaderschap, uitgaan van vaderschap naar moederschap.
Is dat duidelijk?
(Zaal): ‘Ja.’
Dan heeft de moeder nog geen gevoel om moeder te zijn en dan wil ze geen kind want ze heeft het gevoel nog niet.
Ze moet zich eerst dat gevoel eigen maken, dat is het, meer niet.
Is het niet duidelijk?
(Zaal): ‘Ja.’
Eén mogelijkheid is er maar.
U bent uit het moederschap gegaan en u wordt man.
Hoe kan ik dan nog moederlijk zijn als ik man wordt.
En nu kom ik in de eerste graad.
U moet maar niet dadelijk zeggen dat het geen moeder is.
Dat kunnen we niet zeggen want we kennen de wetten.
Kijk, en dat is nu jammer, altijd jammer.
Ik verklaar die man zulke mooie dingen, en dan heeft hij eigen denken; en je kunt nooit eens dieper gaan.
Het wordt ... een grote hutspot wordt het.
Jammer.
En ik krijg gelijk.
(De man in de zaal zegt weer iets.)
Ja, van die weer.
U bent het alleen weer, ziet u?
Meneer, u kunt uw hoofd niet buigen.
Heb ik gelijk, dames en heren, ja of nee?
(Zaal): ‘Ja.’
En u alleen weer niet.
Waarom kunt u zich niet buigen?
Het gaat toch alleen maar om die vervloekte wil nu kapot te krijgen.
Die zal ik eens ...
(Meneer in de zaal): ‘Al zou ik er een miljoen mee kunnen verdienen, ik zeg niet tegen mijn gevoel in dat u gelijk heeft.
Dat kan ik niet.’
Jammer, jammer, u wordt geen adept.
Ik ga diep op uw vragen in.
Ik ontleed ze telkens volgens de natuur, volgens de geboorte, volgens het vader-, het moederschap, de ruimte; en dan zet u er weer iets voor; ja, dan kan ik alweer ophouden.
U gaat niet op het mijne doordenken, u zet het uwe maar weer ervoor.
(Tot de zaal): Is dat zo?
(Zaal): ‘Ja.’
Ik schei uit, hoor.
(Meneer in de zaal): ‘Ik schakel mijn eigen denkvermogen in.’
Ja.
Ik ben heus niet hatelijk, wil ik helemaal niet zijn, kan ik niet zijn.
Maar ik zeg u eerlijk, het jammere is: het mooie gaat zo weg.
Ik mag graag vechten, maar om die wét te verklaren.
En dan gaat u weer ...
U hebt het in uw eigen gedachten.
Als u dat van uzelf eens nam, meneer, dan komt u in botsing met duizend dingen.
Ik beleef mijn wetten, ja, en dat gelooft u natuurlijk niet.
En zegt u: ‘Ja.
Waarom zou ik dat van u aanvaarden als ik het zelf voel?’
Ja.
Toen ze mij voor het eerst bezochten toen ik twee jaar was, de meesters – en later – ik was, als twee jaar kroop ik al uit en speelde ik met kinderen, geestelijke kinderen.
En Crisje zat erbij.
Toen zegt ze: ‘Mijn God, daar gebeurt iets.’
En ik sliep daar op de grond en ik trad uit.
Later zegt hij tegen mij: ‘Elk woord van mij is wet.
Wilt u mijn woorden aanvaarden?’
Ik zei gauw: ‘Graag’, want ik was wat geworden.
Toen zat ik nog in de klei, maar toen had hij van mij al een chauffeur gemaakt, want ik leerde chauffeur spelen op een stoel.
En diegene die dát kan, dat is een genie.
Vindt u ook niet?
Ik leerde op een stoel chaufferen, niet op een wagen.
Want toen ging ik van die stoel weg ...
Mijn broer zit hier, laat het hem maar vertellen.
Hij zegt: ‘Hij kan nie’t tege de stad, hij mot naor huus.’
Ik zat in dat kleine kamertje: ‘Bbbrrrrrr.’
Dat leest u straks in deel III (van ‘Jeus van moeder Crisje’).
Meneer, dat is een openbaring.
Dat was meester Alcar.
Hij wou mij door die stoel en die wagen al opnemen, optrekken, honderd miljoen bewijzen krijgt u daarzo.
En dan zegt hij daarna, toen alles voorbij was: ‘Hier heb je je jeugd.
Kom, we gaan terug naar je jeugd.’
Kijken.
Is dat zo?
Goh.
Hebt u ‘Jeus I’ gelezen?
Hebt u die centjes, meneer ... dat onfeilbare vinden van dat geld in dat bos.
Vindt u dat dan niet meesterlijk?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, dat is inderdaad ...’
Daarmee zouden wij de hele wereld moeten kunnen overtuigen, maar de wereld is weg, weg weg.
En datzelfde onfeilbare heb ik in alles beleefd.
Ik neem hier dit maar niet aan, ik moet het zien, en ik zie het ook.
En mijn woord is wét.
Maar voor u ben ik geen wet.
U zult zich wel in acht nemen om die gekke Jozef Rulof te aanvaarden.
Maar u komt er ...
(Meneer in de zaal): ‘Dat zeg ik ...’
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Ik zeg niet dat u gek bent ...’
Ik bén gek, natuurlijk ben ik gek, u mag het gerust zeggen, ik vind het best.
Maar als u niet kunt beginnen, er zijn ...
Kijk, die mensen die zeggen: ‘Já.’
Die gaan denken en houden vast wat ze (bij) mij hebben geleerd.
En dat werd rijp, dat werd ruimte, dat werd kosmologie.
Nu kunnen ze praten: Er is geen dood, er is dit niet, is dat niet, zus niet, zus niet ...
Over honderdduizend dingen kunt u met mijn mensen gaan praten.
U krijgt toch nooit gelijk.
Als u gelijk hebt, zeggen ze het onmiddellijk.
Moet ik, u ook, buigen.
Als u het over de theosofie hebt, krijgt u onmiddellijk gelijk.
Maar nu gaat u weer in uw eigen gevoel.
U moet nu eerst eens beginnen – als ik u raad mag geven – moet u beginnen, of uw denken realiteit is en of dat terug is te vinden.
Niet abstract, maar concreet, met de schepping en alles.
Wij gaan eerst door de schepping, wij gaan eerst door het hiernamaals, hellen, hemelen, wedergeboorte, vader- en moederschap, dat zijn de essentiële wetten.
En nu kunt u praten, praten, praten, voor de kosmos, de macrokosmos, wij hebben ‘Het Ontstaan van het Heelal’, enz.
Maar ja, maar ja ...
(Jozef leest verder:) “Zijn deze wetten en krachten zelfstandige entiteiten,” ja natuurlijk, bewustzijn en liefde, leven, gevoel, vader-, moederschap.
“En zo ja, waaruit bestaan zij?”
Uit botten, bloed, zenuwen, klierstelsels, slijmvlies, benen, hersens en eksterogen.
(gelach)
Bestaat een entiteit ...
En dan heeft hij nog gevoelskracht, en dan kan hij nog denken en hij heeft een bochel en hij kijkt scheel en is blind, hij is van alles.
Maar het is een wet.
En als we nu over al die dingen weer gaan praten, ook over die eksterogen, dan kan ik u precies vertellen waar die dingen vandaan komen.
Maar dat weet een pedicure ook.
Wat zei u?
‘Ik dacht dat u iets zei’, zei Buziau (J. F. Buziau, komiek, 1877-1958).
Ja.
(Jozef leest verder:) ‘En wat zijn ze per se?
En wat is hun uiterste oorsprong?’
De Almoeder, het Alleven, de Alziel, de Algeest, alles alles.
U bent tevreje?
Nee.
Tevreden?
Krijg ik een twee of een drie?
Krijg ik vijf cent of niet?
(Meneer in de zaal zegt nog iets.)
Dames en heren, hebt u nog iets te vragen over dit?
Dan heb ik mijn briefjes behandeld.
Nu kunt u vragen stellen zoveel als u wilt.
Gaat u maar beginnen.
Wie van u?
Daar zijn we nu.
Ziet u wel, meneer?
Waar zullen we het nu over hebben?
(Het blijft stil.) Stilte ...
(Tot iemand in de zaal): Meneer?
(Meneer in de zaal): ‘Ik wou eens gaarne van u weten, het volgende: wanneer wij overgaan naar de vierde graad’, ja, ‘dan komen wij weer in een lichaam.’
Ja.
‘Is dit lichaam geestelijk?
Wij leven geestelijk, dat weet ik, maar hoe is dit lichaam?’
Hebt u ‘Een Blik in het Hiernamaals’ gelezen?
Dan moet het u duidelijk zijn dat u aan Gene Zijde geen kinderen kunt baren.
Is dat zo?
Aan Gene Zijde, in de astrale wereld kunt u geen kinderen baren.
Dus die Vierde Kosmische Graad is stoffelijk.
Er zijn mensen, ijler, mooier, volmaakt, geen fouten, geen disharmonie, geen onrechtvaardigheid, zijn één met de ruimte, bezitten gaven, meneer ...
Bijvoorbeeld op de tweede planeet ...
Nu krijgt u zeven planeten.
Geen drie, maar zeven overgangen; tot zes overgangen, en dan krijgt u de moederplaneet.
Als u de eerste hebt beleefd, meneer, dan zegt u tegen uw lieverd, uw ziel die naast u leeft: ‘Kom, we gaan ons leviteren en we gaan even naar de andere planeet kijken.’
Dan maakt u een reis op eigen ‘vleugelen’.
Heb ik gemaakt, meneer.
Lacht u niet?
We kwamen een mens tegen – we moesten naar de Vierde Kosmische Graad – voordat we er kwamen.
We gingen dus door de mentale gebieden heen, meester Alcar zegt: ‘Hoort u mij?
Hoort u mij?
Ik ben één met u.
Leven van Moeder Aarde, ik ken u, u gaat verder, u gaat zich met de Vierde Kosmische Graad verbinden, hoort u mij, ik zal me aanstonds aan u tonen.’
En toen hoorden we die stem en toen kwam er een wezen aangezwoven, aangezwoven.
En ik keek hem in die ogen, en dat hoofd, en die haren, dat figuur, die mantel niet, maar dat machtige gewaad, en dat was een man.
Hij zegt: ‘Mag ik u brengen naar de Vierde Kosmische Graad, meester Alcar’, en toen noemde hij de naam.
En toen daalden we af, hij leviteerde, wij zweefden; dat doet u ook, op de kracht van uw geest aan Gene Zijde, dat zijn de ‘vleugelen’.
Dat kan een demon ook, meneer, vindt u dat niet leuk?
Een duivel kan ook zweven.
Meneer, heel de wereld, de demonen ...
Hitler werd bezeten door demonen.
En die demonen die komen zomaar uit die wereld, die astrale wereld, en maken een miljoenenreis, maar onfeilbaar gaan ze naar Adolf Hitler en pompen hem iets in.
En zeiden: ‘Adolf, dát moet je doen.’
Onfeilbaar kan een demon een moord begaan, en toch bezit hij de ‘vleugelen’, want die demonen bezitten net zo goed de ruimte als het licht.
Maar ze zíén niet alles.
Dus wij krijgen daar, op de Vierde Kosmische Graad ...
Meneer, als een priester in Tibet, een lama-priester in staat is – en dat is een occulte wet, dat konden wij ook in Egypte – zichzelf kan leviteren en in slechts vijf ... daar heeft dat boek weer gelijk in, die knapen die kunnen dat, die leviteren zich en verplaatsen zich een honderd kilometer in slechts vijf minuten; waarom zou de Vierde Kosmische Graad, de mens die daar bewust (is), zich niet kunnen leviteren?
En dat is het ‘vleugelenrijk’ voor de mens.
Dan krijgt u waarlijk de geestelijke en de stoffelijke vitaliteit en de levitatie.
U beweegt zich voort.
En dat zijn stoffelijke mensen.
Als u in de eerste sfeer ... als u daar een mens ziet, meneer, die is zo machtig mooi, uit de eerste sfeer.
De tweede moet u nu zien, de derde, de vierde, de vijfde sfeer, de zesde sfeer, de zevende sfeer.
Een vorst van liefde uit de zevende sfeer, meneer, u kunt die mensen al niet meer ontleden, maar ik heb ze gezien, dat is mijn hoogste meester, meester Cesarino, Damascus, de Halve Maan, Ubronus, dat zijn de hoogste meesters die we hebben.
Die volgen dit allemaal, die volgen mij, die volgen dit geklets ook van donderdagavond in ‘Ken U Zelven’ want het heeft met hun te maken.
Als ik één verkeerd ding zou zeggen, sloegen ze me met één blik hier tot in de diepste grond van de aarde.
Gelooft u dat?
Ze sloegen me morgen ineens van de kaart indien ik wartaal zou zeggen.
Als er hier een mogelijkheid zou kunnen komen en ik zou daar de aarde, de macrokosmos verkrachten, dan sloegen ze mij uit mijn evenwicht vandaan; ik geloof, in tijd van vijf minuten was ik foetsie.
(De geluidstechnicus): ‘Twee minuten.’
Dat kunnen ze immers niet meer dulden.
Dacht u dat die meesters in deze eeuw, na Christus, nog waanzin en wartaal naar de aarde zouden brengen?
Meneer, de Vierde Kosmische Graad, stel me daar straks eens vragen over, dan zal ik u eens een toekomstbeeld geven, dat u eerst beleeft misschien over tien miljoen jaar.
Kan ik u u zelf laten zien, hoe u over tien miljoen jaar zult zijn.
(De geluidstechnicus): ‘We hebben nog geen lichtje daar, meneer.
(Meneer in de zaal): ‘Nee, maar het is toch haast een uur geweest.’
O.
(Jozef gaat nog even verder.) Dan zal ik u de beelden eens geven, dan zal ik u een machtig mooie, natuurlijke, kosmische, goddelijke verklaring geven, hoe doodeenvoudig die evolutie van de mens en de rijkdom van de mens wordt en daar zal zijn.
Daar is Blavatsky ook niet geweest en geen Krishnamurti, en geen theosoof was op de Vierde Kosmische Graad, want daar hebben ze nog nooit over gesproken.
Hoe is daar moederschap, vaderschap, geboorte, wedergeboorte?
Hoe zijn daar de tempels?
Wat doet u daar?
Hoe sterft u daar?
Hoe leeft u daar?
Daar is geen eten en geen drinken meer nodig.
U leeft daar van de goddelijke wijn, goddelijke levenssappen, dames en heren, moeders en vaders, dat zuigt u in zich op en u eet niet meer, u drinkt niet meer, u werkt niet meer, maar u bént kracht en werking door uw denken en voelen.
Is dat niet leuk gezegd?
Tot zover.
 
PAUZE
 
Dames en heren, we gaan beginnen met nieuwe vragen.
Ik heb hier: ‘Alle mentors uit de sferen hebben bepaalde namen.
Hoe komen zij aan die namen?
Of wie heeft hen die namen gegeven?’
Meneer, waar zit ...
Wanneer krijgt u een naam?
(Verschillende mensen in de zaal): ‘Bij de geboorte.’
U hebt hier een naam gekregen van uw vader en uw moeder.
Maar voor de ruimte krijgt u ook een naam.
En waar zijn die eerste gevoelens voor uw naam aan Gene Zijde geboren?
Kunt u dat aanvoelen?
(Meneer in de zaal): ‘Helaas niet.’
U niet.
Ik geloof niet dat iemand in staat is om het te weten.
Meester Alcar ...
(Tot iemand in de zaal): Ja?
(Mevrouw in de zaal): ‘Wanneer de mens maar aan Gene Zijde komt, zijn wij allemaal verschillend; maar waar de mens op afgestemd is, bijvoorbeeld: de ene mens bezit meer liefde, door die hoedanigheden, die goede, krijgt men de naam.
Meester Zelanus kreeg hem door liefde.’
Weet u wat meester Zelanus betekent?
Dat betekent: hemelbewoner.
En die heeft zijn kosmische naam nog niet verdiend.
Kijk, als u zegt: als wij liefde zijn dan vertegenwoordigen wij ... dan kunt u alleen maar sfeer heten, maar dat zijn miljoenen mensen.
Maar hier hebben ze het over: waarom een meester Ubronus ...
Er is iemand ...
Een van de meesters die heet Halve Maan, en zo noemen hem mil- miljoenen mensen.
En hij is bekend als de Halve Maan, er is er maar één.
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar dat zijn dan nog de meesters die veel hebben gedaan.’
Dat zijn meesters ...
Als u, u bent bezig, als u voor uzelf bezig bent, dat is eigen ontwikkeling, krijgt u nooit uit de kosmos een naam.
Maar u krijgt hem uiteindelijk.
En als u in de vierde sfeer komt, en u bent daar, daar krijgt u waarlijk een geestelijke kern, dat wil zeggen: u bent wel als mens kern, maar u krijgt daar ... vanuit de ruimte gaat zich uw naam opbouwen.
Onder uw levens door – u bent er nu al aan bezig – bent u bezig om ...
En dat klopt wel enigszins met de mensen hier als ze tegen iemand zeggen ... van die koosnaampjes geven, opbouwen, en zeggen: ‘Ja, ik noem haar duifje.’
En dat was een oud moedertje.
En ze kon ook net zo koeren als zo’n duifje.
‘Want als ze ging vertellen, dan deed ze zo met dat hoofdje’, zegt haar dochter, ‘en toen hebben wij ze duifje genoemd.’
Omdat haar handelingen en haar toestanden en alles, haar denken en voelen en spreken, dat ging altijd door dat gekoer; zo noemde de familie haar duifje.
Maar hier ben je bezig.
U gaat naar Gene Zijde, u komt misschien terug of niet terug, maar u gaat door.
En in de eerste sfeer hebt u geen naam, in de tweede ook niet, in de derde ook nog niet, in de vierde gaat het wellicht komen; als u iets gedáán hebt.
Voor wat?
Er zijn miljoenen levens die hebben geen naam nog, maar ze hebben geen ...
Als u een naam van een meester hoort, dan slaat het altijd en eeuwig op de aarde, wat ze op aarde hebben gedaan.
Daardoor heet de Halve Maan Halve Maan.
Ubronus, dat heeft weer met de Griekse stelsels, met de wijsgerige stelsels te maken, dat is iemand uit de zesde sfeer en hoger.
Meester Alcar die heeft zijn naam opgebouwd; is leven en liefde, Alcar.
Kunst, leven, liefde, dat kwam vanuit de ruimte.
Rubens, al die meesters hebben iets aan die naam gedaan waardoor hun kunst spreekt.
En nu gaat zich uit de ruimte, vanuit de ruimte gaat er zich iets opbouwen, en langzaamaan door hun denken en voelen, krijgen zij hun ruimtelijke naam te zien, door hun persoonlijkheid.
Maar miljoenen mensen hebben er geen.
Hebben hun goddelijke ... en dan zijn ze een levensgraad.
Want Mientje ... straks dan hoef je heus niet meer over Mientje en Piet en Gerrit te praten.
Dat kunt u nog in de eerste sfeer doen: ‘Ha, die Gerrit.’
Maar ik geloof dat dat gehaha er wel enigszins af is.
Want daar komen wij: ‘Hoe maakt u het, mijn broeder?’
Hoef je niet te vragen: ‘Hoe maakt u het?’ want we weten hoe ze zijn.
‘Waarheen voert uw weg, waar gaat ge heen, mijn broeder?’
Ja, daar staan we toch wel iets anders tegenover elkaar.
En dan kun je wel zeggen: ‘Dat was mijn vrouw.’
En je hoeft heus niet meer te zeggen: ‘Dat is een wijf’, en ‘dat is een vent’, want dat zijn goden, menselijke goden.
Dat ‘vent’ en dat ‘wijf’ en al die grove praat en al dat aardse denken, en dat ‘Hendrikje’, en ‘dat is míjn liefde’, en ‘dat is van mij’, en ‘dit is van mij’, dat gaat allemaal weg.
Daar staat u voor een goddelijke vonk en die heeft ogen, licht, liefde, leven, een persoonlijkheid, dat is vader en moeder, dat heb ik gebaard, en zij heeft mij gebaard, dat is van mij, en ik ben van dat, maar ik ben ook van miljoenen andere mensen, datzelfde: wij zijn één.
En nu vertegenwoordigen wij één naam met zijn allen.
Maar hebt u hier iets op aarde gedaan ...
In honderd miljoen jaar kan de aarde nog leven; kan zich de mens de naam niet eigen maken die ik me nu in dit kleine leventje eigen maak.
Ik heb mijn naam gekregen.
Ik heb hem al, ik heb hem al verdiend.
En dat slaat zuiver op de aarde.
‘Er is er niet één meer die hem krijgen kan’, zegt meester Alcar.
‘U krijgt heden uw naam toegezonden, André.’
En dat was het moment toen ik met Wayti sprak.
Ik denk: mijn god, mijn god, wat is dat mooi.
Er is niemand op aarde, daar heb je het weer, die dit werk heeft.
Er zijn meer mensen, er is theosofie, er zijn rozenkruisers, boeddhisten, mohammedanen, maar dit ben ik alleen.
Er is geen tweede adept van de meesters op aarde in deze graad.
Heb ik moeten aanvaarden.
Als ik het niet aanvaard had, dan had ik mijzelf al in die hoek geslagen.
En door het weten gaan wij door.
Dus: ‘Ik neem het niet’, nou, dan sta ik stil.
‘U moet’, zegt meester Alcar.
De ruimte is het koninkrijk van God, deze ruimte.
Nietwaar?
En als u het koninkrijk wilt dienen dan bent u een prinses van die ruimte, u als moeder.
Ik ben de prins – noemen ze mij daar – van de ruimte, de kosmisch bewuste.
Dat is door ‘Het Ontstaan van het Heelal’ en ‘De Kosmologie’ ...
In de oorlog heb ik, in die vijf jaar van honger heb ik dat lekker verdiend.
Omdat ik de boeken heb; ik heb de reizen mogen maken.
Er is er niet één geweest.
‘Er komt niemand meer’, zei ik in de pauze tegen iemand, ‘niemand meer over de hoofden ... van mij helemaal niet, maar over de hoofden van de meesters, kan niemand meer overheen.’
Wie wil daar overheen?
Niemand.
Deze wijsheid, deze boeken die worden, die zijn, die worden voor de hele mensheid gedrukt, die komen overal straks.
Dan zeggen de meesters: ‘Ons woord is wet, ga zitten.’
En dan komt door het , dan hoort u precies hetzelfde, wat u hier vanavond krijgt en wat u daar in de boeken hebt gelezen.
En dan moeten de universiteiten aanvaarden, omdat het komt uit die Universiteit, die de hoogste is, de goddelijke is, Christus.
Vindt u dat niet heel eenvoudig, dat ze daar zijn?
En nu krijgt u een naam.
Alles dus wat maar enigszins met de Universiteit van Christus te maken heeft, krijgt en bouwt aan een ruimtelijke persoonlijkheid en krijgt dan een naam.
Is dat mooi, meneer Otterloo?
(Meneer in de zaal): ‘Eenvoudig.’
En eenvoudig én rechtvaardig.
Als u erg, heel erg met uzelf bezig bent voor die Universiteit en u dient, dan bent u hier bezig om u een naam, een taak – natuurlijk door die taak – een persoonlijkheid te schenken.
En door dat schenken vormt er zich iets, u vertegenwoordigt iets, en dat krijgt een naam, en die wordt u door de ruimte toegezonden.
Eens op een morgen, u bent daar zwevende, of u doet iets, u denkt ... u bent altijd denkende, want u vertegenwoordigt kracht, leven, licht, ruimte, vader-, moederschap.
Als u dit universum hebt verlaten dan vertegenwoordigt u ál de machten en krachten van en voor dit universum, en dan staat u met beide benen in de eerste sfeer, en dan vertegenwoordigt u deze ruimte en alle sterren en planeten, het begin en het einde van dit universum, waarvan de geleerden zeggen dat er geen einde is, omdat ze geen voortgaan en geen uitdijend heelal kennen.
Ze kennen wel een uitdijend heelal, maar niet zo ver en zo diep, want dat weten ze niet.
Moeite waard?
Dus niemand geeft u die naam, die krijgt u vanzelf omdat u die naam verdient.
(Jozef leest verder:) ‘Blijven wij zo heten tot in alle eeuwigheid?’
Voor de aarde, ja.
Maar aan Gene Zijde zijn mil-, mil-, mil-, biljoenen prinsen en prinsessen van de ruimte.
Koningen in de geest, in liefde, en koninginnen.
Daar zie je majesteiten van de aarde die nooit een kroon, op aarde, op hun hoofden hebben gehad.
Maar die zijn mij liever.
Die hebben met geen onrechtvaardigheid meer te maken, die gingen door baring en moederschap.
Een boer van het land is straks een koning van de ruimte, en dan heet hij geen Pietje meer.
Maar hij doet ook geen water meer bij de melk.
(Jozef leest verder:) ‘Voor het leven na de dood is het toch niet nodig dat men namen heeft?’
Nee meneer, dat is niet nodig, men voelt toch aan de uitstraling daar wie of wat men is.
Men ziet aan de mens hoe hij is en daardoor vertegenwoordigt de mens de vonk van God op menselijke geestelijke afstemming, ruimte, gevoel.
Als ik u zie straks en ik kijk maar naar uw gewaad, dan weet ik precies wat ik u kan en mag vragen.
Aan Gene Zijde in de eerste sfeer zie je precies aan het gewaad ... aan het gewaad, aan de krulletjes in de haren hoe diep en hoe bewust die mens is.
Maar dat hoef je aan een ander mens niet te zien, dat weet je aan de sfeer ook.
Als je in de eerste sfeer bent dan maken de meesters u alleen vrij van uw aardse verkeerde denken.
En als u daar weer vrij bent – tegelijk leggen ze nieuwe fundamenten – dan laten ze u vrij en dan zegt de meester: ‘Wilt u mij nog even hebben?
U kunt nu op eigen kracht naar de maan gaan, want ik heb’, nu komt het, ‘ik heb u geleerd één te zijn met Moeder Natuur.’
En dan krijgt u dezelfde wijsheid.
Als u één bent dan gaat alles tot u praten.
Als u nu het embryo wilt beleven dan voert dat embryo u onmiddellijk naar het eerste stadium op de maan.
En dan krijg je contact met de macro-stoffelijke kosmos.
Maar de eerste duizend jaar hebt u nog wel zo’n gids nodig.
En dan wil je ook wel graag zo’n gids naast je hebben; het kan een moeder zijn of een man, en dan kijk je in goddelijke, geestelijke menselijke ogen.
Mooi, hè?
En of.
Ja, daar zou je haast om beginnen te belken, vindt u niet?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Ja, ja, ja.
Ja, maar we doen het niet.
Men voelt toch aan de uitstraling, nietwaar?
(Jozef leest verder:) ‘Misschien is het dom wat ik nu vraag, maar ik weet zeker dat velen van ons deze vraag ook dikwijls in zichzelf voelen opkomen.
Wat is wind?
Waar komt hij vandaan?”
Is wind hij?
(Iemand in de zaal roept): ‘Ja.’
Is dat een scheppende kracht?
(Meneer in de zaal): ‘Wind is mannelijk.’
Heeft daar het woordenboek gelijk in, voor de kosmos?
Als u kosmisch de wind gaat ontleden, is de wind dan mannelijk of vrouwelijk?
(Meneer in de zaal): ‘Ik vermoed mannelijk.’
‘Ik vermoed.’
Weet u het niet zeker?
U kunt het weten.
(Meneer in de zaal): ‘Hij heeft een stuwende kracht.’
(Mevrouw in de zaal): ‘Dan is het vrouwelijk.’
Als het stuwende kracht is, is het vrouwelijk?
Maar wind is mannelijk.
En waarom?
Wat is wind?
Dan moet u toch wel van een universiteit komen om te verklaren: wat is nu wind?
Welke geleerde bezit dit?
Is dat een geoloog?
Een geoloog, kan die het verklaren?
Is dat de studie van een geoloog?
(Er wordt door elkaar gepraat.)
Een natuurkundige.
Ik kom uit ’s-Heerenberg, dames en heren, neem me niet kwalijk.
Wat is wind?
Maar ik weet wat wind is.
(Iemand in de zaal zegt iets.)
Weet u het ook?
Wat is wind?
(Meneer in de zaal): ‘Dat is de som van de krachten tussen koude en warmte.
Dus, er is op een zekere plek, is er warmte, op een andere plek is er koude, en deze beide komen op een gegeven moment bij elkaar en dan krijg je een werveling, de koude lucht die zakt en de warme lucht die gaat eroverheen, en dan krijg je een stroming.
Dus naarmate er meer verschil van temperatuur bestaat, naarmate is er meer wind; door bijkomstige omstandigheden in de ruimte aangewakkerd of tot stilstand gebracht.’
Hij heeft gelijk.
Nu kunt u wel zeggen: ‘Ja, dat klets je maar na.’
Maar nu, nu gaan we even dieper: waar is dat ontstaan?
Door koude en warmte.
Twee verschillende polen aan kracht.
Dat zijn krachten.
Dat is kracht-energie.
Dat is warmte, koude.
Is dat ook moederschap?
Koude is baring en schepping tegelijk.
Maar als u dieper wilt gaan, dan is de koude ...
De wind, de werkelijke wind die wij hier beleven ...
Want in de zomer voel je de fundamenten niet meer van de koude, dan kom je tot de klimatologische afstemming, want nu krijgt de wind een persoonlijk karakter, en dat is oost, west, noord, zuid.
En nu krijg je de windstreken, en die windstreken verbinden je met de polen.
En waarlijk, meneer, dat is de verklaring, maar de allereerste alleen, dat is: koude en warmte komt in botsing, voelt u wel?
Maar nu moet u eens kijken, door wat?
De Noordpool komt naar het zuiden en nu krijgt u werking van die kracht, maar dat is nog geen wind.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar dat is de basis.’
Dat is de basis, nee, de wind die maakt nu verschillende stadia mee en dan kunt u het volkomen volgen als in het universum voor het nevelstadium; dat kunt u nu volgen, want nu krijg je oost-west, noord-zuid.
En nu krijg je: voordat die werking, die koude en die warmte, tot menging komt, krijg je verzwakking, en dat worden trillingen, dat is kracht, en dat is uitstraling.
Wind is alleen macrokosmische ... nee, dat kun je, ja, macrokosmische uitstraling kunt u wel zeggen, maar wind is ontstaan door noord en zuid, door warmte en koude, door een evolutieproces; want dit is de baring én de schepping, dat noord en zuid begint en tot eenheid komt.
En die uitstraling die gaat u voelen als wind, wanneer dat wat naar zuid is gegaan, naar oost is gegaan, en weer terug naar de noord en weer terug naar de zuid, en dan krijgt u verdichtingen in die ruimte te zien, zoals het nevelstadium is voor de macrokosmos en die tot wolken werden en daarna stof.
Want als de wind waait is het een stoffelijk bewuste kracht, dan is het schepping.
Maar het komt, de natuurkunde heeft dit vastgelegd, is ook heel eenvoudig, maar dat komt omdat de verschillende klimatologische toestanden als krachten, en wetten weer, tezamen komen en een uitstraling tot stand brengen.
Ik zal u nu nog eens wat anders vertellen.
En nu krijgt die wind een bijzonder karakter.
Een wind heeft een karakter, men spreekt nu van zuidwest, noordwest, noord, nietwaar, daar heb je het alweer.
Heb ik gelijk?
Zuidwest, oostwestelijke wind, ziet u, dan zit het westen ertussen, die is vuil, als hij daar vandaan komt.
In november wanneer het najaar ... koude, daar heb je weer gelijk, als die koude komt, dan komt de wind, dan komt er broeiing, dan komt er uitdijing, dan komt er een elementale kracht en een wet, en dat komt tot reactie en uitstraling, dat is de noordoostelijke wind, die strenge koude noordoostelijke wind, dat is het noorden en het oosten en het westen en het zuiden.
Meneer, als die vier ...
Wat is een donderkop, wat is een orkaan, wat is een ‘thunderbolt’, hoe heet zo’n ding?
Weet u dat ook?
Men ziet weleens hier op Scheveningen ... dat heb ik gezien, toen was ik op Scheveningen aan de garage, en toen kwam over zee – en toen ging Borculo helemaal weg, weet u wel? – en die zag ik daar (op 1 juni 1927 verwoestte een wervelstorm Borculo, een plaats in de Achterhoek in Gelderland) ...
(Meneer in de zaal): ‘Tyfoon.’
Wat zegt u?
Een tyfoon.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, een cycloon.’
Een tyfoon en een cycloon.
Dat is zó’n ding.
Zie je?
Dan bromt Onze-Lieve-Heer.
Als het buiten bij ons vroeger ging donderen, o mens, dan moesten we het bed uit, en bidden maar, bidden maar, bidden maar, hè?
En dan bidden; ik zeg: ‘Duurt het nog lang?’
En dan, Jan zat zo scheel te kijken en dan keek ik naar Crisje, ik zeg: ‘Ja, we komen er toch niet uit, dat duurt twee uur.’
En dan eindelijk: bwoooo ...
Wat is dat?
Dat is broeiing.
Dat is broeiing.
Nu zal ik het heel eenvoudig maken: maar waar vindt u de broeiing van de kosmos, wanneer het dondert, terug in een menselijke of een dierlijke of een natuurlijke toestand, tot in het kleinste insect?
Waar vind je dat terug?
(Mevrouw in de zaal): ‘Drift.’
Als u ...?
(Mevrouw in de zaal): ‘ ... driftig bent.’
Dat zou u wel willen, dame.
Dan bent u het zelf.
Dat is geen natuurwet.
(Meneer in de zaal): ‘Koorts?’
Nee, dat is ziekte.
(Meneer in de zaal): ‘Ziekte?
Koorts?’
Ja.
(Meneer in de zaal): ‘Ziekte?’
Koorts is ziekte, ja.
Dat is een uitstraling van ziekte.
Komt wel enigszins tot de kosmos.
Nee, door rotting, als het levende orgaan gaat sterven; want dit, een donderblits is het afsterven van krachten die tegen elkaar ingaan, trekken áán, en dan komt het stervensproces, en dan hoort u een klap.
En dat zit ook in al het leven.
En dan heeft het alleen een reukje.
En nu hoort u een klap.
Dat is allemaal terug te zien, dat zijn kosmische wetten.
(Meneer in de zaal zegt iets.)
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Dan ga je dood.’
Jazeker, is het niet prachtig.
Dat kun je allemaal terugzien.
Nou, nou weten we wat wind is, meneer.
(Meneer in de zaal): ‘Het is misschien nog veel makkelijker te begrijpen om te weten wat wind is; dan moet je je kunnen voorstellen dat wanneer er geen temperatuurverschil was op de aarde, dan was er ook geen wind.
Dan was er ook geen regen uiteindelijk.’
Meneer, u hebt gelijk, op de Vierde Kosmische Graad is er geen regen, geen wind, geen donder, ook geen nacht meer.
Vindt u dat niet in strijd?
Op de Vierde Kosmische Graad: geen nacht meer, geen donder, geen wind, geen regen, geen ziekten, geen kanker, geen tbc.
Wij leven daar in het geestelijk stoffelijke volmaakte.
In de eerste sfeer zijn we dan.
(Meneer in de zaal): ‘Dat is heel logisch.’
Ja logisch, maar dat kan een ander nog niet nemen.
Wij gaan naar het Alziende, naar de Alwetendheid, wij gaan naar nooit-meer-slapen.
We hebben geen slaap meer nodig.
Er zijn geen ziekten meer.
Wij gaan nooit meer slapen.
Er is nooit meer nacht op de Vierde Kosmische Graad.
Want wij gaan naar het eeuwigdurende-wakker-zijn.
Dat is God.
God is toch altijd wakker, God slaapt toch nooit?
En onze godheid in ons slaapt nu nog?
Onze godheid in ons slaapt nooit, dames en heren.
Hè?
(Meneer in de zaal): ‘Ik begin er haast aan te twijfelen.’ (gelach)
Onze goddelijke kern is eeuwigdurend wakker, werkend, liefhebbend, is in eenheid met het Al, maar wij zelf weten het niet.
En nu moeten wij, moet u eens nagaan wat doodeenvoudig weer, nu moeten wij dát alles van die goddelijke Alwetendheid in ons wakker maken.
En dat doet híj ook.
Hij is bezig om zijn Alwetendheid te verstoffelijken, te vergeestelijken.
Is dat niet waar?
Dat kan, dat kan, dat kan.
Want de eerste mensen die begonnen te denken, waren Socratessen.
Waar of niet?
Wat voelt u, mevrouw?
‘Wat is ...’, zei Socrates op de markt van Athene – want ik was daarnaast, ik zat daar te knikkeren toen hij dat zei – toen zei hij: ‘U bent blij, u bent gelukkig, maar wat is dat?
Kunt u mij dat zeggen?’
‘Hèhè’, toen hebben ze hem uitgelachen.
Als u zegt: ‘Ik heb lief’, hebt u lief.
Waarom bent u zo gek?
‘Ik heb lief.’
‘Mijn meisje is weggelopen.’
Wat is dat voor een smart?
Wat is smart?
Als u kosmologie wilt beleven, moet je eerst weten, dames: wanneer moogt ge smarten?
Wanneer hebt ge lief?
Wanneer is er sprake van verlies?
Ik heb geen smart meer, geen pijn meer, geen haat meer, geen ... niks meer, ik weet niet meer wat verlies is, ik weet niet meer wat onrechtvaardigheid is, ik heb er niet mee te maken.
Ik weet niet wat smart, verlies is, en al die dingen waar de mensen hun kostbare innerlijk door verliezen.
Weet ik niet wat dat is.
Maar u moet weten ...
En hoeveel miljoenen mensen hebben geen smart?
Voelen zich niet geslagen, zijn bedroefd?
Wat is bedroefdheid?
(Mevrouw in de zaal zegt iets.)
Nee mevrouw, dat is geen egoïsme.
Bedroefdheid is onbewustzijn.
De God in ons is niet bedroefd.
De God in ons heeft geen smart.
De God in ons heeft geen pijn.
‘Ja, dat kun je de kat wijsmaken’, zeggen ze.
‘Je moet maar eens een flinke darmcatarre hebben’, dan heb je pijn, stoffelijke pijn.
Goed.
Maar wij hebben het over het geestelijk geslagen worden.
De godheid kan niet in ons geslagen worden.
Ik heb geen verlies in liefde, ik heb geen verlies in haat, ga het woordenboek maar na, moet u eens kijken, dat heb ik ook gedaan, wat heb ik daar allemaal nog van, als ik die woorden tegenkom?
Kan ik dat?
Wilt u spoedig weten wie u bent, neem dan morgen het woordenboek en dan begint u bij de aap: ben ik een aap?
Een aap?
Nee, dat ben ik niet.
En dan gaat u net kijken waar de mens ...
De één heeft uitgevonden, die voor ons mensen zijn ...
En dan moet u eens volgen en eerlijk zijn tegenover elkaar, en vooral als hij, en zij, bezig is, dan kun je lekker praten.
Zorg maar als je alleen bent dat je een bende sigaretten bij je hebt, want dat verliest u, of iets anders, want een moeilijke zaak is het.
Wat heb ik van rechtvaardigheid?
Hè?
Foei.
Nou maar denken, vijf jaar lang.
Over vijf jaar gaan we weer bezig.
Naastenliefde ...
(Iemand zegt iets.)
Wat zegt u?
Geloof, van geloof ... heb ik niets mee te maken, wil ik niets meer van bezitten; ik wil weten.
Nu kunt u weten.
En nu gaan we door.
Jaloezie?
Jaloezie, weet ik wat, wat is dat, dame, weet u wat dat is?
Er zijn mensen, die zijn jaloers, en dat breekt elk fundament voor de goddelijke vonk, want de God in ons kan niet jaloers zijn, Die zegt: ‘Hebt alles lief wat leeft en ge hebt Mij.’
Jaloezie, hahaha, laat me niet lachen.
Een vrouw is jaloers op een man.
Als ik dat zie ...
Ik zeg: ‘Neem hem dan.’
Wat moet ik met jaloezie beginnen, meneer?
Dat is toch geen ruimte?
Weet u wat dat is?
Dat is bewuste krankzinnigheid, psychopathie.
Als je jaloers bent en je haat, hèhè, misgun een mens wat ... nog erger, als ik al die duizenden dingen in me had gehad, iets maar daarvan, dan had meester Alcar gezegd: ‘Zeg, ga jij nu gauw naar je duivel terug, waar je hoort.
Bij mij moet je liefhebben wat leeft.
Bij mij moet je rechtvaardig zijn.
Bij mij moet je ...’
Jaloezie, daar praat hij niet eens over.
Wij zijn niet jaloers.
Jaloers?
Ik wilde dat ik de hele wereld kon helpen.
Jaloezie, op wat?
Op centjes soms?
Huis?
Hèhè, u hoeft mij geen kroon te geven want ik moet hem niet.
Ik wil geen minister zijn, geen rechter.
Geef mij het hoogste wat ik hier beleven kan op aarde, ik zeg: ‘No, no.
Neemt u maar een ander.’
(Meneer in de zaal): ‘Minister van financiën.’
Jááá, dat lus ik, minister van financiën.
(gelach)
Dan kan ik de mensheid elke morgen krentenbrood geven met mokka.
(gelach) Dan kan ik de mensen zeggen: ‘Kinderen, geniet vandaag en kom mij vanavond eens vertellen hoe of je genoten hebt.’
God is een mooi mens.
Want die mensen die zie je.
Ik was nog aan de garage – ja, ik let op alle dingen – daar zit zo’n man en die zegt: ‘Ah, ik heb lekker gegeten.’
Ik zeg: ‘Wat?’
Toen zegt hij: ‘Kippensoep, een halve kip.’
Ja, meneer had eigen tute.
Maar daar zit zo’n arme, zo’n arme garagejongen hadden wij, een weesjongen, die hadden ze van de straat opgepikt.
Ik was weg, en toen kwam ik terug van een reis.
Ik zeg: ‘Dat is onze nieuwe garagejongen?’
Ik zeg: ‘Zo, hoe heet je?’
‘Karel.’
Ik zeg: ‘O.’
Maar die ene baas, we waren met z’n vieren, er waren wagens gekocht, zo met zijn vieren, en die zat aan tute ...
Hij at lekker ...
Ik zeg tegen hem ineens, ik zag die jongen verbleken want die kreeg nooit tutesoep want die moest voor zijn eigen kostje zorgen, ik zeg: ‘Wat kost een tuut?’
Ik zeg: ‘Bij mij thuis krijg ik nooit kippensoep’, ik zeg, ‘als jouw vrouw nu eens een fijn soepje voor me ging maken.
Een hele kip, wat kost me dat?
Die van mij die kan dat niet zo.’
Toen zegt hij: ‘Meen je het?
Goh, mijn vrouw kan koken, en mijn vrouw ...’
Nou een eigen kip, tweevijftig; dat was in 1925.
Ik zeg: ‘Goed, ik krijg morgen kippensoep.
Fijn, dan gaan we lekker eten.’
Daar komt hij de volgende morgen met zo’n pot aan: ‘Kijk eens even, nog warm, met de wagen gauw gehaald.’
Ik zeg: ‘Fijn.’
Hij zegt: ‘Nou, begin.’
Ik zeg: ‘Karel, ga zitten.’
Karel: ‘Ik, meneer?’
Ik zeg: ‘Jij gaat zitten.’
Ik zeg: ‘Eten.’
En toen ging ik naar die lipjes kijken, die vette lipjes.
Ik zeg: ‘Zie je het nu, die zat te hongeren.
Als jij lekker kip hebt gegeten, moet je dat niet tegen een ander vertellen.
Als je het vertelt dan moet je vragen of er nog meer zijn die kippensoep eten.’
En Karel nam soep.
Karel schreide al.
Ik zeg: ‘Meneer’, ik zeg, ‘hier is uw tweevijftig.’
Ik zeg: ‘Het is arm, maar verdiend.’
Ik zeg: ‘Hij moet ook zorgen dat hij kippen krijgt.
Maar dat moet je niet vertellen, meneer, aan een mens die honger heeft.’
Toen keek ik zo, toen waren daar mensen aan het lachen.
Ik zeg: ‘Lachen jullie?’
Daar stralen we even, was het lachen.
Ineens, een flits.
Toen was meester Alcar nog lang niet aan de gang.
Maar die kwam nooit meer aan de garage: ‘Ik heb lekker kippensoep gehad.’
Ik zeg: ‘O ja meneer?’
Ik zeg: ‘Daar leeft een vader met zes kinderen, meneer, die kan het niet kopen.
Geef toch eens een paar kipjes aan die; of houd uw mond.
Kom eens in harmonie met het denken.
Bluf niet, meneer, u bent een bluffer, u steekt waarlijk hier niet een ander het licht uit de ogen, maar uit zijn maag, u brengt zijn maag in disharmonie.’
Nou, Karel die at wat lekker.
En ik genoot.
Ik zat te genieten.
Lekker.
Maar een mep, dat was een mep, het was één-nul.
Waar hebben we het eigenlijk over vanavond?
(Zaal): ‘De tute.’
Over de tute.
Over de wind hadden we het.
(gelach) Wij hadden het over de wind.
(Meneer in de zaal): ‘Nou, het slurfje van de tyfoon.’
Wat zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Nou, het slurfje van de tyfoon.’
(Meneer in de zaal): ‘Van wind tot de kip.’
O ja, we hebben het nog over de tyfoon, die zat ook in die tuut.
Maar een tyfoon, meneer, is, dat er in een centraal stelsel, in de zevende graad van die krachten en krachten en krachten, de sliert, dat is net een sliert, hè, die bron net terugkomt tot één kern.
U hebt veel over de natuur gelezen; en waarop heeft deze kern, een tyfoon, nu afstemming?
(Meneer zegt iets.)
Ja, als ik het u zeg, dan weet u het ook.
Zal ik u helpen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Weet u het niet?
(Meneer in de zaal zegt iets.)
Wat?
(Meneer in de zaal): ‘Op het water?’
Op de atoomsplitsing.
Is het niet eenvoudig?
Die kracht van een tyfoon, een donder ook al, is splitsing van nevelen, wolken, water; maar ziel, heeft leven, heeft geest, heeft een persoonlijkheid.
Als die wolken bij elkaar komen en de ene – moet u eens nagaan wat er gebeurt – die wolk die is donkerder, feller, geladen, meer geladen, dan beleeft u zeven graden van splitsing, vaderschap, moederschap, en dat komt in elkaar, en dan barst dat uit elkaar en dan krijgt u een atoomsplitsing te zien, en dat is een donder.
Maar nu hoopt zich dat op in de kosmos en dan krijgt u zo’n cirkel, u ziet die trechters weleens, en dat is net een cel en een kleine ruimte waar zich die ruimte naartoe past, aantrekt.
Ik heb u eens een verklaring gegeven, meneer Van Straaten, en die klopt hiervoor, en dat is ...
Meester Zelanus heeft het in Diligentia gedaan.
Waarom komt dat tot één bron, een kleine ruimte, en dan ineens krijgt dat een uitdijing en dan begint die over de aarde te spuiten en dan ...
Zoals, in Hollywood heb ik er een gezien, in Florida, daar hebben ze telkens orkanen, elk jaar bijna, en dan vliegt ... de oceaan die gaat over de huizen heen.
U hebt het toch weleens in de kranten gezien?
Toen ik daar was toen was er net een geweest.
Dan hebt u het op één plaats, de broeiing van één toestand, dat is het zuivere zuiden, het oosten.
Dus die warmte, op zoveel kracht, gaat werken, maar maanden en maanden en maandenlang is dat al bezig.
En nu krijg je een trechtervormige toestand, en die is te zien en te beleven en te voelen en te volgen als u de splitsing van het heelal kent.
En dat is dezelfde kracht.
Meester Zelanus heeft toen verklaard: het moederschap trok zich tezamen en dat werd de maan; en het vaderschap, dus de lichtende kracht van de kosmos, die trok zich tezamen en werd maar één zon.
Later kwamen de andere zonnen.
Maar in het begin van de schepping was het één zon.
Dus die hele ruimte die verdichtte zich tot een kleine climax, zo breed en zo groot als de zon is.
Voelt u dat?
En datzelfde gevoel en afstemming aan kracht zit nou in zo’n tyfoon.
Dat is ook een remmende, opbouwende, uitvliedende kracht, en dan gaat het beginnen.
Een atoomsplitsing.
En die gaat dan door die ruimte en verspreidt zich, en als die uit is gedoold ...
Dat is uitdolen, dat is het afsterven van die kracht, maar dat kan eventjes een vaart nemen, en twee, drie dagen duren, en vier dagen duren.
En waar dat ding omheen gaat, voelt u wel, dat is een verscheuring.
En weet u waarom dat zo’n ding maar zomaar zo’n huis weg kan nemen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, omdat daar ... er ontstaat een luchtzuiging door de werveling.’
Dat ook.
Maar omdat dat ...
(Meneer in de zaal): ‘In de punt van de werveling krijgt u het luchtledige, en in het luchtledige wordt alles opgezogen.’
Zuiging!
En die zuiging is astraal.
En wat is nu de grootste, de machtigste kracht, dames en heren – dan begrijpt u Einstein een beetje en dan weet u waar ze naartoe willen – wat is de machtigste kracht?
Waardoor is het mogelijk om door zo’n klein atoompje, atoomsplitsing, om zo’n ontzettende ruimte te ontketenen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, door een graad van het luchtledige.’
Nee meneer.
Omdat men de geest en het leven losmaakt van het ding.
Ja, geestelijk.
Atoomsplitsing geschiedt geestelijk.
Stoffelijk dan broeit het weg.
Maar de geest en het leven los te maken; en dát is de enorme werking, en dat is ook luchtledig.
Dus een tyfoon, dat is nog maar stoffelijk.
Maar o wee, wanneer die dieper gaat en de geestelijke aura – dat is die zuiging – raakt, dan neemt zo’n tyfoon uw levensaura weg, voelt u wel?, en dan sla je zo dood neer.
Dus die werking is nog stoffelijk, maar o wee, wanneer de atoomsplitsing naar de geest gaat.
De kosmos kan niet geestelijk tekeer gaan.
Maar dat is halfwakende stof.
Dat is geen stof die verhard is dus, en sterk verdicht, die is verdicht uit astraal.
Maar wind is niet te zien, is wel te voelen, en dat heet halfwakend stoffelijk bewustzijn.
Is dat duidelijk?
Halfwakend.
Was het wakend bewust dan had je vaste stof, dit is vaste stof.
Maar nu dit, (Jozef doet iets), dit is ook maar halfbewust.
Maar ik ben degene die hem aan de gang maakt.
Dus mijn geest is halfwakend bewust, maar één met die stof.
En wind is halfwakend stoffelijk.
Toen de macrokosmos begon en toen de planeten zich gingen verdichten, dan spreken de meesters van halfwakend stoffelijk bewustzijn.
Een planeet die was nog astraal, was niet te zien, en nu komt de atoomsplitsing terug tot die en die graad van splitsing, en dat is het leven losmaken van dat ding, en dan kunt u met een micro, kunt u de hele kosmos in elkaar doen zuigen in die, die en die graad.
Welke graad bezit dat atoom?
Ik kan met Einstein beginnen en dan gaan we over atoomsplitsing beginnen.
En dan zal ik hem zijn halt aanwijzen.
We hebben toch in Rotterdam en hier in Den Haag en in Amsterdam lezingen gehad, en daar waren geleerden bij, er was op een morgen een doctor bij die zegt: ‘Nou, dat is knap.
Ik ben niet zover, zeg dat maar tegen die meneer Rulof.’
‘Kan de atoomsplitsing de wereld vernietigen?’ gaf meester Zelanus in Rotterdam, in Den Haag, nietwaar, de lezing (in Rotterdam op 23 Februari 1947 en in Den Haag op 27 november 1946).
Nou, wonderbaarlijk, ik stond daar in Diligentia en in Rotterdam te praten over atoomsplitsing.
Dat had ik uit de klei, dat had ik van Fanny.
Dat heb ik bij meester Honstra geleerd op school, in de derde klas.
Hier zijn geen boeken over, meneer, en hier kunt u geen leerstellingen voor volgen, maar ik heb Einstein in Amerika uitgedaagd.
Hij werd ziek.
Was mij dat maar gegeven.
Ik heb wel twee parapsychologen op de knieën gekregen, een professor en een vrouw-professor, die kwamen naar de tentoonstelling; op de knieën zaten ze.
Ja, konden we maar verder.
(Tot de zaal): Nog iets?
Meneer, hebt u niets anders dan wind vanavond?
(Meneer in de zaal): ‘Anders was het niet ... (niet te verstaan) ... waarvandaan.’
Nou ja, dan weten we tenminste waar de wind vandaan komt.
Hebt u nog iets anders, dames en heren?
Wat zegt u, mevrouw?
(Mevrouw in de zaal): ‘Hoe komt het dat een mens altijd dromen kan dat hij zijn kleren kwijt is?’
Dromen kan dat hij zijn kleren kwijt is?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Hoe komt het dat een mens dromen kan dat hij zijn kleren kwijt is?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, altijd.’
Mevrouw, dan is hij op zoek naar zijn paradijs.
(gelach) Als u naar uw kleren gaat zoeken dan bent u weer terug op weg naar het paradijs, want daar hadden we alleen maar een blaadje.
Neen, we wisten niet eens wat een blaadje was.
We zaten naast elkaar in de natuur, naakt voor de hele wereld.
Ik was het alleen, niemand anders was er bij mij, ik was het.
Nee, u was er niet eens, meneer.
Of u moet zelf dat paradijs beleven.
Maar in mijn paradijs daar was ik alleen.
Met Eva.
Eva was er ook en een slang: ‘Psss.’
Ik zeg: ‘Ga weg met je gesis, sufferd.’
Slangen ... ‘Zeg, waar ben jij eigenlijk door ontstaan als ik alléén maar hier in de wereld ben?’
Hèhè.
‘Psss.’
Ik heb de slang weggesist.
Mevrouw, dan bent u waarlijk naar het paradijs op zoek.
Ja.
Als u droomt dat u de kleren niet kunt vinden ...
Ja, u wilt toch niet dat ik u naar de lommerd breng?
(gelach) Nietwaar?
Zou iemand in uw kamer zijn geweest en gauw de kleren heeft weggenomen en die naar de lommerd heeft gebracht?
Dat kan toch niet, meneer?
Nee, het heeft met het paradijs te maken.
Zou u wel willen.
Had u nog iets, dame?
Nee?
Mevrouw, dat is een droom die voert u naar het naakte ik van Moeder Natuur.
Of u bent vroeger al eens een keer bestolen, dat ze werkelijk de kleren weg hebben gehaald, en dan gaat u dromen.
Er was een meneer bij mij, toen zegt hij: ‘Ze hebben bij mij veertigduizend gulden gestolen.
En ik kom er nooit meer van los.’
Elke nacht droomt hij van zijn centjes.
En dan ziet hij de dief.
En dan komt hij met een ‘Ik heb ’m!’.
Maar hij droomde, hij greep in het luchtledige.
Toen zegt die vrouw: ‘Je hoeft nooit meer te dromen, man.
Als je morgen het gevoel hebt: ik heb nog voor tien, twintig jaar te eten, ben je de droom kwijt.’
Maar dat kon hij niet, ziet u?
(Meneer in de zaal): ‘Hebt u gelezen, meneer Rulof, over die vrouw in Frankrijk, of in België, die hadden de centjes in de kast.
Toen had ze de keuken afgesloten en die man die denkt: Waar ben je nou?
En hij gaat op zoek en hij ziet dat licht branden maar die keuken is op slot.
Toen zegt ze: ‘Waar wij iedere dag ruzie om hebben’, zegt ze, ‘douw ik in de kachel.’
Dat is goed werk.
Die vrouw die was krachtig en sterk, maar ze had het ook anders kunnen doen.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ze zegt: ‘Liefste, nou hebben we nooit geen ruzie meer.’
Maar toen ging hij ...
(Mevrouw in de zaal): ‘Toen ging ze ’s morgens naar een psychiater, naar een krankzinnigengesticht.’
Toen ging ze weg.
Toen hebben ze haar opgesloten?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, toen hadden ze haar opgesloten.’
Maar ze was wijs.
Ja, nu sluit men ze op.
Maar hij die gek was, die bleef vrij.
En zij ...
Ja, dat kan die man immers niet begrijpen; wanneer je daar vijf- of tienduizend gulden verbrandt, dan ben je gek.
‘Dan hebben we toch geen ruzie meer.’
Dan ben je toch ... ‘Wat zeg je?
Geen ruzie?
Nú gaat het juist beginnen.’
Weg centjes, weg geluk, weg wereld.
Hebt u niets anders voor me?
(Zaal): ‘Ja.’
Ja, wacht eens.
(Mevrouw in de zaal): ‘Mag ik even iets vragen?
Van de week liep ik op de Benoordenhoutseweg, en ik verdiepte me in de bomen, dat ze nu zo dor waren.’
Ze zijn niet dor, ze zijn in slaap.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee, in slaap.
Maar het was een gouden tint, dus er was geen kleur aan te bespeuren en terwijl ik naar een van de ... toen ging ik enkel de bomen stuk voor stuk bekijken, was het precies of de kruin kreeg een uitstraling van een paars-roze.
Dan denk ik: Hé, dat is toch een vlek van, misschien van de zon doorgebroken.
En als ik hem voorbijliep en ik keek weer dan was het weg.’
Hoe laat was het, dame, toen u er liep?
(Mevrouw in de zaal): ‘’s Morgens om negen uur.’
Dat kan.
Als u drie uur later was geweest, dan had u dat niet meer gezien.
Waarom niet, dame?
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar alle bomen, elk apart ging ik gadeslaan, toen was er weer die grote uitstraling ...’
Ja dame, ja dame.
Dames en heren, weet u waarom dat zij dat zag?
Als ze tegen twaalf uur was gegaan – kan ook nog wel hoor, nu in deze tijd vooral, dame – dan had u het niet meer gezien.
Zo gauw de zon doorbreekt ...
Nee, weet u wat u zag?
Ik zie nu uw boom en uw licht.
(Mevrouw in de zaal): ‘Prachtige kleuren.’
Ja mooi.
(Mevrouw in de zaal): ‘Uit een enkel takje kwam het nog.’
Eenheid met uw gevoel.
Eerst met u.
Nu ga ik zien wat u zag, vindt u dat niet leuk?
(Mevrouw in de zaal): ‘Mooi.’
Tweede helderziendheid.
Maar wat zie ik nu?
Ik zie, ik zie, wat u niet zag.
Waarom, kan ik direct zeggen, zag u het?
Maar dat zag u om twaalf uur niet.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee.’
Alleen maar om negen uur.
Weet u waarom, meneer?
Weet u wat het is, meneer?
Jij, Leo?
Niemand?
(Iemand in de zaal zegt iets.)
Wat zegt u?
De morgendauw.
De morgen-ontwaking, de ontwaking van de morgen heeft uitstraling.
Dat licht van de morgen, juist dat grijze.
Waarom moet het grijs zijn, dame, als u soms mij niet gelooft, waarom moet het grijs zijn?
Waarom alleen in die grauwe atmosfeer ziet u dat?
Waarom?
Weet u dat ook niet?
(Mevrouw in de zaal): ‘Een kleur ...’
Nee, dame, ja, daar is er wel iets bij.
Leuk, hè?
Als de zon er is, dame, dan ziet u niets meer.
(Mevrouw in de zaal): ‘Dan overheerst dat licht.’
Ja.
Als het licht er is, ziet u geen kleurnuances meer; is het weg.
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar het was prachtig.’
Maar in dat baren, ziet u ...
Wat is dat baren, waar slaat dat baren nu op?
Beleeft u de natuur?
Waar slaat dat baren op?
En waarom ziet u dat?
Wat is dat eigenlijk, wat u daar ziet?
(Mevrouw in de zaal): ‘Het eerste beginsel van ...’
Ja, het eerste beginsel, mevrouw, maar voor wat?
Voor hardlopen?
Voor fietsen?
(Mevrouw in de zaal): ‘Van het licht ...’
Daar, dat is het, maar dat bedoel ik niet.
(Iemand zegt iets.)
Ja, en wat is dat, kind?
Wat is dat, kind?
(Mevrouw in de zaal): ‘Baring.’
Ja dame, u krijgt een tien.
Baring.
Vanuit de baring, de nacht is baring, naar de schepping.
En dan ziet u aura.
Is dat niet mooi?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, het was zo mooi, dat ik eerst dacht ...
Weet u, ik zag het niet ogenblikkelijk.
Als ik ernaar keek dan kwam het op het laatst tot een grote ...’
Zo kunnen wij, meneer, de hele kosmos verklaren, voor elk ding, zonnestralen, morgen, nacht, licht.
Daarom ...
Moet u eens nagaan, ik flitste onmiddellijk naar ... ik zie die zon en dan zie ik ... en ik denk: hé, die is goed, en onder het praten zie ik de zon, ik zie het middennachtelijk uur, twaalf uur, één uur, en ik denk: nu kan het niet, daarom stelde ik die vraag.
Maar de zon laat het zien, de zon spreekt nu.
Dat is eenheid met de toestand waar alles mee te maken heeft.
Nacht, aarde, morgen, uur, zon, en dat manifesteert zich ineens; en als u dat ziet, dan kunt u het zomaar navertellen.
Navertellen, zomaar.
Maar op het moment dat je praat moet je zien, zien, zien, zien.
Is het niet doodeenvoudig?
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar mooi.’
Mooi.
Wie nog iets?
Hemelse wijsheid is het.
(Meneer in de zaal): ‘Ik had nog iets.’
Ja meneer.
(Meneer in de zaal): ‘Ik ben net erg geschrokken, later heb ik me gerealiseerd, ik vond het wel verklaarbaar wat u zei, maar ik zei toen: koorts.
Toen zei u: ‘Koorts is een ziekte.’
Daar ben ik een beetje van geschrokken, want ik begrijp wel waarom u zegt dat koorts ziekte is.’
Ja.
De koorts is ...
(Meneer in de zaal): ‘Wanneer de mens zegt: ‘Ik heb koorts’, dan is hij ziek.’
Ja.
(Meneer in de zaal): ‘Maar de koorts is uiteindelijk niet de ziekte.’
Is uiteindelijk ...
Nee, maar het heeft toch met de ziekte te maken.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, het heeft ermee te maken, maar koorts op zichzelf is toch geen ziekte?’
Ja, dan moet ik bij elk ding stil blijven staan.
(Meneer in de zaal): ‘Ik bedoel ...’
Ik neem die sprong, ik neem de ziekte en gelijk de manifestatie.
Meneer, we hebben hier licht; hoever moeten we terug naar de bron voordat dit licht wérd, en dat is de ziekte.
De koorts is de uitstraling van de ziekte.
Maar ik nam die tussenwegen niet, want dat zijn haltes.
Maar uit rotting ...
Ziekte, koorts.
En wat is nu koorts?
Wát is nu koorts?
U wilt het wind ...
U moet vragen, meneer Otterloo: ‘Wat is koorts?’
Hebt u meer aan als wanneer u vraagt: ‘Wat is wind?’
(Meneer in de zaal): ‘Een reactie.’
En dan hebben wij duizenden verschillende soorten van koorts.
Weet u dat niet?
Bijvoorbeeld, iemand heeft heel erge haast, dan heeft hij ook al een soort koorts.
Iemand die is jaloers: een hevige koorts.
Brrr.
(Meneer in de zaal): ‘Koude koorts.’
De koude koorts, maar dan hebben we weer te maken met het lichaam.
Maar de geestelijke koorts ...
Geestelijke koorts, wie is er vrij van?
M’n moeder.
Zijn wij niet allemaal koortsig in deze maatschappij?
Toch waar, hè?
Want als we maar even, moet u horen hoe duidelijk, wanneer we niet in harmonie zijn met de goddelijke wetten, als krachten, als licht, als leven, als liefde, als vader-, als moederschap, dan stralen we koorts uit, en slaan we uit, vlammend; ‘niet mooi’, zeggen ze daarboven.
Onze-Lieve-Heer zegt: ‘Waarom maak jij je zo druk?’
(Tot iemand in de zaal): Hè?
(Meneer in de zaal): ‘Is die stoffelijk meetbaar?’
Koorts?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, de koorts die u bedoelt?’
Jazeker, als u mij een klap in mijn gezicht geeft door uw koortsachtig-zijn, uw kwaad-zijn, als we kwaad zijn dan komt er een innerlijke haatdragende koorts, een uitstraling, u slaat, dan kunt u mij wel een doof oor geven.
Vindt u dat nog niet erg genoeg?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar ik bedoel, is die met een koortsthermometer op te nemen?’
Meneer, dan hadden wij maar een koortsthermometer nodig om even het gevoelsleven vast te stellen.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, dat is nou juist wat ik bedoel.’
Ja, dat is vast te stellen.
Maar dat kennen wij natuurlijk niet, daarom maak ik die gekheid.
Ik zeg: als u mij een klap geeft, dat is ook koorts.
Maar nu een thermometer om het gevoelsleven en het bewustzijn vast te stellen.
Leuk?
Die zullen ze nog wel uitvinden, meneer Joost.
(Meneer in de zaal): ‘ ...het is zelfs mogelijk dat we, wanneer iemand zich opwindt, dat is al vastgesteld ...’
Dat is, ja ...
(Meneer in de zaal): ‘Dan heeft hij een verhoogde klierwerking.’
Ja.
Meneer wij hebben leugenapparaten.
Dus het gevoel is al bezig.
Meneer, dat is bezig.
En straks wanneer dat volmaakt is dan stellen ze onfeilbaar uw persoonlijkheid vast.
Weet u wát alleen?
Uw bewustzijn, dat reageert allemaal, gevoelsleven, aura, liefde.
Maar het leugenapparaatje hebben we al.
(De geluidstechnicus): ‘Nog twee minuten.’
Nog twee minuten maar?
Goeie grutjes.
(Tot iemand in de zaal): Ja meneer?
(Meneer in de zaal): ‘Is dat leugenapparaat niet uit te schakelen?’
Ja, nou, u mag het mij aanzetten.
En dan zou ik liegen dat de stukken eraf vliegen en hem niets zeggen.
(Meneer in de zaal): ‘Precies.’
Meneer, dat is allemaal kunst.
(Tot iemand in de zaal): Wat zei u?
(Meneer in de zaal): ‘Ze kunnen toch alleen maar de disharmonie vaststellen?’
Ja, kijk eens hier, dat apparaat ...
Jazeker, disharmonie, dat wijst op gevoeligheid.
Maar waarom ...
Wat is de kwintessens, de eigenlijke kern van een leugenapparaatje?
Waarom gaat dat instrument werken?
Waarom?
(Iemand zegt iets.)
Daar hebt u het: gevoel.
Want u weet dat je liegt.
Ik ook trouwens, ik lieg de hele avond hierzo.
(gelach) Ja meneer, als ik u zeg dat u liegt dan moet ik ook wel een leugenaar zijn.
Maar wanneer we gaan liegen, is er vanbinnen een spanning en die onzekerheid ...
Maar ik lieg tegen de ruimte in.
Dames en heren, tot zondagmorgen.
(Er wordt geklapt.)