Dinsdagavond 17 januari 1950

Goedenavond, mijn zusters en broeders.
(Zaal): ‘Goedenavond, meester Zelanus.’
Wie van u heeft de eerste vraag?
(Meneer in de zaal): ‘Meester, zijn er ook in de sferen waar u zijt, zijn er ook meesteressen daar, of alleen meesters?’
De moeder ...
Zijn er in de ruimte meesteressen?
De moeder neemt de directe plaats in voor de schepper, en die is zoals het universum is geschapen.
Maar daar bent u niet tevreden mee.
Het is voldoende.
Waaraan is dat te zien?
Wat bent ú ten opzichte van de moeder?
Wat doet u hier in de maatschappij?
Wat doet de moeder voor ú?
Ja.
Geeft zij ...
(Meneer in de zaal): ‘Ja, welke moeder bedoelt u?’
Uw eigen moeder.
(Meneer in de zaal): ‘Die heb ik niet meer.’
Hebt u geen moeder?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Bent u geboren uit wat klei en levensadem?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, dat niet maar ...’
Maar u begrijpt míj.
De moeder is de meester, maar volgt daar, in de ruimte, en voor alles, de schepper, door die kracht te bezielen.
En zij kan ...
Wij, u vecht, u werkt, u dient als man, als schepper dient u de moeder.
Daarom vraag ik u dit.
U gaat voor en zij volgt u in alles.
Zij dient u, bezielt u, heeft u lief, maar wij weten al ...
Maar ú bent het om het te vertegenwoordigen, ú draagt het uit.
Voelt u wel?
De moeder vertegenwoordigt een tempel, een ruimte, God, Christus; u ook.
Maar u gaat die Christus, die God in u uitbeelden door haar, alleen kunt u dat niet.
Zij staat naast u, zij is het fundament, de baring voor uw bezieling.
Duidelijk?
(Meneer in de zaal): ‘Maar hebben die meesters allemaal één gedachte?
Spreken ze elkander ook tegen – wat de een vertelt, dat de ander zegt: het is anders – zoals de mensen hier op de aarde?’
Wanneer u twee professoren hebt in één graad, spreken zij elkaar tegen?
Kan dat?
(Meneer in de zaal): ‘Kan niet.’
Twee techniekers, twee meningen, kunnen zij elkaar, mogen zij elkaar tegenspreken?
Wetenschap blijft wetenschap, wetenschap is weten, een fundament voor ruimte.
Wat is kracht?
Wat is leven?
Wat is licht?
Wat is liefde?
Telkens staan wij ... en gaat u weer terug naar Golgotha, Bijbel, Christus, God.
Wat is waar?
Voelt u?
Wanneer u het licht bezit, de kennis ...
Licht is waarheid, licht is harmonie, licht is bezieling, licht is leven, rechtvaardigheid.
Het geloof vervalt, leer ik u, omdat ge niet meer zult geloven, maar gij zult weten.
Waarvoor dient de wetenschap?
Indien de parapsycholoog aanstonds ons kan aanvaarden, de psycholoog, de psycholoog kan aanvaarden, dat de mens meermalen op aarde leeft, en u als man moeder moet zijn, dat is het contact met de ruimte, komt u in een hoger voelen en denken; en dat is dan geestelijk, helemaal niet vreemd.
Hoe ziet de wereld – heb ik u verleden gevraagd – hoe zal de wereld eruitzien, de aarde, over vijfduizend jaar, tienduizend jaar?
Over een miljoen, tien miljoen jaar leven hier nóg mensen op aarde.
En hoe is dan de aarde?
U leeft nu reeds in een buitengewone toestand: het ene volk begrijpt het andere niet, de ene mens begrijpt de andere niet.
Maar aanstonds begrijpt ge elkeen, álles!
U kent het leven van uw hond en kat, uw dier, uw paard.
U weet waardoor die koe, dat paard, de vogelen geboren zijn, waaruit, waardoor, en waarheen dat leven gaat; weet u allemaal.
Elk volk krijgt universele ontwikkeling.
Hoe is dan uw persoonlijkheid?
Hoe is dan de maatschappij?
Wij gaan daar naartoe.
De aarde leeft reeds miljoenen jaren, is miljoenen jaren oud, de aarde.
Maar haar bewustzijn heeft kosmische afstemming.
Moeder Natuur laat zich zien, aan haar kleur, aan haar kracht, aan haar leven, hoe oud zij is.
Hoe oud is Moeder Aarde nu volgens de ruimte voor de maatschappij, voor deze mensheid?
Hoe oud, zegt de geleerde, is nu de aarde?
Hebt u een beeld?
U kunt het onmiddellijk vaststellen, velen van u weten het reeds, ik heb het meermalen herhaald.
Wat denkt u?
Hoe zag de aarde, hoe jong was de aarde toen zij tien minuten oud was?
Neem uw tijd maar: tien minuten zijn tien tijdperken.
Voor de ruimte is er geen einde.
En komt er een einde?
Jazeker.
Toen was er alleen nacht.
De zon, dit licht, is er altijd geweest in de ruimte, maar dat licht is ook begonnen.
Er was in het begin duisternis.
Er kwam langzaamaan licht.
Door de splitsing van de ruimte – dat zijn de boeken van ‘Het Ontstaan van het Heelal’ – heb ik u verklaard, kreeg u licht, splitsing, weer duisternis.
Ik heb u verklaard, wanneer u miljoenvoudig hiervan een deeltje licht neemt, krijgt u opnieuw duisternis.
Dat licht is de Albron, scheurde vaneen, en toen begon de ruimte.
De zon, de vaderlijke kracht, verwaasde.
Dat licht kwam, achter alles straalde dat licht door naar de planeten, het begon.
De aarde is nu veertien, vijftien jaar oud.
En elke dag, elk uur is – u kunt over miljoenen uren spreken – is elk uur voor u een miljoen jaar voor de aarde.
Hoelang duurt het nog voordat dit leven allemaal is opgelost?
Waarheen gaat u?
Hoelang duurt het nog voordat de aarde de geestelijke graad heeft bereikt?
Hebt u hier op aarde reeds bloemen die de geestelijke graad vertegenwoordigen?
Hebt u een aura?
Is die ruimte waarin u leeft, goddelijk bewust, goddelijk bewust?
Stof.
En nu de goddelijke uitstraling als universum te zien, te beleven, te voelen, daarvan de krachten, de wetten, de elementale ruimte, verdichtingstijdperken te bezitten onder uw hart, als een persoonlijkheid te dragen, is bewustzijn.
En over miljoenen jaren zijn er nog mensen.
Want elk kind – heb ik u verklaard – ook uit het oerwoud, nietwaar ... de mens daar in een ...
Eskimokind (zie rulof.nl/mens-of-ziel), de Mongoolse rassen (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen) moeten allemaal naar hoger bewustzijn, en naarmate dat innerlijke leven ontwaakt, verruimt en verfraait zich het organisme.
Dus u krijgt door uw geboorte een nieuw lichaam, een nieuwe tijd, een nieuwe eeuw, nieuw gevoel.
En wat u doet, zó u ontmoet; maar daardoor bouwt gij uw persoonlijkheid, uw gevoel, uw leven, uw licht.
(Tot de zaal): Wie van u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, meester.’
Waar?
(Mevrouw in de zaal): ‘Hierachter.’
Gaat u.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik ga terug naar ‘Tussen Leven en Dood.’
Ja.
(Mevrouw in de zaal): ‘Uit de boeken en van meester Zelanus hebben wij geleerd dat balsemen niet mag.’
Moet u weten.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja, dat moeten wij weten.
Maar nu, Venry wordt opgeleid of was een Groot Gevleugelde.’
Ja.
(Mevrouw in de zaal): ‘De opperpriester sterft.’
Ja.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nu wordt Venry ...’
Iets duidelijker.
(Mevrouw in de zaal): ‘Nu wordt Venry met alle problemen op de hoogte gebracht, dat wil zeggen, alles wat de dood betreft.
Maar we lezen toch, dat de volgende dag, dat de opperpriester gebalsemd moet worden.
Had men Venry dat nu ook niet duidelijk moeten maken dat dat niet mocht?’
Kan ik hier u allen, kan ik de maatschappij, kan ik uw Amsterdam, uw Rotterdam, uw wereld overtuigen van de wetten na en achter ‘de kist’?
Kan ik datgene brengen wat de kosmos, de kosmos u biedt, u gaf, God, Christus, de ruimte, de Albron verstoffelijkte, kan ik dat aan uw universiteit kwijt?
Nee?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee ...’
Dat was voor Egypte.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Dat boek leefde ook in Egypte.
Die Venry die wist niet zóveel.
U vergelijkt dat boek, die tijd, met het nu.
Maar u blijft in uw tijd en u denkt vanuit het nu terug naar Egypte.
En dan neemt u ‘De Volkeren der aarde’, dan neemt u ‘Geestelijke Gaven’, u neemt ‘Een Blik in het Hiernamaals’.
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar wat voor nu geldt, gold voor vroeger ook?’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Wat voor het heden geldt, gold toch ook voor ...’
Ja, ja, mijn kind, maar die men ...
Voelt u dan niet waar ik heen wil?
(Mevrouw in de zaal): ‘Jawel.’
Die mensen konden dat nog niet begrijpen.
Isis had bewustzijn, Ra, de tempel van Ra, de tempel van Ré, Luxor, die hadden het bewustzijn dat een stuk steen, een boom, een water, een bloem, een vogel, de god van de nacht goden waren.
Maar wij hebben maar één God.
Dus dat bewustzijn was nog niet zover.
Is het nu duidelijk?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Dank u.
Wie?
(Mevrouw in de zaal): ‘Meester.’
Ja.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik wou vragen, verliest Jozef Rulof niet zijn persoonlijkheid door zijn altijd passieve houding, door altijd passief te zijn of te willen zijn, als medium?’
Ik zal vanavond iets uitspelen, ik zal u vanavond iets laten beleven, en dan krijgt u, aan het eind van deze avond krijgt u het antwoord.
Is dat goed?
(Mevrouw in de zaal): ‘Heel graag.’
Mooi.
Wie van u?
(Meneer in de zaal): ‘Meester, als een ziel zich in de vierde graad van het stofleven bevindt om zijn karma te beleven en er vindt een verbinding plaats met een hogere graad, betekent dit dan ook stoffelijke afbraak?
Want de vierde graad heeft al reeds de zevende graad beleefd.’
U bedoelt, wanneer de mens, u als schepper, terugkeert naar een vierde graad ...
(Meneer in de zaal): ‘Ja, meester.’
Kennen deze mensen de vierde graad, dan wil dat zeggen, dat u zich kunt verbinden met ... vanuit de moeder uit het oerwoud tot het blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen).
Dat zijn de rassoorten (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen) op aarde, maar die hebben voor de ruimte de betekenis ...
Dit zijn graden voor het menselijke organisme, nietwaar?
Dat kunt u lezen en wordt u duidelijk gemaakt door de boeken ‘Het Ontstaan van het Heelal’.
Nu kunt u zich verbinden met een eskimo-moeder (zie rulof.nl/mens-of-ziel), een Chinese moeder, een Japanse moeder.
De Japanner en de Chinees hebben het hoogste organisme, hoewel het Chinese en Japanse ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen) de zesde en de zevende graad vertegenwoordigen.
Begrijp goed wat ik bedoel: u hebt in uw maatschappij waarin u leeft een volmaakt organisme, de aarde heeft niet hoger.
Komt hoger, komt hoger, dat lichaam, dat organisme verfraait en verijlt; dat lichaam krijgt een normale hoogte.
U kunt geen, voor de ruimte, geen twee meter groot zijn, en een halve meter: dat zijn stoornissen.
Over vijfduizend, tienduizend jaar is het menselijke organisme verfraaid, verruimd, verijld; dan ziet u schone wezens.
En wanneer u aanstonds daar nog even op doordenkt en ...
Daar kunt u tien lezingen over geven.
Bijvoorbeeld, ik wil u een beeld geven: waarom zijn er adonissen op aarde?
Waarom maar één, twee, drie, tien van een volk?
Waarom is elk mens niet zo?
Wat wil dat zeggen?
Maar u kunt zich verbinden met een andere graad, en er ontstaat in die en door die graad een openbaring, en dat is de geboorte van een kind.
Daar verliest u niets meer mee.
Wat verliest u?
U splitst op dit ogenblik uw graad met die van de vierde.
Komt er op dit ogenblik afbraak, vernietiging ...
U leeft op dit ogenblik in duizenden problemen.
Waar zijn de ziekten door ontstaan?
Nietwaar?
U kunt zich verbinden, er komt waarachtig leven omdat het nog altijd een menselijke graad is, maar u splitst alleen uw stoffelijke weefsels, uw innerlijk leven is niet aan te tasten.
U bedoelde de stof, nietwaar?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, meester.’
U hebt dat trouwens gelezen in ‘Het Ontstaan van het Heelal’.
U geeft uzelf, er komt een kind – schepping gaat door, nietwaar, schepping gaat door, evolutie is er – door u te verbinden met een lagere, met de tweede, met de derde.
U kunt zich verbinden met de eerste graad, de zevende kan scheppen en baren met de eerste graad, zeer zeker, en is het alleen de splitsing van de stof.
Welke graad overheerst?
Als u even doordenkt en u gaat naar Indië, u gaat naar die landen, dan zult u zien dat de lagere graad de hogere overheerst, als stelsels, bloed.
Begrijpt u dit?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, meester.’
Nog meer?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar ik bedoelde eigenlijk dit met mijn vraag: ik kan teruggaan naar de vierde graad om karma te beleven.’
Ja.
(Meneer in de zaal): ‘Dan heb ik reeds de zevende graad gehad.’
Dat moet u.
(Meneer in de zaal): ‘Anders kan dat niet.’
Waarom kan dat niet?
(Meneer in de zaal): ‘Nee, ik bedoel dit: wanneer ik terugga naar de vierde graad om mijn karma te beleven, moet ik toch de zevende graad gehad hebben?’
Ja, dat is wat anders.
Wanneer u uit het oerwoud ...
Dus u beleeft in de eerste plaats uw leven voor de aarde.
Begrijpt u dit?
De aarde is altijd nog de overheersende kracht voor de ruimte, die u dwingt om vader en moeder te zijn, hierdoor, want u krijgt door die levens, die graden te beleven, een nieuw organisme, een nieuwe tijd, een verfraaiing, een verruiming, of u bleef stilstaan.
Duidelijk?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Nu krijgt u en beleeft u een hogere bewustwording, door de lichamen; die eisen onherroepelijk dat u dat afmaakt.
U kunt met geen karma in harmonie komen, dat wil zeggen, u kunt uw karma niet beleven ...
Wat zoudt ge denken van uzelf.
U hoeft niet te geloven en te aanvaarden dat u hier voor het eerst bent.
U hebt miljoenen levens achter de rug als vader en moeder.
U komt vanuit het oerwoud naar ... het hoogste voor de aarde is het blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen).
Of dacht ge waarlijk dat God de ene mens zou bevoordelen, alles schenken?
U in deze maatschappij, u hebt uw eten en uw drinken, u hebt alles, u hebt uw gewaad, uw kleren, u hebt licht en leven; en daar leeft het kind van God, ook een kind van God, in het oerwoud, is zwart, wordt getrapt, geslagen en vernietigd.
Is dat rechtvaardigheid?
Kunt u dat aanvaarden?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Neemt u ook niet.
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Dus die mensen moeten ergens naartoe, die komen door de zeven lichamelijke graden voor organisch leven, vader- en moederschap, komen die mensen naar het hoogste, dat bent u, is het blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen), en het Oosten.
Verbeeldt u zich maar niets, verbeeldt u zich niet dat u als blank mens het hoogste beleeft ...
Ga naar Brits-Indië (India), u ziet daar een machtige persoonlijkheid, ook een normaal, natuurlijk, krachtig, sterk bewust organisme, en daarin leeft de ziel.
Het Indische leven, het oosterse bewustzijn is u ver vóór.
Want wanneer we spreken over een yogi, een magiër, een fakir, een ingewijde, daar weet u niets van.
En dan moet u een tempel betreden, dan kunt u een studie volgen van twintig, dertig jaar, en dan weet u nog niets.
Alleen al om in te slapen, om een beetje te genezen, om te zeggen: ik laat u stilstaan.
Ik kan dit, ik kan dat.
Kunsten van kracht, bezieling.
Maar om nu de wetten te leren kennen ...
Waarom bent u moeder?
Waarom bent u vader?
Waar gaat u naartoe?
Waar komt u vandaan?
Zegt het u niets?
Dat wordt de geestelijke wetenschap voor de maatschappij.
Dat is de metafysische leer.
En die moet u beleven.
Die graden houden u vast totdat u het blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen) hebt betreden, hebt bereikt en dan begint u – door die duizenden levens, voelt u, die miljoenen levens, daar als moeder en daar als vader, u hebt daar het ene leven bedrogen, bezoedeld, mismaakt en vermoord; hoeveel moorden hebt u op uw geweten wanneer u het blanke ras hebt bereikt? – dan beginnen wij aan goed te maken, die wetten die wij mismaakt hebben goed te zetten; en daarvoor zijn nu weer duizenden levens nodig.
Want u moet in het reine komen met de aarde, u moet in harmonie komen met de ruimte.
Door uw lichaam brengt u harmonie voor ziel, geest en astrale wereld.
Kunt u dit aanvaarden?
(Meneer in de zaal): ‘Jawel.’
Heel duidelijk, want er is niets anders.
Nog meer?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, ik mocht dat even horen, u zegt daar dat, de Japanner en de Chinees hebben het fraaiste organisme.’
Het fraaiste?
Wie zegt, hebt u mij over ‘fraai’ horen spreken?
Die vertegenwoordigen het hoogste ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen).
U moet niet naar die oogjes kijken; u kijkt naar het organisme, dat is de zevende graad.
U hebt oosterse graden, u hebt westerse graden, u hebt ze in Zuid, Noord, Oost en West.
En dat lichaam heeft, of u nu daar leeft of u komt daarvandaan of hiervandaan, u hebt het hoogste organisme, de zevende graad voor organisch leven: u hebt u vrij- en losgemaakt van het oerwoud.
Of wilt u zich weer gaan vergelijken met die kinderen die daar nog onder de grond leven, die wilde stammen?
Moet ik het uitbeelden?
Hoeft niet, hoeft niet.
Maar, voelt u, is dit geen verschil dan wat u hebt?
Dit is een tempel.
En dat is de eerste graad voor organisch leven, organisch bewustzijn; dat noemen wij, is voor de ruimte, de dierlijke graden.
Vergelijk dit dierlijke niet met een dier – een kat en uw hond en uw tijger, dat zijn ook dierlijke graden – maar dat is eigenlijk het onbewuste lichaam dat de straling, de uitdijing, het bewustzijn voor alle stelsels nog niet heeft bereikt.
Is het niet eenvoudig?
En nu ligt heel de aarde, de ruimte ligt voor u open.
Voor God is er immers geen onrechtvaardigheid.
Interesseert u wie God is?
Interesseert u wie u zelf bent, wat u voelt, wat u bezit?
Gaan we niet eindelijk eens afvragen: wie was die Christus?
Wat is liefde?
Wat is rechtvaardigheid?
Wat is maatschappij?
Waarom bouwen wij een maatschappij?
Vroeger leefden wij, voor zoveel eeuwen terug leefden we allemaal in het oerwoud, er waren geen steden, uw bioscoop had u niet, geen kunst, geen Rembrandt, geen Van Dyck, geen Titiaan, geen Mozart, geen Bach, geen Beethoven, niets, niets, niets; even maar terug, even terug ...
(Meneer in de zaal): ‘Dat hadden de Chinezen toch ook niet?’
(Tot iemand in de zaal): Wacht u even, ik kom aanstonds bij u.
...toen leefden wij in het oerwoud, de maatschappij moest nog beginnen.
En nu leven wij reeds in de maatschappij, in zoveel eeuwen.
(Tot iemand in de zaal): Wat had u?
(Meneer in de zaal): ‘Maar dat hadden de Chinezen toch ook niet, die hadden toch ook een bioscoop, en die worden toch ook vernietigd?’
Wij hebben het vanavond niet over vernietigen.
(Meneer in de zaal): ‘Ook.’
Nog niet.
(Meneer in de zaal): ‘Daar hebt u het ook over gehad.
U hebt het ook gehad: de mensen in het oerwoud worden vernietigd, worden kapotgemaakt, worden vernietigd, die worden ook vertrapt ...’
Ik heb het alleen over de ...
(Meneer in de zaal zegt iets.)
Ik heb het natuurlijk alleen ...
Ik bedoel dit, er zijn, wanneer u spreekt over vernietigen, dan hebben we verschillende graden en wegen en mogelijkheden om vernietigd te worden.
Die mensen die hebben dat alleen maar door het wilde dier of wat dan ook.
Voelt u wel?
Gaat u terug naar het prehistorische tijdperk ...
(Meneer in de zaal): ‘ ...worden door het dier, door het water, door alles vernietigd.’
Mijn lieve vriend, de hele wereld lijdt onder afbraak, vernietiging en ellende.
(Meneer in de zaal): ‘Maar u hebt het over de zevende graad.
Wij maken hier alles mee, wij hebben alles toch al, ons eten, ons drinken, dat hebben de Chinezen ook niet, zij zijn ook de zevende graad.’
Dat is weer anders, daar hebben wij het niet over nog.
Voelt u wel?
Stelt u mij aanstonds die vragen: waarom heeft het volk dat, en het volk dit, en het volk dat?
Houdt u zich vast, stemt u zich af op dat organisme.
Ga nu niet vragen: waarom heeft de een meer dan de ander?
Wat is dat?
Dan komen wij tot ...
(Meneer in de zaal): ‘Wanneer we de lagere graad hebben, die worden toch hard vernietigd, worden toch hard geslagen ...’
U toch ook hier.
(Meneer in de zaal): ‘Ja.
Maar goed, nee, u hebt het daar over de lagere ...
En de hoogste graad leeft genoeglijk, leeft goed.
De Chinezen hebben ook de hoogste graad, die leven ook niet goed.’
Ja, kijk, mijn vriend, wij hebben ...
Moet u goed begrijpen, moet u luisteren waar we over spreken.
We hebben het over de lichamelijke graden.
Dát is, waar u over spreekt, stel me die vraag, dat gaat over goed en kwaad.
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Jawel, dat gaat over goed en kwaad.
U trekt die wereld eromheen, bij dat organisme.
Houd u vast aan die vraag daar, die gaat door.
Wanneer we die vraag afmaken, komen wij tot uw vraag.
En dat is een heel andere wereld.
Dat is een nieuwe wereld.
Dat is oorzaak en gevolg, dat zijn karmische wetten, dat is dat kind, daar en daar en daar, wordt vernietigd, door wat?
Moet u zeggen: waarom wordt dat kind daar vernietigd?
Waarom heeft dat kind niet te eten, die mens?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, in de aanvang zegt u: de mensen die in de eerste graad leven worden vernietigd.
Er wordt toch getrapt ... worden geslagen, wonen in het oerwoud ...’
Juist.
Wordt de tweede dan niet ...
(Meneer in de zaal): ‘ ...wonen ook in het oerwoud.’
Wordt de tweede dan niet, de derde dan niet, de vierde dan niet ...
Wat hebt u ...?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, maar u zegt: “De zevende graad leeft beter, leeft makkelijker.”
Dat zijn wij, de blanken.’
U hebt meer comfort.
(Meneer in de zaal): ‘Comfort.’
Dat is alles.
(Meneer in de zaal): ‘Nou ja, goed, maar daartegenover staat dat de Chinezen dat niet hebben.’
Zullen ze zich nog eigen moeten maken.
Maar wat is dat?
Wat is dat nu?
Wat zegt de maatschappij?
Bent u tijdens de oorlog dan niet geslagen?
U kunt niet erger geslagen worden, u hebt in die jaren alles beleefd.
Wij hebben het niet over slaan, we hebben het over de graden van het organisme.
Voelt u wel?
Krijg ik daar gelijk in?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, dan snap ik waarschijnlijk iets niet.’ (gelach)
Als u het meent, aanvaard ik het, anders is het geen ...
(Meneer in de zaal): ‘Meneer, dan zou ik het u niet zeggen.’
Dank u.
Dan zou ik u zeggen: leest u nu eens die boeken ‘Het Ontstaan van het Heelal’, het zijn drie delen.
Doe het, doe het.
U kunt ze ...
We hebben ze nu niet, ze zijn uitverkocht.
U kunt ze daar krijgen in de bibliotheek, toebedeeld, kom dan terug.
U kunt me krijgen voor die vraag die u stelt, maar dan komen we tot heel andere problemen.
En zult u zien, we houden het vast, die ene toestand, die mens met zijn graden, die vraag vandaag, moet ik vasthouden.
Er zijn duizenden wegen, duizenden, één is er maar, die ene, dat is dat lichaam.
Daarom zeg ik: wij gaan vanuit het oerwoud, uit het prehistorische tijdperk, naar hoger, dat is nu deze tijd, het blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen).
Ik verwijs u ook naar het Oosten, verbeeldt u zich maar niets.
Oosterling, kleurling: machtig, machtig.
(Tot de zaal): Nog meer?
(Mevrouw in de zaal): ‘Mag ik even wat vragen?’
Jazeker.
(Mevrouw in de zaal): ‘Hoe komt het dan, als het blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen) het hoogste ras is, dat er nog zoveel mensen zijn die beestig zijn, een beestige afstemming hebben?’
Mijn lieve kind, u hebt ook de geestelijke graad nog niet bereikt.
U hebt de geestelijke graad bereikt door Christus, nietwaar?
Er gaat toch voor u niets boven Christus?
Er is geen Boeddha, geen Mohammed, de profeten niet; Christus is ons licht, nietwaar?
Dat is de kosmisch, de goddelijk Bewuste.
Handel ernaar en u bent er.
Wat doet de maatschappij, wat doen miljoenen mensen?
Ze zijn nog niet zover.
(Mevrouw in de zaal): ‘Maar toch hebben ze het blanke lichaam.’
Tja, maar u hebt ... in dat blanke lichaam leeft de dierlijke graad voor voelen en denken, dat ...
Ze knallen u zo neer, nietwaar?
Ze hebben geen ontzag voor uw blanke ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen), voor uw mens-zijn.
Er leeft goed en kwaad in uw maatschappij op de aarde, en die is bewust.
Maar, weet u, die vraag ligt dicht in uw omgeving.
Is het niet zo?
(Tot de zaal): Wie van u?
(Meneer in de zaal): ‘In het boek ‘De Volkeren der aarde’ lezen wij dat we de laatste wereldoorlog hebben gehad ...’
De laatste oorlog in ‘De Volkeren der aarde’?
(Meneer in de zaal):‘De laatste wereldoorlog.
Wat moeten we nu denken van de herbewapening, bijzonders op het westelijke halfrond, en wel door de volkeren van Israël (hiermee worden de westerse volkeren bedoeld)?’
Wat moet u daarvan denken?
U hebt de atoombom.
Neemt u aan, naarmate u die lezingen hebt gevolgd, en de boeken las, neemt u aan dat alles uit de ruimte komt, door God?
Dan kunt u ook aanvaarden dat er niets hier op aarde gebeurt of het is hier gebracht door bewust denken, nietwaar?
Hebt u ‘De Volkeren der aarde’ gelezen?
(Meneer in de zaal): ‘Jawel.’
Dan voelt u wel – de aarde zou dit, de aarde zou dat – wanneer die technische wonderen niet op aarde waren gebracht door ... de mens die zag: als ik twee stenen op elkaar schuur, breng, krijg ik vuur ...
Dat is die mens ingelegd.
Later kwam er kunst, nietwaar, alles kwam en komt, wijsheid ...
(Meneer in de zaal): ‘Inspiratie van de ...’
...door de mens die zag: ik leef.
Door ‘De Volkeren der aarde’ hebt u een beeld gekregen – en dan komen we weer bij diezelfde vraag – dat we ons langzaam hebben losgemaakt van de natuur en een maatschappij hebben opgebouwd.
Nu zijn we in het huidige stadium.
U hebt Napoleon gezien.
Waarom begon Napoleon ... tot eenheid, Napoleon wilde niet anders dan eenheid brengen onder de volkeren.
Hij wou ze wel knechten, hij zegt: ‘Dat neem ik en dat ...’
Maar wat wilde die man?
Was die gedachte niet precies dezelfde dan nu in Amerika de verenigde volkeren der aarde doen, en u in ‘De Volkeren der aarde’ leest, is dat niet precies hetzelfde?
Waren die gedachten van Napoleon anders dan deze?
Waren de gedachten en gevoelens van Mozes anders dan deze?
Voelt u wel?
Mozes zou eenheid brengen.
Trek óp die volken, want die massa, die hele massa van de aarde moet één eenheid worden, één geloof, één gevoel, één wijsheid, daar gaan we naartoe.
Nu kunt u zich angstig maken en zeggen: ja, nu komt de atoombom.
We krijgen meer van die technische dingen.
En Rusland heeft het.
En nu schrijf ik, ik heb dat boek geschreven daarzo, die ‘Volkeren der aarde’, ik zeg: dit is de laatste.
Nu kan ik u wel een beeld geven – u moet het natuurlijk afwachten – ik kan u een beeld geven: tijdens de oorlog had Adolf Hitler gas, en die had gas en die had gas, het is niet gebruikt, de een was angstig voor de ander.
Aanstonds gaat Stalin door, Stalin die weet, Stalin is niet zo dom, Stalin heeft bewustzijn, heeft een andere taak, voor zichzelf alleen, voor zijn volk.
Adolf Hitler had een universele taak.
Stalin heeft geen taak, dat is alleen een dictator, of een heerser, voor zijn eigen massa.
Adolf Hitler had een taak voor de wereld.
Goed of verkeerd, doet er niet toe; dat leest u, nietwaar?
Die man, die ziel, die gedachte, die bezieling bracht eenheid – hoe dat gebeurd is, doet er niet toe, daar hebt u het alweer, om de zaak heen, om de eigenlijke wet – hij bracht eenheid.
Hij wilde eindelijk eens die mensen tot één gedachte, allen voor één en één voor allen, brengen, geluk, vrede en rust.
Ja, door zíjn voelen en denken – en die handelingen hebt u leren kennen – door geweld.
Gaat niet.
Maar Stalin, als u angstig bent voor Rusland, voor Stalin, dan kunt u, dat kunt u, dat is natuurlijk vanzelf, spreekt vanzelf ...
(Meneer in de zaal): ‘Ik ben meer angstig ...’
U moet me niet in de rede vallen.
(Meneer in de zaal): ‘ ...voor de andere kant.’
U moet even wachten, ik geef u aanstonds het woord.
...dat kunt u.
En zoals het er nu uitziet op de wereld voor de volken – nu kom ik naar uw vraag – staat deze massa, deze mensheid, er slecht voor.
Begrijp goed, u hebt, wij hebben, de wereld heeft Stalin enige malen aangevallen en uit zijn rust geslagen; die gelooft u niet meer, u niet, niemand.
En wat doet nu het westerse kind?
U kent 1939-1945; samen hebben zij een lagere graad overwonnen.
Want u moet nu niet gaan denken dat Adolf Hitler weer gelijk had; hij hoefde het bezit niet van de wereld te hebben, dus dat werd hem volkomen weer ontnomen.
En tezamen heeft goed en kwaad, graden van bewustzijn, hebben zij dat dierlijke, dat afbrekende, vernietigende overwonnen; móést overwonnen worden.
Had Stalin, dat staat daar in, en had Adolf Hitler, hadden zij de tijd, hunzelf, hun volk begrepen, hadden deze twee heersers de wereld in hun macht gekregen.
Maar het zou niet, dat zou niet.
En hoe eenvoudig, hoe dicht bij deze persoonlijkheid lag niet dat bezit, leefde niet deze ruimte?
Maar het zou tegen elkaar in.
En u leest ook weer in de boeken, want nu komt het erop aan: u doet dat niet, en u zult dat niet, en u zult zo gaan en zo gaan.
Had Adolf Hitler gezegd in die en die tijd: ‘Ik ga door’, dan had hij in twee maanden Brits-Indië en Engeland en alles overwonnen.
Maar wat deed hij?
Hij nam rust.
Hij zou rust nemen; voelt u wel, ook weer bezieling.
Wanneer we die boeken ontleden dan voer ik u mee naar Chamberlain, naar Churchill, die mensen die voor de mensheid een taak tijdens deze jaren hebben verricht.
Dacht u dat die mensen niet, deze persoonlijkheden, niet waren geïnspireerd?
Dacht u dat Churchill, dat Chamberlain, dat die andere mensen, Roosevelt, dat die op eigen kracht die gevoelens ten opzichte van miljoenen problemen hadden kunnen stellen?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Overal waren meesters, overal was de inspiratie aanwezig.
Dáár stond een meester uit die sfeer.
Stalin, Hitler, Rooseveld, Churchill, die mensen werden bezield, dat lag in handen, sinds duizenden en duizenden eeuwen, in handen van meesters, van u, en uw moeder, en uw vader, meesters die de Christus dienden.
Zijn afgezanten komen terug.
Hij zegt: ‘U ziet het.
Wat is er in de ruimte?
De aarde heeft alleen goed en kwaad, bewust goed en kwaad.
De aarde is de hoogste planeet in deze ruimte, die het hoogste bewustzijn vertegenwoordigt.
Wat moeten we doen?
We moeten die volkeren naar dáár brengen, die hebben iets nodig.’
Waarom kreeg een volk, waarom heeft uw volk het gevoel gekregen om daar naar Indië te gaan?
Om dat land te nemen?
Neen, mijn vriend, om daar bewustwording te brengen.
Nu hebben ze u niet meer nodig, u raakt het ook kwijt.
Ik heb in 1946 een lezing gegeven, ik, over Indië en u, en toen heb ik gezegd: u raakt dat kwijt.
Want elke cel in de ruimte, elk volk krijgt een zelfstandigheid, nietwaar?
Maar hebt u geen angst.
U kunt ...
Ik kan het u immers niet bewijzen, ik kan toch niet zeggen, ik kan u toch niet in de toekomst laten zien?
Maar Stalin gelooft u niet: ‘U hebt me’, ik ben dat, ‘u hebt mij met uw duizenden en uw honderdduizenden telkens maar weer aangevallen, dacht u dat ik u ging geloven en aanvaarden als u zegt:
“Ik wil, wij willen vrede, wij willen dit en wij willen dat”?’
Als u vandaag, nú, uw atoombommen in het water gooit en u hebt geen geweer meer, geen kogel, geen granaat, dan aanvaardt Stalin u.
Maar hij gelooft u niet.
Wat doet u met een wild dier?
U moet eerst dat dier benaderen.
Wilt u dat dier temmen?
Wilt u vriendschap sluiten met uw hond en uw kat?
Trap het dan niet van u af, en denk het dan niet van achter, van voren, van links, van rechts, vanuit de ruimte te bereiken, maar betreedt het, kijk dat dier in de ogen.
U hebt Stalin zo gemaakt.
De mens uit die tijd van Rusland, heeft het Westen zo gemaakt.
Wat deed Napoleon daar?
Moskou in brand steken, de mensen vernietigen, miljoenen mensen, duizenden mensen.
Toen die en toen die.
Toen kwam Adolf Hitler nog eens een keer.
‘Dacht u dat u mij nogmaals die rechtvaardigheid kunt laten zien en ik u moet aanvaarden: ik geloof u?’
Die Stalin is niet zover van uw bewustzijn weg.
Ik ben waarachtig geen communist, of hoe noemt u dat, maar de geestelijke rechtvaardigheid, de menselijke bewustwording, uw gevoelens, uw intuïtie, u zegt het zelf tegen die mensen.
‘U hebt me al driemaal bedrogen, maar ik geloof u niet.
Bewijst u eens wat u kunt.’
Dat is Stalin, dat is dat Russische volk.
En wat doet het Westen?
Het Westen moest alles laten.
Die miljoenen moet u mij geven.
De opperste macht, het bewustzijn van de ruimte weet wel raad met die centjes.
En dan deden wij daar goede dingen mee, maar nu wordt dat bezit verknoeid, verknoeid, u hebt immers geen ...
Hebt u een massageloof?
Vraagt u mij iets anders, vraag mij iets anders.
Men heeft André gevraagd in die tijd, in de oorlog: wat had dit volk, en dat en dat en dat volk moeten doen?
Hoe had gij tijdens de oorlog moeten handelen?
Wat had u als massa moeten doen?
Is uw koningin, is uw parlement goddelijk bewust?
Is uw koningin in staat om te zeggen: nee, ík ben het, ík ben het.
God, ik heb een God?
Heeft uw koningin een God?
Nee, is dat zo?
Neen, is dat zo, is dat waarlijk zo?
(Meneer in de zaal): ‘Of mijn koningin een God heeft?’
(Zaal): ‘Ja.’
(Meneer in de zaal): ‘Zij heeft een God, maar of zij Hem aanvaardt, of zij Hem begrijpt, dat ...’
Zij bidt en zij dankt, en zij is op haar troon neergezet door goddelijke macht, waarom aanvaardt zij haar God dan niet?
Kunt u beter de dingen bedenken en regeren dan uw God dat kan?
Weet u wat de toekomst is, mijn vriend?
Dat de meester, de goddelijke kern ... de koning dag en nacht op zijn knieën neerligt en vraagt: God, beziel mij zodat ik mijn kinderen zal kunnen leiden.
Dat wordt het.
Maar had uw volk, had Europa zich overgegeven – nu komt het en ik krijg onherroepelijk van u gelijk, want dat is het – had dit volk, deze miljoenen wezens zich waarlijk overgegeven aan God, dan waren er wonderen geschiedt?
Neen, dan had God u, doordat gij Zijn kinderen zijt, in Zijn harmonie gevoerd en beschermd.
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Dat gebeurt er.
Een enkeling, u ... kunt u bidden, kunt u vertrouwen, kunt u geloven?
Bent u vrij van de maatschappij, van leugen en bedrog, van dit, van bezit, en van alles?
En wilt u waarlijk voor honderd procent, voor duizend procent met uw persoonlijkheid, met uw gevoel, met uw liefde voor Christus, voor verruiming, voor ontwaking, voor geluk, vrede en liefde vechten?
Kunt u dat?
Dan krijgt – daar gaat het niet over – dan krijgt u bezieling.
Hebt u dan nooit op de aarde eens een enkeling gezien die waanzinnig is van gevoel om de mensheid te overtuigen, te bezielen, en ze tot de ruimte te voeren, tot Christus?
Neem uw jehovakind maar.
Hebt u daar vijf procent van?
Wees blij en dankbaar dat u geen jehovabewustzijn bezit, want dat kind loopt daar: over vijf minuten vergaat de wereld.
Maak u gereed want over vijf minuten gaat het geschieden!
Waanzin.
Voor brandstapels, voor verdoemenis vecht dat kind.
Is dat zo?
Kunt u dat?
Dat kind vecht voor duisternis.
Die krachten, die bezieling worden voor niets verbruikt.
Maar hebt u dit, voor dit, voor het normale, voor het ruime, voor de theosofie, voor de Rozenkruizers?
Hebt u het voor het boeddhisme, voor het mohammedisme?
Wat hebt u hier in uw ruimte, wat vertegenwoordigt u?
Bewijs eens dat God u kan bezielen.
Dacht u dat er dan geen wonderen gebeuren?
Dat zijn geen wonderen, mijn vriend, maar u wandelt daar en in ene keer krijgt u het gevoel: ik moet terug, ik moet terug.
Neen, ik ga linksaf.
Wanneer gaat ge goed rechts, goed links, goed voor, goed achteruit, goed omhoog, wanneer?
Wanneer kunt u zeggen: ik ga links door de ruimtelijke bezieling, besturing, harmonie, rechtvaardigheid?
Wanneer rechts en links en hoog en achteruit?
Wanneer?
U bent bezield, u gaat aan de ren.
Er zijn van die wonderen ontstaan tijdens de oorlog, dat: ‘Lopen en rennen, en maakt dat ge wegkomt uit deze buurt!’
‘Nee’, zegt de moeder, ‘ik ga heerlijk hier plaatsnemen, want mij gebeurt niets.’
En ze zat daar, en dát was alles weg, en zij zat er nog.
Kent u die wonderen niet?
(Mevrouw in de zaal): ‘Ja.’
Dat is de massa, dit is de enkeling die beschermd wordt, door wat?
Daar hebt u God niet voor nodig.
Stel mij kosmische vragen, stel me duizenden dingen.
Waar ligt dit antwoord?
Ik geloof dat niemand het van u weet en voelt, ook al hebt u al de boeken hier gelezen.
Wie heeft hier dat kind het gevoel, de wijsheid gegeven om te blijven zitten, zo, rustig?
Wie?
Wat?
God?
(Er worden verschillende antwoorden door elkaar gegeven.)
(Iemand in de zaal): ‘Ze had het heilige gevoel ...’
Zeven tegelijk.
(Mevrouw in de zaal): ‘Innerlijk bewustzijn.’
Het innerlijke bewustzijn.
Het léven waarschuwde dit kind.
Hebt u geen vader, geen moeder, geen spiritualisme, geen kosmische ruimte, geen God, geen Christus voor nodig.
Uw léven, als u werkelijk, ziet u, als u geen stoornissen in u hebt, dan waarschuwt het léven u om niet te sterven.
Is het niet mooi?
En wanneer het volk zich nu overgeeft, in de oorlog, in 1929 had kunnen zeggen: ‘Gaat u maar, Adolf, want wat jij doet dat zullen wij aanstonds wel zien.
Gaat u maar rustig naar België, Frankrijk, naar Engeland’, en zet de wereld maar open.
Ik heb eens gezegd, de mieren en de sprinkhanen hadden Adolf Hitler, de malariamug had hem vernietigd, volkomen.
En Adolf – met zijn miljoenen, met zijn duizenden – die had over de wereld kunnen gaan, maar de malaria, de pest had hem vernietigd, omdat het kwaad pest is, vernietiging, afbraak.
Maar wanneer, wanneer heeft zich de massa als volk overgegeven aan een God om te geloven?
Maar wanneer kan een volk als massa zeggen: ik ben vrij van zonden, gooi niet met de eerste steen?
Kan dat de enkeling, kunnen er tien, kunnen er duizend mensen, kunnen die zeggen: ik ben vrij, ik ben waarlijk een mens, ik ben in harmonie met God, met Christus, met de ruimte.
Ik kan zeggen:
Ik word beschermd.
Kijk eens hier in dat onderbewustzijn, hoeveel moorden liggen er nog, hoeveel kwaad is er nog, hoeveel oorzaak en gevolg?
De enkeling ...
Nu tien, honderd, duizend, miljoenen mensen.
En wanneer die miljoenen mensen nu vrij zijn van oorzaak en gevolg, van haat, vernietiging, bedrog, dan eerst kan immers de goddelijke bescherming komen.
Dan eerst kan dus het leven tot de persoonlijkheid zeggen: stop!
Niet vóór, niet achteruit; laat maar lopen.
Dat is allemaal, dat loopt allemaal naar de eigen duisternis, dat gaat allemaal bergafwaarts.
Wie vertrouwen heeft, wie gevoel heeft ...
Tijdens de oorlog zijn die wonderen ontstaan, werden verstoffelijkt.
De man zat neer ...
Wie gevoel, wie liefde heeft, wie klaar is met de aarde en de weegschaal in harmonie heeft gebracht voor goed en kwaad en de liefde, die kan niets gebeuren, niets geschieden.
(Klapt in zijn handen.)
Dank u.
(Tot iemand in de zaal): Ja?
(Meneer in de zaal): ‘Nog eens over Bellamy (Edward Bellamy, 1850-1898, Amerikaanse schrijver), was deze mens ook geen inspiratie?’
Bellamy komt vanuit onze wereld.
Is Bellamy niet precies hetzelfde weer, dat wij schrijven in ‘De Volkeren der aarde’?
Eén bron, één sfeer, één gevoel, één gedachte, één persoonlijkheid, één bewustzijn.
Volg Bellamy en doe zoals Bellamy het wil, en u krijgt vrede, rust op aarde.
En dat heet dan: allen voor één en één voor allen.
En Napoleon had er iets van, en Adolf Hitler bracht het weer tot hoger bewustzijn.
Maar Bellamy, en de geestelijke wetenschap, is de Universiteit van Christus.
Is het niet de moeite waard?
Dan dank ik u.
(Mevrouw in de zaal): ‘Wat u zojuist zei van die vrouw die daar bleef zitten, maar dat kan toch ook, bij een christen uit de tegenwoordige kerk kan dat voorkomen?
Ik ken mensen die zouden zeggen: ik blijf hier, nee, God wil dat ik wegga ...’
Dat kan gebeuren bij de katholiek, bij de protestant, bij het joodse ras (zie rulof.nl/er-bestaan-geen-rassen), bij elk mens.
(Mevrouw in de zaal): ‘Ik geloof er niet aan ...’
U hoeft niet te geloven, hoeft niet ...
U hoeft dit niet te aanvaarden.
U hoeft niet te geloven in reïncarnatie.
Als u dit aanvaardt ... dat krijgt u, niet?
U bent nu, dat is uw man, en u bent zijn moeder (zijn vrouw), nu zit u ’s avonds bij elkaar en u spreekt, u bent protestant, katholiek, prachtig, prachtig.
Maar dan kunt ... u komt niet los van uw kerk.
U hebt die ruimte; u staat dáár al voor verdoemdheid.
Maar u komt hier in onze wereld en u krijgt een oneindigheid voor u te zien, en dan kunt u samen gaan spreken.
Ik heb de mensen eens verklaard ...
U wilt liefde, wilt geluk; waarom snauwt u?
Waarom grauwt u?
Waarom breekt u dat leven af?
Wanneer u zegt ...
Er zijn mensen die moeten dat, er zijn mensen die willen dat niet.
De man voelt voor deze dingen, de moeder zegt:
‘Ga weg met die onzin.’
Die vrouw, die moeder die laat zich op dit ogenblik volkomen natuurlijk zien, dat is haar halt.
Maar dat is ook haar liefde.
Meer is het niet.
Een schilder hangt door zijn werk zijn persoonlijkheid en zijn naamkaartje aan de muur.
Maar de moeder en de mens, de man, en de moeder zegt ...
Wanneer het ‘nee’ is en u hebt ongelijk, staat u stil.
Maar dat wil niet zeggen ... dat komt, er komt geen geloof bij, en een geloof kan komen, u kunt alles doen van de wereld, alles, alles, alles, u blijft niettegenstaande al uw wijsheid, ook al bent u een godgeleerde, blijft u leven.
En dát leven – vertelde ik zo-even – is in harmonie of in disharmonie.
Bent u in harmonie dan kan de voortgang plaatsvinden, de bezieling, het beschermen – niet? – de bevolking, deze kant uit.
Maar wanneer u in disharmonie bent, dat is dat leven ...
Voor wat?
Hoe oud moet u worden?
Wat hebt u nog te doen hierzo?
Waar leeft u voor?
Voelt u?
Die wetten ...
Waar leeft u voor?
Bent u moeder?
Goed.
Moet u nog een kindje baren, bent u daar nog voor hier, dan zal eerst dat kind komen.
Er is niets in de wereld, welke mens ook, die dat kan tegenhouden: u wórdt moeder.
Als een moeder haar kind op vier- of drie- of tweejarige leeftijd, of ín haar vernietigd, dan is ...
Dan zult u denken: de mens heeft dat in handen.
Nou, dat weet, dat kent de ruimte.
U kunt geen mens vernietigen op vierjarige leeftijd, kunt u niet, kan niemand, als dat wezen, die man of die vrouw zeventig jaar oud moet worden: dat leven leeft zich uit.
Voelt u wel?
Waarom?
U hebt zichzelf zover gebracht, u hebt de wieg genomen, u hebt hem daar neergezet, u bent eruit gewandeld, en nu móét u moeder worden en u zúlt moeder worden.
Er is geen oorlog, geen vernietiging mogelijk om u uit die goddelijke harmonie te slaan, dat is toch uw bezit weer, dat is het contact met uw ruimte, dat is uzelf, dat bent ú, dat is uw persoonlijkheid, dat is uw gevoel, dat is uw wetenschap, bezit.
Voelt u, dat u toch ondanks alles weer ziet dat de goddelijke wetten doorgaan?
Een goddelijke wet is niet te vernietigen.
U kunt miljoenen mensen vernietigen en doodmaken en doodschieten, ze komen toch terug, want er is altijd nog een moeder ...
Ja, wanneer u al de levens op aarde nu zoudt opruimen en er was geen voortplanting meer ...
Maar wanneer er nog twee mensen op aarde zijn, twee, een vader en een moeder, dan is nog de schepping door te voeren.
Natuurlijk brengt u er een kosmische storing, want u hebt miljoenen mensen nodig om die goddelijke harmonie voor biljoenen zielen ...
Voelt u wel, dat zijn biljoenen zielen.
Er leven meer mensen in de wereld van het onbewuste dan op aarde.
Er wachten meer zielen om geboren te worden dan er aan mensen op aarde zijn.
Er wordt meer vernietigd dan normaal geboren wordt, natuurlijk.
Voelt u wel?
Want, oorlog, misdaad, moord, ga maar door, op straat, ongelukken, dat is allemaal disharmonie.
Maar voor de ruimte is het weer: u gaat niet voor uw tijd, geen seconde te vroeg, geen seconde te laat.
Wanneer een mens vermoord wordt dan kunt u ervan verzekerd zijn: die mens is in een vorig leven in die toestand gekomen, heeft disharmonie gemaakt en geschapen, en gaat er zelf aan.
(Tot iemand in de zaal): Ja?
(Mevrouw in de zaal): ‘Is degene die dan de oorzaak is voor de dood verantwoordelijk daarvoor?’
Jazeker, moet u goedmaken.
(Mevrouw in de zaal): ‘Alles is vastgelegd, zegt u.’
Vastgelegd?
Dat zou u wel willen.
Dat zou u wel willen.
‘Het is vastgelegd.’
Het wil niet zeggen, God ...
Voelt u?
Daar hebt u het weer, dezelfde vraag.
Wij hebben het over de mens, maar we hebben het niet over God.
We hebben het over menselijke harmonie, ruimtelijke harmonie, maar dan hebben we nog de goddelijke wet niet ontleed.
Als u een moord begaat dan doet u dat zelf, dat heeft God u niet opgedragen.
U bent dus met kwaad verbonden.
En u brengt nu het kwade naar het goede.
En het goede is harmonie en het kwade is disharmonie.
Dus u gaat die twee werelden met elkaar ... u laat ze niet botsen, maar u gaat ze met elkaar verbinden; en nu zien we niet meer wat goed en verkeerd is, en lost alles op.
Wat u doet, bent u zelf.
God heeft u de volmaaktheid gegeven.
Voelt u wel?
En nu gaat u, van daaruit gaat u deze problemen bezien, bevoelen, en dan ziet u zichzelf.
Tevreden?
Denk er dan even over na.
Bent u klaar met uw vraag?
(Mevrouw in de zaal): ‘Volmaakt, heeft Hij de mens volmaakt ...?’
Jazeker.
(Mevrouw in de zaal): ‘En ze zijn ontstaan uit een plasma.’
Ja, maar dat was de goddelijke kern, goddelijk plasma uit God.
God, voelt u wel?
God is een ‘g’, een ‘o’ en een ‘d’.
Maar in het Oosten heet God Ra, Ré – Mohammed, of Mohammed niet – Allah.
We noemen God ‘Wayti’.
U kunt God ook een boom noemen.
Die God die men ú gegeven heeft, heeft men gevormd door een woord, in elkaar gezet, hebben de meesters gedaan.
Ze hadden God – wij noemen God ‘Wayti’ – Ra, Ré.
U moet God zien als het leven, het léven.
Dat leven is uit die ruimte gekomen, en er was voor de schepping duisternis.
Er is een aura gekomen, een werking, dat was de Albron, de Almoeder.
Dus u kunt God moeder noemen.
In India – kent u Ramakrishna? – oosterling ziet God hoofdzakelijk als moeder, want als moeder leert u God en Zijn wetten kennen, door de wet te beleven als moeder komt u tot het vaderlijke, en dat is God als vader, dat is de schepper.
Maar u moet dat God ... alles wat u op aarde ziet, beziet, uw ganse woordenboek moet weg en dan houdt u alleen het léven over; en dat is harmonie, dat is rechtvaardig en daar bent u deel van.
Maar toen wij begonnen, zelf het leven in handen kregen, wilden we meer, en toen maakten wij fouten.
Maar dat zijn geen fouten.
U hebt nooit een zonde gedaan.
Er zijn geen zonden.
U hebt een mens vermoord; nog nooit, er is nog nooit iemand vermoord.
Voelt u nu de waanzin van mij?
Want er is geen dood, er is nog nooit iemand gesneuveld.
In de oorlog zijn er miljoenen mensen vernietigd; er is er niet één vernietigd, de persoonlijkheid keert terug.
Voelt u hoe eenvoudig het wordt, en dat ruimte, die oneindigheid in u leeft, hier in u?
Hier hebt u dat kind ... wat u dáár vermoordt, draagt u over zoveel eeuwen terug.
Er is geen zonde, er is alleen evolutie.
Er is geen duisternis, er is alleen onbewustzijn.
Leert u dit op aarde?
Duidelijk?
Wordt het niet mooi?
Denk er eens even over na, bespreek het met elkaar.
(Tot de zaal): Wie van u?
(Meneer in de zaal): ‘Ja, meester.
Door welke wetten is diezelfde moeder eigenlijk heerseres over een ruimte waarin zij beschermd wordt voor het bombardement?’
Iemand gaat, een vriend van André gaat, loopt op straat, komt, heeft eten gehaald.
Hij zegt: ‘Op dat ogenblik moest ik en zou ik van mijn fiets: ga een pijpje roken ...’
Dat is mijn broeder Jan geweest die altijd vroeger draaide (de muziek verzorgde aan het begin en einde van de avond).
Hij weet niet dat wij hem hebben beschermd.
Nu is hij van me weggelopen.
Wist u dat niet?
Hij zegt: ‘Ik kreeg het gevoel’, vertelt u het hem maar, ‘ik kreeg het gevoel, ik zou stoppen.
Mijn vriend is naast me.
“Ja, ik kom, ik haal je wel weer in.”’
Hij krijgt ...
Ik kan dat mens niet bereiken, dit kind niet.
Maar deze Jan wel, dit leven wel, dit leven draaide daar voor mij.
Ik zeg: ‘Dan zal ik u een dienst bewijzen.’
En had ik het niet gedaan dan was uw goeie Jan al aan onze zijde geweest, door moord, Johan.
Maar hij stak zijn pijpje op.
En die man die doorgaat ...
Komen de vliegtuigen: rrráng!
Die kon ik opvangen.
Dood.
Neen: ‘Waar ben ik?’
Ik zeg: ‘Kind, kom maar, ik breng u naar een weide waar ge rustig zult zijn en uw leven in handen zult nemen.’
En nu, die Johan die leeft hier nog.
(Meneer in de zaal): ‘De eerste mensen kenden dat niet, die bescherming, want dat leeft toch in de mens zelf ...’
De eerste mensen?
Waar hebt u het nu over?
(Meneer in de zaal): ‘Ik bedoel, die waarschuwing die u gaf aan Johan ...’
Die was te geven aan dat leven.
Maar de eerste mens kon ik niet bereiken, want die zou over, móést over door die bom.
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Dus ik had, ik had niet ...
Wanneer gij in harmonie zijt met alles, wanneer u moet sterven ...
Waarom had ik deze beide levens niet op kunnen trekken: Stop!!?
Er zijn duizenden mensen geweest die plotseling het gevoel kregen: Blijf hierzo, blijf!
En zíj waren beschermd.
Wie dáár stond was weg, weg.
Duizenden.
In deze vijf jaar zijn er goddelijke wonderen gebeurd: eigen bescherming.
Maar dit leven zou gaan, zou komen, voorbij; Johan niet.
Ik heb het hem nooit verteld, André heeft het nooit verteld wie het was.
Ik heb het André niet verteld, André weet het niet, nu vanavond voor het eerst.
Voelt u?
Dat zou komen, niet?
Ik verbind u natuurlijk ...
In die oorlog heeft hij nog niet gedraaid, maar dat leven ...
Voelt u wel, voelt u de kloof hierin?
Ik bedoel die Johan die hier gedraaid heeft voor mij.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, ja, ja.
Ja.’
In die tijd heeft hij nog niet kunnen draaien, maar ik kende dit leven.
Miljoenen mensen hebben met u verbinding.
Weet u wie ik bedoel?
De mens die mij volgde en voor mij de platen speelde.
Is het nu duidelijk?
Dat leven kende ik uit vorige levens.
Daarom zei André ook tegen hem: ‘U zult genezen.’
We gaven hem de genezende gave.
Hij geneest immers, nóg.
Die kon ik beschermen, en díé niet.
Maar toen kende hij André.
Ja, ja.
Maar ik kende dat leven.
Díé ziel zou sterven, zou verongelukken; dít leven niet.
Wat is dat?
Voelt u waarheen het gaat?
Wanneer u in harmonie zijt met God, kan er geen haartje op uw hoofd gekrenkt worden.
Wanneer u narigheid hebt, ziekten hebt, tbc, kanker, en al die vreselijke oorzaken en gevolgen, narigheden, pijnen, verschrikkingen, dan hebt u daarmee te maken, of u kunt niet ziek zijn.
God heeft geen ziekten geschapen, geen ellende.
U komt bij mensen waar u de ellende zult beleven.
Waarom bent u geen prins, geen koning?
Waarom maakt u zich zo druk om in leven te blijven?
Waarom moet u zo alles geven voor uzelf?
Wees blij dat u zo bent, want wat is het niet?
(Tot de zaal): Wie van u?
Voelt u mij?
(Meneer in de zaal): ‘Helaas niet.’
Voelt u dat niet?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Dacht u dat rijkdom bezit was?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Ik zei: doe alles, doe alles.
Eet en zorg voor uw huisgezin, uw eten en drinken, doe dat goed, en speel niet te veel voor Frederik.
(Tot iemand in de zaal): Ja?
(Meneer in de zaal): ‘Over Frederik had u het net, maar in het tweede deel van ‘Maskers en Mensen’ daar zegt Frederik: ‘Ik ben in de torenkamer van de piramide geweest.’
Ja.
‘Hoe moet ik dat eigenlijk opvatten?
En misschien in aansluiting daarop, zou u misschien iets meer over de piramide kunnen vertellen?’
Kijk, Frederik zei: ‘Ik ben in de piramide geweest.’
U kunt er ook ingaan, hoor.
De piramide staat voor elkeen open.
U kunt de torenkamer beleven.
Gaat u maar naar Egypte, maak die reis maar, en ga in de torenkamer, en leg u daar neer, en dan beleeft u iets.
Maar wie is nu ...
Wat is de piramide?
Wilt u dat weten?
Ik kan mij daar vanaf maken in enkele woorden.
De piramide bent u zelf.
Dat is de mens.
De mens met zijn innerlijk leven, dat zijn de gangen, boven.
Wanneer ik met u meeging ...
We kunnen over de piramide zeven boeken schrijven, over de graden van bewustzijn van de piramide.
De graden van bewustzijn voor de mens: dierlijk, voordierlijk, dierlijk, grofstoffelijk, stoffelijk.
Dan krijgt u zeven graden voor uw geestelijke bewustwording.
De piramide is uw prehistorische tijdperk.
Voelt u dat?
Het oerwoud, waar wij over hebben gesproken, zijn de fundamenten.
Moeten we naar beneden.
De piramide die leeft in stof boven, en is beneden ook zo diep.
De piramide kent men nog niet.
U hebt de graden voor de piramide voor organisch leven, en de graden voor innerlijk leven: ziel, geest én astrale persoonlijkheid, tot in uw goddelijke Al.
Dát is de piramide.
Maar dan moet ik met u mee, want u kent de piramide niet.
Maar dan ga ik hier met uw darmstelsels beginnen, met uw centraal zenuwstelsel, gevoelsleven, zonnevlecht, en dan komen wij door die en die gangen, en dat is uw pad van Eden.
En dan gaan we meten hoe diep of uw bewustzijn is.
Dat zijn ...
De stenen spreken.
Nu kunt u de diepte van een steen, de breedte van de steen, de hoek van de steen ... en dan krijgt u een nieuw wezen, nieuw bewustzijn, nieuw voelen, nieuw dagbewustzijn, en dan gaat u al stijgende omhoog; vanuit het onderbewustzijn naar het dagbewustzijn, tot de geestelijke graad van denken en voelen; en dat is de koningskamer.
Dat is dat mooie schilderij wat André heeft ontvangen van het graf van Ramses III.
Voelt u?
Is het niet interessant?
Daar kunnen we nog tien, twintig boeken over schrijven; we hebben geen tijd.
Maar nu bent ú de piramide.
U loopt, u wandelt, u maakt uw pad af.
Dat is ook in de piramide te zien.
Dat hebben de meesters gebouwd om de mens een fundament te geven hoe hij ten opzichte van ruimte en God, de Albron is; dat is de Piramide van Gizeh.
Heel interessant.
Wat wilt u nog meer weten?
Dan moeten wij daar naartoe – voelt u wel? – dan gaan we deze gang in, we klauteren omhoog, nu leven wij in die en die tijd, we leven hier in die en die tijd, dat is het bewustzijn van toen.
U kunt dat ook, dan gaan we de stenen afmeten, dat wordt berekening, dat wordt een machtige berekening.
De wiskunstenaars van de ruimte hebben dat ingeschakeld en uitgemeten, u wordt tureluurs van al de cijfers.
Wij doen dat door gevoel, wij schrijven dat boek anders.
Een Engelsman, geloof ik, heeft het u gegeven.
Maar de Egyptenaren hadden het in hiërogliefen kunnen doen, en dan is die steen een eend en dat is een vogel met een staart.
Hebt u nooit een hiëroglief vanuit het oude Egypte gezien, een vogel met een staart hier uit de zij?
Of hier links, of uit het hoofd, of daar?
Dat wil zeggen, dus: een Groot Gevleugelde met dierlijk bewustzijn.
Ten opzichte van wat?
Van dit staan: fundament.
Komt dat dier uit uw borst, dan is het voelen en denken.
Komt het uit uw hoofd, is het wijsheid.
Zo heeft de Egyptenaar aan het beeld, een hiëroglief ... van het beeld een hiëroglief gemaakt.
Dat wil zeggen: de werkelijkheid versymboliekt omdat, wanneer die wijsheid naar buiten kwam, zij wisten dat die wijsheid werd bezoedeld en mismaakt.
En nu is de Egyptische wijsheid nog in het onbewuste, want de egyptoloog, velen, ze kennen iets van de hiërogliefen, maar ze hebben de eerste graad slechts ontleed.
Voelt u wel?
Want elke hiëroglief heeft weer kosmisch bewustzijn.
De eerste graad in uw voelen en denken.
Dus aards gevoel, aards denken, heeft een hiëroglief uit het oude Egypte.
Maar die hiëroglief heeft ook kosmisch voelen, denken, zweven, de ruimte.
En wat weet uw egyptoloog daarvan?
Wat vertellen u de boeken van geestelijk bewustzijn door een hiëroglief?
Niets.
Die zijn er nog niet.
Die zijn nog niet te koop.
Die moeten nog geschreven worden.
Want uw mensheid ...
De ingewijde die dat kan, moet nog geboren worden voor die toestand.
Voelt u wat daar allemaal in leeft, in de piramide?
Begrijpt u er iets van nu?
Maar ik moet met u mee in het gebouw om ...
U kent ...
Nu gaan wij spreken over uw nier, u hebt een nier gezien, een borst gezien, een centraal zenuwstelsel kent u.
Ja, maar waar leeft dat?
Nu moeten wij dat stuk steen – want het is in steen uitgebouwd, de stenen zullen het zeggen – moeten wij die steen bevoelen, bekijken, de ruimte ervan vaststellen; en naarmate díé ruimte uw éígen ruimte, voelen, denken, liefde, geluk, rechtvaardigheid, harmonie.
In dat stuk steen, zo breed, zo diep, zo hoog, zo links, zo rechts.
Daarom is het mooi, daarom is het diep, de moeite waard.
Tevreden?
(Tot iemand in de zaal): Ja?
(Meneer in de zaal): ‘Zeg meester, hoe hebben we nu de Sfinx te zien ...’
De Sfinx ...
(Meneer in de zaal): ‘ ...die ook door Frederik wordt beschreven daarzo?’
Hoe voelt u de Sfinx?
Napoleon zei: ‘Hij kijkt neer op eeuwen wijsheid.’
We hebben vanavond over vele dingen gesproken, nietwaar?
Wij gaven vanavond een beeld waardoor we ruimte, tijd, oerwoud, alles konden volgen.
Ik zeg niet die twee woorden.
Wat is de Sfinx?
Het is dicht bij elkaar.
Wat is de Sfinx voor de piramide?
(Mevrouw in de zaal): ‘Bewustzijn.’
Zegt u?
(Meneer in de zaal): ‘Bewustzijn.’
Bewustzijn, zegt u.
(Er wordt nog iets gezegd.)
Hè?
(Mevrouw in de zaal): ‘Moederschap.’
Moederschap, in dierlijke vorm, de moeder in een dierlijk gewaad.
You ...
No, ik zal het u niet vertellen.
‘Jij met je dierlijk bewustzijn, geef me een woord voor mijn vader ...’
Als u naar ...
Ga met mij mee.
Hebt u de centjes, dan gaan we samen.
Ik kan wel vanuit mijn ruimte daarheen gaan, maar dan ziet u mij daar niet.
Ik moet het door dit doen, door dit.
En dan neemt u André maar mee, en dan gaan wij eens luisteren naar de Sfinx.
(Meneer in de zaal): ‘Ik hoop het nog eens te kunnen doen.’
Dat is de moeite waard, mijn kinderen, dan gaan we daar neerliggen op een avond, niet in de winter, kunnen we doen, maar dan leggen we ons neer op een avond en dan zeg ik ...
Wanneer het zes uur is dan gaan we denken, dan beginnen wij te denken, zes uur in de avond – niet om half vijf, om half zes, of zeven minuten voor zes – wanneer het zes uur geslagen heeft volgens die tijd, dan beginnen wij te denken om af te dalen naar de Sfinx.
En dan zijn we om half negen klaar, gereed, tenminste, velen van u.
Wat is dat?
Meditatie.
De Sfinx straalt over de wereld.
U maakt zich gereed, u gaat mediteren, u stemt zich op dat leven af, en dan gaan wij daar uren en uren neerliggen.
Stil zijn.
Kunt u hier ook.
Haalt u ze maar.
En dan gaan we neerliggen en denken.
Rust.
U kunt uw sigaretje nog roken als u wilt, maar het stoort u.
Er zijn er die dat wel kunnen.
En dan wachten wij tot de Sfinx gaat spreken, dan wachten wij tot het gevoel zich opent ... en dan gaan wij die universele diepte aanvaarden en beleven.
En dan zegt zij: ‘Ga met mij mee, dan zult u de allereerste gedachte beleven waardoor ik ben geworden die ik ben.’
En dan is de Sfinx de moeder voor de piramide.
Want de piramide is vaderlijk en de Sfinx is moeder.
U hebt daar moederschap en vaderschap in de woestijn.
U kunt het wel de leeuw van Juda noemen.
Heeft ook weer ... want ze heeft ook weer haar Bijbelse afstemming.
Ze heeft haar kosmisch gebeuren, ze heeft een paar ogen, kan voelen, ze voedt het kind, ze heeft organen, ze heeft afstemming op Israël, op Mozes, op Noach; zij.
Wie is dat?
Dat bent ú als moeder.
En wanneer u dan naar boven gaat, wanneer u hard naar de piramide loopt en u wilt dat gebouw maar zien en u loopt zo eventjes naar die Sfinx te kijken en u rent dan door om de piramide te betreden ...
Wanneer u met mij gaat, dan liggen we daar weken en weken aan de voeten van de godin, te rusten, te wachten, om ons gereed te maken, totdat zij zegt: ‘Ga nu en breng mijn kus tot hem, mijn kus tot hem.’
Dat is ...
Uw vaderlijke kus heeft geen betekenis.
Maar die te brengen vanuit het moederlijke bewustzijn naar de schepper, is bezieling, is wijsheid, is eenheid.
Hoe wordt de Sfinx, hoe wordt de piramide beleefd?
Voelt u wel hoe mooi, hoe machtig, hoe universeel dat leven wordt wanneer u voor dingen, technische kunst, geestelijk kunst komt te staan die door universeel denken is opgebouwd?
Dan beleeft gij uzelf, uw God, uw ruimte, uw Albron.
De moeite waard?
Wist u dat?
Meester Alcar heeft het even aangeraakt, maar wij kunnen geen boeken ...
Het gaat ons niet om de beelden die er staan, maar het gaat de ruimte om u de angst te ontnemen in de eerste plaats voor ‘de kist’.
Want er is geen dood, er is geen Magere Hein, schrijven wij in ‘Jeus van moeder Crisje’.
Nu, nog meer?
Wie van u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Meester Zelanus, we hebben gehoord, mensen die daar in de piramide waren, die krankzinnig geworden zijn.’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Dat de mensen die in de piramide waren, krankzinnig van angst geworden zijn.
Dat ligt dan aan hun afstemming.’
Als ik u nu in mijn bewustzijn trek, in mijn bewustzijn, nietwaar, u gaat (ik ga) weg en u neemt dit plotseling over, en u staat op deze wereld weer na enkele seconden precies zoals u nu bent, mét dit gevoel, slaat u zo voor de grond.
Wanneer de mens te hoog grijpt ...
Voelt u wel?
Hebt u Frederik gelezen en begrepen wanneer hij in het krankzinnigengesticht is, wanneer hij zegt: ‘Ziet u daar die dominee, die wilde naar Jahweh, hij wilde naar God, hij wilde naar de God van Israël, hij klom hoger en hoger en hoger en hoger, maar hij vergat zijn ladder ...
Hij kon niet meer terug.
En nu loopt hij daar, hij zweeft nóg tussen hemel en aarde, maar zijn laddertje heeft hij vergeten, hij kan niet meer terug.’
U moet altijd zorgen dat u weer met beide benen op uw grond komt, uw steun.
Dít.
(Tikt op de grond.) Ja, maar híér.
Niet dit.
(Tikt ergens tegenaan.) Híér!
Ben ik geen waanzinnige?
Hebt u er nog iets aan?
En wat is het eigenlijk?
Nu de ruimte, het ontstaan van planeten en sterren, Jupiter, Venus, Saturnus, de aarde, ziekten, ziel, geest.
Waardoor is dat alles geboren?
Wij kunnen dat volgen.
Hebt u die universiteiten al?
U kunt mij nu nog niet controleren, maar aanstonds wanneer de psycholoog komt en de wetenschap is zover, moet ik, moeten wij gelijk krijgen.
En (als) wij zeggen, wanneer we wartaal spreken, wartaal ... : ‘Er is een dood, “achter de kist” is er niets meer’, terwijl het niet zo is, dan kunt u mij vernietigen, en André ook.
En de wetenschap zal aanstonds zeggen: ‘Nee, er is geen dood.’
Maar wij krijgen gelijk!
Maar waar wij nu over spreken, mijn kind, daarvan weet de wetenschap niets.
Dat is nieuw.
Wij zijn de wetenschap duizenden eeuwen vooruit.
U kunt uzelf voorbijlopen – daar hebt u het, houdt u nu stevig vast – verbeeld u nog maar niet dat u een kosmisch bewuste bent.
Wie dat is wordt op de vingers getikt; en staat de bewuste of onbewuste krankzinnigheid voor u.
Neen, die leeft in u.
Het is eenvoudig.
Het is niet diep; het gaat even boven uw denken en voelen.
Maar, u hebt zich die wijsheid eigen te maken.
Wie van u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Meester, kunt u mij ook even zeggen ...
Het graf van Toetanchamon, kunt u daar nog iets over vertellen?
Daar is ook toch iemand toen destijds plotseling dood gebleven die daar ...?’
Als u, kijk ...
Het graf van Toetanchamon, en daar zijn er meer in het oude Egypte, miljoenen priesters.
Maar Toetanchamon was een waarlijk bewust voelend ...
Niet zo bewust als u, hij wist nog niet zoveel.
Hij wist van de ruimte wel iets, hij had magische krachten.
U krijgt ruimte voor uw omgeving, maar u beleeft de wet nog niet.
Wij beleven hier de wet.
U zult uw slaap kunnen leren kennen, u zult helderziendheid, helderhorendheid ... u kunt uitreden.
Konden ze daar ook, kon hij ook.
Maar wanneer u iets heiligs ...
Waarom is dat westerse bewustzijn niet in staat om hier te beginnen om uw kerkhoven, uw vader en moeder daar uit de grond te trekken, open te maken en aan de wereld te tonen?
Waarom doen ze dat niet met zichzelf?
Waarom hebben ze het ontzag niet voor een ander bewustzijn en leven?
Nieuwsgierigheid?
Wat in de grond is kan u niet dienen.
Maar nu dit: elk priester in het oude Egypte bezat magische kennis.
En nu kunt u wel zeggen: ‘Hier is niets, daar ligt hij.’
Nu kunt u er hieromheen gaan ...
Als de deur op slot is en u verbreekt hem, bent u al weg, want die deur staat onder magische afbraak, onder magische harmonie.
Maar dat is een stoffelijke deur.
Men heeft de koningskamer vernietigd.
De koningskamers in het oude Egypte, en de Tempel van Gizeh – dat noemen wij niet de piramide maar dat is een tempel – zou in dat en dat en dat tijdperk geopend worden voor de mensheid.
Maar wat hebt u gedaan?
Wat hebben ze gedaan?
Alles ligt nu open, te vroeg.
God heeft, de ruimte, de meesters hebben machtige ruimtelijke ...bewustzijn opgebouwd, weggelegd voor de mens.
Nu ligt u hier, u bent Toetanchamon, u beschermt uzelf, want u duldt niet dat u (dus iemand anders) aan dit leven komt: dat is van mij.
U gaat daar neerliggen en u sterft, u gaat over, en u laat, omdat u die wijsheid, duizenden wetten hebt beleefd, laat u uw lichaam ...Hij is gebalsemd, had hij niet moeten doen, dat begreep hij later eerst.
Wilde hij toch in leven houden om zichzelf in die astrale wereld waar hij nu kwam op te bouwen en langzaamaan – hij nam daarvoor vijf eeuwen, hij wist dat – om dat op te bouwen, om dat langzaam te doen oplossen, wilde hij zichzelf gereedmaken, want hij was nog altijd één met dat machtige leven, met dat bewustzijn, met dat voelen, met dat denken, met die studie.
Nu heeft hij hier een cirkel omheen getrokken, een magische kracht, men noemt het magische kracht, maar een cirkel van gedachten, en die gedachten die zijn volkomen geconcentreerd op sterven, op reinheid, zuiver, en ontwikkeling.
‘Raak hier niets aan, want ik lig hier in rust.
Komt u hier, bent u mijn stoornis, ook mijn vijand.’
Nu komt daar een geleerde uit het Westen, weet nergens vanaf: ‘Hei, hier hebben we het, hier kunnen we binnengaan.’
En staat, geestelijk dus, in rust, vrede, maar ook in afbraak.
‘Wat doet u hier?’
En gelijk beïnvloed ...
(Tot de zaal): Hebt u nooit gehoord van hypnotisme?
(Zaal): ‘Ja.’
Hebt u nooit gehoord van doekoens uit Indië die u kunnen vernietigen?
Die waren reeds ...
Ik denk nu maar even, even, even aan die toestand, ik kom erin, wanneer ik dit niet optrek, dan ligt de magische kracht hier op de zonnevlecht en loopt André aanstonds met pijnen; die beginnen nu reeds, die maag hier, die zonnevlecht die dijt al uit.
Die band die werd zó breed omdat hij een ruimte aanvaard heeft die sterker was dan hij bezat.
En kwam hij in die wereld, loste op, had geen weerstand meer, en in een korte tijd: verwaasd.
De ene krankzinnig, de ander schoot zich door zijn hoofd.
Hij zál zich vernietigen want hij heeft de vernietiging hier ... een heilige eerbied, een heilig éénzijn, een heilige eenzaamheid heeft hij door zijn nieuwsgierigheid bezoedeld, mismaakt en vermoord.
En nu komt hij in die magi ... dit is een magische wet, hij stemt zich daarop af omdat hij dat reeds wil weten.
Hij is al weg.
U hebt geen bezit meer, geen concentratie meer, geen hulp meer, u loopt er zo in; maar u moet er niet inlopen, u moet erúít blijven.
En nu wordt u gebeten door een schorpioen, een insect uit de ruimte komt er aanvliegen en zegt: zzzzzzzz, een steek.
Een ander, geleerde: na drie dagen dood, een giftig insect.
Dat insectje kent u niet.
Kunt u aanvaarden dat men vroeger met stenen heeft gegooid, stenen gooien, spoken?
Nóg spookt men.
(Zaal): ‘Ja.’
Men gooit nog met stenen, men laat tafels en stoelen nog kraken en spelen, hier, u kunt, elk ogenblik kunt u van dergelijke dingen beleven.
Dat wordt door een bezielende kracht, een denkende kracht – dat is een astrale persoonlijkheid – wordt dat in beweging gebracht.
Die Toetanchamon ...
Hij of zij, nu als een astrale persoonlijkheid, neemt miljoenen van zijn kracht.
En, u voelt wel, een mens die bewustzijn heeft, die vernietigt niet meer.
Maar zijn soort, zijn orde, zijn kerk, zijn tempel, die gaan door, die gaan verder, die leven in de astrale wereld, zijn vrij, het lichaam afgelegd, leven daar.
Die ziet dat giftig insect, concentreert zich op dat dier en boort zich in dit insect – als het met een steen kan, waarom niet met een insect? – gaat erop door, zet die pipet uit: raak, gij zult sterven.
En hij sterft.
Gaat u maar in de eenzaamheid van het graf.
Een mens met bewustzijn en gevoel zegt: ‘Wat kan mij dat schelen, raakt mij niet meer.’
Maar wanneer u tot de magische wetten komt – de mystiek, voelt u? – dan gaat u eráán, u hébt hier niets te zoeken.
U hebt dat graf, die persoonlijkheid te eerbiedigen.
En omdat u dat niet eerbiedigt, bent u al verkeerd, bent u al hard, bent u al grof, en dan zult gij het grove, de grove eigenschappen zien en beleven.
En daarom zijn er zoveel geleerden door Toetanchamon vernietigd, hoe hoger, hoe verder, hoe dieper het bewustzijn is, des te scherper zult gij die wetten ondergaan, en dat is vernietiging.
Is dat niet duidelijk?
(Mevrouw in de zaal): ‘Is daar een mooi boek over geschreven, zoals u dat verklaart?’
Wat zegt u?
(Mevrouw in de zaal): ‘Zoals u dat verklaart, is daar een boek over geschreven?
Ik heb al een boek over Toetanchamon.’
Neen.
Ik praat vanuit de astrale denkende wereld.
U kunt dat volgen.
Mijn spreken is niet meer aards, ik kom altijd vanuit díé wereld naar u toe.
En dan kunt u het vergelijken.
Wat heeft de wereld, wat heeft uw universiteit?
En dan staat u daar en u zoekt, u heeft nog niets van dit denken.
Wij denken buiten het innerlijke om.
En dan kom ik toch weer terug om u het stoffelijke beeld en de harmonie te schenken waardoor ge nu, u en ik, en allen, fundamenten legt om daarop het leven voort te zetten.
Duidelijk?
Dank u.
(Meneer in de zaal): ‘Noemde u zo-even de Tempel van Gizeh?
Staat dat gelijk met de Piramide van Gizeh?’
De piramide is een tempel.
(Meneer in de zaal): ‘Juist.
En toen zei u dat die piramide vóór de tijd geopend is.’
Ja, de mens ...
De koningskamer.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, hij is in 800 geopend door de Turken.’
De Turk had eraf moeten blijven.
(Meneer in de zaal): ‘Juist.
Maar daar staat in dat boek dat die piramide op de bestemde tijd geopend zou worden.’
Ja.
Maar ...
Bent u klaar?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.
Is dit dan niet de bestemde tijd geweest?’
Wanneer God zei, Christus zei, de Bijbel zei, Mozes zei: ‘Ik zal tot u spreken en dan zult ge handelen in Mijn naam’ ...
Nietwaar?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Nog andere dingen heeft Christus gezegd.
Wij zijn bezig om nu te handelen en te spreken in Zijn naam.
Christus werd 33 jaar, iets meer.
Maar Hij zou 75, 60, 65 jaar geworden zijn volgens Zijn leven,
Zijn wetten, Zijn macht, Zijn evolutie.
Maar men bracht Hem om.
Wat had Hij nog te zeggen?
Dat voert u naar die en die kern.
Hij zegt, en dat is de goddelijke bewustwording: ‘Wanneer de aarde, wanneer de mensheid in die en die tijd is gekomen van voelen en denken voor Mij ...’
Niet voor uw geloof, niet voor uw katholicisme, noch voor het protestantisme, maar voor de ruimte.
U voelt wel: de piramide is de ruimte, is de Kosmische Universiteit van Christus.
Dat bent u.
Wij zijn een deel van Christus, deel van God.
Dat is een tempel, men noemt het een piramide; dat is voor de ruimte een tempel, gefundamenteerd door die en die dingen, die zuilen, overgangen, en dan eindelijk zien we de koningskamer.
Dit.
Turken kwamen daar.
Wie dat is, dat zegt allemaal niets.
Maar men zou wachten totdat de mensheid het gevoel, het bewustzijn had, en dan was er uit de ruimte gekomen, nietwaar, iemand op aarde was er geboren, en die was regelrecht ...
De taak voor Christus was klaar, de taak voor Mozes lag klaar.
U kunt uw taak krijgen, wij hebben onze taak, iedereen krijgt een taak.
U komt op aarde, u bent het, u wordt geboren, en u gaat regelrecht naar Egypte – nu zult u misschien in de omgeving geboren worden – naar Egypte om de koningskamer door uw goddelijk gezag en contact, uw gave, te openen voor deze mensheid.
Wie is dat, wie?
Kent u die mens, die bewuste die door God, door de ruimte gezegend, begaafd is, als taak, om de piramide te openen?
De mens heeft zich precies aan de piramide als aan het graf van Toetanchamon vergrepen.
Kunt u dat aanvaarden?
(Meneer in de zaal): ‘Neen.’
Ja.
Waarom niet?
(Meneer in de zaal): ‘Dat boek dat nu geschreven is’, ja, ‘over de piramide, is dat dan misplaatst, is dat dan die tijd vooruit?’
Kijk eens, over welk boek hebt u het?
(Meneer in de zaal): ‘De stenen spreken.’
O.
‘De stenen spreken’.
Dan zou ...
Neemt u aan ...
Wie heeft de bron opgebouwd, aan dat werk, en wie heeft, welke persoonlijkheid heeft die bron verklaard?
Ruimtelijk, is de piramide in dat boek ruimtelijk verklaard?
Aards verklaard?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Aards verklaard?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Aards.
Voor de mens?
We hadden het zo-even over de geestelijke piramide, over de ruimtelijke, de kosmische, de goddelijke, nietwaar?
En wanneer de mensheid de geestelijke mentaliteit en bewustwording heeft bereikt, zal – want u begrijpt toch nu niets van geestelijke bewustwording? – zal de piramide geopend worden ten opzichte van ziel, geest en uw God.
Dus die man die die piramide nu heeft verklaard, dat kan allemaal goed zijn voor hem, ik ken dat niet, ik ga niet in dat werk, allemaal goed ...
Dan moet u nog wachten tot u het geestelijke boek krijgt.
Dan moet u wachten tot de mens komt die u de piramide geestelijk zal verklaren en zeggen: tegen die en die tijd ...
U voelt wel, dat gaat door, Mozes voor dit, die voor dat, wij nu voor ontwaking.
Wij brengen nu hier levenswijsheid.
De tijd van Mozes, van de apostelen, is precies hetzelfde als deze, maar wij hebben nu, wij kunnen u nu verbinden en opvangen met de ruimte.
Is dat zo?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Dus u moet ... dat boek kan dat boek blijven, ik ga niet op dat boek in wat goed of verkeerd is, doet er niets toe, maar het is, daarom vraag ik het u, het is nog altijd stoffelijk verklaard, nietwaar, menselijk.
(Meneer in de zaal): ‘Ja, het wordt verklaard als zijnde een bevestiging van de Bijbel.’
Juist.
En de Bijbel is geschreven voor de grofstoffelijke mens.
De Bijbel is niet geestelijk.
Want wanneer er een God ... wanneer de Bijbel geestelijk was, dan was er geen Oud Testament meer.
Hoe zou God tegen Mozes hebben kunnen zeggen ...
Het was God niet, het was een meester.
Kent u het boek ‘De Volkeren der aarde’?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Hebt u dat gelezen?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Kan ik u onmiddellijk daarmee verbinden?
Konden wij, konden de meesters Mozes een geestelijke daad laten doen?
Jazeker, die kwam, hij kreeg de tien geboden: heb lief, dood niet.
Dat was voor Mozes al een universeel goddelijk gebeuren, dat door Mozes ...
Voelt u, die man, die mens, dat die de tien geboden kon ontvangen?
Dood niet, steel niet, bedrieg niet, lieg niet, heb lief.
Mozes.
Ja, en dat is ...
De tien geboden die gaan door.
Het bewijst ook dat die uit de eerste sfeer komen.
Maar de massa kon er nog niet naar leven.
Meer was er ook niet voor nodig.
Een gebod.
Maar dat is nog geen verklaring.
Daarbij is de universiteit nog niet die zegt: dat moet u zo doen.
Wanneer u in harmonie wilt zijn dan moet u zó handelen, maar niet zo.
U kunt wel zeggen: leef in liefde.
Wat is, hoe is te leven in liefde?
Wanneer kunt u tot uzelf en de maatschappij, de massa zeggen: ik ben liefde, ik leef in liefde, ik ben geluk, ik ben geloof, hoop en liefde, ik ben rechtvaardigheid, ik ben welwillend, ik ben harmonisch?
Wanneer bent u dat?
Daarbij zou de school nog komen, nietwaar?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Die is er nog niet.
Ja, die kwam, door Christus, maar nog maar even.
De universiteit moet het doen.
Socrates begon: wie ben ik?
Wat doe ik?
Wat is er in mij wat daar leeft?
Socrates.
De wijsgerige stelsels die zijn ontstaan, uw universiteit die is nog maar stoffelijk.
Neemt de parapsycholoog, neemt de psycholoog aan dat de ziel achter de kist leeft?
De fundamenten moeten nog gelegd worden.
Dat is dus ...
Als dat er is en de universiteit is gereed en de geleerde zegt: ‘Wát?
Dood niet, want u moet toch terug, u moet dat weer goedmaken, achter de kist is er leven, u bent daar een persoonlijkheid zoals hier’ ...
Wanneer uw geleerde dat zegt, en het parlement, uw staat, uw rechten verbieden u om een mens te doden, dan krijgt u ook nooit meer een geweer in handen.
Nu krijgt u van uw heren een geweer in handen en u kunt schieten, u kunt zich gereedmaken om te moorden.
Is dat zo?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Dat is nog allemaal dierlijk gedoe.
Nu is het boek, de piramide ontleed volgens het bewustzijn van deze mensheid, in het nu waarin u nu leeft.
Maar de geestelijke ...
Is die stoffelijke mens, is dat gevoel in staat om een geestelijke tijd te bepalen voor leven en dood, ziel en ruimte?
Daar hebt u het.
Is die man in staat om de geestelijke piramide voor u te openen?
(Meneer in de zaal): ‘Nee.’
Dáár hebt u het.
Dan wacht u tot de mens komt, dat duurt nog driehonderd jaar, vijfhonderd jaar, dan eerst ...
En er is niemand op aarde in staat ...
Het zou nu kunnen gebeuren, wij zouden de piramide kunnen ontleden, omdat we deze boeken hebben kunnen schrijven door het leven van Jozef Rulof, André, nietwaar?
Het zou nu gebeuren, maar u hebt er niets aan.
De mensheid, de massa leeft er niet naar.
Dan moeten de atoombommen weg, het kwaad weg, geweer weg, soldaten weg.
U leeft allemaal, u wordt allemaal broeders en zusters, u wordt allemaal een dokter, de moeder wordt zuster, u gaat elkaar verplegen.
Er is geen haat meer, geen bedrog meer.
U kunt het geld ...
Er liggen duizenden guldens op straat, daar loopt u voorbij want ze horen u niet toe.
En dan doet u niet: zou ik even ...
Neen, u kijkt ernaar; dat ligt er duizenden eeuwen, niemand komt daaraan.
Voelt u?
Dat is de geestelijke kern in de mens.
Is er nog iets?
(Mevrouw in de zaal): ‘Mag ik even vragen ...’
Bent u tevreden, mijn vriend?
Ja?
(Meneer in de zaal): ‘Ja.’
Dank u.
(Mevrouw in de zaal): ‘Is het dan niet een genade als de mens op aarde dit al bezit, of probeert te bezitten?’
Ja.
Mijn lieve kind, zuster, dit is het machtigste, dit is het mooiste, dit is de ruimte.
Dit is alles.
Maakt u zich deze wetten eigen.
Begin eraan om die mensen allemaal hier lief te hebben.
Denk aan de mens.
U gaat aanstonds in ‘de kist’, wij moeten u opvangen.
Hoe bent u?
Bent u protestant?
Bent u katholiek?
Gelooft u aan verdoemdheid – ik heb u dat verteld, nietwaar, u hebt die lezingen meegemaakt – dan moet ik u dat eerst ontnemen, want God verdoemt niet.
Nu komt u als geleerde aan, u sterft aanstonds.
Mijn god ...
De geestelijke die gaat zijn mis opdienen.
Meneer, dat hoeft u hier niet te doen want de mis die is ...
Dit is het altaar, dit is het altaar hier, die is oneindig, u hebt geen kaarsjes nodig.
Een gewaad? (gelach)
Hebt u mooie schoentjes en sandaaltjes nodig, mooi strikje?
Hier staat u naakt.
Voelt u waar het naartoe gaat?
Dat is uw geestelijk innerlijk leven, uw afstemming, uw persoonlijkheid, en u hebt ...
Bent u daarmee klaar?
Ik ben gewaarschuwd.
En nu krijgt de dame, het kind die zostraks vroeg: ‘Staat Jozef Rulof stil?’ ...
Vanavond spraken wij, eerlijk gedeeld, vijftig procent.
André bewust; André was vanavond in zijn organisme.
Toen u die vraag stelde, kwam hij terug, wij zijn de hele avond één.
Zo hebben wij – daarom spraken we in ene keer, toen hadden we Engels, u had een Engelse lezing kunnen krijgen – zo hebben wij in Amerika gesproken, zo gingen we door de wereld heen.
Hier kunnen wij afdalen en dan gaat hij weg.
Maar toen u dat vroeg, trokken we hem terug en hebben we, de hele avond hebben wij eerlijk samen gedeeld.
Ik ga nu rustig weg en dan staat dadelijk Jozef Rulof voor u.
Is dit stilstand?
Zoudt u zich daar niet voor lenen, om die boeken te krijgen, het bewustzijn te krijgen, die schilderijen te maken, de mensen dat te geven?
Jozef Rulof was een taxichauffeur, hij komt vanbuiten, uit Gelderland, heeft nooit een boek gelezen, nooit niet.
Wat hij heeft gekregen, kreeg hij vanuit de astrale wereld, want wanneer hij uittreedt dan beleeft hij alles, en brengt die wijsheid mee naar de aarde.
Maar nu nog dit – ik geef u dit bewijs – wanneer hij uit mijn lichaam is, dit, uit dit lichaam is, en meester Alcar is hier, dan kan ik praten hier, ik kan nu tien uur praten, en hij maakt even een reis naar de Maan, naar Mars, naar de Zon, naar de Vierde-, naar de Vijfde-, naar de Zesde Kosmische Graad.
Eventjes naar Amerika, eventjes naar Indië, een mooie reis over de wereld, komt terug.
Hij zegt: ‘Bent u klaar?’
‘Ja.’
Dan maar weer af.
‘Wat hebt u geleerd?’
En dan krijgt hij ook nog hetgeen wat ik u gaf, want dat kent hij allang.
Dat is het contact voor Jozef Rulof, André; wij werken, wij praten, wij spreken, wij schilderen, wij schrijven boeken door dit leven, maar dit leven heeft er zich voor gereedgemaakt, en kan niet anders.
Leest u het boek ‘Tussen Leven en Dood’.
In de Tempel van Isis is het begonnen, maar ook daarvoor reeds.
Neemt u dat aan?
(Mevrouw in de zaal): ‘Niet zo onmiddellijk.’
Niet zo onmiddellijk?
(Mevrouw in de zaal): ‘U zegt het al.’
Dan kunnen wij niet verder.
U moet dit kunnen aanvaarden.
De mensen die drie-, vierhonderd lezingen hebben meegemaakt weten dat.
Wij hebben hier bij elkaar een vijfhonderd verschillende lezingen gegeven, en niet één hetzelfde.
Zou hij dat kunnen?
Over alles?
Hoelang zijn we bezig met vragen stellen?
Waren we reeds aan het stotteren?
(Mevrouw in de zaal): ‘Nee.’
Bent u tevreden, mijn zusters en broeders?
(Zaal): ‘Ja, meester Zelanus.’
Ik dank u.
Tot over veertien dagen.
(Zaal): ‘Dank u wel.’
Nu moet het gebeuren: zó.
(Het blijft even stil.)
(Jozef): Toch nog even tijd voor nodig, maar ik ben er weer.