Uiterlijke gelijkenis met onze ouders -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘uiterlijke gelijkenis met onze ouders’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘uiterlijke gelijkenis met onze ouders’.

Verbinding uit vorige levens

Jozef Rulof gaat in op de gelijkenis in het gelaat tussen kind en moeder:
Als de moeder het kind baart en zij heeft het aangetrokken, dan voelt u wel, dan krijgt het kind – die lijkt sprekend op de moeder bijvoorbeeld – dan krijgt het kind het gelaat van de moeder, het is natuurlijk anders, maar het gelaat en de persoonlijkheid van de moeder ligt daarin, omdat haar gevoelsleven dit fundament heeft gelegd.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
In het volgende citaat legt Jozef verder uit dat het kind ook door ‘ons als man’ heen kan gaan, waarmee hij bedoelt dat dan de vader een verbinding heeft met het kind door zijn vorige levens.
In dat geval blijft de vader tijdens de hele duur van de zwangerschap met het kind verbonden, waardoor het kind op hem kan lijken.
Die verbinding ligt meestal in de diepte van de ziel opgeborgen waardoor de vader als persoonlijkheid dit niet weet:
Gaat het door ons heen, dan blijft de man – zonder dat de vader het weet, dat weet de man niet – zonder dat hij het weet, blijft hij al die tijd met dat leven één.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Jozef zegt in zijn antwoord dat de vader dan heel de zwangerschap in gevoel één blijft met het kind.
Maar is het woord ‘blijven’ hier wel juist gebruikt, is er hier wel sprake van blijven?
Ik zei: de man blijft één.
Maar kan dat, ‘blijven’?
Is dat woord ‘blijven’ geplaatst?
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Het éénzijn van de betrokken zielen is al veel ouder dan de huidige zwangerschap.
De vader en het kind zijn in dit geval al verbonden vanaf het moment dat die verbintenis is aangegaan in hun vorige levens.
En nu volgt er een nieuwe episode in die verbinding, een nieuwe stap om met elkaar in harmonie te komen:
Neen, want die man was reeds voor duizenden jaren één met dit leven.
En is altijd één.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
De verbinding met het kind wordt niet aangegaan op het moment dat de ziel wordt aangetrokken, maar in het vorige leven waarin beide zielen met elkaar te maken hadden:
Dus de ziel die wij aantrekken en door mij heengaat, dat is niet op het moment dat ik die ziel aantrek; nee dame, er lopen er zo duizenden nog op aarde rond waar ik mee te maken heb, en die trek ik niet aan, daar blijf ik, ik bén één met die mensen omdat ik die mensen in mijn leven heb getrokken.
Is dat niet machtig?
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Dat vorige leven kan heel ver teruggaan, zelfs tot in de prehistorie:
Want zomaar: dat kind heb ik aangetrokken ...
Mevrouw, die fundamenten hebben wij reeds in het oerwoud gelegd.
Is dat niet leuk?
U moet teruggaan tot misschien het prehistorische tijdperk om u vrij te maken van een ziel die u daar reeds hebt beleefd, en stukken en brokken hebt geslagen.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Het gaat om de zielen die met elkaar te maken hebben:
Dat is niet het kind dat nu maar komt, want we hebben al reeds met dat leven te maken.
Hebben we niet met dat leven te maken, met die ziel, die persoonlijkheid, dan konden we dat leven niet eens aantrekken.
Dus wij zijn reeds honderdduizenden eeuwen klaar, meneer.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Het fysieke gelaat van het kind krijgt een gelijkenis met de ouder die er als ziel vroeger mee verbonden is geraakt:
En die ziel ook, die komt op een tijd onherroepelijk tot ons terug, en krijgt mijn gelaat omdat ik ermee te maken heb en niet de moeder.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Natuurlijk zijn er ontzettend veel aspecten die meespelen in het terug bijeenkomen van twee zielen:
Dan moet u al de graden en zijwegen en de mogelijkheden en de toekomst en het moederschap en het vaderschap volgen, wilt gij deze vraag kunnen beantwoorden.
Dit is weer een boek van zevenhonderdvijftig pagina’s wil ik die volkomen ontleden, zo diep is elke vraag.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951
Het gelaat van het kind is natuurlijk niet precies gelijk aan de vader of de moeder.
In eerste instantie schept het gevoelsleven van de reïncarnerende ziel het eigen gelaat:
Dus het gevoelsleven, hebben we zo-even over gesproken, schept en baart het gelaat.
Het lijkt op de moeder of op de vader, maar u schept en baart het gelaat.
Maar naar uw gevoelsleven baart u, schept u, vormt het gelaat zich, straalt het gelaat zich uit.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951

Meer dan het gelaat

De geslachtscel van de verbonden ouder is overheersend:
Wanneer u tbc hebt en u trekt het kind aan, krijgt het kind tbc, van u, omdat uw cel het kind overheersend beïnvloedt.
Nu trekt de man een kind aan en het kind is vrij van tbc.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Dit kan de wetenschap niet verklaren, omdat ze niet aan reïncarnatie denkt:
Er zijn daar zeven kinderen, en drie, vier hebben tbc.
Maar u ziet op het gelaat van het kind dat de vader die kinderen aan heeft getrokken, en ze zijn vrij van tbc.
Wetenschappelijk reeds lang vastgelegd.
De doktoren wisten het niet, begrijpen de kern natuurlijk niet.
Dat de vader in staat is om het kind te vrijwaren – door toch de geboorte van de moeder – voor tbc, is wetenschappelijk verklaard.
Maar de diepe kosmische kern, die ontleding, kent men niet.
Maar de wetenschap weet reeds: merkwaardig, dit leven is blijkbaar door de man ontstaan.
Nee, zover kunnen ze niet denken, want dan zit u onmiddellijk achter de kist, en dan krijgt u de wedergeboorte, dan krijgt u de reïncarnatie.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951