De Zeven Goddelijke Levensgraden

Meester Alcar verwacht André achter de menselijke kist.
En André kan zijn Meester in de ogen kijken want hij is gereed, hij heeft gemediteerd.
Het nábeleven voor mens en maatschappij heeft hem voor deze reis geopend en machtig is alles wat hij zich in korte tijd eigen maakte.
Elk ogenblik, ieder uur eigenlijk, was voor hem paradijs geluk, het geluk van een ruimte, ’n oneindigheid; voor honger en dorst staat hij niet open.
Wat is ellende?
Heeft narigheid betekenis?
De mens, dat weet hij thans, eet en drinkt te veel, de mens die zijn geestelijke levensgraad heeft bereikt, heeft geen behoefte meer aan eten en drinken, die mens staat open voor de Goddelijke bewustwording, voor geestelijke liefde en geluk, voor de ruimtelijke levenswijsheid en nú is hij anders, de mens leert denken en voelen.
Dat, André weet het, hebben de geestelijk groten reeds bewezen, zij leefden tenslotte reeds door hun levensadem en is waarheid!
Dat hebben miljoenen kinderen van God zich nog eigen te maken.
Meester Alcar vraagt André:
„Bent u gereed, André-Dectar?”
„Ja, meester, indien u wilt, kunnen wij vertrekken.”
Ja, geachte lezer ... wij zijn gereed.
Door de „Grote Vleugelen”, ons eigen verkregen bewustzijn, kunnen wij van Moeder Aarde afscheid nemen.
In slechts enkele seconden zouden wij de „Maan” kunnen bereiken, toch krijgen wij de gelegenheid ons innerlijk voelen en denken in te stellen, waarna het gereed zijn voor de Goddelijke wetten, voor deze ruimte en ons zélf, zal spreken en kan het vragen stellen beginnen.
Maar voelt gij, wat u achter de kist wacht?
In deze wereld kunt gij u verplaatsen volgens de wetten, ook de bewustwording, die u zich tijdens uw leven op Aarde eigen hebt gemaakt.
Straks zult gij ál deze wetten leren kennen, weet echter, wanneer er geen liefde in u is, zal de meester aan deze zijde u eerst het „leren wandelen”, het voortgaan dus, moeten verklaren en daarbij de duizenden voorkomende wetten voor „Ziel en Geest”, wilt ge uzelf leren kennen, waardoor gij tenslotte uw geestelijk bewustzijn in handen krijgt.
Al deze mogelijkheden heeft meester Alcar door de boeken „Een Blik in het Hiernamaals” verklaard, ze zijn reeds op Aarde, neem deze Goddelijke geschenken in uw handen.
Indien u in ons leven geen liefde bezit, kan niemand uw leven bereiken en ook daarvan worden u de wetten verklaard.
Bezit u waarachtige liefde, dan bent u tevens in staat om met uw meester of uw geliefden deze reizen achter de kist te maken, waardoor uw Goddelijke afstemming ontwaakt.
En dat betekent geluk, ruimtelijke gelukzaligheid.
Moeder Aarde lost voor ons op.
Deze moeder met al haar leven is straks voor ons bewustzijn slechts ’n nietig deeltje van God, ook al denkt de mens, dat hij daar alles bezit, alles kan bereiken, dat tenslotte maar ’n tijdelijke belevenis is, ’n kort bestaan, maar waardoor de mens evolueert.
Wij voelen al, dat meester Alcar zich op de „Maan” ingesteld heeft en wij volgen hem.
We zweven voort, wij verdwijnen uit de sfeer der Aarde, de „Almoeder” voor dit Universum verwacht ons.
En dat is de „Maan”, geachte lezer, gij zult haar thans leren kennen!
André kan zich nog even met „Wayti” verbinden, tot haar leven spreken, haar liefde en geboorte in zich opnemen, aanstonds is dat niet meer mogelijk en heeft hij zich volkomen te geven, wil deze ruimte, willen de levensgraden hem álles van het eigen geboren worden kunnen verklaren.
En dan beleven wij deze ruimtelijke, maar Goddelijke éénheid.
Is dit niet wonderbaarlijk?
En dát kunt gij u reeds op Aarde eigen maken.
Já, geachte lezer, wij vliegen nu door dit Universum.
Wij bezitten de „Grote Vleugelen”, elk dier dat tot deze levensgraad behoort, bezit die ruimte en is het bewustzijn voor het dier.
God, voel ik, denkt André, schiep gevleugelde diersoorten.
Wat ik thans als gevoel en denken bezit, dat krijgt het dier door de vleugelen en dat is voor élke levensgraad, élk dier komt zover!
Nu André zó denkt, komt er vanuit het „Goddelijke-Bewuste AL”:
„Juist, kinderen van God, zó is het!”
En wij horen nog:
„De mens maakt zich het bewustzijn van God eigen.
De mens krijgt door zijn voelen en denken bewustwording en daardoor vanzelfsprekend ééns ook die „liefde” te beleven, waarvan hij zich de wetten eigen heeft te maken.
Maar het dier, u zult dat volgen en beleven, krijgt vleugelen en dat is het bewustzijn voor het dier.
Aanvaard nu, al het leven, het dierlijke dus, krijgt dit uiteindelijke bewustzijn en keert daardoor tot het Goddelijke „AL” terug.
Gij zult ál deze Goddelijke wetten leren kennen.”
En wij, geachte lezer, begrijpen het woord.
André kan straks, wanneer hij terug is op Aarde, aan dít nábeleven beginnen en zal zich voor zijn denken en voelen ’n héél andere wereld openbaren.
Want de mens op Aarde kent deze wetten nog niet, hij begrijpt het dierlijke leven niet; doch ál deze zelfstandige werelden leren wij thans kennen.
Voor u en hem is dat machtig en gij kunt dit aanvaarden!
„Já” ... komt er opnieuw tot ons en tot André ...: Darwin ... jij was er dichtbij, je stond er eigenlijk reeds bovenop, bovenop de Goddelijke „wet” maar je zag het éérste-ogenblikje, het beginstadium niet, waarna je die verkeerde gevolgtrekkingen maakte.
Want wat is een duif?
Wat is een kip?
Wat heeft je adelaar, ’n gier te betekenen?
Wat hebben ál die verschillende – doch gevleugelde diersoorten te betekenen, Darwin?
De duif vertegenwoordigt met ál die andere duizenden soorten het hoogste bewustzijn voor het dier.
Een tijger, leeuw, orang-oetang, wolf en kat, hond en koe, u kent deze diersoorten, komen ééns tot het gevleugelde soort en levensgraad, omdat ál die soorten van dieren voor God eens de állerhoogste graad en levenswet moeten vertegenwoordigen en zullen betreden.
Já ... Darwin ... die dieren krijgen voor God iets anders te beleven, omdat ook zij tot het „Goddelijke Stadium” zullen terugkeren en daarin de God van al het leven hebben bereikt.
Ná deze reizen komen wij zover en beginnen dan aan de ontleding van al deze wetten, levensruimten en zelfstandigheden voor mens en dier, voor de ruimte zélf en bloem en plant.
Wat heeft God met dit alles bedoeld?
Ook dat leren wij kennen – Darwin; waarin gij nú op dit ogenblik leeft, werd aan uw leven die overtuiging geschonken, gij wéét nu!
Máár, mens der Aarde, voelt gij wat u wacht?
Voelt ge, hoe machtig uw „Kosmologie” is?
Wij blijven denken en maken ons intussen gereed voor het éénzijn met Moeder Maan.
We weten, elk ogenblik kan meester Alcar ons vragen stellen en dan moeten wij het énige en juiste antwoord geven.
Mijn God, denkt André, wat is er nog veel wat ik mij eigen heb te maken en moet ik leren kennen.
Wat is licht, geachte lezer?
Maar wat is uw „diamantje”?
Wat heeft zo’n stukje glas of lichtuitstralend steentje voor de Goddelijke wetten te betekenen?
Sprak meester Alcar niet over de „Elementale wetten” toen hij tot André kwam en hem door gaf waarheen wij zouden gaan?
Ook die wetten leren wij nu kennen en begrijpen nu, wat zo’n stukje steen voor de ruimte en de Goddelijke scheppingen te betekenen heeft.
Luister even naar hetgeen er thans tot ons komt en gij hoort met ons zeggen:
„Een „diamant” vertegenwoordigt voor God het „vaderschap”!”
Ja, dat klinkt gek en is niet te begrijpen voor u daar op aarde.
Toch zullen wij ook die ontleding ontvangen!
Eerst nú krijgt al het leven in welke vorm en hoedanigheid het zich ook bevindt, Goddelijke betekenis.
De Zon is de „Vader” voor dit Universum en wat vaderschap bezit vertegenwoordigt voor ál het leven van God de scheppende kracht en ís vaderlijk bezield.
Wat draagt ge nu, als ge u met edelgesteenten behangt?
Het is „Vader- óf Moederschap” als ’n stukje uitstralend gesteente, iets anders is het niet en kreeg dit bewustzijn door de ruimtelijke verhitting en verharding te beleven en werd nu een zelfstandigheid.
Wat is moederschap?
Wij leren ál deze levenswetten kennen, voor de mens in de allereerste plaats en dan voor het dier en al het leven van moeder „Natuur”!
We gaan verder, spoedig begroet ons „Moeder Maan” en dan betreden wij haar machtige leven, haar Macrokosmisch Organisme.
O, astronomen, indien gij haar kende?
Hoe ontzagwekkend zal nu uw studie zijn?
De „astroloog” krijgt ervanlangs, hem nemen wij straks álles af.
Dat gebeurt en dat is ruimtelijk, dus Goddelijk te verklaren.
Word nog niet boos, u krijgt toch, tenslotte alles van God terug, in uw handen wordt daarentegen die Universele wijsheid gelegd en kunt gij weer tevreden zijn, doch uw gelegde fundamenten breken wij af!
Door de „Kosmologie” kunnen wij dat bewijzen, geachte lezer, u zult zichzelf overtuigen.
En wanneer uw dominee dit alles zal beleven, verdwijnt eindelijk z’n „verdoemdheid” en ziet hij zijn „God” anders.
Nu lost die afschrikwekkende verdoemdheid volkomen op!
André was in zijn vorig leven een astronoom.
Thans komt hij achter deze wetenschappelijke sluiers en voeren de meesters hem naar de Goddelijke klaarte.
Wat toen niet voor zijn leven en persoonlijkheid mogelijk was, dat leeft nu voor zijn wezen en gevoel, zijn verkregen „ik”.
Is ook dit niet de moeite waard?
Toen liep hij zich te pletter, nu is dat voorbij, wij moeten nu beleven, omdat „Christus” het wil en omdat de mensheid moet ontwaken.
Zeker, de astronoom zal er komen, doch dan moet hij onze en wel de Goddelijke weg volgen of hij blijft een zoeker, blijft blind, blijft straatarm.
Hij moet ónze fundamenten aanvaarden, wil hij zichzelf het licht schenken van God.
André begrijpt thans, indien Ramakrishna zich – als hij dat nu doet – aan de Meesters had willen overgeven, dan had ook Ramakrishna diepere wijsheid ontvangen, doch dat levende wonder dacht het op eigen kracht te moeten doen en had nu zijn „eigen menselijke” halt te aanvaarden.
Ramakrishna heeft zich de wijsheid om uit zijn organisme te treden eigen gemaakt.
Zeker, dat heeft hij gekund, doch uiteindelijk kwam hij nu niet boven zijn bewustzijn uit en is de jammer voor zijn geestelijk voelen en denken, het ruimtelijke halt tevens.
Indien dit leven zich had kunnen overgeven, ziet en beleeft André nú, had ook hij Goddelijke hulp ontvangen en vanzelfsprekend waren ook voor hem deze miljoenen wetten ontleed – dat geluk betekende voor het kind van Moeder Aarde.
André zal het Ramakrishna straks bewijzen.
Hij zal élke geestelijke geleerde van de Aarde hun wetenschappelijke luiers ontnemen, zij zullen de moedermelk van dit Universum moeten drinken en niets anders, willen al die geleerden ontwaken!
En daarvoor maken wij deze reizen, ook voor uw bewustzijn, geachte lezer, voor uw vader- en moederschap.
André kan u vertellen:
„Ik weet het, ik heb het hoogste contact gekregen en daarvoor zal ik dienen.”
Meester Alcar, zien wij, heeft de afstand tussen Aarde en Maan in slechts enkele seconden afgelegd.
Is dat niet wondervol?
En toch, hoe eenvoudig is het, wanneer u deze wetten en mogelijkheden kent en deze Grote Vleugelen bezit.
Ik zei u reeds, wij zijn bewust, de mens die in de duisternis leeft, moet zich eerst het levenslicht eigen maken en hierna volgt dan het verplaatsen, het verdergaan in de geest!
Indien de mens „waarachtig” Mens wil zijn, komt hij zover.
Méér dan liefde voelen en geven voor al het leven van God, is er niet nodig, doch nu volgens de harmonisch geschapen wetten, door het vader- en moederschap beleefd en verkregen, voor ziel en geest, mijn zuster of broeder ... en staat ge voor uw eigen „zélf”!
Aanvaard álles wat de Bijbel u zegt en ge staat op een dood punt!
Aanvaard de verdoemenis, en gij vernietigt u zélf!
God heeft dat níét gewild!
Gelooft ge nog, dat ge door te biechten vrij van uw zonden zijt?
Dat zoudt ge wel willen!
Maar álles is anders en zullen wij u bewijzen!
O, wat zijn de theologen armoedige hummels!!
Wat zijn uw theologen blind!
Wat zijn het armoedige zielen!
Wat zijn het voor duistere gevoelskrachten die uw denken en voelen verduisteren?
Deze mensen krijgen thans een gevoelig pak slaag door de Meesters uit het Goddelijke „AL”, dat verzeker ik u.
Er blijft weinig van hun leer én ruimtelijke gekakel over, hun diepe armoedigheid heeft thans ’n Universeel bad nodig, hun bevende stemmetjes hebben nog nooit over bewuste voortgang gesproken, nooit waren zij daartoe in staat, omdat zij God niet kennen.
Straks komen wij tot deze kinderen terug en dan vallen die muren omver, hun ónmenselijk gekrakeel over een God die zij niet kennen, houdt dan op te bestaan, voor dat gedoe is er geen tijd meer!
U voelt het zeker al, wij overbruggen miljoenen dagreizen in slechts enkele seconden.
Wanneer het geleerde kind naar de Maan wil vliegen, zal het eerst duizenden „doden” te beleven krijgen, voordat die mogelijkheid ruimtelijke bewustwording wordt.
Wij tonen dit astronomische gevoelsleven dan aan, dat het niet mogelijk is; de luchtledige ruimten én de aantrekkings- en afstotingswetten, verpletteren het menselijke „ikje” en wordt dán ’n drijvend schavot, als u het weten wilt, waarna de verpoeiering volgt, het volkomen uiteenrukken dus, versmeltend gaat dat leven kapot!
De éne planeet houdt de andere op afstand, nietwaar, doch tussen deze machtige werelden wordt nu het menselijke gevaarte verpletterd én is niet in staat, door niets, begrijp dit goed ... zich los te rukken, zichzelf die krachten te schenken om dóór die aantrekkingswetten heen te vliegen, die krachten bezit het menselijke wezen noch het technische wonder.
Als ’n hulpeloos wrak drijft het technische wonder rond en heeft die versmelting of verplettering te aanvaarden.
Ge komt dus niet uit dit luchtledige, maar waarin de macrokosmische wetten en krachten beleefd worden ... gíj, mens der Aarde, zijt nu gedoemd om te verongelukken, omdat gij de universele stelsels niet kent.
Wij gaan thans op de Maan over en wil zeggen, dat haar leven ín ons komt, waardoor wij haar éénheid beleven.
Nu kunnen ook wij als mens zeggen: ik ben „moeder”, de levenswetten van haar ruimte zullen ons dat verklaren.
Wij moeten, voelen wij thans, eerst de levensgraden volgen en daarna beleven wij haar moederschap en de volgende karaktereigenschappen, ook haar machtige persoonlijkheid.
André kan zeggen: ik ben op de Maan en van hieruit denk ik aan uw honger op aarde, aan ál de ellende daar, doch ík ben thans universeel gelukkig!
Maar alles komt in orde, ook uw doodgaan daar, achter de kist is er leven, geluk, liefde, maar tevens duisternis.
En dat hebt ge zélf in handen!
Nu zegt meester Alcar tot ons:
„Voor het kind van Moeder Aarde maken wij deze reis, omdat Christus wil, dat het leven van God daar ontwaakt.
De „Eeuw van Christus” heeft een aanvang genomen.
Mijn broeder André, op onze vorige reizen kwamen wij tot dit ogenblik, thans gaan wij dieper, verder en zullen de verdichting vanuit het menselijke „Embryonale” leven volgen.
Zo nu en dan volgen wij echter de „ziel” als mens, omdat wij hierdoor de volgende wet moeten beleven, willen wij de Goddelijke fundamenten openleggen en verder kunnen gaan.
Na de stoffelijke levensgraden volgen wij ze voor de „ziel”, daarna voor de menselijke persoonlijkheid, waarna wij de „Mens” als een Goddelijk wonder leren kennen.
Stel u in, mijn broeders, maak u zelf één met deze wetten, met het beginstadium voor het menselijke organisme.”
Geachte lezer, de Maan nu, is voor uw leven en bewustzijn dood.
Maar deze zelfde Maan, dit machtige organisme, lost voor onze ogen op en zien wij haar állereerste ogenblikken, toen zij aan haar machtige taak voor God moest beginnen.
Wij gaan zover en diep terug, totdat wij dat eerste baren en scheppen voor de ruimte voor ons zien en is de levensgraad waar wij moeten beginnen om die ontwikkeling te volgen.
Dat is dus het ogenblik voordat de verstoffelijkte schepping begon.
Wij zien nu, dat het Uitspansel zichzelf heeft verdicht, wij kijken in de „Astrale ruimte”, de geestelijke wereld voor het Universum waarin al dit leven een eigen taak te aanvaarden kreeg.
Wat wij zien zijn de vonken van God, dus ná de Goddelijke splitsing ... op macrokosmische afstemming, dat zijn de hemellichamen die straks stoffelijke verdichting krijgen en zichtbaar worden, waartoe thans ál het leven in deze ruimte behoort.
Ook deze vonken van God op macrokosmische afstemming zullen zich splitsen, want élke vonk bezit de Goddelijke wetten, die wij op onze vorige reis mochten beleven.
Wij zien de Maan nu als een astrale, dus geestelijke bol, als ’n geestelijke ruimte, door de splitsing van God tot stand gekomen, doch (die) wij nu als een zelfstandig leven leren kennen.
En ook dit leven zal zich splitsen en verdichten, zoals God dit heeft gedaan en heeft gekund.
Hierdoor is het embryonale leven ontstaan en zijn wij als mens aan ons eigen leven begonnen.
Wat God dus – door zichzelf te splitsen – aan de Maan heeft geschonken, krijgen ook wij in handen, waarvan wij de wetten zullen leren kennen en ons als mens eigen hebben te maken, willen wij deze machtige ruimte overwinnen.
Hoe dat zal gebeuren zien wij straks.
Meester Alcar wil, dat wij ons daarop instellen en wij zijn voorbereid, waardoor aanstonds de levensgraden tot ons leven zullen spreken.
Meester Alcar zegt:
„De „Universiteit van Christus” wil, dat wij de zeven levensgraden voor de ontwikkeling van het menselijke organisme volgen.
Gij kunt nu reeds vragen: hóé is het menselijke organisme geboren?
En dan staan wij voor de „Maan als Moeder”.
Uit dit macrokosmische lichaam is ál het leven geboren.
Uit dit macrokosmische organisme als eerste ruimtelijke levensgraad, is de „Mens” ontstaan, uit dit levende „Ik”, dat dus God is ... door Zijn splitsingen kreeg de Maan haar zelfstandigheid en geeft dat wonder aan ons door, waarna, dat zullen wij beleven, ook wij die zelfstandigheid kregen en aan het terugkeren tot God konden beginnen.
Wij zijn dus reeds tot dit beginstadium genaderd, want het is hierin, dat deze wetten zich aan uw leven zullen openbaren en gij onfeilbaar zult aanschouwen.”
Geachte lezer, wij zien thans die eerste verdichtingsuren en komen tot die éénheid, waarna wij deze openbaringen betreden.
Dit zijn de allereerste ogenblikken voor ons menselijke bestaan als embryonaal mens.
Wij hebben dus de stoffelijke wereld verlaten, waarin wij thans leven is het beginstadium voor de Maan als moeder en de menselijke totstandkoming.
De Maan zal zichzelf splitsen, miljoenen vonken krijgen het eigen leven in handen en is het volgende stadium voor deze ruimte.
Meester Alcar gaat verder en zegt:
„Ik verbind mij nu met het leven van de Maan als moeder.
Wij zien thans, dat het embryonale leven, als stoffelijk, doch Goddelijk deeltje niet meer ruimte bezit dan ’n vierkante meter voor de Aarde, doch dit leven dijt uit en zal zich volgens deze levenswetten en levensgraden verruimen.
Hierdoor zien wij dit leven veranderen.
Doch wij kennen de ruimte van het Maanlichaam voor het huidige stadium en weten nu waarheen die verruiming ons voeren zal.
En dat alles zult ge zien gebeuren.
Voor dit ogenblik moeten wij echter aanvaarden, dat hier het eerste menselijke embryo geboren is.
Het is bovendien voor ons als bewuste mensen van betekenis om te mogen weten, of wij áls stof en als ziel het eigen bestaan en het leven ontvingen.
En dan zien wij, dat de Maan „ziel en stof” heeft geschapen, omdat zij deze levende wetten door God heeft ontvangen en ook God ze heeft beleefd, waarvan wij de verdichtingstijdperken zullen volgen.
Dat wil daarenboven betekenen, dat hier op de Maan de ziel voor ál het leven uit deze ruimte is geboren.
Indien u dit voelt, dan moet het u duidelijk zijn, dat wij mensen én al het leven van de ruimte direct uit God zijn ontstaan en dat wij ook Zijn eigenschappen bezitten, daar wij leven zijn van „Zijn Ziel”, Zijn Geest, maar door Zijn Vader- en Moederschap, thans aan Moeder Maan geschonken, een eigen leven én bestaan hebben te aanvaarden.
Hoe wonderbaarlijk dit alles, de Goddelijke verdichtingswetten te aanvaarden kreeg, dat beleven wij aanstonds en staan wij voor de Zeven Kosmische Levensgraden, niet alleen voor de ziel, de geest en wij als mens, doch bovendien voor ál het leven van God.
Hierdoor, mijn broeders, staat voor ons leven vast, dat wij als mens deze ruimte moeten overwinnen en wij eens het stoffelijke leven op Aarde zullen verlaten, doch bovendien het geestelijke, astrale bewustzijn moeten betreden, om ons daarin gereed te maken voor de „Vierde Kosmische Graad”.
Wat zien wij nu?
Allereerst, dat de Maan nu nog een geestelijk lichaam is.
Maar dat organisme zal veranderen en dan beleven wij de eerste stoffelijke verschijnselen voor ons embryonale bestaan.
Doordat er werking aanwezig is, de scheppende krachten van God het vaderschap dienen, de Zon dus, die zich zal verdichten als de Maan thans beleven zal, komt er nieuw leven, de eerste nevelen en volgen daarna de eerste afscheidingen, waaruit en waardoor wij ontstonden.
En ook die vonken zullen zich splitsen en staan wij voor het embryonale vader- en moederschap als mens.”
Wij volgen nu het geboren worden van het embryonale leven.
Dat cellenbestaan moet eens de mens worden!
En nu wij dit proces waarnemen, zegt meester Alcar opnieuw:
„U ziet het, mijn broeders, ook het embryonale heeft deze wetten te aanvaarden.
De Maan is aan haar evolutie begonnen.
Dit embryonale vonkje van God, dat dus ál de eigenschappen van God bezit, zal zich moeten splitsen, waardoor er nieuw leven ontstaat.
Volgen wij die eerste levensgraad, dan zien wij, dat door die aanraking, deze afscheiding, het geven van het eigen leven, er een nieuwe cel geboren wordt en dat, u zult dat zien, de eerste vonk de „dood” heeft te aanvaarden.
Nu staan wij voor duizenden wonderen en ook die vragen om ontleding.
Allereerst stellen wij voor het kind van Moeder Aarde vast:
Hier bevinden zich zeven opvolgende levensgraden voor de mens.
Tevens bevinden zich hier de zeven levensgraden voor de ziel, de geest én de persoonlijkheid als mens, maar daarenboven, ál de graden voor de dierenwereld én het leven van moeder „Natuur”.
Op onze vorige reis, mijn broeders, hebben wij die zeven „Kosmische Levensgraden” gevolgd, wij waren tot in het Goddelijke „AL”.
Doch nu volgen wij de zeven levensgraden voor het menselijke organisme.
Hierdoor zien wij, hoe wij als mens aan ons eigen leven zijn begonnen.
Ik ga dus verder om dit proces te volgen.
Ná de eerste aanraking, het geven van het eigen leven dus aan een andere cel, betreedt de eerste vonk de astrale wereld.
Kijk, mijn broeders, en gij ziet deze Goddelijke werkelijkheid.
Hoe is uw waarnemen, André?”
„Ik zie, mijn meester, dat de Maan aan haar leven is begonnen.
Hier voor mij zie ik de eerste nevelen en die nevelen zullen zich verdichten, hierna komt die afscheiding tot stand.
Ik ben daarmee verbonden.”
„Is dat juist, meester Zelanus?”
„Ja, mijn meester.
Vanzelfsprekend is, dat de eerste vonken zullen sterven.
En dat proces beleven wij tevens op Aarde, doch nu als mens.”
„Inderdaad, dat is het woord, dit is het Goddelijke gebeuren.
Het is de dood voor de stof, doch niet voor de ziel.
De ziel gaat verder en zal zich in die geestelijke wereld gereedmaken voor de nieuwe geboorte, het volgende leven.
Wanneer u dat duidelijk is, gaan wij verder.
Komen wij op Aarde, dan beleven wij ál deze levensgraden voor het menselijke bewustzijn.
En ook dan staan wij voor deze zeven levensgraden, doch betreden nu de verstoffelijking ervoor en dat niet alleen voor de mens, doch tevens voor het dier en ál het leven van Moeder Natuur.
De ziel als mens moet dus verder en hoger gaan en is alleen mogelijk door het stoffelijk sterven.
Al het leven van God heeft deze wet te aanvaarden!
De ziel als mens gaat verder en bereikt voor de Maan het uiteindelijke stadium, dat het „visstadium” is!
Gij zult dat straks beleven.
Hierdoor kan het leven als embryo zich verruimen.
Deze evolutie voert ons dan ook tot de overwinning van de Maan als moeder.
Wanneer dus de ziel als een embryonaal leven haar evolutieplicht heeft volbracht, betreedt zij de astrale wereld, doch wat zullen wij nu beleven, indien wij de stoffelijke vonk, dit eerste embryonale „Ego”, volgen?
Volg dit wonder, mijn broeders, en gij zult de God van al dit leven beleven.
Ik vraag u, meester Zelanus:
„Wanneer die eerste dood voor het stoffelijke embryonale leven plaatsvindt, is dat dan het einde voor deze cel of zien en beleven wij nu andere wonderen.
Ik zal tot u komen en thans vragen: „Is deze cel volkomen uitgeleefd?”
„Néén, mijn meester.”
„Waarom niet, André-Dectar?”
„Omdat deze cel zeven levensgraden bezit.”
„Dat is juist, maar waar hebben wij die zeven levensgraden het eerst ontmoet?”
„Op onze vorige reis, mijn meester.
De „Almoeder” volgde zeven opvolgende levenstijdperken, voordat „Zij” haar leven openbaarde.”
„Ook dat is het antwoord, mijn broeders.
Wij hebben gezien, dat de „Almoeder” zeven tijdperken nodig heeft gehad om zichzelf te doen manifesteren.
Eerst toen Zij de zevende graad bereikte, betrad Zij tevens het Kosmische vaderschap en zagen wij, dat het „Universum” zich in het gouden plasma had verdicht.
Zeven Kosmische levensgraden dus voordat de „Almoeder” zichzelf manifesteerde.
Wij moeten dus aanvaarden, dat dit leven, uit de „Almoeder” geboren, niet ineens gereed is, niet ineens deze zeven graden kan beleven en dat de eerste embryonale cel ook niet het uiteindelijke voor de „Albron” heeft kunnen beleven.
Wat wil dit zeggen, meester Zelanus?”
„Dat uit deze stoffelijke cel, dus door deze „dood”, nieuw leven zal ontstaan.”
„En welk leven is dat, André-Dectar?”
„De dierenwereld, mijn meester.”
„Dat is het Goddelijke antwoord, mijn broeders.
Uit de eerste stoffelijke embryonale menselijke cel zal nieuw leven ontstaan.
De mens is dus uit dit cellenleven tevoorschijn getreden, maar uit dit stoffelijke deel komt er nieuw leven, omdat dit leven zal scheppen en baren, omdat uit dit rottingsproces nieuw leven moet geboren worden.
Wij stellen dus voor het kind van Moeder Aarde vast:
Uit de eerste menselijke cel is er nieuw leven geboren!
En dat wil zeggen, meester Zelanus?”
„Dat de theosofen, Madame Blavatsky, géén beginstadium heeft gezien, omdat de theosofen zeggen: eerst schiep God Moeder Natuur, toen het dier en eerst daarna de „Mens”!
En dat zien wij thans, is een grote leugen, is ónwaarheid.”
„Inderdaad, mijn broeders, zó is het!
Dit is de waarheid.
De theosofie berust op ónwaarheden, de theosofie heeft geen Goddelijke-waarachtige fundamenten kunnen leggen, omdat Madame Blavatsky het begin voor ál het leven niet heeft kunnen zien!!
Dat wil dus zeggen, mijn broeders, dat wij door de eerste embryonale cel nieuwe levens zullen beleven en dat wordt de dierenwereld.
Vanzelfsprekend kunnen wij die wetten thans niet volgen, doch zullen wij beleven, wanneer wij vóór de dierenwereld het ontstaan én het geboren worden ondergaan en voor de „Kosmologie” vastleggen.
Zo nu en dan zullen wij even die werelden aanraken, doch bewust verdergaan voor het menselijke, stoffelijke-lichamelijke ontwaken, waarvoor wij deze reis maken.
Waarlijk, uit deze eerste menselijke embryonale cel, door deze eerste dood voor het embryo, daaruit, door dit evolutieproces, is het dier geboren.
En dat is een machtig wonder, waardoor wij het leven van God leren kennen en onze Goddelijke fundamenten mogen leggen.
Dit natuurlijke gebeuren zal ons die wetten verklaren, wij kunnen dus geen fouten maken.
Wij beleven Goddelijke-ónfeilbare zekerheid!
Vertel ons thans wat u waarneemt, meester Zelanus en wij volgen u.”
„Ik ben gereed, mijn broeders, en kan u antwoorden.
Maar begrijp goed, ik moet verschillende wetten volgen.
Maar ik voel reeds, dat ik thans langzaamaan het „vader- en moederschap” voor het embryonale leven zal beleven.
Het „AL” wil, dat ik gevolgtrekkingen maak en volg, voordat die openbaringen zich aan mijn leven en bewustzijn manifesteren.
Doordat dus de ruimte zich splitste, betrad het Kosmische Vader- én Moederschap het eigen bestaan.
Dat wil zeggen, dat de Maan nú „Moeder” is geworden.
Door de verdichtingswetten is dit tot stand gekomen.
Wij hebben dat op onze vorige reis beleefd en kunnen nu dus verdergaan.
Wat ik zie, mijn meester, is nu, de astrale wereld voor de ziel als embryonaal wezen.
Ik zie, dat de eerste menselijke cel vrijkomt, dus ná het éénzijn met het andere leven en thans de „dood” te aanvaarden heeft.
Ik ga dus nu niet verder, ik bedoel, het waarnemen voor het dierlijke bestaan, ik moet het menselijke embryonale leven volgen en niet het dier, dat uit deze eerste stoffelijke cel het leven ontvangt.
De ziel als mens, als vonk van God, mijn meester, heeft nu reeds een eigen bestaan ontvangen.
Ik zie, dat die astrale wereld dit leven opvangt, dat de vonk als mens een bestaansmogelijkheid gekregen heeft om het leven voort te zetten.
Welke zekerheid treedt er nu naar voren?
Dat wij hier reeds de vader en moeder zien voor het kind.
Ook al is dit het cellenbestaan, toch heeft dit embryo nieuw leven geschapen.
En dat zegt ons dus, mijn broeders, dat het kind, het nieuwe leven dus, deze vonken straks opnieuw zal aantrekken en ontvangen de eerste cellen, als leven van God, de wedergeboorte.
Ik sta dus thans reeds voor de „Reïncarnatie”.
Dat wordt het tweede leven voor de vonk van God, maar miljoenen levens heeft deze vonk af te leggen, voordat de embryonale cel voor de Maan het uiteindelijke stadium heeft bereikt.
Is dat duidelijk?”
„Ga verder, meester Zelanus, wij kunnen u volgen.
Ook wij moeten beamen, ons hoofd buigen voor deze Goddelijke wetten.”
„En dát wil dus zeggen, mijn meester, dat er géén dood is!
Het wil daarenboven betekenen, dat deze wetten in niets zijn veranderd.
Nietwaar, ook op Aarde moet de Mens sterven wil hij verder kunnen gaan, doch het kind van Moeder Aarde kent deze wetten nog niet.
Door de dood voor de stoffelijke vonk, mijn broeders, ontvangt de ziel van God als mens en straks als dier, nieuw leven ... én ...
Evolutie!
Ontwaking!
Meer ruimte!
Meer verdichting én meer bewustzijn, het leven dijt uit!
Het leven, dat stellen wij hier reeds vast, zal tot het bewuste Goddelijke „AL” terugkeren om daar God te vertegenwoordigen.
Is dat duidelijk?
Dan kan ik verdergaan, doch het bewuste Goddelijke „AL” wil, dat ik deze wetten voor het kind van Moeder Aarde fundamenten geef, opdat men ook op Aarde de God van al het leven zal leren kennen.
En dan volgt er nog:
De ziel als mens, vanuit de „Albron” geboren, krijgt nu reeds de eigen zelfstandigheid in handen en te beleven, waardoor zij zich zal verstoffelijken en vergeestelijken.”
Meester Alcar neemt het woord over en vraagt André:
„Waar kunnen wij deze verdichtingswetten beleven, André, indien wij in gedachten tot Moeder Aarde terugkeren?”
André is gereed en kan zeggen: „Ik ben één met de moeder op Aarde, mijn meester.
In haar krijgen deze verdichtingswetten kleur en gestalte, deze openbaringswetten zijn dus in al die miljoenen eeuwen in niets veranderd.
Vanzelfsprekend is, dat het „weefsel” zich in die tijden stoffelijk én menselijk heeft verdicht.”
„Inderdaad, zo is het, de moeder op Aarde ontvangt dezelfde wetten, zij baart haar kind, aan de wetten herkennen wij de Goddelijke oorsprong.
God schiep deze zeven levensgraden voor de mens, om te baren en te scheppen, doch hierdoor evolueerde de mens, het dier, bloem en plant.”
„Ook dit antwoord is juist, mijn broeders.
Het is de stoffelijke én de geestelijke openbaring door de „Albron” aan de mens gegeven.
Zeven opvolgende levensgraden moet de vonk van God volgen, doch daardoor manifesteert zich straks het vader- en moederschap.
En die wetten zullen wij leren kennen.
Waar het de meesters dus om gaat is, dat wij ook thans deze zeven levensgraden voor het embryonale stadium vaststellen.
Eerst dan mogen wij verdergaan óm de Goddelijke eigenschappen tot de menselijke ontleding te voeren.
Deze splitsing en verdichting, die de Maan als moederplaneet moet beleven, krijgen wij als mens in handen.
Deze verdichting en de daarbij behorende evolutie voor het stoffelijke leven wordt de menselijke ontwikkeling, waardoor wij het leven van de Maan zullen begrijpen.
Het is dus duidelijk, dat de macrokosmos de microkosmos zal baren en scheppen en dat wij als mens eens deze ruimte zullen overwinnen.
Dit zijn de zeven levensgraden, mijn broeders, voor het vader- en moederschap, telkens weer krijgen wij die mogelijkheid en beleven wij de wedergeboorte, totdat wij het hoogste stadium voor de Maan hebben bereikt.
Is dat duidelijk, dan kunnen wij aanstonds verdergaan om de verschillende karaktereigenschappen voor het leven van God te volgen.
Welke verschijnselen kunt gij waarnemen, meester Zelanus?”
„Ik volg thans de Goddelijke eigenschappen, mijn meester.
Ik moet die volgen vanuit de eerste Goddelijke openbaringen, doch nu voor het vader- en het moederschap.
Daarnaast wil mijn leven vragen stellen en dat kunt gij begrijpen, omdat al deze wonderen zich willen openbaren.
Wat ik zal beleven, mijn broeders, dat zijn de openbaringen, die de Maan als moeder door de Goddelijke splitsingen heeft ontvangen.
Het zal u duidelijk zijn, dat wij hiervoor het beginstadium betreden, doch dat wij bovendien vergelijkingen zullen maken met het huidige stadium, waartoe André behoort.
Hetgeen ik zo-even voelde en zag, dat waren voorbereidingen om mijzelf op het leven van de Maan af te stemmen.
Ook gij zult moeten waarnemen.
Aldus, ik ga verder, wij zullen vader- en moederschap, ontwaking en evolutie, verdichting én verruiming voor het embryo waarnemen.
Ik voel mijzelf één en verbonden met twee stoffelijke cellen, want wil ik dit Goddelijke wonder beleven, dan zal ik die éénheid ondergaan.
Eerst dan zullen wij weten.
De vragen die zo-even tot mij kwamen, dringen zich nu aan mijn leven op, ook daarvoor heb ik mijzelf te openen.
U ziet thans, mijn meester, deze stoffelijke embryo’s zuigen zich aan elkaar vast.
Maar waarom en waardoor?
Aanstonds, voel ik nu, wordt mij ook die openbaring geschonken.
Ik zie en beleef echter dat wonder.
En wel volgens de wetten van God tot deze evolutie gebracht.
Ik kan dus volgen, hóé die voortgang, deze evolutie zich voltrok.
Daardoor weet ik, dat zij één afstemming bezitten en uit één bron, die álles is, zijn geboren!
En die bron, mijn meester, moet de Maan als moeder vertegenwoordigen.
Komen wij dus tot leven, tot een eigen evolutie, dan moeten wij die „Levensbron” die „álles” is volgens de wetten van God vertegenwoordigen.
En daardoor krijgen wij als mens ál die levensgraden en levenswetten in handen, doch waardoor wij de „Albron” vergeestelijkt en verstoffelijkt dragen, maar dat aan ons door het vader- en moederschap geschonken wordt.
Ik ga dus menselijke vergelijkingen maken, zo-even stond ik voor deze Tempel, thans betreed ik het innerlijke leven en wezen, waardoor ik dan de openbaringen zie en beleven moet.
Ik kan u thans reeds vragen:
„Wie waren de Bijbelschrijvers?
Waren dat mensen?
Of was dat God Zelf?
Gelooft u, volgt er thans, dat God fouten heeft kunnen maken?
U voelt zeker reeds, dat is niet mogelijk.
Maar waarom hebben de Bijbelschrijvers niets van al deze wonderen verteld?
Het antwoord is en luidt: zij hadden dit contact niet, zij konden deze diepte nog niet beleven.
En nu weten wij, dat God nimmer als mens gesproken heeft, dat de Bijbelschrijvers zijn begonnen, toen de schepping reeds miljoenen jaren oud was.
Straks komen wij voor die ónwaarheden te staan en zullen ze dan stoffelijk aards én menselijk bewust ontleden, waarna deze „Mensheid” ál deze waarheden te aanvaarden heeft!
Wat hebben die mannen echter gedaan?
Welk een onzin hebben zij aan het kind van Moeder Aarde gegeven.
Wij zien hier de Goddelijke werkelijkheid!
Ik ga verder en neem waar, dat deze cellen ... dus door de verdichting van de Maan, omdat het vaderschap voor de ruimte dit leven voedt, de Zon is dat ... en zien wij, dat ook thans het vader- en moederschap één zijn.
Deze afscheiding bracht nieuw leven voort.
Maar deze cellen, mijn broeders, moeten zichzelf dus aan het andere leven geven en dat wordt het baren en scheppen, het menselijke vader- en moederschap.
Ook al beleven wij hier het embryonale bestaan, de wetten zijn ook in het huidige stadium in niets veranderd.
André heeft zo-even die vergelijkingen kunnen maken.
Já, mijn broeders, dit is de Goddelijke „Evolutie”.
Dit is ontwaking!
Dit is aanstonds de eerste „Liefde” door de mens als embryo beleefd.
Is dit duidelijk?
Máár, zij zullen, wat bovendien het menselijke wezen op Aarde als het bevruchtingsproces beleeft, zich hier reeds splitsen, omdat wij dit wonder op onze vorige reis mochten zien en beleven.
En dat zijn wetten!
Goddelijke wetten zijn het!
Hierdoor gaat het leven verder en hoger!
Hierdoor zal het leven tot het bewuste „AL” terugkeren, waardoor ik thans ben bezield!!
Ik zie nu door het bewuste Goddelijke „AL”!
Ik kan géén fouten maken, want dat is niet mogelijk!!
De werking, het éénzijn, het geven van het eigen leven, is dus voor het kind van Moeder Aarde in niets veranderd!
Niets is er in die miljoenen eeuwen veranderd, waardoor de „Albron” als de „Alliefde” zichzelf manifesteerde.
Niets, niets!
Wij hebben dit te aanvaarden!
Dit éénzijn voor het embryonale leven is dus de levenswet om nieuw leven te baren en de Goddelijke evolutie voort te zetten.
Het verhaal uit de Bijbel druist thans in uw oren als ónwaarheid!
Ik volg deze cellen, mijn meester.
Hoe wonderbaarlijk deze éénheid is, dat zie en beleef ik.
De éne cel ontvangt het leven van de andere, beiden zijn van één kracht en bewustwording.
Voor de Aarde zijn dat: de vader en moeder.
Hier ontstaat er een nieuwe vonk, een ander leven als cel, daarvoor beleven wij het embryonale bestaan.
En dat schept hoger gaan, hoger bewustzijn, ontwaking en verruiming.
Is dat duidelijk?
Uw gevoelsleven zegt mij, dat ik verder kan gaan.
Doordat, mijn meester, twee embryo’s van dezelfde kracht en levensadem geboren werden, voel ik mij één met de Goddelijke Openbaringen, dus het ogenblik, dat de „Albron” zich manifesteerde.
Het gevoel dat nu in mij komt zegt mij, dat ik opnieuw in die wetten moet afdalen om te volgen, of wij daar waarlijk die wetten hebben beleefd, willen wij geen fouten maken.
Deze twee cellen dwingen mij dus, terug te keren tot daar waar wij op onze vorige reis waren.
Eerst dán, ook dat gevoel komt ín mij, kunnen wij verdergaan.
En is ook dat niet wonderbaarlijk?
Dit leven, meester Alcar, geeft zichzelf, zoals God het voor Zijn oneindig leven heeft beleefd.
Ik ben tot die éénheid gekomen en bovendien één met dit embryonale bestaan en volg thans de bevruchting.
Kunt ook gij dit wonder volgen?
Eerst hierna openbaart zich het „vader- en moederschap”!
Wat ik nu zie wil zeggen, dat het leven ná de splitsing moet sterven.
Doordat dit cellenleven zichzelf gaf, verloor het dit stoffelijke bestaan, doch ook dit leven dijt uit en zal zich verruimen.
Dat wil dus zeggen dat deze zelfde vonk straks nog leven bezit, dus een tijd voortleeft.
Het kind van Moeder Aarde kent deze verruiming, nietwaar, dat wezen blijft na de schepping voortleven, om toch straks te sterven, dat géén sterven is en ons hier geopenbaard wordt.
Mijn zien en beleven is onfeilbaar, doch ik sta thans voor de volgende wetten.
Immers, de stof van dit embryo blijft achter.
De ziel, uit dit stoffelijke cellenleven ontstaan, dat hebt u straks gezien, zo-even dus, betreedt de ruimte voor de „wedergeboorte” ... de astrale wereld.
En die wereld nu, meester Alcar, dit wil zich aan mijn en uw leven openbaren, ís later de geestelijk bewuste astrale wereld waarin wij nú op dit ogenblik leven.
De wet als zodanig wil ons dus zeggen, dat wij hier dóór de dood van de stoffelijke cel het ontstaan en geboren worden zien van de wereld van het „ónbewuste”, de ruimte voor de ziel om zich gereed te maken voor de volgende geboorte, de „reïncarnatie”!
Is dit niet wonderlijk, nu wij die wetten vergeestelijkt en verstoffelijkt voor ons zien en beleven?
Wanneer deze cellen het stervensproces te aanvaarden krijgen, dan komt er een rottingsproces.
Daarvan weten wij reeds, dat hierdoor de „dierenwereld” geboren is en hierna de volgende verdichtingswetten naar voren traden en zien wij „Moeder Natuur” aan haar eigen evolutie beginnen.
Ik ga daar, dat hebben wij reeds aangevoeld, niet op in, ik moet de ontwikkeling voor het menselijke embryonale bestaan volgen en beleven, doch op de volgende reizen komen wij zover.
Máár, mijn meester, mijn broeders, God overzag dit alles, dit wonder en wij hebben dat te aanvaarden!
Ik stel dus voor het kind van Moeder Aarde vast: dat de „Mens” geboren is dóór de „Almoeder”, dat de „Mens” geboren is door de macrokosmische, doch „astrale”, dus geestelijke levenswetten, die wij hebben waargenomen als „Universele splitsingen”.
En de Maan uit die levensbron ontstaan – nu komt het antwoord, mijn broeders, zou deze wetten opvolgen, zou deze miljoenen wetten vertegenwoordigen en ze aanstonds, dat hier dus reeds plaatsvindt, schenken!
De Maan, als Moeder, uit die levensbron geboren, zet dat Goddelijke evolutieproces voort en schenkt het ons als „Mens”!
Dat wordt het dier en Moeder Natuur.
Ik dank het bewuste Goddelijke „AL” voor dit waarnemen en ik weet, ik was daarin onfeilbaar.
Dit is voor het kind van Moeder Aarde, doch komt uit de „Universiteit van Christus”!
Maar ik ga verder.
Ik ga de Goddelijke eigenschappen, de karaktertrekken zien en beleven, die door de Openbaringen zichtbaar de verstoffelijking kregen.
Doch straks voor ons als mens en voor het vader- en moederschap.
En opnieuw wil het „leven” vragen stellen.
Waarom, meester Alcar, is het éne leven vader en het andere moeder?
Wat wij hierin beleven is van essentieel belang voor ál de Openbaringen.
Voor het kind van Moeder Aarde is dit eenvoudig, doch het kent deze wetten nog niet, het voelt niet, dat dóór het vader- en moederschap ál de Goddelijke Openbaringen in ’s mensen handen werden neergelegd.
Elke cel zal daarom dan ook vader en moeder zijn!
En hierdoor evolueren, ontwaken en zich verruimen, vergeestelijken en verstoffelijken.
Eerst dán zijn wij in staat deze ruimte waarin wij leven te overwinnen.
Waarom zal het ene leven moeten baren, het andere scheppen?
Hier, waar wij ons nu bevinden, op de Maan, als zij is, een „astraal”, dus geestelijk organisme, leren wij deze Goddelijke wetten kennen en zullen ze ons straks dus, door het vader- en moederschap eigen maken.
God gaf aan ál het leven zichzelf!
Vanzelfsprekend ook „Zijn” karaktertrekken en eigenschappen, Zijn persoonlijkheid.
En hierbij ál de Goddelijke gaven.
Die mogelijkheden moeten wij volgen, voordat wij de Goddelijke fundamenten kunnen leggen voor later; wat wij hierin beleven zíjn dus Goddelijke waarheden voor de mens, voor dier, bloem en plant.
Wij moeten vaststellen of wij vader óf moeder zullen blijven.
En hoe die mogelijkheid tot ons bewustzijn, tot ons leven is gekomen.
Wij moeten volgen, hoe wij aan ons éérste moeder- of vaderschap zijn begonnen.
En dat zijn Goddelijke verschijnselen, zijn Goddelijke eigenschappen, waardoor wij Zijn Persoonlijkheid voor ons menselijke bestaan leren kennen.
Waardoor, mijn meester, dat wil het bewuste „AL” van u en mij, van élke vonk, van het kind van Moeder Aarde, weten ... kregen wij deze openbaringen in handen?
Waardoor, mijn meester, ontstond uit het Goddelijke openbaringsproces het organisme, dat moeder- én vaderschap zou bezitten?
Voelt u, mijn broeders, hoe ontzagwekkend dit is?
En wat dit machtige wonder aan uw leven heeft te schenken?
Voelt u, hoe ongelooflijk deze wetten zijn, wanneer ze het menselijke bestaan op Aarde betreden en de mens die Goddelijke openbaringen kan beleven als man en vrouw?
Begrijpt ge, dat wij nu voor het Goddelijke wonder ... de „Liefde” komen te staan, het gevoel, dat géén mens op Aarde ontleden kan?
En toch, híér krijgen wij het Goddelijke antwoord!
Ik ben met het bewuste „AL” tot deze éénheid gekomen en zal nu deze wijsheid ontvangen en beleven.
Hierdoor leren wij een „Vader” van Liefde kennen.
De Mens is als God is!
Deze woorden overheersen deze ruimte en kunnen wij thans reeds beamen.
Maar door de eigenschappen en de verschijnselen, mijn broeders, dringen wij tot die wetgevende machten en krachten door en komen wij voor de God van ál dit leven te staan.
Het kan niet anders, thans beleven wij Goddelijke waarheid!
Het kan niet anders zijn, meester Alcar ... want de mens is ín het bewuste „AL” teruggekeerd en kan ons antwoorden.
Wij mogen nu weten!
Gij kunt aanvaarden, dat wij kinderen zijn van één liefdevol Vader!
Maar wie is dat?
Wie was dat?
Wie is het, die aan het éne cellenleven de moederlijke en het andere leven de vaderlijke krachten schonk om te baren en te scheppen?
Wíé was dat en waardoor, dat vragen mij ál deze wetten, het is dus duidelijk, ze willen beleefd worden.
En om dat waar te nemen, mijn meester, moeten wij terug tot het allereerste manifesteren voor de „Almoeder”, komt er tot mij en is het woord van de hoogste meesters.
Het is een bevel, een Goddelijk gebeuren dus!
En dat is voor het kind van Moeder Aarde, wil dat wezen ons kunnen volgen.
Doch voordat wij die éénheid beleven, moeten wij vergelijkingen maken, daarna gaan wij verder.”
André heeft gevoeld en gezien waarmede ik verbonden was en kan thans voor zichzelf aan zijn ontledingen beginnen.
Hij volgt het bewustzijn voor de Aarde, het menselijk denken en voelen en komt hierdoor tot een duidelijke verklaring.
André zou, indien hij dat wilde, zich thans kunnen verbinden met de student op Aarde en dat bewustzijn van hieruit zijn denken en voelen kunnen schenken.
Hij beleeft wonderbaarlijke ogenblikken van éénzijn met al het leven van God.
Die gevoeligheid leeft er nu onder zijn hart en heeft Ramakrishna niet gekend, géén van al die groten die op Aarde hebben geleefd.
Wanneer wij gereed zijn, kan ik verdergaan om mijzelf, door het „AL” contact met de „Oerbron” te verbinden.
Opnieuw kom ik tot éénheid met het „AL” en kan antwoorden:
„Gij weet, mijn broeders, dat het vader- en moederschap dóór God is geboren.
Op de Maan, waar wij zo-even waren, kwam het Goddelijke halt tot mij.
Wij zijn dus thans opnieuw met de „Albron” één en verbonden.
Ik zie nu en ook gij zult dit waarnemen, dat God vanuit het „Almoederlijke-Gevoelsleven” geboren werd.
Ik ga zien en voelen, wat de hoogste Meesters willen.
De „naam” God vraagt mij om thans een duidelijke ontleding te vormen.
De naam „God” zal een andere betekenis krijgen voor het kind van Moeder Aarde.
Omdat het kind van Moeder Aarde dit „woord” nog niet kent, wil de „Albron” dat wij die wetten volgen.
De Meesters uit het „AL” waren het, die het kind van Moeder Aarde met God als „Wezen” hebben verbonden.
De „Universiteit van Christus” is het echter, die thans de Universele waarachtigheid zal vergeestelijken en verstoffelijken en is alleen mogelijk doordat wij de wetten leren kennen.
De Meesters willen, dat het kind van Moeder Aarde dit „woord” begrijpt, eerst nu treedt de God van ál dit leven naar voren.
Wij zien thans, dat „God” zich gemanifesteerd heeft door de levensgraden en levenswetten.
En dan vragen wij voor het kind van Moeder Aarde:
Is het woord „God” slechts een beeld van Zijn waarachtigheid?
U voelt, mijn meester, dat het bewuste „AL” wil, dat wij God moeten leren kennen.
Wie en wat is God? ...
Op onze vorige reizen moesten wij aanvaarden, dat de naam „God” miljoenen wetten vertegenwoordigt.
De naam „God” heeft voor al deze scheppingen geen andere betekenis dan deze alles-omvattende-gedachte, waardoor wij Zijn Persoonlijkheid zien en leren kennen.
De Kosmologie is het, die antwoord geeft op deze vragen, doch dan staan wij voor het „Leven”!
Het leven is God!
En dit leven zal scheppen en baren.
Vanuit een bron, die wij hier als de „Oerbron” zien en beleven, is het vergeestelijkte en verstoffelijkte leven geboren.
En dat „leven” werd door de Meesters God genoemd!
Dat woord „God” dus, omvat alles, doch door het leven moeten de embryo’s, die cellen dus, het vader- en moederschap ondergaan en zich hierna de verdichtingswetten eigen maken.
Is dat duidelijk?
Het eerste leven nu wat wij nu zien in deze ruimte, dat waren en dat zijn de nevelen.
Maar dat zijn de eerste verschijnselen voor „God” ... de éérste manifestaties voor „God” ... en kreeg Hij zijn gestalte.
Dit is overtuigend en mochten wij volgen.
Hierna werd die nevel ’n wolk van plasma en later „licht”, lichtgevende energie; en was vader- en moederschap.
Dat licht is vanuit het „Almoederlijke-Bewustzijn”, dat is waarheid, tevoorschijn getreden.
En nu zien wij dus, dat vanuit deze nevelen het „Goddelijke Licht” zichtbaar werd en later, als plasma deze ruimte heeft gevuld, waarna de schepping kon beginnen.
En dát zou „God” worden!
Maar het ís het „Leven”!
Het is „Licht”!
Het is vader- en moederschap!
Door de uitdijingswetten en verdichtingswetten tot stand gekomen.
Het bewuste „AL” nu, mijn meester, wil, dat wij deze wetten volgen en voor het kind van de Aarde ontleden.
De „Mens” nu, die het bewuste „AL” heeft bereikt, kent zichzelf als een Goddelijk wezen en vandaar krijgen wij deze wijsheid toegezonden.
Dat zijn mensen die hun Goddelijke kringloop hebben volbracht.
De wijsheid en de levensgraden moeten u thans overtuigen van hun Goddelijk bewustzijn en dat is mogelijk, omdat wij de genade ontvingen om deze reizen te maken, doch het ís, om de „Universiteit van Christus” op Aarde te vestigen!
En dat zegt weer, dat de „Eeuw van Christus” is begonnen!
Het woord „God” wil u thans verklaren, dat het „levensaura” is en protoplasma wil zijn, doch door de verdichtings-tijdperken tot die evolutie gekomen is.
Het woord „God” wil u thans zeggen ... het kind van Moeder Aarde overtuigen van het „Leven” en betreden wij deze openbaringen en aanstonds weer Moeder Maan, dus het volgende proces voor deze menselijk Goddelijke evolutie!
Ook dit kan ik aanvaarden en is mij duidelijk!
Maar hoe is „God” als vader en als moeder?
Op het ogenblik, dat deze krachten vanuit de „Almoeder” als uitgezonden levensfluïde deze ruimte vulde, betreden wij, doch nu als zichtbare stof te zien, een levenswet voor God.
En dat is weer één van de miljoenen verschijnselen, karaktertrekken en eigenschappen van God, waardoor wij Zijn leven zullen leren kennen.
En straks voor ons zélf als mens en als een verkregen zelfstandigheid, waarin ook wij vader en moeder zullen zijn.
De „Almoeder” baarde.
Dit licht is dus „Levensaura” vanuit dit baringsproces ontstaan en verdicht.
De „Almoeder” baarde, doch hierdoor betreden wij het volgende evolutieproces en nu heeft die bron geschapen, zodat het „vaderlijke gevoelsleven” naar voren treedt.
Dit licht is dus scheppend, waardoor wij de eerste levensgraad zien en beleven, een graad van leven voor God, maar bovendien een eigenschap, een deeltje van Zijn Persoonlijkheid en Zijn vader- en moederschap.
Het woord „God” zegt u thans ... ík ben „Leven”!
Ik ben „Vader en moeder”!
Telkens weer, wanneer dit licht zich zal verduisteren, mijn broeders, beleven wij een volgende levensgraad als wet voor het vader- en moederschap.
En díé eigenschappen krijgt de „Maan” als moeder in handen, doch hierna begint ook zij aan deze evolutie en schept, en baart, waardoor wij als mens geboren worden en gij zo-even hebt gezien.
Is dit nu niet eenvoudig?
Thans leren wij dus de God van al het leven kennen!
Telkens, wanneer wij dit leven zien verduisteren, beleven wij die Goddelijke, maar straks menselijke levenswet en beleven wij het vader- en moederschap.
Hoe die wetten zich openbaren, dat volgen wij aanstonds, komt er tot mij vanuit het bewuste „AL” en ook dát hebben wij mogen zien.
Het is dus nu niet meer mogelijk om fouten te maken, het bewuste kind vanuit het „AL” voert ons tot het volgende geestelijke óf stoffelijke stadium.
Gij weet nu, wat hierop volgen moet en kan ik verdergaan.
Hier zijn al die levenswetten geboren en behoren tot de Goddelijke openbaringen.
Nu moeten wij echter aanvaarden, dat het woord „God” slechts ’n „woord” is.
Wij noemen God en ál dit leven ... „Wayti”!
Het kind van Moeder Aarde heeft nu reeds te aanvaarden, dat het „Leven” ... de essentiële bron is én het „Absolute”, waarvan het de wetten heeft te leren en zich eigen móét maken, wíl dat leven van God tot het „AL” kunnen terugkeren om „Hem” daar voor ál die miljoenen levenswetten te vertegenwoordigen.
Ik ga zien, mijn meester, dat de mens „God” ís!
Wij kregen dus het „leven” doordat de „Albron” baarde ... dat zeggen wil, dat wij Goddelijke vonken zijn, deeltjes van Zijn persoonlijkheid en wij later tevens die persoonlijkheid moeten bezitten.
En nú zegt het ... dat het woord „God” slechts een woord is en niets meer!
Niets méér wil zijn!
Híér, mijn broeders, in deze ruimte en op deze plaats, maar in contact en heilig éénzijn met de „Almoeder” ... manifesteert zich het woord „God” ... doch daarenboven het „Absolute”, als het waarachtige verschijnsel gezien en beleefd, zodat wij in staat zijn dit alles aan het kind van Moeder Aarde door te geven!!!
Het leven dat door de „Albron”, de „Almoeder” geboren werd, is dus vader- en moederlijk bezield.
En nu wij weten, mijn broeders, dat de „Moederlijke Albron” zich kon manifesteren totdat deze ruimte was gevuld door haar bezielend plasma, haar levensbloed ... scheurde dit levenslicht vaneen en begon het volgende stadium, begon de Maan als moeder.
Wij keren thans terug tot het Maan-stadium voor het embryonale leven als mens, om nu twee embryo’s te volgen en te beleven, eerst daarna gaan wij verder.
Wij blijven nu het menselijke geboren worden volgen en leren daardoor de wetten kennen, wij stellen dat vast, mijn broeders, dat ook het menselijke „embryo” ál de Goddelijke eigenschappen bezit!
Ik ben weer één met deze vonken.
Wanneer nu deze embryo’s tot stoffelijke éénheid komen, dan beleven zij het vader- en moederschap.
Er is een gevoel, een kracht, een bezieling in dat embryo aanwezig om zichzelf met het andere leven als vonk-stadium te verbinden.
En dit gevoel, mijn meester, is de scheppingsdrang voor ál het leven dat nu geboren zal worden, doch zoals door het Universum is beleefd.
Er is hier dus alléén vader- en moederschap aanwezig en dat zijn de „essentiële levenswetten” voor de vonk Gods.
Ik krijg thans vanuit het bewuste „AL” ...
Dat is „God” zélf!
Wij leren dat straks kennen!
Het is voor u en mij en het kind van Moeder Aarde het machtigste waarvoor wij staan, het kind van Moeder Aarde weet nu waarom het in beide organismen moet leven en het vader én moeder zal zijn!
Ik kan nu dus reeds deze vraag beantwoorden, waarvoor wij dit terugschouwen hebben beleefd.
Indien de ziel als mens, dat moet u thans toch duidelijk zijn, alléén vader of moeder was, dan stond het leven stil en op een dood punt.
Door het vader- en moederschap kan het leven van God verdergaan!
Voor het kind van Moeder Aarde zijn dit de heiligste levenswetten, maar bovendien voor het dierlijke leven en voor bloem en plant, voor ál het leven van God!
Het is dus duidelijk, deze cellen dienen en wel voor zichzelf, om het voortplantingsproces te bevorderen en om verder en hoger te gaan.
Thans zullen wij zien, dat het embryo noch vaderlijk noch moederlijk is, doch ook het vader- en moederschap krijgt die Goddelijke zelfstandigheid te beleven.
En dat wil dus zeggen, mijn meester, dat het vaderschap zich van het moederschap zal scheiden, zich zal splitsen, omdat wij dit proces tevens voor de „Albron” als moeder mochten waarnemen.
Dat zijn de levenswetten!
De vonk van God moet zich dus splitsen.
Of er is van verdergaan geen sprake.
Het embryo geeft zichzelf aan het andere leven en zien wij dat die zelfstandigheid naar voren treedt.
Maar wat nu?
Volg mij en wij beleven ook dit wonder.
Dit éénzijn is dus evolutie.
En ná dit éénzijn volgt ook hierin de „afscheiding”.
En die afscheiding is het, waardoor er nieuw leven geboren zal worden en is de eerste cel vader én moeder.
Wij hebben dit machtige proces reeds kunnen volgen, doch thans is het ons duidelijk.
Het leven moet zich splitsen of er is géén verdergaan mogelijk.
Ziet gij nu, mijn broeders, dat er nieuw leven ontstaat.
Ik kom met deze vonken tot éénheid en het Goddelijke „AL” zal mij volgen.
Ik voel mij dus één met dit leven.
Ik beleef dit wonder.
Ik ben als deze cel zich voelt.
Ik ben leven!
Ik ben nu een embryo!
Ik zal mij thans aan het andere leven geven, omdat ik voel wat er ín mij leeft en dat is thans scheppen en baren.
Ik moet dit leven volgen, mijn broeders, en bent ook gij verbonden?
Hoe voelt zich dit leven?
Wanneer wij aanstonds het stadium voor deze geboorte betreden, kunt gij deze vraag zélf beantwoorden.
En dan volgt het volgende, het verdere stadium en betreden wij, nietwaar ... de „Astrale” wereld, de wereld voor de volgende en nieuwe geboorte.
Juist, mijn meester, wij baarden en zullen hierdoor scheppen.
Is u duidelijk, mijn broeders, wat wij thans hebben beleefd?
Door het moederschap openbaarde zich thans reeds het vaderschap.
Dit is de zelfstandigheid waarover ik zo-even heb gesproken en ik zag en onderging.
Daarom waren wij één met deze vonken.
Door deze splitsing echter, vanuit de „Albron” aan ons leven en onze zelfstandigheid gegeven, gaan wij verder en zullen nu evolueren.
Wij zullen hierdoor de planeet de Maan als Moeder overwinnen.
Is u ook dit duidelijk?
Tot mij komen er thans duizenden wonderen, mijn meester.
Ik zal ál deze wonderen moeten beleven, opdat het kind van Moeder Aarde zichzelf „als mens” leert kennen.
Het eerste wonder is en wil zeggen ...
Hoe heeft de ziel als „mens” dit alles verwerkt?
Waar heeft zij haar éérste „liefde” beleefd?
Is dit haar éérste liefde?
Is dit de eerste liefde-graad voor haar bestaan?
En dan staan wij nu voor haar persoonlijkheid.
Voor de liefde en haar vader- en moederschap, voor duizenden wonderen, die zij beleven moet.
Ik kom tot de astrale wereld, ik zie daar het leven verdergaan en ik zie tevens, dat het zal terugkeren, om het leven voort te zetten.
Dat zijn wonderen!
De ziel als mens moet zich ál deze wonderen als Goddelijke eigenschappen eigen maken!
En dat is mogelijk, omdat wij Goddelijke afstemming bezitten.
Dat voor de mens, doch nu het dierenrijk en wij staan voor miljoenen levens, miljoenen zelfstandigheden, als dier en mens, als bloem en plant en als ruimten.
De „Almoeder” legde dit alles in handen van haar eigen leven en zijn wij als mens, het hoogste bewustzijn door haar geschapen!
Dat wil nu zeggen dat het vader- en moederschap één zullen zijn en wij straks als man en vrouw beleven.
Nietwaar, wij zagen nu, het scheppende gevoelsleven scheidde zich van moederlijk gevoel, waarna deze zelfstandigheid naar voren trad.
Het scheppende scheidde zich van het moederlijke af en kregen wij deze zelfstandigheid in eigen handen, zodat wij ook deze vraag hebben gezien en mochten beleven.
Dit is het, waarvoor ík mijn bezieling kreeg, mijn meester.
Hiervoor mocht ik waarnemen.
Wat wij in de „Oerbron” mochten zien en hebben kunnen vaststellen, heeft zich thans door de „Maan” als de moeder voor dit Universum gesplitst om het leven van God voort te kunnen zetten.
Vanzelfsprekend is nu, dat dit leven zich zal verdichten, vergeestelijken en verstoffelijken, zich zal verruimen om de planeet als moeder te overwinnen.
Ik zeg u, de volgende reis is voor het beleven van de menselijke ziel en leren wij ál deze wetten kennen, thans volgen wij het ontstaan van het menselijke organisme.
Nog ga ik verder, mijn meester.
Deze beide cellen hebben dus één taak verricht, zij hebben zichzelf gesplitst, maar waardoor zij aan een nieuw leven zullen beginnen.
Indien zij dit niet hadden gekund, dan reeds stond hier vast, dat dit het einde zou zijn voor dit bestaan, en hadden wij een dood punt te aanvaarden, doch wij gaan verder, wij betreden de astrale wereld om ons voor de volgende geboorte gereed te maken.
Volg ik nu even deze levens, mijn meester, vanuit het „AL” komt dit zien en beleven tot mij, dan zie ik onszelf als „tweelingzielen”, waarvan wij later de wetten zullen leren kennen.
Dat zijn dus zielen van één levensgraad, ze zijn als één leven, van één gevoel en bewustzijn.
De éne vonk is nu niet verder dan de andere, want dat is niet mogelijk, ze vormen en vertegenwoordigen deze éénheid!
Doch beiden beleefden hun „dood”, hun verdergaan, het betreden van de wereld van het ónbewuste en maken zich daar gereed om terug te keren en het stoffelijke leven voort te zetten, waardoor wíj thans de zeven levensgraden voor ons zien.
Dit stadium wil dus zeggen, dat deze vonken het éérste leven beleven.
Dus door de dood naar het volgende bestaan en wil voor het kind van Moeder Aarde zeggen:
Waarom hebt u daar angst voor een dood, die ís er niet!
Door álles tot nu toe beleefd, mijn meester, kunnen wij het kind van Moeder Aarde dit Goddelijke geluk schenken, ér ís géén dood!
Doodgaan is évolutie!
Doodgaan ís en wil zeggen, aan een nieuw leven beginnen!
Doodgaan is het terugkeren tot God!
Doodgaan ís „Wedergeboorte”!
Wij hebben thans reeds vastgesteld, dat het innerlijk leven, als ziel en áls geest niet sterven kan!
Wat het kind van de aarde dus doodgaan noemt en als zodanig ziet is „Evolutie”!
Hoor het en aanvaard het, het is het hoger- en verdergaan om tot het Goddelijke „AL” terug te keren!
Verder stellen wij vast en hebben dit te aanvaarden, waarvoor wij onze hoofden moeten buigen, dat de ziel als mens áls de „Almoeder”, de „Albron” ís!
En dat wij als mens de macrokosmos móéten overwinnen of er was van Goddelijk terugkeren geen sprake.
De „Albron” heeft dat gewild!
Maar ook het kind, uit deze eerste cellen geboren, mijn broeders, zette het eigen leven voort.
Ook dit cellenbestaan heeft zichzelf nu te splitsen en dat gaat verder, totdat de „Maan” als moeder zichzelf volkomen heeft vergeestelijkt en verstoffelijkt, eerst daarna zal ook zij haar dood mogen beleven.
En dat dit is gebeurd, weten wij, de Maan heeft voor het huidige stadium haar taak reeds volbracht, zij is stervende!
Dat dit voor het kind van Moeder Aarde openbaringen zijn, weten wij reeds.
Gaan wij even verder, dan zien wij dat de Maan als moeder zichzelf – doordat zij zich heeft kunnen verstoffelijken – tot de Goddelijke openbaring heeft gevoerd, waarvoor zij moest dienen en zou leven.
Onfeilbaar heeft zij haar leven verdicht en verstoffelijkt.
Niets kon dit Goddelijke proces tegenhouden.
De Maan heeft voor het huidige stadium haar taak volbracht.
En de ziel als mens ging verder, het hoogste stadium tegemoet, dat het bewuste Goddelijke „AL” is.
Máár, en ook dat hebt u reeds gezegd, mijn meester, gij hebt dit door uw reizen met André-Dectar beleefd en aan de Aarde doorgegeven, de Maan zal haar visstadium afmaken, maar meer ook niet, omdat daarvoor andere planeten het eigen leven zullen ontvangen.
Gij hebt dat in de boeken „Het Ontstaan van het Heelal” vastgelegd.
De mens als ziel van God beleefde op de Maan het visstadium en ging toen verder, omdat de volgende levensgraad gereed was.
Hierdoor zien wij de „Zeven Kosmische Levensgraden” ontstaan en aan een eigen bestaan beginnen.
Thans, mijn broeders, kunnen wij de vraag beantwoorden: waarvoor heeft de Maan in deze ruimte en voor dit Universum gediend?
Wat heeft zij eigenlijk voor het menselijke wezen gedaan?
Ik sta opnieuw voor machtige openbaringen, waarvan het gebeuren een menselijke ontleding wil beleven en waaraan wij ons Goddelijke contact herkennen.
Ik ga nu kosmische vragen stellen, omdat wij die wetten straks zien en beleven.
Ik vraag u: Indien Moeder Aarde voor zichzelf en haar kinderen het zieleleven had moeten scheppen, dan had dit zieleleven nimmer het bewustzijn gekregen dat het nu bezit.
Moeder Aarde had nooit het menselijke lichaam tot die hoogte kunnen afmaken, indien de Maan die fundamenten niet had kunnen leggen.
Voelt u dit wonder, dit machtige éénzijn voor straks, tussen Maan en de Aarde?
Dat wil zeggen, mijn broeders, dat straks de Aarde het kind is van Maan en Zon en dat de Maan de moeder voor deze ruimte is en de Zon de vader.
Dit is een kosmisch wonder en hebben wij te aanvaarden, doch daardoor gingen wij en al het leven verder.
En dat zegt nú:
Indien de Maan als moeder zich, in haar allereerste uren dus, óm haar „as” had gewenteld, dan was haar embryonaal leven afgekoeld, het jonge leven gestikt en had het halt betekend voor deze evolutie.
Dat wil nu zeggen, dat de Goddelijke scheppingen een dood punt hadden te aanvaarden, doch dat is nu niet gebeurd en door de „Albron” voorzien, deze Universele voorzienigheid!
Dit wonder gaf gestalte aan deze openbaringen als embryonaal leven.
Ik ben dus met de ruimte verbonden, mijn meester.
De Aarde zou óm haar eigen „as” draaien, immers, de Zon als het vaderlijke gevoelsleven werd krachtiger of het leven op Aarde zou zijn verbrand.
Daarvoor schiep de Aarde als moeder ... dag en nacht!
De nacht geeft afkoeling, waardoor het leven verder kon gaan.
Het is dus duidelijk, daardoor krijgt het leven als mens betekenis.
Later volgen wij deze wetten voor mens en dier, voor bloem en plant.
Wat de „Albron” dus aan het kind van Moeder Aarde wil schenken én verklaren, is ... dat op de Maan deze Goddelijke schepping is begonnen en níét op Aarde!
De Aarde vertegenwoordigt nu het verdere stadium voor mens en dier, voor Moeder Natuur.
Thans, mijn broeders, zie ik dan ook, waarom de kerk haar dood punt nadert.
Ik zie en beleef nu reeds, waardoor de kerk straks oplost, wat daarvoor in de plaats komt is de geestelijke-wetenschap van de „Universiteit van Christus”!
Het afschuwelijke verhaal van Adam en Eva lost op!
Die ónwaarheid zullen wij bewijzen!
Daarvoor brengen wij nu Goddelijke waarachtigheid.
Het vreselijke gepraat over Adam en Eva is voor het Goddelijk-bewuste kind uit het „AL” het gepraat van ónbewusten, het bezoedelen van de Goddelijke openbaringen en is in strijd met de Goddelijke werkelijkheid.
Al die geschreven boeken zullen nu door deze Goddelijke rechtvaardigheidswetten nieuw leven ontvangen en hierdoor van de Aarde verdwijnen.
De meesters uit het Goddelijke „AL” zullen dat aantonen!
Dit zijn nu de Goddelijke openbaringen van Christus!
De Maan, mijn broeders, schiep het hoogste voor haar leven en dat is het visstadium, de Aarde als haar kind zou dit menselijke organisme afmaken.
Wanneer de ziel als mens straks dit stadium heeft bereikt gaat zij verder en met haar ál het andere leven.
Het spreekt vanzelf, dat wij nu dan ook de Reïncarnatie leren kennen!
Na miljoenen levens als mens te beleven, betreden wij als het geestelijke stadium en voor de mens, dier en plant, de bewuste „astrale” wereld, de wereld waarin wij nu leven en ons gereedmaken voor de „Vierde” Kosmische Graad.
Dit is mijn zien en beleven, meester Alcar en is voor het kind van de Aarde.”
Meester Alcar gaat onmiddellijk verder en zegt:
„God heeft dit gewild, maar dit leven is door de „Almoeder” geboren.
God heeft dit gewild en door Zijn openbaringen vastgelegd en gestalte gegeven.
Hierdoor kreeg het menselijke organisme universele ontplooiing, ontwaking en verruiming en ging de ziel als Goddelijk deel verder.
Wij hebben dit te aanvaarden!
En de volgende stadia moeten ons dat bewijzen.
De Maan schiep dus het innerlijke leven, de ziel als mens.
Ook het dierenrijk heeft op de Maan de eigen ziel ontvangen.
En daarachter leeft het leven van Moeder Natuur en kunnen wij voor de Aarde ontleden, omdat wij deze wetten beleven.
De Maan schiep voor héél deze ruimte de ziel, doordat zij zich heeft kunnen splitsen, kreeg ál haar leven een zelfstandigheid.
Hier is dus te beleven en vast te stellen, dat ál het leven in dit Universum door de Maan als moeder het ínnerlijke leven heeft ontvangen.
Maar dat kent men op Aarde niet en zijn openbaringen voor de mens.
Elke andere planeet schiep het organisme, doch de Maan als moeder schonk door haarzelf te splitsen aan al die miljoenen vonken het eigen „ik”!
Door de opvolgende levensgraden leren wij die wetten kennen.
De zeven levensgraden zijn dus niet alleen voor de ruimte geschapen, doch tevens voor elke vonk van God.
Deze levenswetten eisen van ons ze te beleven en te aanvaarden, doch daardoor maken wij ons die ruimte eigen.
Vanzelfsprekend is bovendien, dat de volgende planeten, die door Zon en Maan zich mochten verdichten, meer evolutie bezitten, meer bewustzijn dus.
De maan werkte dus aan de ziel en de Aarde aan het organisme.
Dat zult gij allemaal beleven, waarna wij zien, dat dit leven de wateren zal verlaten.
God heeft dit gewild, doch vanuit het „Almoederlijke” gevoelsleven begon deze schepping.
Het woord „God” krijgt natuurlijk een andere betekenis en begrijpt het kind van Moeder Aarde, dat het scheppingsverhaal door de Bijbel geschonken, in strijd is met de werkelijkheid!
Dit is nu geen geloven meer, maar Goddelijk weten!
Dat hierdoor het leven op Aarde ontwaken moet, kunnen wij nu begrijpen en aanvaarden en is tevens duidelijk, waarom het bewuste Goddelijke „AL” aan deze openbaringen is begonnen.
En dat thans de Hemelen zullen spreken, is heel natuurlijk, doch nú door het Goddelijke gezag van de mens die het bewuste „AL” heeft bereikt.
Eerst nu moet het kind van de Aarde deze Goddelijke rechtvaardigheid aanvaarden!
En dan roepen wij uit:
„O, theoloog.
O, kerk?
O, theosofen, wat hebben jullie fouten gemaakt.
Rozenkruisers, christian scientisten, spiritualisten, deze wetten hebt ge te aanvaarden en gij kunt allen uw hoofd buigen voor deze Goddelijke wijsheid.
Christus wil het!
En wij dienen Christus!
Wij zijn met Zijn leven één en verbonden.
Gij allen hebt naar ons te luisteren en dat zullen wij u, door de machten en krachten, aan ons gegeven vanuit het bewuste Goddelijke „AL”, bewijzen!
De „Eeuw van Christus”, mijn broeders, legt deze fundamenten voor het „Duizendjarige Rijk”!
Wij staan voor het Goddelijke wélbehagen in de mens.
Wij, de mensheid, meester Zelanus, kan uw leven danken voor de ontvangst, deze wijsheid.
Gij hebt voor ons en de mensheid onze Goddelijke geboorte en afstemming gezien en mogen beleven.
In niets is ons leven nog onbewust, wij gaan verder en zullen later het bewuste „AL” opnieuw betreden.
Mijn broeder André zal aanstonds waarnemen en ons met de volgende wetten verbinden, waarvoor wij ons zullen openen.
Voor het huidige stadium stellen wij vast, dat de Maan stervende is.
Zij lost op, ook al duurt dat miljoenen jaren, ook zij keert tot het „AL” terug.
Dat hierdoor de Aarde eerst in haar puberteitsjaren leeft, kunt gij eveneens aanvaarden en wil zeggen, het leven van God gaat verder.
Maar wat heeft dit te betekenen, André-Dectar?”
„Ik begrijp wat u bedoelt, mijn meester, maar ik ben gereed en kan het kind van de Aarde antwoorden.
Dat heeft te betekenen, dat het leven op Aarde nog moet ontwaken.
Godsdiensten zullen oplossen en plaatsmaken voor de „Geestelijke Wetenschap” van de „Universiteit van Christus”.
Op aarde wandelen mensen, die door de godsdiensten krankzinnig geworden zijn en dat is niet nodig, indien de mens al deze wetten kent.
Jehova-kinderen denken nu dat de Aarde met al haar leven spoedig zal vergaan en ook die leer druist in tegen deze Goddelijke werkelijkheid en is vanzelfsprekend in strijd met de Goddelijke waarheid.
Ik kan thans om al die gedachten lachen, mijn meester.
Maar miljoenen mensen worden van de wal in een sloot gezonden en daarin geestelijk en lichamelijk verpletterd.
Dat is dan het einde voor dat leven, er is geen voortgaan noch Reïncarnatie te beleven, dat is het Goddelijke halt voor al die zielen en kinderen van God.
De Bijbel heeft daaraan schuld!
De Bijbelschrijvers hebben ontzagwekkende fouten begaan.
Wat ik hier mag zien en beleven is waarheid!
De Aarde zal nog miljoenen jaren moeten leven, wil ook zij haar taak voor God en het „AL” afmaken.
Dát is waarheid!
De Aarde én al haar leven leeft nóg miljoenen jaren!
De Aarde zal haar kinderen het „Koninkrijk Gods” schenken!
De Aarde evolueert, mijn meester, mens, dier en bloem, ál het leven van God, dus tevens het menselijke kind uit de oerwouden, evolueert!
Wanneer ik mij afstem op onze vorige reis, mijn meester, dan kan ik dit alles overzien.
Ik zie dan de volgende Kosmische Levensgraden en ga dan verder en hoger.
Ik ga dan door de sferen van licht verder.
Als vader en moeder en als mens, als man en vrouw, als tweelingzielen van één levensgraad en levenswet.
Door hetgeen wij thans leren, komt er rust en vrede op Aarde, onder de volken.
Hierdoor komt er Goddelijk ontwaken op Aarde.
Vanzelfsprekend de liefde.
Ik kan dus waarnemen, dat de Maan de ziel de eigen zelfstandigheid geven zal en de mens hierna aan de verkregen evolutie kan beginnen.
Door de planeten die door Zon en Maan het leven zullen ontvangen, krijgen wij en ál het leven van God verruiming.
Menselijk gezien en volgens de levenswetten gevolgd, zal Moeder Aarde een kosmische leeftijd ontvangen.
Voor het huidige stadium waartoe ik behoor is te zien, dat zij als moeder haar prehistorische tijdperken achter zich heeft, waardoor de Aarde haar afkoelings- en verdichtingstijdperken kon overwinnen.
Daarom zijn de gedachten en is de leer van het Jehova-kind bespottelijk naïef, ook vanzelfsprekend de leer van de theoloog die over eeuwige verdoemdheid spreekt, waartoe de katholieke kerk behoort.
Hierdoor wordt het leven van God mismaakt.
Indien het kind van Moeder Aarde haar voelen en denken niet vergeestelijkt, blijft het daar armoedig voor dit Goddelijke bewustzijn.
Op Aarde leven deze intellectuelen, mijn meester en al die mensen zijn nog onbewust.
Maar zij hebben macht, ze bezitten alles, en dat alles is hun kerk, waartoe miljoenen zielen behoren en toch, straks reeds, het eigen hoofd voor deze Goddelijke openbaringen moet buigen, waartoe alle geestelijke sekten zullen behoren.
Ik zal dit door de hoogste meesters en u doorgeven en mij volkomen voor geven, ik zal blijven dienen.”
„Waarlijk, mijn broeders, de mensheid zal nu ontwaken,” ... gaat meester Alcar verder.
„Die onbewuste stelsels op aarde behoeven nieuw en ruimtelijk bewustzijn.
De Aarde bezit een Goddelijke levenstaak, ook wij als mens en al het leven van God.
Het kind van Moeder Aarde zal haar beleven, zoals wij voor het Maan-stadium hebben te aanvaarden.
En eerst dan zal het kind van God zichzelf Universeel voelen.
De mens zal eens zeggen en uitroepen: Moeder Aarde, ik bezit universele overtuigingskracht, ik heb Goddelijke afstemming, maar door uw leven krijg ik die Goddelijke wetten in handen en bovendien deze ruimte.
Dan behoort mij dit Universum toe.
En eerst dan sta ik voor mijn stoffelijke én mijn geestelijke persoonlijkheid.
Maar op de Maan, hier waar wij thans leven, zijn deze wetten te zien en te volgen voor héél deze ruimte.
Waar het ons om gaat wil zeggen, de ziel als mens kreeg hier, van Moeder Maan ál de eigenschappen van God.
Ook dus haar eigen „wil”!
Later zullen wij ook die levenswetten beleven.
De Maan heeft al de Goddelijke wetten te verstoffelijken en te vergeestelijken, haar macrokosmisch leven, direct vanuit de „Albron” geboren, geeft ze aan ons door, dat dus zegt, dat de macrokosmos de microkosmos dient.
Vanzelfsprekend zijn ook híér de menselijke zintuigen ontstaan.
Is dat waarachtig, meester Zelanus?”
„Ja, mijn meester, ik zie deze wonderen.”
„Wat wil dat voor de Aarde betekenen, André.
Ik bedoel voor de wetenschap?”
„Het is duidelijk, mijn meester, dat het geleerde kind op Aarde zo ver nog niet is, dat hij nimmer tot de Maan zal terugkeren, doch waardoor hij ook nooit in staat zal zijn deze levensgraden te leren kennen.”
„Zo is het, mijn broeders, het is de reine waarheid, toch zal het bewustzijn van Moeder Aarde deze wetten hebben te aanvaarden, wil het verder kunnen gaan.
Wie dit niet aanvaarden wil, staat stil!
Maar volg nu eens die omwenteling, deze evolutie en gij ziet, dat het „Koninkrijk Gods” nadert.
Zal de geleerde van Moeder Aarde zich volkomen los moeten maken van de planeet als moeder om tot deze diepte door te dringen ... meester Zelanus?”
„De geleerde zal zichzelf niet alleen los moeten maken van de Aarde, doch in de eerste plaats van zichzelf en wil zeggen, dat hij zijn innerlijk Goddelijk leven en zijn afstemming te aanvaarden heeft.
Hij moet zichzelf van zijn stoffelijk denken en voelen bevrijden, eerst dan gaat hij verder en hoger.
En dan staat hij voor de „Universiteit van Christus”!”
„Met andere woorden, wat hij zich nu eigen maakt is slechts ’n deeltje van zijn Goddelijke afstemming en werkelijkheid.
Het wil tevens zeggen, keer terug tot de „Oerbron” en gij ziet uw eigen ontstaan.
Op de Maan, dat zien wij nu, is élke karaktereigenschap voor de Goddelijke ontwaking geboren.
Waar het de hoogste Meesters om ging is dit, wij moeten dat volgen of wij dringen niet tot deze heilige zaken van God door.
Eerst nu en hierdoor, kunnen wij vergelijkingen maken voor het kind op Aarde en lost vanzelfsprekend de „verdoemdheid” op!
Wat wij op deze reis, direct vanuit God te beleven krijgen is Kosmische levenswaarheid, is Goddelijk geluk, dat ons vanuit het „Absolute” geschonken wordt.
Wij beleven het énige woord, het „absolute”!
Hierdoor leren wij God als Vader, doch Hem vooral als „MOEDER” kennen!
Wij zagen dus de eerste dood voor dit leven, maar daarachter bovendien de eeuwigdurende werkelijkheid.
En dat is de nieuwe wereld voor de ziel als mens en straks voor dieren- en plantenleven.
Onmiddellijk hierachter leeft de „Wedergeboorte”.
En dat zijn Goddelijke waarheden.
Wij hebben hier dus kunnen vaststellen:
Onze eerste dood, stoffelijke dood, de ziel leeft verder!
Ons éérste vader- en moederschap!
Onze eerste liefde! Maar toen betraden wij het volgende bestaan de „Reïncarnatie”!
En nu bezitten wij reeds onze eigen „wil”.
Heeft de mens een eigen „wil”?
Já, geleerde, kind van Moeder Aarde, dat hebben wij nu reeds mogen beleven.
Dat is ons evolutieproces!
Door de eerste dood, het stoffelijke sterven dus, kregen wij die eigen „wil” in handen en gingen terug tot de stoffelijke evolutie, om het tweede stadium te betreden en ons ook daarvan de wetten eigen te maken.
Kan het anders?
Néén, wij hebben deze weg te volgen.
En daardoor maken wij ons de Goddelijke eigenschappen eigen, het wordt óns verkregen bewustzijn, voor de Maan, deze ruimte en voor de planeet Aarde.
Kijk zélf, mijn broeders, bezie even het bestaande, het huidige ogenblik voor de ziel als mens en gij ziet miljoenen mensen hier, die - als wij - deze wetten voor de eigen bewustwording hebben te volgen.
Dat is een lange, maar Goddelijke reis, voor de ziel achter de menselijke dood, indien zij in ons leven licht bezit.
Doch u ziet het, het is mogelijk!
Onder hen bevinden zich de groten van de kerk, kardinalen en Oosterlingen, van welke godsdienst ook, al die mensen moeten verder en hoger, doch hier bevinden zich de levensgraden, leeft het eigen ontstaan voor al deze kinderen van God.
Zij volgen de wetten om zich het „Kosmische bewustzijn” eigen te maken.
Nimmer is de Maan onbewoond, altijd zijn haar kinderen hier om het begin van het eigen ontstaan te leren kennen en zich de Goddelijke rechtvaardigheid ervan eigen te maken.
Duizenden geleerden, die in ons leven licht en het geestelijke bewustzijn bezitten, keren tot de Maan terug om haar, doch thans als bewuste mensen, te beleven, eerst hierna maken zij zich gereed voor de „Vierde Kosmische Levensgraad”.
Wie de eerste sfeer heeft bereikt, keert tot de Maan terug.
Wie op Aarde het kwaad liefheeft, daalt af in de duistere sferen en is niet in staat deze Goddelijke waarachtigheid te ondergaan, die mensen hebben geen licht.
Door de Maan als moeder, mijn broeders, kregen wij ons menselijke bewustzijn en de eigen zelfstandigheid.
De Maan lost op, doch haar leven zal haar ín het „AL” vertegenwoordigen.
Door deze planeten kregen wij ons evolutieproces te beleven.
Na deze reis ontleden wij het menselijke gevoelsleven.
Thans volgen wij het geboren worden van het menselijke organisme en de zeven levensgraden voor het vader- en moederschap.
Wat is gevoel?
Waar is ons eerste leven begonnen?
Op de Maan en niet op Aarde!
Waar is de eerste scheppingsdaad verricht?
Hier op de Maan beleefden wij onze eerste liefde en werden wij vader en moeder.
Wat heeft de dood voor ons leven te betekenen?
Waar bevinden zich die zeven overgangen als levensgraden en levenswetten?
Het embryonale leven zal ze beleven en zich hierdoor verruimen.
Een dood is er niet!
Wij zijn het zélf, die gestalte geven aan leven en dood, maar als het leven gaan wij verder.
Ik dank de hoogste meesters voor deze wijsheid.
Ik dank u, mijn broeders, dat gij dit voor mijn leven en het kind van Moeder Aarde mocht ontvangen.
Het is duidelijk, wij kunnen thans verdergaan.
Maar voel aan, dat Zon en Maan vader en moeder zijn, dat de planeten leven zullen baren en dat Moeder Aarde een kind is van Zon en Maan, dit ruimtelijke vader- en moederschap.
Wanneer de geleerde op Aarde zegt: de ziel is voor het eerst op Aarde, is het kinderlijke gepraat van een onbewuste.
En thans verder, mijn broeders, de volgende wonderen willen zich aan uw leven openbaren.”
–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–
–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o–
–o–o–o–o–o–o–o–o–o–o
–o–o–o–o–o–o–o
–o–o–o–o
–o–o–
–o–