Lantos -- Bronnen

Bronteksten uit de boeken van Jozef Rulof bij het artikel ‘Lantos’.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Deze bronnen veronderstellen de voorafgaande lezing van het artikel ‘Lantos’.

Tijd

Lantos schrijft in 1938 in ‘De Kringloop der Ziel’:
Nog hoor ik mijn moeder en vader deze woorden uitspreken en toch is het bijna negenhonderd jaar geleden.
De Kringloop der Ziel, 1938
Dit situeert zijn aardse leven als kunstenaar in de elfde eeuw na Christus.
In zijn aardse leven is hij 42 jaar oud geworden:
Bijna had ik de leeftijd van achtendertig jaren bereikt, toen men mij opsloot.
Ik concentreerde mij op die tijd en voelde dat ik vier en een half jaar hier was geweest, voordat ik er een einde aan maakte.
De Kringloop der Ziel, 1938
Tijdens zijn aardse leven had Lantos de drang om naar Rome te gaan, omdat hij daar zijn gevoelens om beeldhouwer te worden ten volle kon beleven in de elfde eeuw na Christus:
Ik vertel over mijn jeugd, mijn gevoelens om beeldhouwer te worden, de drang in mij om Rome te beleven.
Jeus van Moeder Crisje Deel 3, 1952

Marianne

Lantos richt zich op het einde van zijn boek tot zijn tweelingziel Marianne die bij de publicatie van het boek nog op aarde leeft:
„Marianne, deze woorden zijn alleen voor u.
Ze komen diep uit mijn hart en al mijn zielekrachten heb ik erin neergelegd.
Strijd mijn kind, strijd, uw leven is hard, maar weet dat gij niet alleen zijt.
Zie om u heen.
Hoevelen lijden niet zoals gij?
Gij kunt dit alles dragen, omdat gij door anderen wordt geholpen.
Anderen staan alleen, geheel alleen in uw verschrikkelijke wereld.
Weet mijn kind, dát, wanneer ge de duisternis niet zoudt hebben gevoeld en gezien, ge het licht niet zoudt waarderen.
Dit alles is nodig.
Als gij in de natuur uw toevlucht zoekt en de planten en bomen en al het andere gewas liefkoost, dan ben ik bij u.
Als ge gaat verlangen, dan voelt gij mij.
Als er schone en verheven gedachten en vergezichten in u komen, het zijn de mijne.
Wanneer gij schone dromen droomt van geluk en weerzien, van een leven na dit leven, dan zijn wij tezamen geweest en wordt ge ’s morgens wakker in stil en rein geluk.
Zie, Marianne, houd dat in u en leef daarin voort.
Wanneer gij opziet naar het heelal, ziet gij mij, want daar leef ik.
Vandaar kom ik tot u en leg sferenbloemen op uw paden.
Ik zal u alles eens vergoeden.
Weet, dat ik u aan deze zijde opwacht en gij mij zult herkennen.
Wanneer uw laatste ademtocht uit het vermoeide lichaam stroomt, ben ik bij u.
Dan zijn wij één, voor eeuwig één.
Strijd dus en volg uw weg die gij voor u ziet.
Gij zult en kunt dit alles misschien niet aanvaarden en dat vraag ik ook niet, maar toch, heel diep in u, daar ligt het verleden.
De Kringloop der Ziel, 1938
Hij weet reeds dat zij deze woorden zal lezen:
Mij is het verleden getoond en eens zal ik met u naar de aarde terugkeren, om het ook u duidelijk te maken.
Dit alles, wat ik hier neerschrijf, zult gij lezen.
God gaf mij deze genade.
Hoe groot is mijn geluk wanneer gij dit leest.
Tezamen lezen wij van ons leven aan Gene Zijde en uit vroegere eeuwen.
Weet, dat een eeuw slechts een flits is.
Voor u zijn het jaren, de jaren van leed, strijd en ellende.
Doch bedenk hoe ik heb geleden en dat alles voor u, mijn Marianne, mijn liefde, ziel van mijn ziel!
God kan ik zo innig danken, dat ik dit aan uw wereld zal mogen vertellen.
Reeds ben ik bezig en bijna gereed.
Nog ben ik met u in verbinding, woordelijk in verbinding, nu ik dit neerschrijf.
Voor het instrument, waardoor ik dit alles mocht doorgeven, zal ik bidden.
Woorden van dank kan ik niet uitspreken.
De meester, die mij heeft geholpen om dit vast te leggen, zie ik aan en hij ziet mijn tranen van dankbaarheid.
Nog enige woorden voor u Marianne, want ik kan nog niet heengaan.
Nu, op dit ogenblik, nu gij dit leest, zijn wij één, geheel één.
Voelt ge mij?
Denk, mijn lief kind, denk hieraan in uw leven.
Hoe groot is de genade dit te mogen ontvangen, maar denkt niet dat wij de enigen zijn die dit beleven.”
Velen zullen echter hun schouders ophalen over alles wat zij hierin lezen, doch ik roep hun van deze zijde toe: „Broeders en zusters, gij allen hebt lief, doch voel deze liefde.
Alles wat ik vertelde, wat ik met Marianne beleefde en wat mij in dit leven is duidelijk gemaakt, is de heilige waarheid.
God weet dat ik de waarheid heb verteld.
God en miljoenen wezens weten het, want zij hebben mij in alles gevolgd.
Het is hun eigen leven, hun werk en verlangen, dat mijn meester Emschor is opgedragen.
Als ik één van u van uw eeuwig voortgaan kan overtuigen, dan is mijn lijden en strijden en al dit werk beloond.
Geve God dat uw ogen opengaan.”
De Kringloop der Ziel, 1938
Dan richt Lantos zich tot Jozef Rulof:
„En gij, begenadigd instrument, nu richt ik mij tot u.
Ik zal u met Marianne verbinden.
Gij zult haar ontmoeten.
Wanneer ik u laat voelen wie zij is, het u laat zien en horen, daar gij die gaven bezit, zult u haar, mijn tweelingziel, dan uw volle liefde geven?
Nogmaals, u zult haar ontmoeten, op verschillende wijzen zal ik u haar beeltenis tonen.
Tevens zal ik u enige herkenningstekens geven, zodat gij beiden zult aanvaarden, hoe ongelooflijk het ook voor u zal zijn.
Wilt u, wanneer ik u deze bewijzen geef, haar dan toefluisteren, dat zij het is?
Ik mag u dit laten weten, het is Gods wil.
Mag ik u uit mijn diepste innerlijk danken, voor hetgeen u voor mij deed?
De tijd is niet aan u geweest, gij leefde in mijn tijd en in mijn leven.
Ik moest dit boek in korte tijd vast leggen.
Alleen over de tijd dat ik in de duisternis leefde, zou ik boekdelen kunnen vullen, toch is dat de bedoeling niet.
Het gaat de meesters alleen hierom, dat zij alle mensen op aarde, die het gevoel bezitten en zich in dit alles willen verdiepen, van hun eeuwig voortgaan willen overtuigen.
Dat al die mogelijkheden voor iedereen, wie het ook is, zijn, want dat God al Zijn kinderen liefheeft.
Diep in u zelf ligt de waarheid, gijzelf zijt het antwoord op dit alles, want gij zijt leven, gij zijt geest en ziel.”
De Kringloop der Ziel, 1938
En Lantos sluit zijn boek af met de woorden:
U, meester Alcar, behoef ik niet te danken.
Gij wilt en wenst geen dank, maar God moet ik danken voor alles, wat Hij aan mij heeft gegeven.
Thans wil ik dit werk eindigen en aan mijn Marianne opdragen.
„Marianne, dit is voor u.
Aanvaard het en sluit het in u.
Lees en herlees, dan ben ik bij u.
Nu ga ik heen.
Mijn zegen voor u allen.”
„Moge Gods heilige en onmisbare zegen op dit werk rusten.”
 
 
Uw Lantos.
De Kringloop der Ziel, 1938
Op een contactavond beschrijft Jozef Rulof hoe Marianne het boek ‘De Kringloop der Ziel’ heeft ontvangen:
Ik heb hier: ‘Mijnheer, ik heb uw boek gelezen ‘De Kringloop der Ziel’.
Op het einde wordt erin geschreven dat Lantos genaamd zelf zijn tweelingziel zal aanwijzen.’
Is that something?
‘Is dat al in drie jaren reeds gebeurd?’
Dat boek is al ... in drie jaren?
Dat boek is al acht jaar uit, dus.
‘Dat u als instrument zelf ook zal ontmoeten ...’
Van wie is dat?
Van u, meneer?
(Mevrouw in de zaal): ‘Van mij.’
Ja dame, ik heb dat leven ontmoet.
En dat leven leeft nu nog op aarde.
Ik heb ze ontmoet.
Maar er hebben zich vierenzestig aangemeld.
(gelach) En telkens zei ik: ‘Neen, u bent het niet.’
En ... en ... en honderdvijfentwintig die bij mij behoorden, zie?
Ik ben met de honderdvierenzeventigste bezig.
Maar deze hebben zich, vier-, vijfenzestig, aangemeld.
Voor veertien dagen terug kwamen er nog twee bij mij.
Ik zeg: ‘Nou, dame, u bent net een half uur te laat.’ (gelach)
Het is al gebeurd.
Ik kan me dat indenken, want waarom niet?
Maar ik heb dit leven ontmoet, en, dame, het is dik in orde.
Ze leeft en weet reeds van het bestaan af, want het boek is al gelezen.
En ze lopen er dag en nacht mee rond.
Ze gaan ermee slapen, en ze staan ermee op.
Nou, misschien komen er nog wel een vierenvijftig.
Maar ... maar dat kan ik me indenken, want wie zou dat nu niet willen?
Nietwaar, meneer?
Wie zou dat nu niet willen?
Maar dit is onfeilbaar in elkaar gezet.
Toen dat kwam, toen zegt meester Zelanus: ‘Als het zover is, dan hoor je dat nog wel.’
Maar toen zei meester Alcar: ‘Dan krijg je van mij een telegram.’
En toen kwam er nog een hogere meester en die zei: ‘Dan zal ik je het visioen geven.’
En toen kwam er nog één bij, en die zegt: ‘Dan stuur ik je daar en daar naartoe, en dan weet je het van tevoren.’
Zo hebben ze het gecontroleerd dat daar niets tussen kwam.
Want, wat zou het zijn?
En eerlijk gezegd, voor ons mensen lijkt het zo ontzagwekkend, maar het is doodeenvoudig.
Het is alleen een ...
U krijgt dat allemaal te beleven.
Het is alleen om de mens – dat boek van meester Zelanus, dat hadden tien boeken kunnen zijn – het is alleen om de mens een beeld te geven: u hebt elkaar wellicht nog niet, en indien gij elkaar hebt, wees dan ontzagwekkend gelukkig, want dan hebt u een ongelooflijke genade.
Het is weer geen genade, want de één leeft er al in, en de ander die heeft het nog niet.
Vraag en Antwoord Deel 2, 1951

‘Wat heeft Christus ons geleerd?’

Lantos was tijdens zijn aardse leven al afgestemd op de eerste lichtsfeer.
Maar op het einde van zijn leven sloeg hij Roni neer, omdat die zich met zijn geliefde Marianne verbonden had:
Ja, ik heb goedgemaakt in die negen eeuwen.
Ik ben uit die duisternis.
Had ik dat kwaad in mij kunnen beheersen en Roni niet neergeslagen, dan had ik met mijn gevoel regelrecht doorgegaan naar de eerste sfeer.
Dat gevoel was er.
Ook die liefde.
Maar ook nog die boosheid, die drift.
Want indien men u besteelt en indien men uw liefde afneemt, en indien een ander u belastert, bezoedelt en slaat ...
Wat heeft Christus ons geleerd?
Dat had ik moeten kunnen, nietwaar?
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951
Door die ene slag heeft hij zijn eerste sfeer op het spel gezet, en verloren:
Ik had, indien ik Roni niet had neergeslagen, had ik de eerste sfeer beleefd.
Ik was op de eerste sfeer afgestemd tijdens mijn tijd in Rome, toen ik een beeldhouwer was.
Mijn gevoelens, hebt u beleefd, gingen allemaal naar het hogere, alles al.
Boos zijn, kwaad, leugen en bedrog, ik wilde er niet mee te maken (hebben).
Door die ene slag leefde ik negen eeuwen in de duisternis.
Negen eeuwen wandelde ik in duisternis.
U hebt het rottingsproces beleefd: mijn toestand.
Ik kwam uit die wereld, die onzichtbare wereld, weer tot de menselijkheid, de werkelijkheid.
Maar ik leefde negen eeuwen lang in die duisternis, om te leren.
Het duurde honderd jaar, honderd vijftig jaar voordat ik ‘de slag Roni’ goed had gemaakt.
En hoeveel heb ik in die honderd vijftig jaar beleefd?
Ik had, ik heb dus door die ene slag, die ene tik, mijn eerste sfeer ingezet, en verloren.
En als u dit goed begrijpt, dan voelt u wel hoe uw maatschappelijk, menselijk, mannelijk, vrouwelijk, moederlijk denken en voelen in uw maatschappij, in uw wereld is ten opzichte van Christus.
En dan kunt u ...
Als u dát vasthoudt en opnieuw ‘De Kringloop der Ziel’ leest en de andere boeken, dan weet u dat u door een hard woord reeds uw sfeer van licht verliest, kwijt bent.
Wanneer u ...
Wanneer de ander gelijk heeft en u geeft de ander geen gelijk, dan mist u die rechtvaardigheid, die harmonie.
En heel uw persoonlijkheid ligt vast aan uw niet kunnen buigen, en u verwaast in uw eigenlijke sfeer.
Vraag en Antwoord Deel 6, 1951