De wedergeboorte op aarde

„Ook ik, mijn jongen heb dat nodig, want ook voor mij is dit machtig.”
Zo zweefden zij verder en beiden waren in gedachten.
André wist niet waaraan hij het eerst zou denken.
Hij voelde echter wat hem te doen stond.
Dit mocht niet te lang duren, want Alcar moest hem nog veel duidelijk maken.
Wanneer hij weer op aarde teruggekeerd was, kon hij alles overdenken.
Hoe goed was zijn leider, want hij had dit beslist nodig; Alcar had duizenden wonderen beleefd en kon daar tegen.
In hem lag nu verlangen en hij begreep dat dit op aarde weer strijd betekende.
In dagbewustzijn moest hij dit nu trachten te verwerken en dat was niet zo eenvoudig.
Toch moest het, maar hij zou zijn best doen.
O, welk een geluk en schoonheid!
Hoe rein waren die mensen.
Ja, dacht hij, zij zijn doorzichtig, nog fijner dan de teerste stof op aarde.
Dit waren stoffelijke engelen.
Hij kwam hierover niet uitgedacht en dat wachtte de mens op aarde.
Daarvoor moest men toch willen leven.
O, die schoonheid!
Hoe wonderbaarlijk was het leven op die planeet.
Op aarde vocht en moordde men zoveel zijzelf wilden.
Niemand kon die dierlijke wezens tegenhouden.
Waar men ook zag, overal ellende.
Op geen enkel plaatsje van die grote aarde was er rust.
Overal haat en nijd en bedrog.
Wat voor wonderen had hij hier mogen beleven!
Zie, het werd reeds duister, zij hadden dat zonnestelsel reeds verlaten.
Nu voelde hij die diepe stilte.
O, die goddelijke stilte.
Hij leefde nu in het niets en juist dat niets dat was God.
Het was hier als voor de schepping.
Nu begreep hij alles en hij voelde zich, alsof hij hier nooit vandaan was geweest, als één van hen aan deze zijde, zo duidelijk, zo doorzichtig was voor hem de schepping.
Hij voelde en zag dat het zo was en zo moest zijn.
Dit was wonderbaarlijk en toch kwamen weer die gevoelens in hem die hij reeds had gevoeld.
Het was alsof men hem daarvan reeds had verteld.
Het kwam niet van links of rechts of van boven, neen, dit kwam uit zijn diepe innerlijk voort en hij ging het weer opnieuw voelen.
Vreemd was het, toch kon hij zich daarvan niet vrijmaken.
Nog nooit had hij hiervan op aarde gehoord, maar op deze reis had hij dit vele malen gevoeld en zelfs duidelijk gevoeld.
Op die beide andere reizen drong dit gevoel niet tot hem door, thans echter lag het bewust in hem.
Dit was vreemd, heel vreemd, het lag in hem en hij zou het kunnen begrijpen, maar wist niet waar dit raadsel vandaan en in hem kwam.
Heel merkwaardig was het en hij voelde dat dit met hem zelf te maken had.
Het was precies als in Jeruzalem, maar nu nog inniger dan daar.
Hoe kon dat?
Hij leefde toch op aarde?
Behoorde ook dit tot het verleden?
Tot zijn eigen verleden?
Nog wist hij niet waar hij geleefd had, dat zou Alcar hem nog duidelijk maken, dus zou hij afwachten en er niet aan denken.
Dan voelde hij dat de stilte hem overviel en ging hij daarin over.
Dit was als voor de schepping, toen de mens nog geboren zou worden, toen er nog niets was.
Duisternis, diepe duisternis en toch was er alles, maar dat alles moest men voelen.
Wie kon dat echter voelen?
Geen geleerde op aarde, maar geleerdheid is aards en dit was alleen te voelen.
Diep zou men in zichzelf moeten afdalen, want daarin ligt het, wij hadden het beleefd.
„Heb je gevoeld,” zei Alcar ineens, „dat ons daar niet alleen het innerlijke leven een halt toe roept, maar tevens het stoffelijke leven?”
„Ja, Alcar, dat heb ik gevoeld.”
„Op aarde zien wij door alle stof heen, doch daar is dat niet meer mogelijk.
Ook wij staan voor die diepte en kunnen daar niet binnengaan.
Je ziet daardoor, dat ik alleen dát kan duidelijk maken wat in mijn bereik ligt en ik heb beleefd.
Al dat andere is onzichtbaar voor mij.
Hier is rust en vrede.
Weer zijn wij in de stilte en wel in de goddelijke stilte.
In het heelal heerst nu duisternis, toch zijn er duizenden zonnestelsels en is alles in beweging.
Al die duizenden lichamen bewegen zich en niets stoort hier in dat machtige geheel.
In het gehele universum is harmonie, maar waar aardse mensen zijn, daar is disharmonie, omdat de aardse mens stoort.
Je voelt hier de reinheid van de natuur in je komen.
Nu zweven wij in het heelal voort en zijn gelukkige wezens.
God schiep hemel en aarde, God schiep ons mensen, het dieren- en plantenleven, God schiep het gehele universum, waarvan wij deel uitmaken.
In ons is er reeds licht, André, doch al dit machtige moeten wij ons eigen maken.
Merk je, mijn zoon, dat het steeds donkerder wordt?”
„Ja, Alcar, doch tevens stiller.”
„Straks wordt het weer licht en dat licht is van het zonnestelsel waartoe je eigen stoflichaam behoort.
Als dat eens sterft kom je voorgoed bij mij en dan gaan wij aan deze zijde verder.”
„Als ik eenmaal hier ben, Alcar, wat dan?”
„Ik heb je reeds vele malen gezegd, dat wij dan vele jaren op reis gaan.
Dan gaan wij weer alles opnieuw beleven en daar zijn die jaren voor nodig.
Als dat dan voorbij is, keer ik naar mijn eigen sfeer terug en is mijn taak voorbij.”
„En ik dan, Alcar, kunt u mij ook dat vertellen?”
„Dan ga je een tijdlang alleen verder en doe je ander werk.
Dat werk ligt reeds gereed en wacht op je.
Daaraan ga je je geheel geven, waarna ik je in mijn eigen sfeer opwacht.
Dan gaan wij samen verder en zullen hoger gaan, om die hoogste sferen te bereiken.”
„Zal ik aan deze zijde met mijn zusters en broeders van de aarde die ik thans ken, tezamen mogen werken, Alcar?”
„Ja, André, dat is mogelijk.
Al je broeders en zusters die ons op aarde reeds volgen, zal je aan deze zijde terugzien.
Je zult tezamen mogen werken, grote reizen mogen maken, in liefde, in reine sferenliefde zal je verbonden zijn.”
„O, welk een geluk, Alcar.”
„Het zal geschieden, André, al dit geluk zal je ontvangen.
Allen zullen hier binnentreden, hier wacht hen groot geluk.
Ik zeg je dit nu reeds en je kunt daarop vertrouwen.”
„Wacht uw tweelingziel al die tijd op u, Alcar?”
„Van het begin af toen ik naar de aarde ging, wacht zij reeds, maar zij helpt mij, André, wij beiden doen dit werk.
In de sferen kennen wij geen afscheid, dat weet je.
Je hebt mijn eigen sfeer eens mogen zien en je hebt ook haar zelfs gesproken.
Wij zijn één en ik ben nooit alleen.
Waar ik ook ben, volgt zij mij en ik haar en wij voelen ons nooit gescheiden.
Toch ben ik steeds in de sfeer der aarde en zij in haar eigen hemel, maar een scheiding is niet mogelijk.
Wij zijn eeuwig verbonden en zullen verbonden blijven.”
„Het is alles zo groots, Alcar.
Maar als wij nu op de vierde graad komen, ken ik u dan terug en u mij?”
„Van nu af zijn wij eeuwig één en allen die met ons gaan zullen dat blijven.
Is het niet heerlijk, dit nu reeds te mogen weten?
Dit is de geestelijke verbinding, André, en wie in de geest verbonden is, heeft zich dat eigen gemaakt.
Vraag het aan hen die de vierde sfeer hebben bereikt en allen zullen het je zeggen.
Geloof mij wanneer ik je zeg, dat wij gereed zijn om alles te geven.
Dit lijkt veel en is toch vergeleken met wat wij hebben ontvangen, niets.
God gaf Zichzelf, Zijn eigen leven, Zijn afstemming.
Wie zichzelf verliest, ontvangt dát, wat God is.
Wij trachten ons die kosmische bewustwording eigen te maken en daarvoor geven wij ons geheel.”
„Waar gaat u thans naartoe, Alcar?”
„Opnieuw naar de duisternis, daar waar wij waren, want ik moet je daar nog vele dingen duidelijk maken en dat houdt met de weder­geboorte op aarde verband.
Tevens zal ik van hen vertellen die alle geestelijke wetten overschreden.
De wedergeboorte geschiedt uit alle overgangen, uit die oorden die daarvoor innerlijk gereed zijn.
Eenieder die verlangt om datgene goed te maken wat hij misdeed, kan dit doen en keert dan naar de aarde terug.
Ik ga je duidelijk maken dat ieder wezen de geboorte, de wedergeboorte op aarde kan beleven en zal ontvangen, wanneer die verlangens in hem zijn.
Maar als zij eenmaal in de astrale wereld leven en hun kringloop der aarde hebben volbracht, dan is dat terugkeren een genade.
Dat is het wonder van de wedergeboorte op aarde, dat is diep en machtig en is zoals alles, heilig.
Dat is wonderbaarlijk en kent men alleen hier.
Toch weet dat zieleleven, als deze ziel dan op aarde leeft, ook nergens meer vanaf en sommigen vragen opnieuw waarom en waarvoor?”
„Moet men daarvoor dan geen hoogte hebben bereikt?”
„Je bedoelt een geestelijke hoogte, nietwaar?”
„Ja, Alcar.”
„Neen, dat is niet nodig, doch ik zei je reeds, alleen God kan dit de mens schenken.
Als het zieleleven een ander lichaam ontvangt, dan kunnen zij in dat korte leven op aarde meer bereiken, dan in enige honderden jaren aan deze zijde.
Vergeet niet, dat wanneer men in de duisternis leeft, men niets bezit dan duisternis en koude.
Denk je die toestand eens in.
Datzelfde wezen ontvangt nu op aarde een stoffelijk lichaam.
Op aarde zal het onherroepelijk dat zieleleven ontmoeten waaraan goedgemaakt moet worden.
Alleen daarvoor keert de ziel naar de aarde terug.
God komt dus dit leven te hulp.
Miljoenen wezens ontvangen deze genade.
Zij komen anders niet vooruit en toch zijn al deze wezens kinderen van God.
Er leven in de duisternis miljoenen wezens die verlangen om terug te keren.
Onder hen bevinden zich mensen die alle natuurwetten hebben overschreden.
Hoe komen al deze zielen uit deze toestand?
Kun je je iets afschuwelijkers indenken?
Geen voor- of achteruit, geen ruimte, geen leven meer te voelen, niets dan duisternis?
Wij kennen deze toestanden aan deze zijde, André, en ik zal je dit tonen en duidelijk maken.
Er is een begin en een einde.
Er zijn tevens toestanden waarin de ziel zichzelf heeft verloren, zodat er geen levensvatbaarheid, geen bestaansmogelijkheid meer is.
En dat is logisch, dat is zeer natuurlijk.
Wij kunnen deze wetten overschrijden, omdat wij tot dit machtige leven behoren en daar deel van uitmaken.
Maar deze natuurwetten kent men niet op aarde.
Toen ik mijn wandeling op aarde en aan deze zijde maakte, heb ik die wetten leren kennen.
Ik heb geleerd dat God in alles liefde is.
Hoevelen heb ik er niet ontmoet die verlangen en bleven verlangen en toch kwam er aan hun ellende geen einde.
Al deze mensen leefden in de duisternis en konden zich daarvan niet losmaken.
In het stofleven moet dat geschieden, maar ik zei je reeds, dat is een genade Gods, om opnieuw een stofkleed te ontvangen.
Een zelfmoordenaar die zijn straf aan deze zijde heeft geboet, omdat hij zijn leven op aarde vernietigd heeft, voelt hier wat hij deed en verloren heeft.
Is zijn einde daar voorbij, dan roept het geestesleven hem een halt toe en kan hem alleen deze wet nog helpen, wat de wedergeboorte is.
Dat is dan het laatste ogenblik om te bewijzen wat wij willen, of wij zinken in een diep en ellendig leven terug.
Dat is de duisternis die wij op Golgotha hebben leren kennen en dat is voor ieder mensenkind.
Welnu, die zelfmoordenaar keerde in het leven op aarde terug en stond opnieuw voor die toestand.
Zou hij weer een einde aan zijn leven maken?
Hij weet niet dat hij reeds zelfmoord pleegde, maar toch ligt dat in hem.
Als er geen geestelijk bezit in hem is, valt hij opnieuw.
Dit is dus voor hem een probleem, een lijdensgeschiedenis, maar toch een gelegenheid, een mogelijkheid, om uit dat bestaan te komen.
Hoe wil men aan deze zijde dit kunnen overwinnen?
Is dat mogelijk, André?
Kan men aan deze zijde bewijzen dat men geen zelfmoord pleegt?”
„Dat is toch niet mogelijk, Alcar?”
„Neen, mijn zoon, dit kan alleen op aarde, men moet in het bezit zijn van een stoffelijk lichaam.
Maar wat geschiedt er nu, wat beleven deze mensen?
Honderden jaren gaan er aan deze zijde voorbij.
In die eeuwen roepen en vragen zij waarom en waarvoor.
Ik bedoel diegenen die bezig zijn om iets te bereiken, die voelen dat zij hoger kunnen gaan.
Kan en mag ik dat niet bewijzen?
In de duisternis komen zij verder als zij verder willen, maar zij komen niet van die gevoelens vrij en dit houdt hun ontwikkeling tegen.
Als dus een zelfmoordenaar weer geboren wordt en opnieuw zelfmoord wil plegen, ik heb je dit duidelijk gemaakt, zal iets hem daarvan terughouden en dat iets is het verleden, zijn innerlijk leven, dat heeft hij aan deze zijde beleefd.
In dat aardse leven bereikte hij dit ene en alleen daarvoor was deze mens op aarde.
Ik wil je hiermee duidelijk maken, hoe groot deze genade is, die eenieder kan ontvangen.
Hoe machtig het is, om vanuit die diepe duisternis opnieuw op aarde te mogen zijn, is niet te geloven.
Want, André, op aarde is er licht, daar is alles wat het leven veraangenaamt.
Hier is niets dan koude en ellende.
Denk je dit leven eens in.
Op verschillende wijze komt God ons dus te hulp.”
„En als zij weer struikelen, Alcar?”
„Dat is bijna niet mogelijk, André.
Voordat zij in die toestand overgaan, hebben zij zichzelf daarin gebracht, met andere woorden: zoveel wilskracht eigen gemaakt, dat zij niet opnieuw zullen struikelen.
Het ligt dus van tevoren vast dat zij dit zullen bereiken.
Ik zag ook anderen.
Zij leefden niet in de duisternis, maar in de sferen van licht.
Ook zij kunnen op aarde terugkeren.
Ik vertelde je van een moeder, die het moederschap wilde beleven.
Vijftig jaren lang verlangde zij en eindelijk werd ook haar gebed verhoord en werd zij opnieuw geboren.
Dat zijn wonderen, André, in al deze toestanden komt God ons te hulp en daarvoor moeten wij dankbaar zijn.
Wie wil leren, ontvangt van God alles, wanneer hetgeen zij beleven hen helpt om de geestelijke sferen te kunnen bereiken.
Ik heb je op al die reizen van geestelijke en stoffelijke natuurwetten gesproken en nu van de genade Gods.
Als die genade er niet was, dan kende men mij op aarde niet, was daar nooit kunst geweest en ook geen muziek en beeldende kunst van die hoogte, die zij daar nu bezitten.
Ik werd echter op aarde geboren en met mij vele anderen.
Zo werd ook de piramide geboren, want ook deze wezens kwamen van deze zijde, wat ik je vertelde en zo zijn er duizenden toestanden meer.
Eens leefde er een mens op aarde, die het leven en lijden van Christus in muziek vertolkte.
Deze ziel vroeg aan deze zijde zijn Vader in de Hemel om hem dat te schenken.
En hij ontving deze genade.
Ik zal je dan ook straks met dit leven verbinden en zal je deze mens zien.
Daarvoor keren wij naar Jeruzalem terug, ik heb je dat reeds gezegd.
Daar leefde deze ziel en hij leefde daar omdat hij Christus wilde voelen en al dat leed en lijden in klank wilde vertolken.
Voel je dit wonder, André?
Dit is geschied en zo is dat voor duizenden toestanden mogelijk, doch alleen dan, wanneer de ziel iets wil beleven, of aan de aarde te brengen heeft.
Wie met die wetten verbonden wordt, weet wat voor groot wonder er geschiedt en dat weten alleen zij die het beleven.
Geen mens, geen geest aan deze zijde kan daar iets van vertellen, omdat dit een genade is en alleen God ons kan schenken.”
„Weet men daarom zo weinig van de wedergeboorte, Alcar?”
„Ja, niets weet men ervan, André, wij weten alleen dat het mogelijk is.
Vraag het aan allen die hier leven, niemand weet het.
Wanneer dat geschiedt lost het zieleleven in de wereld van het onbewuste op.
Je kent die toestand.
Zij komen in een bewusteloze toestand en in die toestand ontwaakt het zieleleven op aarde en wordt geboren.
In dat leven zal alleen dát geschieden, waarvoor het zieleleven op aarde is gekomen.
Het stoffelijke leven gaat zijn gewone gang, doch het innerlijke leven zal dat beleven en in dit beleven ligt het vast en moet het geschieden.
Dit zijn dan de vele levensproblemen die zij op aarde hebben te beleven.
Nogmaals, André, als Gods kinderen het goede willen, dan staat voor het zieleleven alles open en zullen wij dat als mens ontvangen.”
„Een geest uit uw sfeer, Alcar, zou die van zijn wedergeboorte weten?”
„Ja, want dan is men bewust en dat bewustzijn doet ons op aarde handelen en voelen en ons gevoel vraagt naar geestelijk voedsel.
Geen mens van de aarde kan ons dat afnemen.
Als een ziel voor de kunst op aarde komt, dan bereikt zij dit en gaat dit zieleleven tot de kunst over.
Al zouden ouders ook iets anders willen, wat meermalen geschiedt, toch volgt het kind zijn weg en al verscheurt dit hun band, het gaat en het moet die weg volgen, daar is niets aan te veranderen.
Daarvoor keerde die ziel naar de aarde en voor niets, niets anders.
Dan beleeft dit zieleleven natuurlijk ook duizenden andere dingen en zal zich in dat leven vergeten of daarvan iets maken.
Met verschillende toestanden uit ons eigen verleden zijn wij dan verbonden.
Ik maakte je dat van mijzelf duidelijk.
Op aarde ontwaakt het zieleleven en de mens beleeft dit en wordt wakker en bewust.
Er worden dan goede en verkeerde dingen gedaan, doch dieper en lager zinken dan zij reeds zijn, ook dat kan niet.
Die innerlijke kracht houdt hen staande en daarop werken zij voort en beleven hun kunst, of dát, waarvoor zij op aarde zijn gekomen.
Is het je duidelijk, André?”
„Ja, Alcar, doch ook dit is wonderlijk.”
„Dat is het, doch het is meer een genade dan een wonder, want dit gebeuren ligt buiten alle bestaande geestelijke en stoffelijke wetten.
Ik ga nu tot onze astrale wereld over, want je ziet, dat wij ons eigen zonnestelsel reeds zijn genaderd.”
André voelde, dat Alcar zich ging verbinden.
Toen hij ging waarnemen, zag hij dat zij opnieuw in de duistere sferen waren.
„Ziedaar, André, wij zijn op de plaats waar ik wilde zijn, hier liggen die wezens die wij hebben ontmoet.
Voor hen is het niet mogelijk om bewust terug te keren, want zij zouden de aarde in vuur en vlam zetten.”
„Is deze sfeer de laagste aan deze zijde, Alcar?”
„Ja, mijn zoon, hier leven mensen die alle natuurwetten hebben overschreden.”
André zag naar deze ellende.
Daar voor hem lagen menselijke wezens.
Reeds eerder was hij hier met zijn leider geweest.
„Op deze plaats, André, heb ik mij met één van hen verbonden.
Ik vertelde je toen wat ik waarnam, in je tweede boek (‘Een Blik in het Hiernamaals’, deel 2) hebben wij dat vastgelegd.
Al deze wezens hebben alle natuurwetten overschreden.
O, als deze mensen in deze geestelijke toestand en dan bewust zouden worden geboren!
Wanneer zij daar opnieuw de macht in handen hadden, wat zij zeker door alles wat in hen is kunnen bereiken, dan helpe God de mens op aarde, als deze beesten tot volle bewustzijn zouden komen.
Al deze mensen zijn ontembaar.
Zij weten niet hoe ver zij gaan en hebben geen begrip van wat zij doen.
Daarom bevinden zij zich in deze toestand.
Zeer diep zijn al deze mensen gezonken, zijn bewusteloos en liggen hier neer, wat duizenden jaren duren kan.
Toch zullen zij eens wakker worden en aan een nieuw leven beginnen.
Hoeveel ellende heb ik je reeds getoond, André?
Hoeveel verdriet wordt er geleden?
Dat alles is echter alleen voor de aarde, omdat de mens op aarde zich geestelijke bewustwording eigen moet maken.
Eerst dan begint het hogere leven en staan de mensen voor ons leven open.
Als ik zie de vele diepe kloven die deze mensen moeten overbruggen, dan denk ik aan het leed dat zij nog hebben te beleven.
Als daaraan geen einde zou komen was God onrechtvaardig, doch zij weten dat zij zichzelf in deze ellende hebben gestort.”
„Kunnen ook zij naar de aarde terug als zij dat zouden wensen?”
„Eenieder kan terug, André, maar ik zei je toch, als al deze mensen opnieuw in hun vorige toestand, dus zoals hun laatste leven op aarde was, op aarde zouden terugkeren, dan brak de hel opnieuw los, want zij vallen iedereen aan die zij zouden ontmoeten.
Eens waren zij op aarde, maar hebben zich in alles vergeten.
Het zijn de heersers van de aarde, de vernietigers van ons menselijke geluk.
En toch komt God ook deze zielen te hulp.
Dan komt het zieleleven op aarde, dan is de ziel als een levende dode en volbrengt dat aardse leven in deze toestand.
Op onze vorige tocht heb ik je daarvan verteld.
Dat leven gaat dan voorbij en zij zijn dus niet bewust, dan slaapt hun diepe zieleleven omdat dit voor het verdere leven nodig is.
Maar God komt deze zielen te hulp en doordat zij het aardse leven als in een schijndode toestand beleven, is er toch, wanneer zij hier binnentreden, iets in hen veranderd.
In de laatste jaren echter van hun aardse leven moeten zij bewust worden en als zij daarin overgaan zijn het meestal de geestelijke krankzinnigen.
Voel je hoe wonderbaarlijk alles is en hoe deze wetten werken?
Die krankzinnigheid op aarde is beter dan dat neerliggen hier in deze duisternis.
Hier komen zij niet verder, maar op aarde maken zij zich toch iets eigen, al is dat eigen maken niets en niets anders om weer opnieuw tot de levenden te behoren.
Begrijp je wat ik bedoel, André?”
„Als ik u goed heb begrepen, dan houdt hun eigen leven hen gevangen?”
„Ja, André, inderdaad, zo is het.”
„Zijn zij zich dan van niets bewust, Alcar, ook niet dat zij daar leven?”
„Neen, mijn zoon, in alles zijn zij onbewust.
Er zijn er duizenden op aarde die in deze toestand leven.
Deze zielen zijn diep en al die mensen zijn niet te peilen.
Toch kent men deze mensen op aarde, want wanneer men deze mensen ontmoet, denkt men met krankzinnigen te doen te hebben.
Deze mensen leven op aarde en zijn toch geestelijk in slaap.
Stel je een dergelijke toestand voor.
Zie naar deze mensen, overal zijn zij en in ieder werelddeel leven zij.
Zij zijn angstig, durven niet te leven, sluiten zich bij niemand en niets aan en hebben geen gevoelens, geen verlangens, want zij zijn levende doden.
Dat is de diepste psychische toestand die wij kennen en wij weten waarom die wezens op aarde zijn.
Een hogere graad trekt hen aan en dat zijn meestal zij die voor krankzinnigheid openstaan.”
„Wat is dat weer merkwaardig, Alcar.
Daarvan hebt u mij nog niets verteld.”
„Neen, dat heb ik ook niet, want dat was eerder niet mogelijk.
In alles volg ik één weg en die weg ligt reeds enige honderden jaren voor mij.
Ik geef en maak je alleen dat duidelijk wat je verwerken kunt, van de laagste toestand ga ik naar de hoogste.
Toen mijn werk op aarde een aanvang ging nemen, begon ik mij aan jou te tonen en de verbinding tot stand te brengen.
In die tijd had ik je van al deze psychische wetten en planeten niet kunnen vertellen, ook jij zou krankzinnig zijn geworden.
Ik had mij in alles voorbereid en ik gaf je naarmate je innerlijk wakker en bewust werd.
Deze diepte zou je niet hebben begrepen en ook nu moet je je goed en duidelijk weten in te stellen, wil je deze zielediepte kunnen voelen.
Ik zei zo-even, op aarde zijn veel van deze mensen en dat zijn de zonderlingen.
Deze mensen staan buiten de maatschappij en zij moeten daar buitenstaan, want wanneer zij in dat aardse leven bewust zouden zijn, mijn God, wat zou er dan van duizenden, neen miljoenen mensen terechtkomen?
Maar van al die zielediepten weet men op aarde niets.
Zij zijn ook niet te peilen, want zij zijn dom, interesseren zich nergens voor, kunnen niet leren en zijn eenvoudig niet in staat om als een normaal mens te denken.
Het zijn volwassen mensen doch hun innerlijk is onbewust.
Toch zijn al deze mensen geboren zoals eenieder en hun stoffelijke lichamen kunnen normaal zijn, doch dan is er geen stoffelijke storing, maar is het de ziel.
De mens ontving dit omdat hij hier duizenden jaren zou zijn en God hem opnieuw te hulp kwam.
Geen geest, geen mens kan daaraan iets doen, noch veranderen.
Geen geleerde zou dit diepe geestelijke raadsel kunnen oplossen, want deze mensen zijn voor iedere aardse hulp afgesloten.
Zij zijn niet te helpen, voor hun ziekten zijn geen kruiden gewassen, dit is een geestelijk probleem dat alleen wij kennen.
Deze wetten, André, liggen buiten alle andere, die, zoals je zult begrijpen, een bestaanswereld hebben bereikt.
Wie op aarde leeft en daar een taak of geen taak te verrichten heeft, wat er ook niets toe doet, zij allen hebben een bestaanswereld veroverd.
Een bestaanswereld, dat zegt iets te zijn, iets te bezitten, maar deze mensen hebben die grens overschreden.
Hun innerlijk houdt hen dus gevangen.
Geen zieleleven is zo diep gezonken als van deze wezens en wij kennen geen dieper leed en smart en ondergang.
Deze mensen waren eens bewust, hebben op aarde geleefd, hebben daar duizenden mensen afgeslacht, waren meestal de heersers van de aarde, omdat zij zich deze macht eigen maakten.”
„Het is dus niet mogelijk, Alcar, dat een dergelijk wezen in deze toestand bewust op aarde kan worden geboren?”
„Neen, die grens hebben zij overschreden.
Sterven zij, dan gaan zij naar deze sfeer en worden hier neergelegd.
Al deze mensen hebben zich vergeten, vernietigden anderen om een stuk land, om geld of goud en om duizenden andere dingen meer die men op aarde als bezit kent.
Het zijn de geweldenaars van de aarde, zij brachten leed, smart en ellende over de mensheid.
Maar God kent geen heersers, geen geweldenaars en geen vernietigers.
God gaf de mens alles, Zijn eigen Goddelijk leven.
Toch is dit door al deze mensen niet begrepen.
Hier in ons leven leeft dit diepe raadsel, daar voor je liggen menselijke problemen, doch al die problemen zijn ons bekend.
Al die heersers, die vernietigers moeten verder en hoger en daarvoor is de wedergeboorte op aarde, of zij kwamen niet verder.
Doch op aarde zijn het de zwakzinnigen, de zonderlingen en men vraagt zich daar af, waarvoor deze mensen leven.
Zij zien in hen de armen van geest, wat zij in waarheid zijn, doch de geestelijke betekenis is deze, die ik je thans duidelijk heb gemaakt.
Al deze zielsproblemen, mijn zoon, het zal je duidelijk zijn, kennen wij, wij weten waar en hoe zij leven, wij weten door wie zij worden aangetrokken, want ook dat is een groot wonder.
De wet van oorzaak en gevolg heeft hiermee te maken, het zijn die ouders die aan dit leven hebben goed te maken.
Voor alles en alles, hoe diep ook voor de mensen op aarde, aan deze zijde is de verklaring te vinden, want in de mens ligt dit vast, men moet het voelen en zijn levens kunnen zien.
En dat kunnen wij, wij kunnen ons met alles wat leeft verbinden.
Maar laat dit een psycholoog nu eens ontleden, dat is immers niet mogelijk.
Als wij weten dat een verkeerde gedachte recht moet worden gezet, moet worden herzien, goedgemaakt moet worden, dan toch zeer zeker al deze ellende, die zij over duizenden hebben uitgestort.
Er zijn heersers geweest die men nog op de handen draagt, alleen omdat zij een genie waren, maar die duizenden levens lieten afslachten.
En dat afslachten zullen zij goed moeten maken.
Wij zien hen en ik weet waar enkelen van hen nu in jouw tijd op aarde leven.
Je moet hen zien, mijn zoon, die armen, die kinderen Gods, maar zie dan eerst in hun verleden.
Het is een diep raadsel, maar het zijn geestelijke wetten.
Er is er één hier die miljoenen mensen heeft omgebracht.
Stel je straks zijn strijd, zijn leed en smart voor.
Hij zal nog duizenden jaren lang moeten slapen, eerst dan zal ook hij opnieuw geboren worden.
Dan is hij een simpele, een zwakzinnige, een levende dode.
O, als voor de mensen en de geleerden van de aarde die geestelijke sluier eens werd opgelicht.
Hoe zouden zij dan rillen en beven van al deze waarheden.”
„Wat is dan zo’n taak op aarde verschrikkelijk, Alcar.”
„Een dergelijke taak, mijn zoon, is een grote genade, doch wanneer zij zich vergeten gaan allen ten onder.
Een dergelijke taak is alleen dan verschrikkelijk, als zij tot die daden besluiten en hun medemensen afslachten.
De anderen die het goede zoeken, kunnen heel veel goeddoen en wanneer deze de macht in handen hebben, is dit voor de mensheid groot geluk en vrede en rust op aarde.
Als een dergelijk monster zijn volle bewustzijn op aarde opnieuw gegeven werd, dan zouden zij opnieuw trachten een maatschappelijke hoogte te bereiken en je begrijpt dan wat er zou geschieden.
In de laagste graden van deze duisternis is het dus reeds mogelijk, dat zij de wedergeboorte beleven.
Voor niets en niets anders geschiedt dan deze geboorte en zij beleven dus hun eigen probleem.
Het is niet mogelijk dat deze wezens in dat nieuwe leven op aarde iets bereiken, want zij hebben dat reeds beleefd en zich daarin geheel vergeten.
Dit is dus de allerlaatste mogelijkheid voor de planeet aarde, wat wij van God kunnen ontvangen.
Het is één kans en daarin moet het geschieden.
Dit is een groot en heilig wonder, mijn zoon en waarvoor wij ons te buigen hebben.
De ziel waarvan ik sprak daalde op aarde af en werd geboren.
Dat zieleleven zou armoede ontvangen, omdat het, wanneer het veel zou bezitten, anderen te gronde zou richten.
Zou het nu toch niet mogelijk kunnen zijn, hoor nu wat ik zeg, dat dit zieleleven bij ouders geboren werd met veel aards bezit?
Dat moet toch mogelijk zijn, want hoeveel ouders hebben zich dat niet eigen gemaakt?
Laat ik je dan zeggen, mijn zoon, dat dit niet mogelijk is, want deze wet is onfeilbaar.
Nu komt dat diepe geestelijke raadsel, waarvan ook wij aan deze zijde niets weten.
Geen geest, hoe hoog ook aan deze zijde, kent deze goddelijke wetten.
Dat wonderbaarlijke geschiedt zoals het geschieden moet, waar van tevoren om is gevraagd en gesmeekt het te mogen ontvangen.
Dat wonder komt en door wie?
Alleen door God.
God alleen kan dat en wij weten daar niets van.
Die mens wordt dus geboren en beleeft alleen dat, waarvoor hij op aarde is.
Voel je dit machtige, mijn zoon?
Het is machtig en wonderbaarlijk dat alleen God weet en kent, waarvan geen vorst van liefde iets weet.
Ook zij die het Al hebben bereikt, kunnen dit niet weten, of de piramide was geheel afgemaakt.
Dat is God, André, en een goddelijk gebeuren.
Daarvoor kan men bidden en moeten wij bidden en ons hoofd buigen.
Er is één wet die alles en alles bestuurt en regelt en dat is God, de zichtbare en onzichtbare God die wij aan deze zijde kennen, die het heelal, mens en dier heeft geschapen.
God komt Zijn kinderen in alles en alles te hulp.
Doch dit te hulp komen wordt niet begrepen, noch aanvaard.
God staat ons toe dat ik en jij en biljoenen anderen iets voor onszelf en voor anderen doen, wanneer wij het hogere zoeken.
Is het je duidelijk wat God is?”
„Waar gaat dat heen, Alcar, is dit alles op aarde te begrijpen?”
„Naar die diepte die wij allen voelen, mijn zoon, en waarvoor wij ons hoofd buigen, ook al denken wij van de schepping iets te voelen en te kennen, ook al is dit ons bezit.
Begrijp je, André, dat wij allen machteloos staan, als God zegt nu is het genoeg?
En begrijp je dan tevens, dat wij die God die alles en alles bestuurt, alleen kunnen vragen om ons te helpen met deze woorden: „Slechts Uw wil geschiede”?
Dit, mijn zoon, is het enige gebed dat wij mogen opzenden, eerst dan willen wij kinderen zijn, zoals God het van ons allen wenst.
„Uw wil geschiede, o, mijn Vader in de Hemel, ik wil een kind zijn, slechts een kind van U.”
Men denkt dat bidden niet nodig is omdat alles er is, heelal, mens en dier gereed is.
Wat is God en waar is God?
Als God er is, waarom dan al die ellende op aarde?
Kan God niet ingrijpen?
Kan God toestaan dat Zijn eigen kinderen te gronde worden gericht?
Is God een Vader van liefde?
Dit grote en diepe raadsel, André, is niet te peilen, noch te voelen, door geen geest, noch mens.
Dit roept ons een halt toe, maar hoe meer liefde wij ons eigen maken en voor al het leven van God voelen, des te duidelijker wordt ons het raadsel God en ontvangen wij naar de liefde die in ons is.
God is licht, liefde en leven.
Als God geen liefde was, kwam aan al deze ellende hier voor je, geen einde.
Dit is de wedergeboorte op aarde, is het wonder van God dat wij aan deze zijde kennen.
Dat is het, wat ik je duidelijk wil maken en wat men op aarde nog niet aanvaarden kan, omdat men er niets van weet.
Voel je nu hoe diep en hoe heilig de wedergeboorte is?
Dat wij het als mens beleven en er toch niets van weten?
En dat dit noodzakelijk is, omdat wij dát, wat tot die vorige levens behoort, niet kunnen verwerken?
Dat ook daarin God ons te hulp komt?
De geboorte op aarde neemt alles weg en toch, diep in ons ligt het verleden, in ons ligt dit vast, in ons leeft het, wij zijn het zelf.”
„Kunnen zij daarom, Alcar, wanneer men sommige controlerende geesten naar de wedergeboorte vraagt, daar niets van vertellen?”
„Ja, want zij die hier leven en die hoogte nog niet hebben bereikt, kunnen het niet weten.
De hogere geesten kennen al deze wetten en weten dat alleen God ons deze genade schenken kan, doch ook zij zwijgen, maar weten dat dit mogelijk is.”
„En is dit voor eenieder, Alcar?”
„Ja, André.
Maar aan deze zijde kan men alleen dat doen, wat innerlijk in ons is en in ons leeft en daarvoor moeten wij al onze krachten geven.”
„Wanneer ik u goed heb begrepen, dan zullen alleen zij dit wonder beleven die daarnaar verlangen?”
„Zo is het, mijn zoon.
Wie dit wenst en ernaar verlangt, is met zichzelf bezig en wie daarin leeft kan aan niets anders meer denken.
Het wezen is zich van niets meer bewust, voelt en denkt alleen aan dit gebeuren.
Maar onder dit denken en voelen werken velen aan de één of andere taak en wachten af, totdat zij deze werking gaan voelen.”
„Komt dit vanzelf in hen, Alcar?”
„Ja, André, en dan beleeft de mens dit wonder.
Wat dan geschiedt zal ik je straks duidelijk maken.
Hier in deze duisternis is het dus reeds mogelijk om naar de aarde terug te keren en dat is voor hen, die anders duizenden jaren neerliggen voordat zij zouden ontwaken, een grote genade.
Zie naar al deze mensen, hoe diep zij zijn gezonken.
Toch komt God hen te hulp.
Het zal je dan ook duidelijk zijn, dat alleen de wedergeboorte op aarde hen kan helpen en de mogelijkheid is om hieruit te komen.
Wij hebben deze wetten leren kennen, uit iedere sfeer is de wedergeboorte mogelijk.”
„Hoe natuurlijk is ook dit, Alcar.”
„Wij mensen kunnen niet genoeg dankbaar zijn, mijn zoon, voor alles wat wij hebben ontvangen.
Hoe verschrikkelijk deze levens ook zijn geweest, ook aan hun leven komt een einde, al die ellende moet oplossen, ook zij zijn kinderen van God.”
„Hoe heeft u mij van een Vader van Liefde overtuigd, Alcar.
Op aarde zijn al deze mensen verdoemd.
Voor eeuwig zijn zij voor de sferen van licht afgesloten en aan hun ellende komt geen einde.
De hemelen zijn voor eeuwig voor hen gesloten, zo zeggen de priesters en verspreiden deze dingen.
Hoe afschuwelijk is hun gepreek, nu ik dit alles heb leren kennen.
Het was toch veel en veel beter, niets, geen woord van God te vertellen, dan dat zij hun hele leven op aarde deze onwaarheden verkondigen?”
„Inderdaad, André, zo is het.
Zij kennen hun God niet, geen Vader die al Zijn kinderen liefheeft.
Ieder mens heeft zijn eigen God, doch aan deze zijde eerst gaan hun ogen open.
Eerst dan leren zij al deze wetten en mogelijkheden kennen, hier buigen zij hun hoofden en weten niet hoe zij dit goed moeten maken.
Ik heb je van hen verteld, heb je getoond waar zij leven, zij allen behoren tot de levende doden.
Kom, wij gaan verder, ik heb je nog meer duidelijk te maken.”
André zag nog eens naar al deze wezens.
Hij voelde diep medelijden voor al deze mensen.
Hij dacht aan Alcars woorden, die zijn leider eens tot hem had gesproken.
Rijk op aarde en arm aan geestelijk gevoel, ja, dat waren zij allen.
Hoe waren al die levens geweest?
Hij rilde en beefde van al deze ellende.
Toch zouden ook zij eens de sferen van licht bereiken.
Hoe groot was God, hoe onfeilbaar waren al deze wetten en daarvan wist men op aarde niets.
Hij volgde zijn leider.
Nu leefde hij in de diepste hellen die men aan deze zijde kende.
Op zijn eerste uittredingen was hij hier reeds met Alcar geweest.
Hoeveel had Alcar hem duidelijk gemaakt.
Nu begreep hij het geestelijke leven, nu voelde hij hoe waarachtig alles was, hoe natuurlijk deze wetten waren.
„Zij die in het land van haat leven, Alcar, kunnen die gaan waarheen zij willen?”
„Ja, mijn zoon, deze mensen zijn bewust, zij hier onbewust.
Deze mensen hebben de natuurwetten overschreden, in de sferen die hier boven liggen eveneens, want ook hierin zien en kennen wij geestelijke overgangen.
Ziedaar, André, een andere hel, ook hier zijn wij vroeger reeds geweest.”
Uit spleten staken handen en die handen waren als klauwen.
André rilde en beefde, want hij zag dat ze met bloed bevlekt waren.
„Hoe is het mogelijk, Alcar, ik zie bloed!”
„Hier leven mensenkinderen, André, mensen zoals jij en ik, kinderen van God.
Zoals de engelen in de sferen van licht, dragen ook zij de vonk Gods, hebben op God afstemming.
Zij allen hebben zich vergeten.
Het bloed van anderen kleeft aan hun handen, zij leven in een toestand zoals hun innerlijk leven op aarde is geweest.”
„Kunnen ook deze wezens naar de aarde terug?”
„Ook voor hen is deze mogelijkheid, mijn zoon.
Zij zouden zich hiervan niet vrij kunnen maken.”
„Wat geschiedt er, Alcar, of hoe komen zij hier vandaan?”
„Wanneer zij de wedergeboorte zullen ontvangen, dan overvalt hen een diepe slaap en langzaam maar zeker lossen zij op.
Dan worden zij door de wereld van het onbewuste aangetrokken en zien wij hen op aarde terug.”
„Hoe dankbaar moeten wij toch zijn, dat dit mogelijk is, Alcar.
Deze mensen zijn dus van de aarde hier gebracht?”
„Toen hun einde op aarde kwam en zij daar dus gingen sterven, bracht men hen naar deze plaats.
Daarna werden zij wakker.
Dan neemt dit leven een aanvang en zien en weten zij dat zij gevangen zijn.”
„Zouden zij zich daarvan bewust zijn?”
„Jazeker, zij weten dat zij opgesloten zitten en trachten zich te bevrijden, maar dat is niet mogelijk.”
„Wat moeten al deze mensen toch wel misdaan hebben, om hier te moeten leven?”
„Ik wil je niet verbinden, André, je zou al die verschrikkingen thans niet kunnen verwerken.
Maar ik verzeker je dat God niet toestaat dat ons iets geschiedt, als dit niet nodig is.
Hun leven op aarde was afschuwelijk.
Al deze zielen, deze mensen, geen uitgezonderd, André, hebben duizenden mensen op aarde omgebracht, gekweld, gepijnigd en vernietigd.
Allen zijn demonen, het zijn genieën in het kwaad.
Je voelt zeker dat, wanneer niemand hen te hulp komt, zij hier niet uit komen, want in hen is geen bezit.
Zij zijn arm aan gevoel en weten van hoger gaan niets af.
Maar God zou geen Vader van Liefde zijn, als Hij Zijn kinderen hier alleen liet.
Toch kunnen zij hier niet blijven.
Er moet hulp komen.
Met hen praten en van een hoger leven vertellen is niet mogelijk.
Zij klampen zich aan je vast en zijn opnieuw gereed, wie het ook is, te vernietigen.
Hun leven is walgelijk en afschuwelijk en toch komt ook hieraan een einde.
Zij allen hebben zich vergeten.
Maar hebben wij ons niet allemaal vergeten?
Is er één mens in de sferen van licht die dit van zichzelf kan zeggen?
Neen, mijn zoon, zij allen hebben zich vergeten, eens, duizenden jaren geleden behoorden zij tot hen, al hebben zij de sferen van licht reeds bereikt.
Hier waren wij vroeger reeds, maar toen kon ik je al deze mogelijkheden nog niet duidelijk maken, je zou er niets van hebben begrepen.
Nu zijn wij echter zover en kan ik je met de wedergeboorte verbinden.
God komt dus ook hen te hulp en dan geschiedt dát, wat de wedergeboorte is.
Diep is alles en groots, André, en daarvoor kunnen wij God niet genoeg dankbaar zijn.
Is het je duidelijk dat God Liefde is?
Dat wij mensen dit moéten ontvangen, of wij komen niet verder?
Aan hun leven komt geen einde, zij dragen geen bezit en komen hier niet vandaan.
Doch de wedergeboorte maakt hen vrij en dan ontvangen zij een nieuw lichaam.
Voor hen is er dus geen andere mogelijkheid om vooruit te komen.”
„Hoe zal hun leven op aarde zijn, Alcar?”
„Deze mensen hebben het hard, André.
Zij kunnen proberen wat zij willen, toch komen zij tot niets.
Miljoenen van deze mensen leven er op aarde en al deze zielen hebben goed te maken.
Eén wet houdt hen gevangen, hun leven op aarde is een diep raadsel en zij voelen zich verongelukt.
Een hoge maatschappelijke positie bereiken zij niet, dat alles hebben zij reeds verknoeid.
Iets is er, André, dat hen steeds en steeds weer laat voelen, tot hier en niet verder.
Zie, dat zijn nu die ondoorgrondelijke wetten van God en dan vervloekt de mens zijn Vader, omdat hij zijn eigen leven niet begrijpt en al deze wetten niet kent.
Dat raadsel leeft op aarde, zoekt zich een bestaan en alles mislukt, hun gehele leven lang.
Iedere menselijke toestand op aarde is dan ook een diep geestelijk raadsel, ook dat zal je thans duidelijk zijn.
Eenieder bezit zijn eigen karma wat het verleden is en betekent.
Wat zou je liever willen bezitten, André, hier in diepe duisternis, waar koude en ellende is, of op aarde in een stoffelijk organisme, met zon en mensen om je heen?
Wanneer men dit alles kan aanvaarden dan is het leven op aarde niet zo moeilijk, want men beleeft datgene wat men misdaan heeft.
Doch de mens is in opstand, want waarom hebben die anderen alles?
Alleen aan deze zijde zoals je ziet, is dit diepe probleem op te lossen.
Eén kracht echter is er, die dit alles bestuurt, het is die kracht waardoor mens en dier, sterren en planeten zijn geboren.
Die kracht waakt en stuwt en zegt, tot hier en niet verder, wanneer mensen alle natuurwetten hebben overschreden.
Dan staan wij voor dit wonder, dit diepe en machtige probleem dat wij aan deze zijde hebben leren kennen en zijn dankbaar voor alles.
Zie hier rond, André, zie hoeveel ellende hier leeft en dat zijn mensen.
Ik heb je dit alles vroeger reeds getoond, doch thans heb ik je de betekenis van al deze geestelijke wonderen en problemen die wij kennen, duidelijk mogen maken.
In spleten en holen leven zij en waar je hier ook ziet, leven kinderen van God.
Allen hebben de goddelijke vonk, maar moeten ontwaken.”
„Maar wat bereiken zij nu op aarde, Alcar?”
„Ik zei je reeds, zij kunnen niets bereiken.
Zij zullen daar leven en op deze wijze gaat dat aardse leven voorbij en treden zij opnieuw hier binnen, doch dan kunnen zij zich voortbewegen.
Voel je, André, hoe wonderbaarlijk het is?”
„Ja, Alcar, zij behoren dan weer tot de levenden?”
„Juist, zo is het en dat is de bedoeling van God.
Eenmaal bevrijd van dit leven, kruipen zij hier rond en gaan zij verder om het land van haat te bereiken.
Op onze andere reizen heb ik je ook dit duidelijk gemaakt.
Door die nieuwe geboorte zijn zij dus tot het leven teruggekeerd.
En dit, mijn zoon, is een grote genade, waarvoor wij God niet genoeg dankbaar kunnen zijn, of aan deze duisternis komt geen einde.
Maar wij kennen geen verdoemdheid, God heeft al Zijn kinderen lief, ook deze kinderen die alle natuurwetten hebben overschreden.
Hoe hoger wij nu komen, hoe meer veranderen de sferen en tevens de mensen.
Je weet dat er zeven hellesferen zijn.
De diepe duisternis lost reeds op en naarmate wij hoger komen, zal je beter kunnen waarnemen.
De mensen die daar leven, kruipen als dieren rond, doch zijn vrij in hun doen en laten en kunnen gaan waarheen zij willen.
Toch houdt hun hel hen gevangen en waarom dit zo is heb ik je reeds verteld.
In de eerste drie boeken (de trilogie ‘Een Blik in het Hiernamaals’) hebben wij dat vastgelegd.
Kom, André, iets verder en hoger zal je hen zien, die in die andere toestand zijn gekomen.”
De diepe duisternis loste iets op en André kon nu beter waarnemen.
Hier was hij reeds geweest, daar voor hem zag hij deze mensen.
Zij kropen over de aarde en zo afschuwelijk was hun gestalte, dat het geen mensen meer waren.
„Is het je duidelijk, André?”
„Ja, Alcar, alles, ik begrijp u volkomen.”
„Wie hier boven zijn, dus zij die in een hogere helletoestand leven, zijn voor de wedergeboorte nog niet te bereiken.
Al deze mensen leefden zich op aarde uit en ook die geestelijke toestanden heb ik je duidelijk gemaakt.
Wanneer je hun vraagt hoe zij zich voelen, dan vinden zij hun leven zo kwaad nog niet.
Wij echter rillen en beven van hun levens­opvatting en walgen van hun hartstochten.
Deze mensen blijven in die duistere sferen totdat zij eens zullen ontwaken en aan een hoger leven willen beginnen.
Mij gaat het nu om je te tonen, dat voor hen de wedergeboorte nog niet mogelijk is, want zij zijn bewust en moeten trachten zich van deze hel te bevrijden.
En al duurt dat eeuwen, eens zullen zij daaraan beginnen.
Ik zei je tevens, alleen dan, wanneer die heilige werking bewust in ons is.
Wij zijn het dus zelf die de natuurwetten wakker roepen en wanneer dit geschiedt, gaan wij in die werking over en moeten wij die werking beleven.”
„En is dat tevens voor de hogere mens, Alcar?”
„Ja, André, ik zal je dat aanstonds duidelijk maken.
Ik zei reeds, dit is voor iedereen, God maakt geen onderscheid.
Wat voor deze wezens is, is dus tevens voor hen die de sferen van licht hebben bereikt.”
„En zij die in het land van haat leven, Alcar?
Kunnen ook zij naar de aarde terugkeren?”
„Zij die in het land van haat leven, zijn dierlijke wezens en in hun leven bewust.
Voel je wat dit zeggen wil?
Zo-even zei ik, al deze mensen moeten eerst ontwaken, eerst dan komt er wroeging in hen en vragen zij hun God dat goed te mogen maken.
Doch we weten, dat er honderden jaren voorbijgaan voordat zij zover komen.
Zij beleven opnieuw het leven op aarde, doch thans als de astrale mens.
Toch kunnen zij deze genade ontvangen.”
„Wanneer ik u goed heb begrepen, dan is het eerder mogelijk uit de diepste hellen geboren te worden dan uit het land van haat, Alcar?”
„Inderdaad, mijn zoon, heel goed.
In de diepste duisternis liggen zij neer en kunnen zich niet bewegen.
In het land van haat echter is er werking, zij kunnen gaan waarheen zij willen.
Het spreekt vanzelf dat al deze mensen tot inzicht moeten komen en aan een ander leven moeten beginnen.
In hun leven zien wij vele mogelijkheden, in de diepste duisternis is er maar één mogelijkheid: de wedergeboorte, waardoor hun toestand verandert.
Na het land van haat volgt het schemerland, dat aan het land van haat grenst.
Maar in al die sferen leven dus mensen die zich reeds voor de wedergeboorte hebben afgesloten, omdat zij tot de levenden behoren.
Voel je ook dit, André?”
„Ja, Alcar, het is mij heel duidelijk.
Zij willen immers niet anders, denken alleen aan dat wat zij willen bezitten en vinden dit op aarde.”
„Heel goed, André, dit is hetgeen ik je duidelijk wilde maken.
Zij daar beneden hebben maar één verlangen, maar zij in het land van haat en in het schemerland duizenden verlangens en dit sluit hen voor de wedergeboorte af.
Iemand dus die met zijn eigen probleem rondwandelt, kan aan niets anders meer denken en eerst dan geschieden deze wonderen.
Dan voelt men wroeging, André, en wil men goedmaken.
Honderden jaren kunnen er echter voorbijgaan voordat dit gebed wordt verhoord.
Ik heb dat alles beleefd, heb aan deze zijde al deze problemen leren kennen en ben God zeer dankbaar.
Toen ik in de duisternis was om anderen te helpen ontmoette ik een vrouw, die ik van een hoger leven wilde overtuigen.
Hoe ik ook trachtte haar te bereiken, het was mij niet mogelijk.
Toen snelde ik terug naar de hogere sferen en vroeg mijn meester wat ik moest doen om dat zieleleven te kunnen helpen.
In haar leefde een groot probleem, niemand kon haar helpen, alleen God kon het haar geven, waardoor haar leven zou veranderen.
Mijn meester zei: „Broeder Alcar, wacht af.
Er is maar één kracht die dit kan en die kracht is God, maar het wezen zelf moet die wetten en krachten in werking brengen.”
„Maar, zei ik, het leed en de wroeging die zij voelt is verschrikkelijk.”
Toen zag mijn meester mij aan en zei: „Ja, mijn broeder, zij leeft, zij is wakker en bewust en zij verlangt, maar haar verlangen is nog niet intens genoeg zodat die werking kan geschieden.
Ga terug en zie hoe zij is, volg haar en gij leert dit wonder kennen en zie toe hoe onfeilbaar dit alles is.”
Ik daalde opnieuw af, André, en zag dit wonder voltrekken.
Langzaam maar zeker loste zij voor mij op en verdween zij voor mij, in een andere wereld was zij binnengetreden.
Weer keerde ik naar de sferen van licht terug en vertelde dit aan mijn meester.
Hij zei tot mij: „Als dit niet was geschied, konden er duizenden jaren voorbijgaan, dan nog bleef zij in haar eigen toestand en die kwelling is niet te beschrijven.
Doch God komt ons allen te hulp, alleen dan te hulp wanneer wij ernstig willen.
Zou God een Vader van liefde zijn als hij dit aan Zijn eigen leven zou weigeren?
Volg haar thans op aarde, ik zal u zeggen waar zij wordt geboren en zie toe, hoe dit leven opgroeit.
Zie wat er geschiedt in dat korte aardse leven en gij leert de goddelijke wetten kennen.”
Toen keerde ik naar de aarde terug, André, en volgde dat leven.
Deze ziel beleefde haar eigen probleem en God gaf haar deze genade om tot zichzelf te komen.
En zij kwam tot zichzelf en toen zij dat aardse leven ging verlaten en de dood haar riep, trad zij hier binnen en was zij van die verschrikkelijke wroeging bevrijd, zodat zij voor een nieuw leven openstond.”
„Wat groots is dat, Alcar?”
„Ik zei je reeds, André, daarvoor kunnen wij onze Vader niet dankbaar genoeg zijn.
Steeds en steeds weer komt God al Zijn kinderen te hulp.
Waar geen gebed helpt, daar helpen natuurwetten.
Dat leven wordt beleefd, de daad lost op en de ziel is gelukkig en gaat aan een nieuw leven beginnen.
Is je dit duidelijk, André?
Dan voel je, dat in alles Gods liefde is en wij mensen alles kunnen ontvangen wanneer wij ernstig willen.
Dit behoort bij ons leven, is de wedergeboorte op aarde, is een grote genade Gods.
Wanneer wij de kringloop der aarde hebben volbracht, leren wij al deze goddelijke wetten kennen.
Wat nu voor deze zielen is om zich van hun eigen ellende te bevrijden, ik zei het reeds, is tevens voor het hogere wezen dat voor de aarde iets wil doen.
Ook het hogere wezen kent en bezit zijn eigen problemen.
Als wij eens dit leven gaan kennen, André, en voelen wat wij hebben ontvangen en in al die miljoenen jaren hebben mogen beleven, dan komt er een ander gevoel in ons en dat is dankbaarheid.
Hoe kunnen wij echter die dankbaarheid tonen?
Duizenden middelen en wegen zijn daarvoor.
In de eerste plaats kunnen wij ons aan deze zijde nuttig maken, in de hel en in de sferen van licht, zo ook op aarde.
Wij kunnen in deze sferen afdalen waar veel werk te doen is.
Haast iedereen daalt in deze duisternis af om anderen te helpen.
Ook gaan er velen naar de aarde en helpen daar hun vrienden en hun zusters en broeders.
Weer anderen willen iets aan de aarde brengen, daar iets tot stand brengen om God voor alles te danken.
En ook dat is mogelijk en worden zij opnieuw geboren.
Nu ga ik in die tijd over toen de aarde de kunst zou ontvangen.
Intussen keren wij naar de sferen van licht terug, onderweg kan ik je hiervan vertellen.
Wij zullen dus de duisternis verlaten, André, en voorlopig zal je hier niet terugkeren.
Heb je mij hierover nog vragen te stellen?”
„Neen, Alcar, ik heb u in alles begrepen.”
„Prachtig, André.
Je hebt toch zeker wel begrepen dat, wat er ook op aarde is, het van deze zijde komt?
Niets is er op aarde, of zij hebben het van hun zusters en broeders aan deze zijde ontvangen.
Op onze vorige tocht hebben wij hierover gesproken, nu echter ga ik je ook dit duidelijk maken, want het behoort tot de wedergeboorte op aarde.
Alles wat op aarde is, hebben wij hun daar gebracht door inspiratie, doch tevens door de wedergeboorte.
Er werden dus wezens geboren die voor kunst naar de aarde kwamen, omdat de aarde dit nodig had.
Men bereikte daarmee dat de mensen zich voor hogere dingen gingen interesseren.
Ik ga je nu met die toestand verbinden en zal je aantonen hoe dit geschiedde.
Waar wij ook zijn, reeds van de eerste sfeer af zien wij geestelijke wezens zich gereedmaken om die genade te ontvangen.
Is het je duidelijk, André, waarom al deze wezens de eerste sfeer hebben moeten bereiken voordat de wedergeboorte mogelijk is?”
„Ja, Alcar, dat is mij heel duidelijk, want al deze mensen moeten zich eerst van alles vrijmaken.”
„Juist, André, zij moeten dit verdienen, een bestaansmogelijkheid bereiken, willen zij die wetten in werking brengen.
In de laagste drie hellen is dit mogelijk, doch daarna zijn zij bewust en omdat zij bewust zijn is hun innerlijke leven anders en is die werking niet mogelijk.
Zij gaan dus steeds verder en hoger en hebben zij dat doel eenmaal bereikt, dan leren zij deze wetten kennen, die door hun wroeging tot werking zijn gebracht.”
„Hoeveel wonderen zijn er aan deze zijde, Alcar, en hoe natuurlijk is alles.
Hoe groot de genade dit te mogen ontvangen.
Heeft u de wedergeboorte beleefd, Alcar?”
„Ja, mijn zoon, ook ik behoorde tot hen die deze genade mochten beleven, doch daar vertel ik je straks over.”
„Is dit het schemerland waar Gerhard leefde, Alcar?”
„Ja, André, spoedig zijn wij in de eerste sfeer.”
„Van deze sfeer uit is dus de wedergeboorte niet mogelijk?”
„Neen, want zij hebben andere problemen te beleven en daar zijn zij vol van, staan dus voor diepere belevenissen niet open.”
„Dit is heel duidelijk, Alcar, nu begrijp ik het nog beter.”
„Dit moet duidelijk zijn, mijn jongen.
Al deze mensen hebben een andere geestelijke afstemming, beleven hun eigen leven en kunnen dus aan niets anders denken.”
„Wanneer een mens opnieuw geboren is, Alcar, en op aarde sterft, is er dan niets veranderd wanneer zij hier binnentreden?”
„Ja, zeker.
Indien vorderingen op aarde zijn gemaakt zullen zij dit onmiddellijk aan deze zijde waarnemen.”
„En zijn zij zich daarvan bewust?”
„Neen, dat is niet mogelijk, eerst in de vierde sfeer kunnen wij dit waarnemen.
Ook daarvan heb ik je verteld.
Ik zal je dit dan ook tonen wanneer ik je met mijn eigen leven ga verbinden.
Er is verandering te zien en dat heeft men dan in dat aardse leven bereikt.”
„Is het niet mogelijk dat zij terugzinken, Alcar?”
„Neen, ook dat is niet mogelijk, die krachten liggen in ons.
Voel je wat ik bedoel, André?”
„Ja, Alcar, ook dit is mij duidelijk.”
„Voordat wij op aarde geboren worden, mediteren wij jarenlang en bereiden ons voor op deze grote gebeurtenis.”
„Duurde het voor u lang, Alcar?”
„Voor mij duurde het ongeveer een halve eeuw.”
„Wat zegt u, vijftig jaren?”
„Ja, mijn zoon, vijftig jaren volgens aardse berekening had ik nodig mij voor deze taak gereed te maken.”
„Het is alweer een nieuw wonder dat u mij duidelijk maakt.”
„Ik moest innerlijk gereed zijn wilde ik deze grote genade kunnen ontvangen, eerst dan volgt de geboorte op aarde.
Toen ik opnieuw dit leven binnentrad, had ik een hogere sfeer bereikt, wat mij echter eerst later duidelijk werd.
In het leven op aarde had ik mij dus die hogere toestand eigen gemaakt.”
„Het is allemaal zo wonderbaarlijk, Alcar, ik heb geen woorden.”
„Kijk, André, daar is de eerste sfeer.
Wij gaan nu naar de tempel der kunst en daar ga ik je met het verleden verbinden.
Je zult beleven wat er aan deze zijde geschiedde in die tijd, nu enige eeuwen geleden.
Op verschillende wijze tracht ik je dus van de wedergeboorte te overtuigen.
Daarginds treden wij binnen.
Je bent daar reeds geweest, André, het is de tempel van de schilder- en beeldende kunst.
Daar moet ik zijn.
Ook in de tweede sfeer heb ik je deze tempel getoond.
Hier echter heeft deze tempel een andere betekenis.
In de jaren dat de kunst op aarde zou worden geboren, kwam die kunst uit deze tempel.
Hier leefden de kunstenaars en deze wezens zouden opnieuw op aarde worden geboren.
Ik heb je beloofd daarvan te vertellen.
Deze kunst, ik bedoel van de oude meesters op aarde, staat zeer hoog.
Waarom leefden al deze kunstenaars in die Gouden Eeuw?
Waarom waren zij daar en zijn zij er nu niet meer?
Deze vragen ga ik je thans beantwoorden.
Ook nu wordt er op aarde geschilderd en toch, zij kunnen dit niet evenaren.
Zulke meesters komen niet meer op aarde, kunnen daar niet meer komen, of zij brengen die kunst, die men op aarde niet meer begrijpt.
En wat bereiken wij dan?
Hier houdt men daarmee rekening.
Ik heb je reeds gezegd, dat de kunst van de tweede en derde sfeer niet meer wordt begrepen.
Als die op aarde werd geboren, zou dat een openbaring zijn, maar ook die openbaring zou niet worden gevoeld.
Dat gaat boven hun gevoel en dan zouden de hartstochten van de mensheid ontwaken, alleen door onze kunst.
Ik heb je indertijd ook verteld, dat men mijn kunst stal en er doden vielen; alleen om een stuk te willen bezitten om dat te gelde te maken.
Zie, dat is een stoornis en als die hogere kunst werd gegeven, zou dat opnieuw geschieden, maar nog veel en veel meer.
De kunst, die in die tijd aan de aarde zou worden geschonken, kwam uit deze sfeer en er waren meesters, die reeds met de tweede sfeer verbinding hadden.
Doch dat waren er maar enkelen.
Hier werd echter gevoeld wat zou geschieden.
Hier in de eerste sfeer was het, dat die meesters zich gereed gingen maken.
Hier mediteerde men, voordat dát ontzaglijke gebeuren zou plaatsvinden.
Kom, André, wij gaan naar binnen.”
André volgde zijn leider en herkende dit prachtige gebouw.
Onmiddellijk werd Alcar begroet.
Een geest van het licht trad Alcar tegemoet en verwelkomde hem.
André hoorde hem spreken.
Deze geest droeg een prachtig gewaad en André begreep, dat het een meester uit de derde sfeer was.
Aan dit gewaad en aan zijn innerlijke licht herkende hij zijn sfeer.
Alcar wenkte André tot hem te komen en toen verwijderde zich deze gestalte.
„Ziedaar, André, kunst en wel geestelijke kunst.
Dit zijn jonge kunstenaars die op aarde hebben geleefd en zich thans aan deze zijde bekwamen.
Je weet dat dit mogelijk is.
Ik heb je tevens verteld en duidelijk gemaakt, dat zij beter in de duisternis zouden kunnen afdalen en daar werk doen, dan hier te schilderen.
Maar deze tempels staan voor de mens open en eenieder die wil kan zich daarin bekwamen.
Krachtige geesten echter voelen wat zij zouden kunnen en dalen af en bereiken dan veel in die korte tijd, zoals je van Gerhard weet.
Maar daarom gaat het mij niet, want dit gaat hier reeds duizenden jaren door.
Als zij uitgeschilderd zijn, komen zij tot zichzelf.”
„Waarom zegt men hun dat niet, Alcar?”
„Dat heeft geen zin en geen nut, mijn jongen.
In hen ligt dat gevoel en dat gevoel moeten zij beleven of ook zij komen niet verder.
Voel je nu hoe intens hier onze gevoelens zijn en dat wij niets, niets anders kunnen doen en voelen dan dat ene?
Voel je dan dat zij, die arme wezens hier beneden, in en door hun eigen leven stikken?
Dat zij geen voet hoger of lager kunnen verzetten en zij eerst dat moeten beleven, om dan aan andere dingen te kunnen denken?
Deze meester die mij herkende is hier, omdat hij goed werk doet en hen als het nodig is, van hun verkeerde gevoelens overtuigt.
Zo is ook het leven op aarde en dat vinden wij in de sferen terug, maar alleen hier in de eerste sfeer, omdat de eerste sfeer als de aarde is.
In de tweede sfeer behoeft men niemand meer aan te sporen, in hen is die kracht en wil, zij zijn dus zo ver gekomen.
Hier schilderen zij, in andere toestanden in deze sfeer wandelen zij rond en zoeken hun leven in de natuur en trachten achter de waarheid te komen hoe alles groeit en leeft.
Maar ook daarmee komen zij niet verder.
Ook ik schilderde en dacht daarmee alles te kunnen bereiken.
Doch dat is voor ons innerlijke leven niet mogelijk.
Wij kennen en bezitten dan kunst, ons gevoel is ontwikkeld, maar daarmee komen wij toch niet verder, want hier moet men dienen en wel het leven dienen.
Zie, André, al deze mensen trachten in kunst iets te bereiken, doch mij gaat het om het verleden en daarmee ga ik je verbinden.”
Op hetzelfde ogenblik ging André waarnemen.
Voor zich zag hij vele wezens.
„Deze geestelijke wezens, André, waren vele eeuwen geleden hier verenigd.
Velen van hen werden op aarde geboren en hier onder hen zie je mij.”
„Wat zegt u?”
„Dat ik onder hen ben, André.
Zoek mij en je zult mij vinden.”
André volgde hen allen.
Dan schrok hij, want daar zag hij zijn leider.
Mijn God, hoe is het mogelijk?
„Ja, u bent het, ik herken u, Alcar, aan deze mens ligt u vast.
Wat vind ik dat een groot wonder, Alcar.”
„Zie daarginds, André, onze meester, zoals hij, die mij zo-even begroette.”
André keek in die richting.
Hij voelde in deze mens kunst.
Dit wezen was een genie.
Hij leefde in kunst en ook in zijn uitstraling lag kunst.
„Wat betekent dit, Alcar?”
„Dit betekent, dat deze mens zijn hoogste graad in kunst voor deze sfeer heeft bereikt.
Zijn gevoel staat alleen voor kunst open, hij is niets anders dan alleen kunst.
Dat gevoel zie je in zijn uitstraling.
Er zijn wezens aan deze zijde die zich voor andere studies hebben bekwaamd en ook dat is aan hun aura te zien.
Maar in hem is alleen kúnst en daarin is hij een meester.
Doch dat zegt echter nog niet dat hij veel liefde bezit.
Zijn liefde is als de eerste sfeer en hier leeft hij dus.
Ook ik ben daar, doch ik heb je nog van mijn binnentreden aan deze zijde te vertellen en kom dus op mijn eigen leven straks terug.
Ik zei je reeds, ik kwam aan de grens van de eerste sfeer en ook ik wilde in kunst wat bereiken, maar bereikte tevens dat ik opnieuw werd geboren.
Al deze mensen, André, evenals ik, werden opnieuw geboren.
Dit, wat je nu waarneemt, is het ogenblik dat wij ons gereedmaakten.
Een hoger wezen zou ons van die zending overtuigen en dat geschiedde.
In ons was verlangen dit op aarde te mogen brengen.
Er was kunst op aarde, doch nu zou de kunst haar hoogtepunt bereiken, als dit kon worden gegeven.
Dat bericht kwam van de hogere kosmische meesters, die niet alleen de sferen bestuurden, maar tevens de evolutie op aarde volgen.
Wat men op aarde met al die kunst zou doen, wisten zij en dat was om het menselijke peil te verhogen.
Eerst de kunst, de schilder- en de beeldende kunst en daarna de muziek.
Ook de muziek werd van deze zijde af op aarde geboren.
Hier dus maakten wij ons gereed en velen van hen waren meesters.
In ons lag dat gevoel en een hevig verlangen dit op aarde te mogen brengen.
Maar waar kwamen die gevoelens vandaan?
Van onszelf?
Was ik mij bewust en in deze sfeer reeds zo ver gekomen, dat ik dit bewust voelde?
Ik stel deze vragen, André, om je duidelijk te maken dat ik deze gevoelens niet bezat.
Het waren de kosmische meesters die in ons deze gevoelens wakker maakten, zij waren het, die in stilte en van verre op ons inwerkten en zo zien wij het volgende geschieden.
Velen zonderden zich af en mediteerden.
Dat is alleen in deze natuur mogelijk en onder het een of ander werk.
Dan gingen wij allen naar de aarde en zagen toe wat de mens daar deed.
Daarmee gingen echter jaren voorbij, maar met onze kunst waren wij gereed.
Wij allen wisten echter niets van de hogere inwerking af, hoewel die inwerking ons in de gewenste toestand bracht.
Zo gingen er jaren voorbij en naderde de tijd, dat die kunst op aarde zou worden gebracht.
De een na de ander verdween.
Hoe wij ook trachten elkander te vinden, het bleek niet mogelijk.
In werkelijkheid losten wij allen op en gingen in de wereld van het onbewuste over.
Ik ken al mijn kunstbroeders die in die tijd op aarde waren.
Deze meester werd tevens op aarde mijn meester, ik heb je hem op deze reis getoond.
Maar hoe is het mogelijk, André, dat wij ons daar zouden terugzien?
Op aarde wisten wij natuurlijk niets van deze zending af en toch, de één werd de leermeester van de ander.
Als de één zijn taak had volbracht, werd de ander geboren en dat voltrok zich als met de piramide geschiedde, in verscheidene jaren.
Voel je dit grote wonder, mijn zoon?
In het Zuiden en in het Westen, in verschillende steden op aarde, leefden wij.
Deze meester, André, is op aarde bekend en als ik aanstonds mijn eigen aardse naam noem, om deze aan dit werk te verbinden, zal men ook die kennen.
Hoevele namen hebben wij echter op aarde gedragen?
Maar deze is mij lief en daar kan ik steeds aan terugdenken.
Hij daar, mijn meester op aarde, eens echter, vele duizenden jaren geleden, mijn echtgenoot.
Hoe ongelooflijk dit alles voor de aarde ook is, ik heb je dit aan deze zijde duidelijk mogen maken en eenieder zal aan deze zijde daarmee verbonden worden.
Dit mochten wij aan de aarde brengen, omdat men dit van deze zijde af aan de aarde wilde schenken.
Dit geschiedde tevens voor de beeldende kunst.
Eén van de grootste genieën die men op aarde heeft gekend, kwam van deze zijde.
Al die meesters, mijn zoon, werden opnieuw geboren, omdat dit een kosmische betekenis had.
Ik zei je reeds, wat voor de piramide mogelijk was en voor al die armen hier in de duistere sferen, voor de zelfmoordenaars en zij die alle geestelijke wetten overschreden, zo is dit tevens mogelijk voor het hoger afgestemde wezen dat daar iets heeft te brengen en dit voor het goede moet doen.
Geen uitgezonderd, allen werden kunstenaars.
In onze jeugd waren die gaven in ons.
Hoe kan het ook anders, wij waren voor de kunst geboren en dit is eenvoudig, wanneer men de geestelijke betekenis kent.
Ik zou niets anders hebben gekund en voor niets anders mijn krachten hebben kunnen aanwenden, omdat ik daarvoor geen gevoelens bezat.
Ik was in wezen door de kunst bezield en niet alleen dat dit mijn bezit was, maar wij werden ook vanuit deze zijde geholpen.
In mij was religie en daarom schiep ik religieuze voorstellingen, die gevoelens waren in mij.
Toch begrepen wij allen daarvan niets.
Hoe zouden wij deze betekenis hebben kunnen begrijpen nu wij weten dat door de geboorte alles oplost en alleen dat, waarin wij leven, bewust is?
Straks kom ik hierop terug, André, nu moet ik je echter eerst andere wonderen duidelijk maken en daarvoor gaan wij in de natuur en straks naar Golgotha terug, om je met een ander wezen te verbinden.”
Alcar ging naar buiten en André volgde zijn leider.
Weer had hij nieuwe wonderen leren kennen.
Diep ontzag voelde hij voor alles en hoe natuurlijk was het eigenlijk.
Als het niet zo was, zou het geen openbaring kunnen zijn.
Alcar was een groot kunstenaar geweest en nu was hij in de geest en een meester uit de vijfde sfeer.
Hoe bewonderde hij zijn leider!
Geruime tijd wandelden zij voort en hij voelde dat zijn leider naar de stilte terugkeerde.
Nu wandelde hij in de eerste sfeer en ook hier, hoe dieper hij in dit leven afdaalde, voelde hij, alsof hij hier meermalen was geweest.
Dat was hij ook met zijn leider, doch dit was anders.
Hij herkende al deze schoonheid en hoe meer hem duidelijk werd gemaakt, des te inniger ging hij dit grote raadsel, dat hij diep in zich voelde, begrijpen.
Met deze gevoelens kwamen thans alle herinneringen in hem terug.
Hij kon er nog steeds geen woorden voor vinden en toch moest dit een betekenis hebben, dat stond voor hem vast, want het was te innig, maar hij zou ook hier wel een antwoord op ontvangen.
Straks zou Alcar hem zijn eigen verleden duidelijk maken en hij zou afwachten.
Daar voor hem waren geestelijke wezens.
Allen wandelden en waren in gedachten.
Sommigen, zag hij, waren in een dicht waas gehuld, anderen waren meer doorschijnend.
„Wat betekent dit, Alcar?”
„Dit betekent dat zij met hun geliefden hier zijn en straks zullen afdalen.
Ik wilde je ook dit duidelijk maken.”
„Weten zij dan daarvan?”
„Ja, André, zij weten dat zij spoedig zullen vertrekken, maar zij zijn eeuwig verbonden en zullen dat blijven.
Op onze vorige reis heb ik je daarvan verteld.
Eén van hen daalt in de wereld van het onbewuste af en de ander blijft aan deze zijde en wordt de controle voor deze mens op aarde.”
„Heeft u mij niet verteld, Alcar, dat dit alleen in de vierde sfeer mogelijk is?”
„Ja, André, doch ik heb dit probleem slechts even aangehaald, en dit heeft dan ook een betekenis.”
„Voelt u dan dat deze een geestelijke zending te volbrengen heeft?”
„Ja, dat voel en zie ik.”
„Zijn zij dan voor dat leven op aarde gescheiden?”
„Heb ik je niet vele malen gezegd, dat wij nooit kunnen worden gescheiden?
Zij zijn voor eeuwig één en zullen dat blijven.
Zij, deze ziel brengt iets op aarde en heeft daar tevens iets goed te maken.
Ook ik had toen ik op aarde was iets goed te maken en allen met mij die daar werden geboren.
Deze mens echter is de inspiratie voor haar en voert haar op aarde op tot grote hoogte.”
„Wat is dat moeilijk, Alcar.
Hoe oud moet zij daar worden?”
„Zij zal ongeveer tussen de zestig en zeventig jaar worden.”
„En dat andere wezen is al die tijd alleen, moet toezien dat men haar bespot en sart, want ook zij zal toch haar leed en smart en vele andere dingen ontvangen en beleven?”
„Dat heb je goed gevoeld, André.
Op aarde zal zij iemand ontmoeten en aan dat wezen zal zij goedmaken.
Tevens brengt zij iets en ook dat is om in die tijd vrij te komen van dát, wat haar hier tegenhoudt en haar ontwikkeling belet.”
Een nieuw wonder, dacht André.
„Hoe verschrikkelijk lijkt mij dat, Alcar.”
„Zou je denken dat je dit niet tot stand zou kunnen brengen, nu je dit alles weet, of dat je dit niet zou kunnen?”
„Ik weet het niet, maar het lijkt mij zo moeilijk.
Als zij die andere zal ontmoeten dan voel ik nu reeds dat hij haar, als zij in het moederlichaam zal afdalen, niet zal begrijpen.
En dat is vreselijk, want dat leven is dan zo moeilijk.
Och, wat een diepte en wat een opoffering.”
„Diep is dit wonder, André, doch het is geen opoffering.
Je hoorde toch wat ik zei, dat zij tevens zal goedmaken?
Dan is het geen opoffering maar een genade, een grote genade, die God aan al Zijn kinderen geeft, wanneer wij in dat leven goed moeten maken en datgene in een kort aards leven kunnen bereiken.
Als het wezen op aarde is waaraan wij goed te maken hebben en wij reeds aan deze zijde zijn, is dat dan niet beter, dan jaren en jaren af te wachten voordat wij aan deze zijde verder kunnen gaan?
Het houdt ons onherroepelijk tegen, het belemmert onze ontwikkeling, omdat wij niet verder kunnen en die mens op aarde leeft.
Voel je het grote wonder van deze toestand en dat het een grote genade is, als dit geschiedt?
Dan bereikt men in dat leven heel veel en als dan het einde komt, is alle leed voorbij en zijn zij eeuwig verbonden.
Dan zijn zij zusters en broeders in de geest en gaan zij aan deze zijde verder.”
„Ik vind het verschrikkelijk, Alcar.
Hoe moet deze geest, die aan deze zijde blijft, lijden.”
„Heb je Lantos’ leven goed begrepen?
Wat deed hij toen die tijd eenmaal kwam?
Hij bracht zijn eigen (tweeling)ziel met Roni in verbinding en zag toe dat zij aan handen en voeten werd gebonden.
En toch is dit duizendmaal beter, dan hier te moeten afwachten en niet verder te kunnen.”
„Dus als ik u goed heb begrepen dan bedoelt u het volgende.
Wanneer ik op aarde iemand iets heb aangedaan en ik ben in de sferen teruggekeerd, maar diegene gaat weer naar de aarde terug, dan moet ik toch wachten totdat ik dat heb goedgemaakt?
Kunnen dat anderen niet voor mij doen?”
„Neen, alleen zij hebben met je leven te maken, zij ondergingen dat leed en niet die anderen.
Veel kun je voor anderen doen en toch, deze wezens zal je opnieuw ontmoeten, want zij zijn het die onze ontwikkeling tegenhouden.
Dat is de wet van oorzaak en gevolg.”
„Maar dit zijn toch zeker geen grote fouten, Alcar?”
„Je bedoeling is, omdat zij in de eerste sfeer leven?”
„Ja, dat bedoel ik eigenlijk.”
„Zij, die de eerste sfeer hebben bereikt, kunnen in deze sfeer nog grote zonden en fouten moeten goedmaken en toch reeds hier binnentreden.”
„Maar daar hebt u mij nog nooit van verteld, Alcar.”
„Dit was ook niet mogelijk.
Deze geestelijke wetten kan ik eerst nu behandelen, je zou ze niet hebben begrepen.
Ik behandel nu deze wetten, omdat al deze toestanden met de wedergeboorte te maken hebben.
Wanneer wij vrij zijn van haat, hartstocht en geweld en reeds liefde bezitten, kunnen wij de eerste sfeer aan deze zijde binnengaan, om toch nog fouten en zonden te bezitten, die wij eerst nu goed kunnen maken.
Meestal geschiedt dan dit wonder, waarvan ik je nu heb verteld.”
„Een wonderbaarlijk iets is het, wat u mij thans duidelijk maakt.”
„Vergeet niet, André, dat de eerste sfeer is als de aarde.
Er zijn nog twee sferen om de eerste geestelijke bestaanssfeer te bereiken.”
„Nu voel ik het, Alcar.
Hoe wonderlijk is ook dit.
Daaraan heb ik niet gedacht.”
„In de eerste sfeer, André, zal en moet alles oplossen, eerst dan kunnen wij verdergaan.”
„En daarvoor keren velen van hen naar de aarde terug?”
„Ja, André, om de zonden en fouten goed te maken en tevens te dienen.”
„Hoe zullen zij elkander dan vinden, Alcar?”
„Daar zorgen zij voor die aan deze zijde leven.”
„Dus deze geest zal haar, als het zover is, verbinden, terwijl het zijn eigen leven, zijn eigen ziel is?”
„Ja, André, zo geschiedt het.
Nogmaals vraag ik je, zou je dit niet kunnen en tevens op aarde iets brengen en dan goedmaken?
Is die dankbaarheid niet in je?
Wij allen hebben dit gekund, niet één uitgezonderd.
Velen vragen op aarde waarom toch God de mensen zo innig bij elkaar brengt, maar de één leert van de ander.
De één keert voor zijn innerlijke leven terug, een ander om aan de aarde en de mensheid iets te brengen.
Er zijn duizenden mogelijkheden waardoor wij weer naar de aarde terugkeren, maar voor een vast doel en dat doel wordt bereikt.
Ik ken vele geleerden die op aarde zijn en alleen daar werden geboren voor een uitvinding ten goede voor de mensheid.
Nog eerst kort geleden zijn hier twee genieën aangekomen, die beiden naar de aarde terugkeerden, om aan de aarde en de wetenschap iets te brengen, waardoor men duizenden mensen van hun verschrikkelijke ziekten kon verlossen.
Waren deze wezens niet op aarde geïncarneerd en waren er tevens geen wezens aan deze zijde die hen inspireerden, dan hadden zij daar niets bereikt.
Maar dit was van tevoren beleefd en tot stand gebracht en daarvoor keerden zij naar de aarde terug.
Ook voor andere wetenschappen is dit mogelijk.
Als de doktoren van deze zijde af niet naar de aarde terugkeerden, om iets voor de mensheid daar achter te laten, dan kwam men nooit verder.
Maar zij werden opnieuw geboren en keerden na hun gedane taak terug en zagen dat zij daar niet voor niets waren geweest.
Op aarde wisten zij er niets van, hier echter gingen zij in het verleden over en waren gelukkig dat het was bereikt.
Dit is reeds zo oud als de aarde een plaats in het universum inneemt.
Ik heb je dat duidelijk gemaakt.
Van het ogenblik af dat de hel en de sferen van licht een aanvang namen, keerden reeds geestelijke wezens in een stoffelijk organisme terug en brachten hun innerlijke kennis op aarde.
Hier, André, vraagt men niet wat moeten wij beleven, hier wil men beleven, want wij allen dienen.
Wij willen goedmaken en voelen dit als een genade.
Dat doet elkeen en allen gaan daarin over en eens zijn zij zover.
Die wezens zijn niet tegen te houden.
Zie hen gaan en voel de ontzaglijke bezieling.
Zij banen zich een eigen weg en van deze zijde wordt die weg geëffend.
Hier waken wezens en die wezens zijn controles, de beschermengelen van hen op aarde.
Zij zijn innig met elkander verbonden en hebben allen een taak om datgene te bereiken waarvoor zij dienen.
Duizenden wezens hebben aan deze zijde een taak en die taak wordt volbracht, dat werk is niet te vernietigen, het zal en het moet geschieden hoe zij ook worden tegengewerkt, want zij allen willen.
Een heilige drang om te scheppen, is in hen.
Dat is geestelijk vuur, mijn zoon, heilig vuur dat opvlamt en anderen verwarmt.
Hoeveel geestelijke wezens zijn er niet op aarde voor ons werk?
Hoeveel geestelijke leiders zijn er niet aan deze zijde die hen op aarde helpen?
Op alle hoeken van de aarde leven zij thans, want nu is het de eeuw van geestelijk voedsel.
Voor de kunst, de beeldende en schilderkunst, keerden mensen van deze zijde terug en brachten daar wat zij zouden brengen.
Deze beide wezens zijn dus, zoals ik je zei, innig verbonden en zullen dat blijven.”
„En zij gaat in andere handen over, Alcar?”
„Wat zijn handen, mijn zoon, wat is een stoffelijk lichaam?
Een prachtig kleed, maar wij denken daar anders over.
Wij vragen alleen naar het zieleleven en hebben aan deze zijde niets aan dat lichaam, het innerlijke leven, dat is ons geluk.
Op aarde doet men een moord voor dat kleed, maar wij hier gaan heen en wachten totdat het innerlijke leven gereed is.
Dat is de eeuwige waarheid, dat is het wat wij liefhebben en dat gaat eeuwig verder, André.
Wij zien en voelen dat anders, want het diepe zieleleven wordt niet geraakt, noch in trilling gebracht.
Hier ontwaakt het, hier leeft het, daar ligt het diep in ’s mensen zieleleven verborgen.
Ook daar zou ik je veel van kunnen vertellen en dan zie je dat anders, doch dat is nu niet mogelijk.
Aan deze zijde, André, is gevoel leven, is gevoel liefde en licht, warmte en geluk.
Het stoffelijke lichaam is maar tijdelijk en sterft.
Op aarde heeft men het lichaam lief, wij echter het innerlijke leven.
De diepte van dit zieleleven wordt dan ook niet aangeraakt, is niet in trilling te brengen, omdat hier het wezen leeft dat dit kan en eenzelfde afstemming heeft.
Dat is de zieleverbinding en is rein geluk als men het voelt.
Anders zegt het niets en heeft het geen waarde.
Neen, André, zij gaat en zal gaan en met haar duizenden anderen.
Straks lost zij op en dan gaat het mannelijke wezen aan zijn taak beginnen en wacht af totdat hij haar kan bereiken.
Voel de diepte van dit grote wonder, mijn zoon, en wees dankbaar dat dit mogelijk is.”
„Wat een opoffering, wat een kracht, wat een bezieling, Alcar!”
„Zij voelen beiden deze genade en blijven deze genade voelen.
Zie deze jonge geest, zij keert terug.
Zij zal moeder worden en zal dit op aarde beleven.
Op aarde wacht iemand en zij zullen elkander op die grote aarde ontmoeten.
Als zij dit heeft beleefd, want niets kan dit tegengaan, dan keert zij naar de sferen terug en gaat aan deze zijde verder.
Dan is alles volbracht en beleefd en tevens geleden en goedgemaakt.
Zij zal dit machtige, dat men op aarde niet begrijpt, bewust beleven, in haar diepe innerlijk ligt dit alles.
Zijn dat geen wonderen, André?
Is dit niet machtig en moeten wij God niet dankbaar zijn?
Zullen wij die dankbaarheid in ons voelen nu wij dit weten?
Ik denk van wel, André, het kan immers niet anders.
Wij zullen zo voelen en denken, het is in ons en wij hebben het beleefd.
In alle sferen kan ik je deze toestand duidelijk maken, zelfs in de hoogste sferen, doch dan is die taak een bijzondere taak en heeft steeds met een groot gebeuren op aarde te maken.
En dit alles dient alleen voor de ontwikkeling van de mensheid, want die hogere wezens zouden op aarde niets anders kunnen brengen.
Dat is dan een zending van de hoogste orde en diegene is dan een grote persoonlijkheid op aarde.
Zij brengen wijsheid en geluk en dit heeft een kosmische betekenis.
Diegenen die nu naar de aarde terugkeren, brengen geestelijk voedsel, of wetenschap, of techniek.
Beiden volgen één weg, en zullen het beoogde doel bereiken.
Zo geschiedde dit al die miljoenen jaren en zou dit dan nu, nu de mensheid dit zo nodig heeft, nu Gods koninkrijk gevestigd zal worden, niet meer zijn?
Jij, André en miljoenen met jou, leven in een bijzondere eeuw, de mensheid op aarde zal het beleven.
Aan deze zijde is men gereed, wij wachten alleen om te mogen beginnen.
Juist nu brengen wij geestelijk voedsel, omdat die eeuw genaderd is en zij daarvoor openstaan.
Nu worden onze mediums niet meer verbrand en kunnen wij ons werk afmaken.
Ook daarvan heb ik je verteld.
Vroeger, enige eeuwen geleden, werd men op de brandstapel gelegd, nu durven zij dat niet meer, omdat zij verder zijn gekomen, zij anders zijn gaan voelen en denken.
Maar toen, mijn zoon, waren wij het zelf die anderen vernietigden en thans maken wij goed wat wij in die tijd vernietigden.
Toch braken wij af wat anderen opbouwden.
Die anderen zijn nu die wezens, die in de zesde en zevende Hemel leven en op dat terugzien, wat zij eens tot stand brachten.
En is dit alles zo ongelooflijk, zo vreemd?
Voor de mensheid op aarde zijn dit problemen, doch aan deze zijde waarheid en een grote genade.
Nog vinden zij ons waanzinnig, doch straks doen zij wat wij nu doen en danken zij hun Vader in de Hemel voor al deze goedheid.
Nu gaan wij naar de tempel der muziek.
Ook deze wezens werden op aarde geboren.
Hier maakten zij zich gereed en allen keerden naar de aarde terug.
Daarginds treden wij binnen, doch ook daar ben je reeds met mij geweest.
In enige eeuwen, mijn zoon, werd dit alles tot stand gebracht en in die eeuwen leefden er genieën op aarde.
Nog doet men aan muziek en schildert men en is er de beeldende kunst, doch het grootste genie dat heeft geleefd, is daar niet meer en zal niet meer op aarde worden geboren.
Als dit mocht geschieden, dan zijn wij duizenden jaren verder en dat is nog heel vlug, want de ontwikkeling van de mensheid gaat niet zo snel.
Kom, André, volg mij, dan zal je geestelijke muziek uit het verleden horen.”
André trad het gebouw binnen, dat vol mensen was.
Hij hoorde van verre al geestelijke muziek, die hij vroeger reeds in andere sferen had mogen horen.
Dat was in de vierde en de zesde sfeer, dat goddelijke had hij daar beleefd.
In het leven na de dood deed men aan kunst, aan alle kunst van de aarde, doch hoe machtig was deze muziek.
Duizenden wezens waren hier bijeen, het gebouw was geheel open en hij begreep wat dit betekende.
Stil was het.
Overal zag hij bloemen, vogels vlogen in en uit en waren de vrienden van de geestelijke wezens.
En dit was nog maar de eerste sfeer!
Nu scheen er een einde aan te komen, want allen gingen heen.
Jammer, dacht hij.
Meesters in kunst waren hier bijeen en vertolkten wat zij innerlijk voelden.
De instrumenten waren zoals op aarde, maar velen waren ook niet te vergelijken en niet te beschrijven.
Nu zei Alcar tot hem: „Kom, André, wij gaan verder en dieper het gebouw binnen.”
Hij volgde Alcar.
Wie zou hem kunnen geloven?
Geen mens, want dit was nu eenmaal te machtig, te ongelooflijk voor aardse mensen.
Toch beleefde hij dit alles, hij was uitgetreden en had zijn stofkleed verlaten.
Hij zag nog meer aardse mensen die hier waren, maar zij zouden zich straks niet meer bewust zijn, dat zij hier waren geweest.
Toch hadden zij in hun slaap, zoals zij zeiden, mooie muziek gehoord en hoe vreemd het ook was, met hun vader en moeder gesproken die reeds lang over waren.
Toch was dit werkelijkheid en zij zullen dat ééns zien.
Wanneer zij hier binnentreden en voorgoed en eeuwig hier blijven, zullen zij zien dat zij meermalen hier zijn geweest.
Hij herkende hen duidelijk die nog op aarde leefden.
Groot was hun geluk.
Zie, hoe zij straalden!
Ook daarvan wist de mens niets meer als hij ’s morgens ontwaakte.
Neen, dat aardse leven drong alles terug, daarin loste alles op en verdoezelde dit beeld.
Prachtig was het, hen zo te zien.
Daar waren vaders en moeders bijeen, een moeder die haar kind bezocht.
En ook dit was een genade, een heel grote genade.
Dan konden zij het leven weer aan en was ’s morgens die diepe droefheid verminderd.
Alcar ging steeds verder, maar nu bleef hij staan en wachtte op hem.
„Hier, André, ben ik op de plaats, waar zich eens, enige eeuwen geleden, wezens gereedmaakten om hun kunst op aarde te brengen.
Niet één, maar tientallen maakten zich gereed.
Allen zijn allang weer aan deze zijde.
Eén van hen ging op jeugdige leeftijd over.
Zie daar voor je, André.”
Op hetzelfde ogenblik ging André waarnemen.
„Daar voor je, deze geest bedoel ik, André.”
„Maar die ken ik, Alcar.
Zijn geestelijk gelaat is als zijn stoffelijk gelaat op aarde.”
„Ja, André, zo is het, ik wilde je dit tonen.
Ook dat is een geestelijke kracht die alleen wij kennen.
Dan overheerst het innerlijke leven het stoflichaam en straalt door dat dichte kleed heen.”
„Ik weet wie u bedoelt, Alcar, hij was een genie.
U bedoelt Mozart?”
„Ja, André, die naam heeft hij op aarde gedragen.
Zijn taak was deze kunst op aarde te brengen en die kunst kwam van deze sfeer.
En nu men zijn kunst kent en zijn innerlijke leven voelt, dan kun je wel nagaan hoe de kunst uit de tweede en derde, vierde, vijfde, zesde en zevende sfeer is.
Wat hij op aarde bracht is al zo machtig en dan de kunst uit de hogere sferen.
Met hem kwamen er vele anderen en ik zou je hen allen één voor één kunnen aanwijzen, wanneer ik mij met hun verleden ging verbinden.
Hier leefden zij, op aarde werden zij geboren en toen zij gereed waren gingen zij over.
Meer behoefden zij daar niet te doen.
Die kunst was volmaakt en eenieder schiep naar zijn eigen gevoelens.
Er zijn steeds kunstenaars op aarde, doch deze waren er maar eens en kunnen maar eenmaal worden geboren.
Zij zijn niet te evenaren en voor dat doel worden zij op aarde geboren.
Zij allen brachten het hoogste en tevens het allerlaatste.
Is het dan niet merkwaardig, André, dat zij niet meer op aarde zijn?
Waarom waren die mensen daar in Egypte en zijn zij er nu niet meer?
Ik zei je reeds, zij allen werden daarvoor en alleen daarvoor geboren en wanneer dit niet mogelijk was geweest, dan was er geen piramide, geen kunst, geen wetenschappen, niets, niets op aarde geweest.
Aan deze zijde leefden echter deze wezens, in ons Hiernamaals en op al die planeten die wij kennen.
Thans gaan wij nog één wezen bezoeken dat zich voor zijn grootse taak aan deze zijde gereedmaakte, om zijn kunst, zijn liefde, zijn religie op aarde te brengen.
Ook hij was een genie, een van de allergrootsten die wij kennen.
Hij was enig in zijn kunst en daarbij werd hij vanuit deze zijde gesteund.
Ik zou je al die namen van beroemde mensen kunnen noemen, doch je tevens aantonen dat zij aan deze zijde leefden.
Wij hebben hen als geesten gekend, zij leefden hier in ons midden.
Wij weten tevens waar zij op dit ogenblik leven.
Hier gaan zij verder en zullen verdergaan, maar enkelen zijn er echter weer op aarde, omdat zij daar goed te maken hebben.
Kom, André, wij gaan terug naar Jeruzalem.
Dit zijn wonderen, mijn zoon, maar groot is de genade die wij allen van God hebben ontvangen.
Dit is alleen mogelijk door de wedergeboorte, omdat wij dan als geesten een nieuw aards kleed kunnen ontvangen.
Dit alles is groots en verheven, dit is om dankbaar te zijn jegens Hem die ons nimmer zal vergeten.
Alles is liefde, is bezieling en heilig vuur dat in hen ligt en dat zij zich in die duizenden eeuwen eigen hebben gemaakt.
De reine liefde inspireert.
Dit is overgaan in een ander wezen, het is voelen en beleven, het is instellen op dat, wat wij willen brengen.
God gaf ons alles en hoevele malen zei ik dit reeds, God gaf ons Zijn eigen heilig leven.
Door Hem worden wij bezield en kunnen wij die reine bezieling ontvangen.
Maar o, wanneer wij die bezieling niet begrijpen.
Dan gaan velen te gronde en zoeken, totdat zij de bezieling en het wezen hebben gevonden.
Doch zij die werkelijk scheppen, doen dat door eigen innerlijk bezit.
Alleen de reine liefde is het die wonderen verricht.
Zie, André, wij zijn reeds op aarde.
Aanstonds zijn wij weer in Jeruzalem.”
„Hoe komt het toch, Alcar, dat mij op deze reis alles zo duidelijk is?”
„Dat zal ik je straks vertellen.
Dan begrijp je jezelf en weet je „waarom en waarvoor”.
Dan kan ik je op al je vragen antwoorden, die je mij op deze reis en de vorige reizen hebt gesteld.
Heb dus nog even geduld, dan lost ook voor jou dit diepe raadsel op.
Wij gaan door naar Golgotha, in Jeruzalem heb ik niets meer te zoeken.”
Onder hen lag het Heilige land.
Weer was André op de plaats waar Christus had geleefd.
Wat zou hij nu weer beleven?
Nu ging Alcar op de aarde over en opnieuw wandelde hij omhoog, Golgotha tegemoet.
Opnieuw voelde André dat hij werd verbonden, doch deze verbinding was anders dan toen zij de vorige keer hier waren.
Alcar was diep in gedachten.
Langzaam ging hij opwaarts en André volgde zijn leider.
Ook hij dacht weer aan deze verschrikking.
Hoe rilde en beefde hij nog van hetgeen hij hier had mogen beleven.
Opnieuw zag hij wezens.
Hier waren steeds mensen, maar alleen geesten, zij leefden reeds lang aan deze zijde.
Alcar ging verder.
Spoedig hadden zij de top van Golgotha bereikt.
Dan zei Alcar tot hem: „Hier ga ik je met een groot wonder en met het verleden van een geestelijk wezen verbinden.
Ook mij is dit getoond toen ik in de sferen, na mijn laatste leven op aarde, terugkeerde.
Ik ga je duidelijk maken, André, wat een zending op aarde betekent en wat ervoor nodig is om die zending te kunnen volbrengen en haar geheel te doorvoelen.
Wie dat niet kan is tevens (niet) in staat zijn taak goed te volbrengen en dan komt van die zending niets terecht.
Dat moeten wij van tevoren weten, of ons leven op aarde wordt een mislukking.
Dan is die grote arbeid, al die moeite voor niets geweest en dat kan niet, want dan zouden wij meer afbreken dan opbouwen.
Vooral voor geestelijk werk moeten wij dit weten en kunnen berekenen en dit is mogelijk, omdat wij het innerlijke leven van hen, die hiervoor geschikt zijn, kunnen peilen en voelen.
Wij weten dan of zij dat aardse leven goed zullen beleven, of dat zij zich daar zullen vergeten en zich op de één of andere wijze uitleven.
Voor een geestelijke zending moet hij of zij voor die taak dus berekend zijn, of zij kunnen niet afdalen.
Dit is alleen wanneer wij deze genade ontvangen en voor de meesters werk verrichten.
Is de mens daar voor zichzelf, dus voor eigen ontwikkeling en beleven zij het één of ander, dan moeten zij zelf weten wat zij van dat leven zullen maken.
Doch voor een geestelijke taak, waardoor een kunstenaar of een medium voor onze wereld werk verricht, moeten wij weten of zij dat kunnen dragen, of dat zij onder hun werk zullen bezwijken.
Hier aan deze zijde mediteerden allen om zich hun kunst eigen te maken en alles te doorvoelen en wanneer zij dan gereed waren, daalden zij in een sluier van licht gehuld in de wereld van het onbewuste af.
Op aarde zullen zij ontwaken en naar de lichamelijke groei ontwaakt het innerlijke leven en voelen zij alleen datgene, waarvoor zij op aarde gekomen zijn.
Voor deze mens was dit de muziek.
Hij kwam alleen om aan de mensheid het leven en lijden van Christus te brengen en in muziek te vertolken.
Ik heb zelf Christus geschilderd, anderen hebben hem in gedichten vertolkt, weer anderen in muziek, zoals wij hier in de sferen dit heilige feest beleven.
Nu ga ik je verbinden.
Je zult waarnemen, André, hoe zich een wezen aan deze zijde gereedmaakte om die grote zending op aarde te brengen.
Zie, mijn zoon.”
André ging opnieuw waarnemen.
Weer zag hij het verlichte kruis dat hier steeds was.
Onder dit verlichte kruis, dat voor aardse mensen niet zichtbaar was, zag hij een wezen.
Deze mens was in gebed verzonken.
Diep was de stilte die hij nu voelde en het was een heilig ogenblik voor hem.
„Kom hier bij mij staan, André en geef mij je hand.
Je zult horen en zien wat in die tijd geschiedde.”
Het wezen was nog steeds in gebed.
André ging waarnemen en voelen.
In de diepte van zijn ziel beleefde hij iets en André voelde duidelijk waaraan hij dacht en wat in deze mens geschiedde.
Op Golgotha moest hij dit beleven, ergens anders was dat niet mogelijk.
Hij voelde waaraan hij dacht.
Deze mens volgde het leven en lijden van Christus.
Van de geboorte af had hij alles gevolgd.
Nu was hij op deze plaats gekomen waar het verschrikkelijkste dat ooit zou gebeuren, was geschied.
Nu volgde hij dat afschuwelijke en maakte zich dat gebeuren eigen.
Maar André voelde en hoorde nog meer.
Hij hoorde prachtig gezang en toen hij dit hoorde keek hij omhoog, want dit kwam van Gene Zijde en wel uit de sferen van licht.
Dit gezang hoorde deze mens en hij beleefde dat in zijn diepe innerlijk.
Daarna hoorde André plotseling prachtige muziek en dit groeide aan tot een machtig geheel.
Hij voelde wat de betekenis was en hij beefde van ontroering.
In dit gezang en deze verheven muziek vertolkte men het leven en lijden van Christus.
Nu begreep hij de algehele betekenis en voelde waarvoor deze mens hier was en zich verbond.
Dit was een heilig ogenblik.
Het was de liefde voor Christus, het was dankbaarheid voor de Volmaakte Mens, die zich geheel voor de mensheid had gegeven.
Diep doorvoelde deze mens dit ontzaglijke gebeuren.
Het ging door zijn ziel en in de diepte van zijn eigen leven beleefde hij dit grote wonder, dat in hem tot leven kwam.
Deze mens werd nu bezield.
Dit was geestelijke bezieling, rein en machtig, dit was geestelijk geluk, een gebed in muziek en gezang vertolkt.
De engelen zongen voor hem, in de sferen was alles reeds gereed en hij hoorde deze verheven muziek en nam alles in zich op.
Toen hij dit beleefd had, stond hij op en keek omhoog.
Boven hem zag hij het verlichte kruis en daarachter waren de engelen.
Een licht straalde op dit ogenblik naar de aarde en omstraalde deze mens.
Dan knielde hij opnieuw neer, boog zijn hoofd en verzonk opnieuw in gebed.
Dit duurde geruime tijd.
André hoorde nog steeds het geestelijke gezang.
Een ontzaglijk geluk kwam nu in hem.
O, hoe voelde hij alles, hoe machtig was dit gebeuren voor hem.
Deze mens werd opgenomen, men overstraalde hem en een dicht waas sloot hem geheel af.
André voelde dat hij zich daarvan niet bewust was.
Die geestelijke sluier verdichtte zich en nu was hij geheel afgesloten, zodat hij als het ware in een geestelijk huis leefde.
Hij zou zich daarvan niet kunnen bevrijden.
Dit bleef, of de hogere wezens zouden zich van hem vrij moeten maken, zich weer terugtrekken en dat was de bedoeling niet.
Dit geestelijke wezen was nu geheel afgesloten.
Voor niets was deze mens nu te beïnvloeden en hij leefde in hetgeen hij zo-even had beleefd.
Hij voelde dat deze geest zich reeds jaren en jaren had ingesteld, steeds opnieuw alles had beleefd en dat het einde nu was gekomen.
Wat zou er thans geschieden?
André zag dat hij heenging.
Nog eenmaal sloeg hij een blik op het lichtende kruis, toen zonk hij weer ineen en bad, bad vurig en zond zijn liefde naar hen, waardoor hij dit alles had ontvangen.
Dan zag André een lichtende gestalte uit de ruimte tevoorschijn treden.
Deze geest legde zijn handen op het hoofd van deze mens en bestraalde hem lange tijd.
Dan zag de lichtende gestalte omhoog en een gouden glans overstraalde hem.
Ook dit begreep André.
Het was een leider, een engel, die zich met hem had verbonden.
Deze wezens waren één.
In hen waren dezelfde gevoelens en verlangens en beiden voelden wat zou geschieden.
Zij waren hierin overgegaan en zouden straks beleven.
Een wonderbaarlijk en heilig gebeuren was dit.
Rein, heel rein waren de gedachten van dit geestelijke wezen.
Zij stonden voor een groot werk, doch André wist nog niet wat zij zouden gaan doen.
Hij voelde wel dat dit een zending zou betekenen, maar was dit voor de aarde?
Werd deze mens op aarde geboren?
Het kon bijna niet anders.
Nu zag hij dat de lichtende gestalte oploste.
Daarna voelde André dat hij tot een besluit moest zijn gekomen, want hij sprong op en ging heen.
„Wij zullen hem volgen, André.
Een groot wonder gaat er geschieden.”
André zag dat hij over de aarde zweefde en Alcar volgde hem.
Nu keerde hij terug naar de sferen.
Ook Alcar keerde terug, maar bleef hem volgen.
Nu beleefde hij een ander wonder.
André zag dat deze mens waziger werd, het was alsof hij oploste.
Nog was hij te zien, straks zou dit niet meer mogelijk zijn.
André voelde dit grote en diepe wonder.
Deze mens zou op aarde worden geboren.
Nog was hij zichtbaar, nog zag hij zijn gestalte, doch langzaam zag hij deze mens voor zijn ogen verdwijnen en loste hij geheel op.
Alcar zag hem aan en zei: „Deze mens werd op aarde geboren en had daar een geestelijke taak te volbrengen.
Dit, wat je hebt waargenomen, was het allerlaatste ogenblik, doch een halve eeuw duurde zijn voorbereiding.
Vele jarenlang bereidde hij zich voor, evenals zijn geestelijke leider, die je ook hebt waargenomen.
Nu is hij gereed, hij is reeds in de wereld van het onbewuste en zal straks worden geboren.
Deze mens werd componist en had, zoals ik zei, een geestelijke taak te volbrengen.
Heb je op aarde al eens de Matthäus Passion gehoord, André?”
„Ja, Alcar, nu weet ik ineens alles.
Welk een wonder.”
„Wat je daar hoorde kwam uit onze wereld.
Daarvoor maakte deze mens zich gereed, om dit aan de aarde te schenken.
Daarin is het leven en lijden en sterven van Christus vertolkt.
Wie dat hoort en wil horen, beleeft dát wat aan deze zijde is geschied, waar zoveel wezens en engelen aan meegeholpen hebben.
Wanneer je dat beleeft, mijn zoon, daal je in het leven van Christus af.
Dan ga je beleven in gezang en muziek, wat je voordien, toen wij daar waren, hebt beleefd.
Wie dat goed beleeft, doet geen zonden en fouten meer.
Als dit de mens op aarde goed begrijpt, dan voelen zij dat dit een geestelijke zending moet zijn en hij daarvoor alleen op aarde is geboren.
Wie dit voelt, voelt God en het leven en lijden van Zijn Volmaakt Kind, Jezus Christus.
Dit is een geestelijke zending.
Dit geschiedde en was van tevoren berekend.
Deze mens werd op de plaats geboren waar hij zou worden geboren en voor deze taak geschikt was.
Hij werd componist en kon niets anders worden, zijn ziel was met dat machtige gebeuren verbonden, hij voelde zich één, geheel één met onze Meester Jezus Christus.
Dat bracht hij op aarde en daarvoor diende hij zijn leiders.
Niet alleen dus dat hij zich dit eigen maakte, doch tevens werd van zijn jeugd af op hem ingewerkt en werd hij door hen geleid.
Is dit niet heilig, André?
Kunnen mensen op aarde zich dit indenken?
Voelen zij hoe machtig het is wanneer zij luisteren en wat er aan deze zijde geschiedt?
Wat daarvoor nodig is geweest?
Kunnen zij zich daar geheel verbinden zoals hij moest doen, wilde hij dat grote kunnen bereiken?
Hij was één van de allergrootsten die in die tijd, die eeuw van muziek, hebben geleefd.
Hij kwam daarvoor naar de aarde.
Is dit geen bijzonderheid en is dit niet te aanvaarden?
Hij was een meester in zijn kunst, zoals wij allen meesters waren in die tijd.
Je hebt beleefd dat zij dus allen hier waren en op aarde terugkeerden.
Zouden zij, die op aarde de kunst dienen, deze hoogte nogmaals kunnen bereiken?
Neen, want dat is niet mogelijk, omdat dit een zending is en die zending van onze zijde kwam.
Deze mens beleefde onder het kruis, op de plaats waar Christus werd vernietigd, deze ontzaglijke gebeurtenis.
Toen hij gereed was, daalde hij af en werd op aarde geboren.
Dit kan maar eenmaal geschieden, André, en daarom is het een geestelijke zending.
Dit was dus maar ééns mogelijk en kan geen tien- of twintigmaal geschieden.
Deze kunst bezit de mensheid op aarde en zal daar blijven.
Het is volmaakt en heilig en het heeft een diepe en reine betekenis, wat ik je heb getoond.
Nu is dat op aarde en voor velen is dit wonder van scheppingskracht te onbegrijpelijk.
Wij weten het en ook hij weet, dat dit vele en vele jaren te vroeg aan de mensheid is gegeven en toch kwam dat grootse geen seconde te vroeg of te laat.
Het was daarvoor de tijd, want niets kan worden gegeven, of hier weet men dat het mogelijk is.
Nog is de mensheid in slaap en het zal nog jaren duren, voordat zij dit heilige, deze ontzaglijke boodschap begrijpen en doorvoelen, zoals het door hem en door anderen is doorvoeld en beleefd.
Dit was een meester in zijn kunst en daarvoor bracht hij zichzelf.
O, laten de mensen toch begrijpen wat reeds op aarde is.
Hoeveel is reeds aan de aarde gegeven, maar nog begrijpen zij niets van al dit heilige waarvoor wezens naar de aarde terugkeerden en de wedergeboorte beleefden.
Hij bracht zichzelf evenals anderen zichzelf brachten, zoals Christus ons heeft geleerd, anders is het niet mogelijk en is een zending een mislukking.
Zij die dit saai vinden, voelen niet wat zij hebben ontvangen en behoren tot de levende doden en begrijpen niet dat dit een rein en heilig gebed is.
Als zij luisteren, dan bidden anderen voor hen en wel in muziek en gezang en voeren zij hen op, zodat zij worden verbonden.
De aarde is thans in het bezit van vele vindingen en zo kunnen zij dit grootse over de gehele aarde beluisteren.
Om dit te kunnen beluisteren kwamen de geleerden naar de aarde en werden aan onze zijde gesteund, want ook zij waren instrumenten in de geest.
Zo komt alles en alles van deze zijde, mijn zoon, of er was niets, niets op aarde geweest.
Hier kwam die mens tot rust en voelde hij de kunst en werden de gedachten geboren, die op aarde tot bewustzijn kwamen en vertolkt werden.
Op honderden wijzen zou ik je dit kunnen aantonen, doch het zal je nu duidelijk zijn dat dit zo is.
Wat moet ik hieraan toevoegen?
Al die andere meesters zijn op aarde bekend en hun namen zullen nimmer uitsterven, maar het gaat mij niet om hun namen, maar om hetgeen daar is gebracht, maar vooral, dat de wedergeboorte op aarde mogelijk is.
Er waren groten en de allergrootsten op aarde.
Er zullen echter tijden zijn dat men hen vergeet en het lawaai uit de oerwouden boven alles uitkomt.
Toch zal de mens weer tot rust komen en opnieuw ontwaken.
Dan grijpen zij naar deze muziek, worden de meesters weer geëerd en beleven zij hun scheppingen.
Dit geschiedt telkens en telkens weer.
Eens is de aarde en zijn de mensen zover en weten zij wat zij daar bezitten.
Wat zij van deze zijde brachten blijft, omdat het een geestelijke zending is, zoals alle dingen die van deze zijde gegeven zijn en voor de mensheid dienen.
Als je weer luistert, André, dan zie je dit tafereel dat ik je toonde en ga je het leven van onze Heer begrijpen.
Dan bidden de geesten voor je en je hebt dat maar te volgen.
Dan word je met de sferen verbonden en zullen je ogen vol tranen komen, die je dan rijkelijk kunt laten vloeien.
Schaam je daarvoor echter niet, ook wij zijn diep ontroerd als wij hier naar dit gebeuren luisteren.
Voordat het dus op aarde werd gegeven, was het reeds gereed.
En dit is voor iedere geestelijke zending.
Hier zijn wij één en beleven dát, wat Christus heeft beleefd en gevoeld.”
„Het is machtig, Alcar, diep ben ik getroffen.
Dit had ik alweer niet verwacht.
Ik kan niets zeggen, maar ben heel dankbaar dit te hebben mogen beleven en alles wat u mij op deze reis hebt duidelijk gemaakt.”
„Nu gaan wij weer terug naar de sferen, André, naar de plaats waar ik kwam, toen mijn leven in het Zuiden eindigde.
Ik zei je immers, dat ik daar zou terugkeren en nu is dat ogenblik gekomen en ga ik over mijn eigen leven verder.
Dan gaan wij naar de aarde en daarna keren wij naar de sferen terug, omdat dit nodig is en ik je andere wonderen duidelijk heb te maken.
Daarna, André, als ik je dat duidelijk heb gemaakt en als allerlaatste belevenis, gaan wij naar één plaats in de sferen en zal ik je, door je iets te laten beleven, op al je honderden vragen en gevoelens, die je op deze reis en op aarde de laatste tijd hebt gevoeld, antwoorden.
Nu echter eerst naar het schemerland, de sfeer waar ook Gerhard binnentrad, toen hij van de aarde hier aankwam (‘Zij die terugkeerden uit de Dood’).
Ook ik trad daarbinnen, zoals ik je reeds heb verteld.
Spoedig zullen wij daar zijn en ga ik onmiddellijk in die toestand over.
Daar volg ik mijn eigen leven en zal je zien dat ook ik opnieuw werd geboren.”
„Wat is alles toch wonderbaarlijk, Alcar.
O, als de mensen op aarde dit toch konden aanvaarden, hoe zou dan hun leven zijn!
Wat kunnen zij zich al niet eigen maken, hoeveel is er niet te leren.
Hoe machtig is alles en hoe groot God.”
„Heb ik je niet gezegd dat je wonderen zou beleven?
Die wonderen geschieden echter nog op aarde, nog worden van deze zijde af mensen geboren, die daar een taak hebben te volbrengen zoals al die anderen.
De evolutie gaat door, steeds hebben zij andere dingen nodig, hetzij wetenschap, geestelijk voedsel, enz. enz.
Hier maken zielen zich gereed, om een taak te volbrengen en hoe nietig ook die zendingen zijn, het is alles voor de aarde en dient de mensheid.
Dit gaat, zoals ik zei, reeds miljoenen jaren door, van het ogenblik af dat de eerste mensen de sferen van licht hadden bereikt.
Dit ontvangen wij van God en is een grote genade.
Voor ons allen is dit weggelegd, ieder kan dit ontvangen, wanneer de gevoelens van dankbaarheid en liefde in hen komen en zij gaan begrijpen wat wij in al die levens van God hebben ontvangen.
Dan willen wij allen iets doen en onszelf geven en dat is mogelijk.
Zie, André, wij zijn in het schemerland, hier leefde ik.
Toen ik op aarde gestorven was, ontwaakte ik op deze plaats en was dit mijn afstemming.
De meeste mensen komen van de aarde hier aan en zij allen zijn niet goed en niet kwaad, maar dragen geen geestelijk bezit.
Ook ik werd van mijn eigen leven overtuigd, hier werd ik wakker geschud en ontwaakte mijn innerlijk.
Ik was iets verder dan Gerhard en daarom kwam ik tot het besluit, hem van zijn geestelijke leven te laten vertellen, dan behoefde ik dit later niet te doen.
Gerhard vertolkte als het ware mijn eigen leven, want ook ik daalde in de duisternis af om mij iets eigen te maken.
Jaren bleef ik daar beneden.
Duizenden wezens heb ik geholpen en zo aanvaardde ik mijn hogere toestand.
Zoals Gerhard leefde en voelde, voelde ik, alleen in mij lag kunst.
Je begrijpt nu dat, toen ik wist dat hij zou overkomen, ik mij met hem zou verbinden en hem van zijn eigen leven liet vertellen en omdat jij Gerhard op aarde kende.
Ik stuurde tot hem een van mijn helpers en je weet nu tevens dat dit van tevoren is geregeld.
Gerhard werd overtuigd, hij daalde in de hel af, beleefde daar duizenden wonderen, al waren het duivelse krachten en machten en bereikte daardoor de eerste sfeer.
Ook ik, André, heb dat beleefd.
Als je zijn leven volgt en hebt begrepen, dan weet je hoe mijn leven in die tijd is geweest en kun je dat leven voelen.
Ik was dus zoals Gerhard, ik was mij bewust dat hierin mijn bezit lag en toen ik eenmaal begreep, zette ik alles op alles en wilde ten koste van mijzelf de eerste sfeer bereiken.
Ik zei, er zijn veel mensen van de aarde die hier binnentreden, die hier zichzelf geven, maar dat op aarde nooit hebben gekund.
Ook dat is weer een groot raadsel.
Die wezens waren op aarde om iets goed te maken en hebben dat gedaan, doch zouden daar jong sterven.
Gerhard was één van die wezens, in hem waren die krachten, waardoor hij in die korte tijd de eerste sfeer kon bereiken.
Voor vele andere mensen is dat niet zo eenvoudig, omdat die diepte niet in hen is.
Voor Gerhard was deze diepte zijn grote wilskracht die hij bezat.
Ook anderen komen dus in deze sfeer aan, maar toch zijn zij niet zo krachtig als Gerhard.
Dit bewijst dus dat allen anders voelen, dat wij wel één liefde bezitten, maar toch in ons verschillende eigenschappen zijn.
In liefde zijn wij één, in kunst en gevoelens niet en wat de één kan, kan de ander nog niet, al leeft hij in dezelfde toestand, in één sfeer.
De één voelt voor kunst, de ander voor wetenschap en weer een ander heeft andere gevoelens en dat is niet alleen op aarde, maar ook aan deze zijde.
Zijn leven was dus als het mijne, toen ik hier binnentrad.
Wij gaan dan ook nu naar de eerste sfeer en daar ga ik verder.
Toen ik daar binnentrad ontwaakten mijn gevoelens voor kunst.
In het begin ging ik op reis, nam mijn eigen sfeer in bezit en toen dit was geschied, ging ik tot de kunst over.
Maar ik bleef daar niet.
De anderen gingen verder en leefden zich in de geestelijke kunst uit, doch ik daalde soms voor lange tijd naar de aarde en de duisternis af, om anderen te helpen.
Mijn meester steunde mij in alles en hij begreep mij volkomen.
Ga op deze wijze verder, zo zei hij, er komt later een grote verrassing.
Ik daalde weer in de hel af, hielp daar vele ongelukkigen, keerde dan weer naar de sferen van licht terug om mij geheel aan de kunst te wijden.
Op aarde had ik reeds een grote hoogte bereikt, doch nog steeds die hoogte niet, die ik als meester kon bereiken.
Hier ontwaakte dus mijn gevoel voor kunst.
Ik leerde tevens het leven in de duisternis kennen, maar begreep niet dat men ook mij vanuit de hogere sferen in alles volgde.
Toen reeds, André, stond ik onder leiding van mijn meester Cesarino.
Deze meester zou aan de aarde een zending volbrengen en daarvoor waren vele helpers nodig.
Ik werd één van zijn duizenden helpers.
Zo gingen de eerste jaren voorbij.
Langzaam maar zeker naderde de vijftiende eeuw.
Ik bleef voortgaan met het leven dat God geschapen heeft te voelen en zo groeide mijn kunst.
Dan, toen ik dacht dat dit voor mij goed zou zijn, vroeg ik aan mijn meester een grote reis te mogen maken.
Ik ga met u, zei hij.
Wij gingen naar de aarde en ik maakte daar studie van al mijn kunst die ik toen reeds in het Zuiden had achtergelaten.
Doch in die tijd was ik nog niet zo ver.
In mij kwam nu het verlangen, dit, wat ik nu bezat, aan de aarde te mogen geven en ik vroeg aan mijn meester of dat mogelijk was.
Hij zei tot mij: „Voor onze Vader in de Hemel is alles mogelijk.”
„Weet u dat dan niet met zekerheid te zeggen?”
„Wij weten zoveel, broeder, doch dit is een genade, wanneer het geschiedt.”
„Kan ik die genade mij dan niet eigen maken?
Kan ik mijn Vader in de Hemel daar niet om vragen?”
„Zijt gij bereid alles te aanvaarden wat gij op aarde zoudt kunnen beleven?” antwoordde hij.
„Is dat dan zo verschrikkelijk?”
„Vergeet niet, gij bezit hier licht, voelt u gelukkig, zijt vrij van koude en gebrek, van iedere hartstocht en wanneer gij een stoffelijk lichaam aanvaardt, dan behoort dat lichaam bij de stoffelijke wereld.
Als gij daar zoudt willen leven en geboren worden, dan moet gij alles wat de aarde u geven kan aanvaarden.
Ook ziekte, want gij zult daarmee te kampen hebben, geen van de aarde kan zich hiervan vrijmaken.
Ik behoef u dat echter niet te zeggen, want gij kent dit leven, wij zijn in de sfeer der aarde geweest en u heeft er een studie van gemaakt.
Dat zult gij opnieuw beleven, al zult gij een ander leven krijgen dan zij, die daar voor de één of andere daad zijn.
Tevens hebt gij goed te maken en dit leven kan dan als gelukkig te beschouwen zijn.
Maar nogmaals, alleen God kan u dat geven, wij kunnen niets met zekerheid zeggen, want dit zijn Gods heilige wetten en daar is niets aan te veranderen.”
Ik maakte daarna in de sferen lange wandelingen en toen kwam ik tot een besluit.
Je hebt mij en mijn kunstbroeders gezien, ook dat kan ik dus nu overslaan.
Ik maakte mij gereed, André, maar ik begreep nog niet dat dit reeds lang van tevoren een aanvang had genomen.
Toen ik met mijn eigen leermeester aan die reis op aarde was begonnen, behoorde dat reeds tot dit gebeuren.
De jaren gingen voorbij en toen gingen velen van hen dit voelen.
Allen waren overtuigd waarheen zij wilden gaan en wat zij aanvaardden.
Hier in de sferen hadden wij bezit, waren wij van koude en ziekte bevrijd, waren wij gelukkig en op aarde zouden wij veel ellende kunnen beleven, maar om hier te blijven zouden wij niet hebben gekund.
Ik daalde weer in de duisternis af, ook daar hebben de broeders te lijden, doch men bereikt daarmee een andere sfeer en men dient, al is dat dienen niet zo eenvoudig, want je kent de hel.
Dan kwam de tijd dat ik dit ging voelen.
Vele jaren waren er voorbijgegaan, waarin ik mij geheel voor de kunst gegeven had.
Dan volgden de jaren van meditatie en voelde ik dat wonder in mij komen.
Geen van allen sprak hierover, dit was te diep en te wonderlijk voor het leven zelf en niet in woorden te beschrijven.
Je voelt je heel stil worden en je wilt steeds alleen zijn.
Het is alsof de gehele schepping in je ligt.
Vaak wandelde ik in de natuur en soms daalde ik weer in de duisternis af om anderen te helpen.
Plotseling voelde ik die ontzaglijke werking in mij komen en keerde ik terug naar de sferen.
Toen geschiedde het wonder, mijn zoon, dat je zostraks hebt beleefd.
Ik loste op, ik voelde dat ik in een andere wereld, een andere toestand werd opgetrokken.
Ik zag dat ik verwaasde.
Een ongelooflijk wonder speelde zich in mijzelf af.
Hoewel ik dacht alleen te zijn, hoorde ik mijn meester nog zeggen: „Vaarwel, mijn broeder, op aarde zien wij elkaar terug.
Daar zult ge naar de diepe betekenis van dit gebeuren zoeken, maar toch zult gij dit geestelijke raadsel niet oplossen, want gij weet van dit leven niet meer.”
Daarna voelde ik dat ik diep wegzonk en hoorde niets meer.
Toen ik op aarde ontwaakte, voelde ik reeds in mijn jeugd voor kunst.
Ik leerde mijn meester kennen en hoe vreemd of het ook is, ’t was alsof ik hem meer had ontmoet.
Ik voelde een grote liefde voor hem, toch kwam ik niet achter dit geheim.
Er waren op aarde meer kunstenaars zoals wij, die zich geheel gaven.
In Italië en in Holland en vele andere landen leefden deze wezens.
Eén van hen heeft in je eigen land zijn meesterschap getoond, hij was ook aan deze zijde en beleefde wat ik had beleefd, evenals al die anderen.
Zijn naam behoef ik niet te noemen, over de gehele aarde zijn wij allen bekend.
Wij kwamen voor één taak, André, en dienden de kunst, de aarde en de gehele mensheid zouden dit wonder ontvangen.
Allen brachten wij onze gehele persoonlijkheid.
Dit was onze genade, voor mij en mijn broeders en men houdt onze kunst, die wij achtergelaten hebben, in ere.
Ga naar de musea, zie onze schilderijen en voel aan wat dat zeggen wil.
Tracht je met onze kunst te verbinden, dan is het alsof je dat wonder voelt, vooral nu je alles weet.
Ook dit was een zending en wij brachten onszelf, door de meesters daartoe aangespoord.
Vele mensen bewonderen nu onze kunst, maar ik zou hun gaarne dit willen zeggen: als gij onze kunst ziet, voel dan wat daarachter ligt en vertoeft een tijd aan onze zijde.
Dat wat gij bewondert, is u gegeven opdat gij zoudt ontwaken.
Dat is door bezieling geschied en die bezieling kwam van Gene Zijde.
Wij hadden die diepte niet kunnen bereiken, wanneer ook wij niet waren verbonden.
Denk hieraan, maar vooral dat dit geschiedde, omdat de wedergeboorte op aarde mogelijk is.
Op aarde kan men dat niet bereiken, ik bedoel diegenen die de diepte van dit machtige gebeuren niet hebben gevoeld, de meditatie van vele jaren niet hebben beleefd en die geestelijke hoogte in kunst niet hebben bereikt.
Ook dit komt maar éénmaal voor.
Er zullen op aarde geen wezens meer worden geboren, die dat kunnen bereiken.
Dat is geschied, is voorbij en dit is de betekenis.
Als ik één van u kan bereiken nu gij dit weet en u van uw eigen voortleven mag overtuigen, dan is dit werk en tevens mijn kunst niet voor niets geweest, is al mijn moeite beloond.
Ik was daar Anthony van Dyck en mocht mijn kunst, die ik mij aan deze zijde eigen maakte, daar brengen.
Dit kon ik doen en allen met mij, omdat de wedergeboorte mogelijk is en een genade van God betekent.
Voelt deze diepte, mijn zusters en broeders, ook gij kunt het wellicht beleven.
Eens treedt gij dit leven binnen en zullen wij u daarvan overtuigen.
En nu gaan wij naar de aarde, André.
Spoedig zullen wij daar zijn en ook daar heb ik je nog iets te zeggen.”
Zwevende keerde Alcar naar de aarde terug.
André dacht aan alles.
Hoeveel wonderen had hij mogen beleven.
Hoe groots was alles, hij zou dit duizenden malen kunnen herhalen.
Hij kwam niet uitgedacht en hoe had het één met het andere verbinding!
Alles lag vast en dat was voor ieder mens.
Eenieder beleefde zijn eigen karma, oorzaak en gevolg en niemand die op aarde was, of hij had daar goed te maken.
Allen waren voor een vast doel op aarde, want eenieder had goede en verkeerde dingen gedaan.
Allemaal waren zij daar geboren en opnieuw geboren.
O, welk een bezit, hoe diep en machtig was hetgeen hij had beleefd.
Als men dit maar kon aanvaarden, hoe anders werd dan hun leven.
Zij zouden dan de dood leren kennen en dan verdween hun angst voor dat, wat hun onbekend was.
Ach, hoe duidelijk was het.
Wat zou Alcar hier nog aan toe moeten voegen?
Hij begreep alles en hoe diep en wonderbaarlijk het ook was, het was toch zo natuurlijk.
Groots was dit leven, diep waren Gods wetten en heilig, als de mens, de ziel weer opnieuw die genade ontving, om zijn verkeerde dingen over te doen.
Hij kon nu niet goed denken, want hij voelde dat hij zich thans op Alcar moest instellen, wilde hij al die wonderen kunnen beleven.
Hij mocht ook niet denken, er was te veel in hem, hij liep over van geestelijke wijsheid.
„Kijk, André, wij zijn alweer waar ik wilde zijn.
Jij dacht en mediteerde, ik volgde op snelle wijze mijn weg en nu treden wij mijn woning op aarde binnen.
Weet je nog dat wij hier zijn geweest?”
„Ja, Alcar.”
„Toen wij aan deze grote reizen zouden beginnen, beloofde ik je dat ik hier zou terugkeren.
Denk nu eens aan alles wat ik je heb duidelijk gemaakt en wat je hebt beleefd en waar wij in die tijd zijn geweest.
Ik volgde slechts het verleden en kon dat alles onderscheiden, omdat ik een zilveren draad volgde, die de gebeurtenissen uit mijn en andere levens verbond.
Ik behoefde mij maar te concentreren, of alles openbaarde zich voor mij en zag ik in dát wat ik reeds vele duizenden jaren had beleefd.
Dit is niet moeilijk, André, al is dat voor jou onbegrijpelijk.
Groots is alles omdat het met onze levens en met God en de schepping te maken heeft en omdat alles liefde is.
Dankbaar ben ik en velen met mij, die ons hebben gevolgd, waar wij ook zijn geweest en wat je straks duidelijk zal worden, dat wij zover zijn en dit nu is geschied.
Zo dadelijk gaan wij verder, want hier zullen wij niet lang blijven en weer naar de sferen terugkeren, waar ik je andere wonderen duidelijk moet maken.
Je voelt zeker het einde van deze reis naderen?
Dan is ook dit grootse voorbij en heb jij de schepping en vele, vele wonderen beleefd en is mijn grootste en moeilijkste werk voorbij, waar ik God dankbaar voor ben.
Hier leefde ik.
Hier heb je mij en mijn vriend gezien en je hebt ons horen spreken, ik heb je in die tijd met mijn eigen verleden verbonden.
In Jeruzalem heb ik je getoond dat hij mijn eigen kind was en dat ik hem daarna niet meer heb gezien.
Toen ik hem hier leerde kennen begreep ik niet waarom ik zoveel van hem hield.
Maar, en luister nu goed, ik had niet zoveel van hem gehouden, wanneer niet door mij een ander wezen had liefgehad.
Dus door mij had men lief en die liefde die ik voelde, werd uit de onzichtbare wereld in mij gelegd met een vast doel.
Toen was dit echter voor mij een raadsel, doch nu weet en ken ik dit raadsel.
Nu weet ik tevens wie dat deed en waarom ook dat geschiedde.
Voel nu eens dit diepe wonder aan, mijn zoon.
Reeds duizenden jaren daarvoor wist men reeds wat ik zou beleven en dat dit zou geschieden.
Ik was mij in dit leven van mijn wedergeboorte niet bewust, doch daar waren wezens die mij hadden gevolgd en wisten dat ik zou worden geboren.
Ook dat geschiedde met een bedoeling, wat je straks duidelijk zal worden als wij zover zijn.
Hier leefde ik en leerde ik hem kennen.
Ik zei je tevens dat hij een grote fout had begaan.
Die fout was, dat hij zich aan een wezen gaf en daaruit een kind werd geboren, dat hij niet aanvaardde.
Dat wezen verongelukte, want het leed trof haar diep.
Zij maakte geen einde aan haar leven, doch zij ging aan deze toestand ten onder.
Zij bleef alleen achter met haar kind en hij aanvaardde niet en later moest hij aanvaarden, maar toen was het te laat.
Wij zien niet achter dit alles, doch als alles voorbij is en wij aan deze zijde binnentreden, dan zien mensen oorzaak en gevolg en beleven zij al die geestelijke wetten en raadsels.
Op onze eerste reis zei ik reeds, dat hij op latere leeftijd alles trachtte goed te maken, doch daarmee was die wet niet opgelost.
Dat zou eens geschieden en op een geheel andere wijze.
Hij echter, je weet, hij was eens een geleerde, wilde ook in zijn laatste leven zich een eigen toestand scheppen.
In Frankrijk behaalde hij die hoogte, maar trad in een ontevreden toestand in de wereld van het onbewuste binnen en zou opnieuw worden geboren.
Toen hij weer op aarde werd geboren diende hij in het leger om opnieuw weer in dit leven over te gaan.
In het leven dat hierop volgde, leerde ik hem kennen.
Ik ging veel voor hem voelen en had hem lief als mijn eigen kind.
Ik zei je reeds, die liefde werd in mij gelegd, door anderen had ik hem lief, of ik zou dit niet hebben gevoeld.
Denk je dit nu eens in.
Men wilde dat ik hem zou liefhebben, want eens zou ik hem weer ontmoeten en zouden wij worden verbonden.
Eens, doch hoevele jaren van tevoren voelde en wist men reeds dat dit zou geschieden?
In Jeruzalem reeds wist men daarvan en werden mijn wegen geleid.
Ik had hem dus in al die tijd niet meer gezien.
In mijn laatste leven werd mijn liefde steeds inniger voor hem.
Je weet reeds dat hij tot niets kwam.
In dat leven had hij, zoals in dat andere, veel kunnen bereiken, doch hij verknoeide zijn tijd en had voor niets interesse.
Ook dit had een diepe betekenis.
De ziel, die in het menselijke lichaam leeft, moet en wil trachten zich op aarde een maatschappelijke hoogte te scheppen.
Wij allen komen zo ver, iedereen zal dat bereiken daarvoor is alleen energie, wilskracht, doorzettingsvermogen, eerzucht en wat geweld nodig, dan reeds kunnen wij ons een eigen toestand scheppen.
Is de ziel eenmaal in een dergelijke gevoelswereld en toestand gekomen, dan gaat het vanzelf.
Dat wat wij willen bereiken, zullen wij bereiken, want de eigenschappen die wij daarvoor nodig hebben liggen in ons en zijn onze karaktereigenschappen, die ik zo-even noemde.
In al die vele, ja honderden levens hebben wij ons die eigenschappen eigen gemaakt en is dan dit leven in staat, bezitten de ouders bijvoorbeeld de middelen daarvoor, dan voel je wel, dat datgene reeds in ons bereik is wat wij ons voor ogen hebben gesteld.
Nu was hij in een andere wereld van gevoel en van aardse eerzucht en vele andere aardse eigenschappen reeds verlost.
Dit komt eens voor iedereen, omdat wij dan naar het geestelijke leven overgaan.
Dan zegt ons al die aardse eer niets en hebben wij daar geen moeite voor over, zelfs niet wanneer men ons alles voor niets wil schenken.
Die mensen leven op aarde en dat is toch niet zo vreemd.
Er zijn mensen die hun leven zouden willen geven voor een aardse titel.
Anderen echter willen zo’n titel nog niet voor niets hebben, omdat zij er niet om geven.
Maar dat is een wet, dat heeft een betekenis, want wanneer men die krachten niet bezit wil men dat wel, omdat het voor de aarde betekenis heeft.
Doch wanneer men daar niet meer om geeft, moet men dus innerlijk die krachten daarvoor bezitten.
Dat zegt tevens, dat zij die titels, of wat het ook is, eens moeten hebben gekend, anders zorgen zij er wel voor veel ervan te bezitten, want daarmee ligt de aarde en de mensheid aan hun voeten.
En hier gaat het mij nu om, dit wilde ik je duidelijk maken.
Dit nu beleefde hij, hij gaf om niets, om geen titel en wist daarvan de betekenis niet.
Wij echter weten thans, dat hij een geleerde is geweest.
Ik heb je zijn einde verteld en getoond, dus behoef ik daar niet meer op door te gaan.
In dit leven, waarin ik kunstenaar was, leerde ik hem dus kennen en waren wij goede vrienden.
Maar eens was hij mijn kind en ook ontnam ik eens zijn leven, dan gaf ik mijn leven terug en leerde hem later weer kennen en was hij nogmaals mijn eigen kind.
Weet je dat nog, André?”
„Ja, Alcar, ik weet alles.”
„Dan ga ik verder.
Toen kwam mijn einde op aarde en trad ik de geestelijke wereld binnen.
Dat zullen wij nu volgen.
Hier heb ik nu verder niets meer te zoeken en dus sluit ik dit verleden en keer hier niet meer terug.
Wij gaan thans naar de tweede sfeer, André.
Weer verlaten wij de aarde en als wij terugkeren dan is deze reis ten einde.
In de tweede sfeer ontwaakte ik, tussen de tweede en de derde sfeer.
Ik had dus met mijn leven als kunstenaar die verhoogde toestand weten te bereiken, want je weet dat ik uit de eerste sfeer naar de aarde afdaalde.
Wij gaan nu door tot daar, dan zie je mij ontwaken en zal je tevens zien hoe ik veranderd ben, wat ik je nu kan tonen.”
„Wat voor wonderen hebt u toch beleefd, Alcar.”
„Wij allen, André, beleven duizenden wonderen en al die wonderen zullen alle mensen beleven als zij hier binnentreden.
Dat moeten zij beleven, omdat zij in hun verleden zullen afdalen en zij dus hun kringloop der aarde hebben bereikt.
Je voelt zeker hoe diep alles is en dit moet geweldig zijn, omdat wij wezens reeds miljoenen jaren op weg zijn.
Wij hebben duizenden levens afgelegd en aanvaard.
Wij gingen van het ene leven in het andere over en al die levens dienden om ons geestelijke liefde eigen te maken en om onze dankbaarheid te tonen.
Steeds weer ontvangen wij opnieuw, maar het dient tevens om goed te maken.
In dat goedmaken beleven wij ook vele aardse genoegens.
Ik werd overal ontvangen, verkeerde aan het Engelse hof, maakte daar vele vrienden en kennissen en toch, ook ik maakte goed en beleefde dát wat voor mij weggelegd was.
Dat is een grote genade en om onze dankbaarheid te tonen.
Zie, André, de tweede sfeer, hier werd ik wakker.
Op een hoge berg ontwaakte ik en bezat mijn eigen geestelijke woning.
Voordat ik naar de aarde ging gaf ik mij geheel, daarvan heb ik je verteld.
Ik ga mij nu met die tijd verbinden en ga dus op de tweede sfeer over, zodat je kunt zien wat in en om mij veranderd is.”
André nam ook dit wonder waar.
„Ik ben nu zoals ik hier binnentrad.
Hoe hoger ik nu ga en mij met andere sferen verbind, want dat kan ik, zal mijn uiterlijk veranderen en is dat op mijn gelaat te zien.
Je kent mijn gelaat en mijn bezit dat de vijfde sfeer is, waar ik nu leef.
Ook dit is je duidelijk, nietwaar.”
„Ja, Alcar.”
„Hier werd ik dus wakker, André.
Wie mij van mijn aardse leven overtuigde was diegene, die mijn liefde voor mijn vriend in mij wakker maakte.
Ik wist dat ik was gestorven.
Toen ik eenmaal gereed was en mijn sfeer in bezit had genomen, werden mij andere wonderen getoond.
Toen ik die wonderen begreep, daalde ik opnieuw in de duisternis af en bleef daar vele jaren.
Ik ging daarna naar de aarde om hem te bezoeken en hielp hem daar in enkele dingen, waarmee hij rondliep en geen raad wist.
Dan keerde ik weer naar de duisternis terug en wilde trachten in tien of twintig jaren de sferen, voor mij de derde sfeer, te bereiken.
Ik werkte aan mijzelf en niets was voor mij te veel.
Ik behield echter mijn leermeester.
Van mijn vorige leven in het Zuiden wist ik niets en ook werd mij dat niet duidelijk gemaakt, maar dat zou eerst later geschieden.
Ondertussen gingen de jaren voorbij.
Ik maakte mij veel geestelijke wetten eigen en leerde in die tijd alle geestelijke graden van de hel kennen.
Dan brak de tijd aan dat mijn vriend zou sterven en dat beeld heb ik je bij de eerste uittreding getoond, ik heb je met zijn overkomst verbonden.
Weet je ook dat nog, André?”
„Ja, Alcar, duidelijk ben ik mij van alles bewust.”
„Welnu, toen hij hier was binnengetreden, had ik in die tijd de derde sfeer bereikt.
Dag en nacht, als ik aards wil spreken, was ik hier beneden en je kent dat moeilijke werk.
Wie wil, kan snelle vorderingen maken en ik behaalde die sfeer in korte tijd en toch waren er nog vijfentwintig jaren voorbijgegaan.
Maar in mij was er een krachtige wil en ik rustte niet voordat ik zo ver was.
Nu zeg ik wel, ik rustte niet en ik wilde, maar ook dat werd mij gegeven en in mij gelegd door mijn meester, die andere en grotere dingen met mij voorhad waarvan ik niets wist, noch had kunnen begrijpen.
Dan werd ik bij mijn vriend geroepen en heb ik hem van zijn eeuwig voortgaan overtuigd.
Ook dat weet je.
Daarna maakten wij lange wandelingen.
Wij bezochten opnieuw de aarde en de duisternis en ik leerde hem wat ik mij reeds had eigen gemaakt.
Nu waren wij beiden aan Gene Zijde.
Van tijd tot tijd waren wij alleen, want ik werd voor andere dingen voorbereid.
Toen kwam mijn meester mij bezoeken.
Hij vertelde mij dat er een andere tijd op aarde zou komen en dat van hieruit geestelijk voedsel aan de aarde zou worden gegeven.
Velen zouden er voor de hogere meesters werk verrichten en hun helpers worden.
Ook voor mij had men een taak en daar was ik zeer gelukkig mee.
Hij zei tot mij: „Broeder, er wacht ons groot werk.
Gij zijt nu zover om een andere taak te volbrengen.
In twee eeuwen kunt gij u veel eigen maken.
Gij hebt de aarde en de sferen leren kennen, hoe wij door God zijn geschapen en wat ons leven op aarde en aan deze zijde betekent.
Zoudt gij een taak op aarde willen volbrengen?”
„Gaarne,” zei ik onmiddellijk, „zeg mij wat ik moet doen.”
En de meester zei: „Gij leert aan deze zijde het stoffelijke organisme kennen en alles wat nodig is, om de mensheid op aarde te kunnen helpen.
Doch dat is niet de hoofdzaak, dát, wat gij van ons leven weet moet gij u eigen maken, nogmaals beleven en u op die taak instellen.
Later kom ik tot u terug.”
Mijn meester ging heen en ik dacht over alles na.
Weer daalde ik tot mijn vriend af en maakte opnieuw met hem lange wandelingen.
Wij gingen opnieuw naar de aarde, leerden daar al de stoffelijke wetten kennen en keerden naar de duisternis terug.
Toen ontwaakte mijn vriend, ook dat heb ik je verteld, André.
Nu eerst kom ik daarop terug.
„Weet je,” zo zei hij, „wat de aarde nodig heeft en ik daar reeds voelde?
Weet je, mijn beste, waarom ik tot niets kwam?
Dat alles is mij thans duidelijk.
Ik zal het je zeggen.
Geestelijk voedsel, mijn broeder, alleen liefde en geluk, dat heeft de aarde en de mensheid nodig.
Maar er is nog iets, mijn broeder, wat ik je wilde vragen en wat mij bezighoudt.
Waar is zij die ik ongelukkig maakte?
Weet je dat?
Kun je mij met haar verbinden?”
„Neen,” zei ik, „dat is niet mogelijk.
Ik raad je aan eerst alles te doen om de eerste sfeer te bereiken, dan eerst kun je haar zoeken.”
Hij daalde af en deed in de duisternis goed werk.
Tien jaren deed hij erover om de eerste sfeer te kunnen binnengaan.
Toen hij de eerste sfeer binnentrad, was ik de eerste die hem verwelkomde.
Hoe gelukkig was hij.
Dan maakten wij grote reizen en waren overal.
Daarna beleefde hij die goddelijke gevoelens die ik reeds had gevoeld en beleefd en de wedergeboorte op aarde is.
„Is dat mogelijk?” vroeg hij mij.
„Alles is voor God mogelijk,” zei ik.
„Het is een wonder, want ik voel wat ik zou willen.
Geloof mij, ik wil goedmaken, alles goedmaken, want dit houdt mij tegen.
Waar leeft zij?
Is zij nog op aarde?
Dat kan immers niet?
Waar zou zij zijn?”
Ik zei tot hem: „Heb nog wat geduld.
Ik zal dat voor je onderzoeken en mijn meester vragen of ik haar mag zien, dan zal ik tot je terugkeren.”
Ik keerde naar mijn eigen sfeer terug en zocht mijn meester op.
Deze kon ik, waar ik ook was, vinden, wat ik eerst later begreep.
Toen reeds was deze meester in de zevende sfeer en de Mentor over alle sferen.
Mijn vriend toog intussen naar de duisternis en hielp de ongelukkigen.
In de tempel der ziel werd ik met mijn leven en dat van hem en ook met haar, die hij zocht en waaraan hij goed te maken had, verbonden.
Thans wist ik wat ik wilde weten.
Ik mocht voor hem en voor mijn taak, wat ik ook eerst later begreep, dit alles beleven en ontvangen.
Na lange tijd keerde ik tot hem in de duisternis terug en vond hem onder zijn werk.
Ik zei hem wat ik wist en gaf hem de raad rustig voort te gaan en af te wachten.
Ik zou tot hem komen als hij mij dit liet voelen.
Daarna keerde ik naar mijn sfeer terug, want ik was reeds aan die studie begonnen.
Jarenlang hoorde ik niets meer van hem.
Hij bleef daar beneden en ik maakte mij gereed voor die andere taak die mij eerst later zou worden gegeven.
Ik wist nog niet waarvoor dit diende en toch had ik reeds enig vermoeden.
Dan voelde ik dat hij mij riep en ik keerde aanstonds tot hem terug.
Opnieuw maakten wij grote wandelingen en toen zei hij mij dat hem alles duidelijk was.
„Weet je,” vroeg ik hem, „wat je wacht?”
„Ik ben mij van alles bewust,” zei hij.
„Ik wil dienen, als dat mogelijk is.
Maar ik zal ervoor bidden en het aan God vragen.
Zal ik haar terugzien en weet je ook of zij wordt geboren?
Hoe gelukkig zou mij dat maken, als God dat goed zou vinden.
Wie zal mij helpen?”
„Dat moet je afwachten, wellicht word je dat gegeven.”
Weer gingen wij op weg en bezochten de aarde.
In die tijd ging hij dat wonder voelen en ook dat heb ik je verteld.
Weet je dat nog, André?”
„Ja, Alcar, u hebt mij dat verteld.”
André voelde zich echter in zijn eigen leven terugzinken.
Het was of hij nu een groot raadsel, een geweldig probleem ging voelen en of dit raadsel voor hem zou oplossen.
Toch wachtte hij af om te horen wat zijn leider te zeggen zou hebben.
„Zijn gevoel, mijn zoon, werd steeds inniger en nu beleefde hij wat wij allen hadden beleefd en ik je duidelijk maakte.
Ik heb je verteld, dat ik hem uit het oog verloor en dat ik dacht te weten waar hij zich bevond.
Ik wist dit echter, André, doch kon je dat in het begin van onze eerste reis nog niet vertellen.
Thans is ook die tijd gekomen en kan ik je dit duidelijk maken.
Hij voelde zich gereed en zou terugkeren.
In hem was dit gevoel gekomen.
Wij waren tezamen in de natuur en wachtten af wat zou geschieden.
Wij bespraken alle mogelijkheden die wij voelden en begrepen.
Dan loste hij voor mij op en riep ik hem toe: „Tot weerziens op aarde en aan deze zijde.”
In de wereld van het onbewuste daalde hij af en werd op aarde geboren.
Ook om hem lag een dicht waas en die sluier zou op aarde worden weggenomen.
Nu wachtte mij groot werk, want ik moest mij veel eigen maken.
Om mijn vriend lag, zoals ik reeds zei, een dicht waas en in dat waas lag mijn eigen verbinding met hem op aarde.
Ook zou hij haar terugzien en daarvoor moest ik zorg dragen.
Van mijn meester kreeg ik mijn aanwijzingen en daaraan moest ik mij wijden.
Ik had nu de tijd om mij gereed te maken.
Ik volgde mijn weg door de sferen en bezocht met mijn meester, wat je nu op je uittredingen hebt beleefd.
Dat alles maakte ik mij eigen.
Zo verstreek ook die tijd.
Dan werd hij op aarde geboren, André.
Mijn meester zocht op aarde contact en die verbinding werd gevonden.
Hij werd in een klein stadje geboren, bij eenvoudige mensen en ook dat lag vast, want aan zijn moeder had hij goed te maken.
In zijn jeugd werd hij beschermd en eindelijk brak de tijd aan dat ik hem met haar kon verbinden, want ook zij was op aarde.
Hoe het mogelijk is om aardse mensen te kunnen verbinden die duizenden mijlen van elkander verwijderd zijn, lijkt voor de mensen onmogelijk, doch aan deze zijde is dat zeer eenvoudig.
Daarna werd hij met een seancekring verbonden.
Mijn meester had dit contact verkregen en hij zou in die kring worden opgenomen, omdat hij zou ontwaken.
Maar in hem lag dat gevoel, wij hadden niets anders te doen dan hem wakker en open te maken.
Aan deze zijde hielden wij deze verbinding tot stand.
En thans, mijn jongen, is de tijd aangebroken, om je op al je gedachten, je vragen „waarom en waarvoor”, waar mijn vriend leeft, je mediumschap en vele andere dingen meer, die je mij op de reizen die wij nu hebben gemaakt hebt gesteld, te antwoorden.
Nu, André, is het zover.
Je voelt zeker veel, want de gedachten die in je zijn, heb ik opgevangen.
Ik vraag je, je nog even te beheersen.
Ik zal je daarbij helpen, mijn jongen.
Ik zal je door je iets te laten beleven, antwoord geven op je vele vragen en gedachten en ook dat heb ik je verteld.
Doordat je dit beleeft, ga je in al die vragen over, lost ook voor jou dit diepe maar natuurlijke raadsel op.
Ik zal je nu al je levens tonen, André, wij moeten daarvoor naar de eerste sfeer terugkeren.
Kom, volg mij, André.”
In André werd het heel stil.
Ja, hij voelde alles, hij begreep nu zichzelf.
Mijn God, dacht hij, hoe is het mogelijk.
Een groot en heilig wonder was het voor hem.
Nu begreep hij alles, hij voelde het begin van de schepping en ook zijn mediumschap.
In hem kwam een geweldige spanning.
Hij had het liefst Alcar opgenomen, of was op zijn knieën neergevallen, om hem voor alles te danken.
Met geweldige inspanning dwong hij zichzelf tot rust.
Nog moest hij zich kunnen beheersen, maar o, hoe moeilijk was dit voor hem.
André zweefde voort en was diep in gedachten.
Hij durfde Alcar niet aan te kijken.
Geen woord werd er gesproken.
In één toestand zou Alcar hem alles openbaren.
Hij voelde nu reeds welk wonder dit zou zijn.
Hij bad in stilte om kracht, hij vroeg aan zijn Vader in de Hemel hem te helpen.
Hij bereidde zich daarop voor.
Stil was het in hem, rustig, ja heel rustig voelde hij zich.
Een ontzaglijk geluk kwam er nu in hem.
Hij voelde dat men hem hielp en ook thans wist en begreep hij waarvan al die krachten kwamen.
Ach, mijn God, welk een wonderen, welk een macht, hoe geweldig waren al deze natuurwetten.
Zijn leider zou in een flits daarheen kunnen gaan en toch duurde het thans zolang en ook dit begreep hij.
Hij voelde en begreep nu alles.
Een andere persoonlijkheid drong zich thans aan hem op.
Het was die mens, die hij op aarde had gevoeld, uit zijn diepe innerlijk kwam dit voort.
Dit was zijn eigen vorige leven, het kon niet anders.
Ik ben Alcars zoon geweest, ik ben zijn vriend en ik ben in al die levens bij hem geweest.
Nu voelde hij Jeruzalem.
Ach, mijn God, hoe natuurlijk is alles.
Reeds duizenden eeuwen kennen wij elkander.
Mijn Vader, wat een probleem en dit diepe probleem had hij mogen beleven.
Hij voelde zich nu op aarde en tevens in de sferen.
Voor hem waren er thans geen geestelijke geheimen meer.
Het was allemaal zo ongelooflijk, maar hij moest alles, alles, van het begin tot het einde wat Alcar hem duidelijk had gemaakt, aanvaarden.
De eeuwigheid was in hem wakker.
Hoe voelde hij het leven aan Gene Zijde.
Dit kon immers niet anders?
Al die reizen had hij vroeger, heel vroeger met Alcar tezamen reeds gemaakt.
Nu begreep hij ook zijn mediumschap, men behoefde hem niets meer te zeggen en duidelijk te maken.
In één toestand lag alles, lagen al die geheimen vast.
Hij bleef echter denken, want er waren duizenden gedachten in hem en hij moest dat alles trachten te verwerken.
Nu begreep hij zichzelf en zijn leven op aarde en lag ook dat voor hem open.
Mijn God wat moet ik U toch dankbaar zijn!
Zijn gehele jeugd ging aan hem voorbij.
Nu kwamen echter andere gedachten in hem en hij wist waarheen Alcar ging.
Hij voelde en wist het, omdat hij zich als „toen” voelde, voordat hij naar de aarde zou terugkeren.
Wat een wonder!
Hoe verheugd was hij dat hij zijn gaven had begrepen.
Nu begreep hij dat Alcar al die gaven in eigen handen had gehouden, hijzelf had er geen raad mee geweten en ook nooit kunnen verwerken.
Al die gaven waren voor een aards mens te machtig.
Maar langzaamaan had Alcar hem geheel geopend.
Hij voelde zich nu bewust en niets was er meer in hem dat hij niet begreep.
Eindelijk zei Alcar tot hem: „Kijk, André, daar treden wij binnen.”
Alcar keek hem aan en glimlachte.
„Wonderlijk, André, en toch zijn wijzelf dat wonder.
Weet je thans wat je zult beleven?”
„Ja, Alcar, ik weet het.
Ik zie Cesarino.
Hij is, wat u mij op onze eerste reis hebt verteld, uw meester.
Ik weet het en ben zo dankbaar, Alcar.”
„Dank niet mij, mijn jongen, maar God.
Ook ik ben dankbaar.
Kijk, daar zijn wij reeds waar ik moet zijn.
Is je ook dit bekend?
Is het niet wonderbaarlijk, André?”
„Het is alles zo natuurlijk, zo groots en verheven, Alcar.
Mijn vader, mijn moeder, mijn zuster en broeder, alles, alles bent u van mij en nu is alles werkelijkheid.
U bent het, u was het steeds, nu ligt alles voor mij open.”
Alcar trad het gebouw binnen.
Aan de ingang werd hij begroet door zijn meester.
André volgde.
Toen trad de meester op Alcar toe, vatte diens beide handen in de zijne en zei: „Mijn broeders, God zij met u.”
Vervolgens zei hij tegen André: „Mijn broeder André.”
André zag naar Alcars meester.
„Veel heb ik niet te zeggen, André, maar eens waren wij hier en aan de ingang zei ik enige eeuwen geleden tot u, zie links, zie rechts, omhoog en omlaag en leer dat kennen.
Gij hebt dat leren kennen, het is nu uw bezit en dat zullen wij aan de mensheid bekendmaken, want bijna is ons aller werk voltooid en wordt dit aan de aarde doorgegeven.
Ik ben u zeer dankbaar, evenals uw broeder Alcar en vraag aan onze Vader om ons werk te zegenen.
Gij weet nu alles, ik behoef u niets duidelijk te maken.
Ik wilde u echter alleen dit nog zeggen.
Wanneer gij weer op aarde bent en in uw stoffelijk organisme teruggekeerd zijt en haar, mijn zuster op aarde ontmoet waarmee ik u heb verbonden, zeg dan aan haar, u weet wie ik bedoel, dat ik haar voor alles, alles dank.
Wij allen die met haar en al mijn andere zusters en broeders op aarde zijn verbonden geweest, dank ik.
Zeg echter, dat ik haar aan deze zijde zal opwachten en zij onze bloemen zal herkennen.
Van deze zijde groet ik haar.
Deze boodschap, mijn broeder André, brengt u van mij aan haar, die mij in alles heeft gevolgd.
Ook u dank ik en zegen u voor uw werk, want gij deed ons werk en dat van duizend anderen.
Tot later, André, in de sferen zien wij elkander terug.
Vaarwel, tot aan deze zijde, uw Cesarino.”
Dan loste de meester voor zijn ogen op en ook dit had André reeds beleefd.
Nog hoorde hij zeggen „Aan deze zijde zien wij elkander terug, André.
Nog heeft men u op aarde nodig, doch als uw taak voorbij is, dan komen wij u halen.
God zegene onze arbeid.”
André zonk ineen.
Toen hij wakker werd bevond hij zich met zijn leider in de natuur.
Rondom hem waren bloemen en vogels en de tranen rolden over zijn wangen, zo diep had hem alles ontroerd.
Hoe gelukkig was hij.
Dan vatte hij Alcars handen in de zijne en zei: „Heb ik het voor u op aarde heel erg moeilijk gemaakt, Alcar?”
„Je deed je best, André.”
„Waarom gaf u mij deze naam, Alcar?”
„Omdat je die eens gedragen hebt.”
„Was dat in Frankrijk?”
„Ja.”
„Hoe is het toch mogelijk, Alcar.
Het is alles zo waar, help mij om dit te kunnen verwerken.
Ik zal sterk zijn, maar o, het is zo machtig.
Maar hoe zal men op aarde hierover denken?
Zullen zij dit kunnen aanvaarden?”
„Ja, André, er zijn er die dit alles in dankbaarheid aanvaarden.
Al onze zusters en broeders zullen ons helpen en dit werk verspreiden.
Maar er zijn er ook die ons voor krankzinnig verklaren.
Laat hen begaan, André, eens zullen zij dit alles zien en aanvaarden.”
„Hoe heeft u mij op aarde verbonden, Alcar, en nu begrijp ik tevens, waarom wij ons kindje niet mochten bezitten.”
„Alles ligt vast, mijn zoon, of is oorzaak en gevolg.”
„Hoeveel boekdelen kunt u hierover vullen?”
„Tientallen, André, wanneer ik alles had willen behandelen, kwamen wij niet uitgeschreven.
Ik gaf slechts flitsen van voor en na de schepping, van wat ons allen wacht en wij samen hebben beleefd.
In korte tijd zal je dit alles in drie boekdelen ontvangen.”
„En wat geschiedt er daarna, Alcar?”
„Daarna zal je opnieuw uittreden en ga ik je nog meer van je laatste drie levens vertellen en duidelijk maken.”
„Wordt ook dat vastgelegd?”
„Neen, André, dat heeft alleen voor jezelf betekenis.
Wacht dus af, mijn jongen.
Je bent nu geheel bewust, niets is er meer dat aan deze zijde leeft, wat voor jou verborgen is.
Nu ben je geestelijk en kosmisch bewust.
Weet je wat dat op aarde zeggen wil?”
„Ik weet het, Alcar.
Hoe moet ik echter door alles heen komen, hoe zal ik dit op aarde kunnen verwerken?”
„Daarbij zal ik je helpen.
Dit jaar is moeilijk voor je en toch zal je ook dit bereiken.”
„Hoe hebt u alles van tevoren berekend, Alcar, niets kan men ertussen krijgen, alles sluit ineen.
Van het begin af, in mijn jeugd reeds was u bij mij en toen ik ouder werd en naar de stad ging.
Hoe is het mogelijk!
Daarna het contact met haar.
Niets zal ik vergeten en ik ben bereid alles te doen en haar gelukkig te maken.
Hoe dankbaar moeten wij zijn.
Hoe groot is Gods Liefde!
Maar hoe heeft u dit toch kunnen verbergen, als wij tezamen waren?”
„Je wist immers niets van je levens af.
Toen je dit mocht beleven, eerst toen werd je bewust.
Geleidelijk gaf ik je geestelijk voedsel en steeds dieper daalde ik in deze wereld af, die diep in je lag.
Hoe dichter ik de wedergeboorte naderde, des te duidelijker werd het voor jou.
Ik vraag je, André, waarom zouden de mensen dit niet kunnen aanvaarden?
Is het nu zo vreemd, zo onnatuurlijk?
Hier, aan deze zijde zullen zij dit beleven, want eens komen ook zij naar deze zijde.
Hier zal men hen overtuigen en zal men hen allen opwachten.
God weet dat ik de waarheid spreek, dit zal geschieden.
Dit is nu mediumschap, mijn zoon, dat wij geesten zelf in handen houden.
Maar wie zich kan overgeven, wie op aarde kan luisteren, ons blindelings wil volgen, die kan geestelijk voedsel ontvangen en voor de mensheid iets doen.
André, ik ben je dankbaar, heel innig dankbaar, je hebt mij in alles begrepen en mij gevolgd.
Ik zou de mensheid op aarde nog dit willen zeggen: „Mijn zusters en broeders.
Dit is mediumschap.
Wie zich kan overgeven ontvangt geestelijke wijsheid.
Volg alles wat ik in die tien jaren heb gezegd en zie dan eens naar dit einde.
Wanneer ik dit einde niet kende en niet had kunnen overzien, wat mijn taak en werk was, dan zou ik mijzelf in al deze geestelijke en natuurwetten hebben verloren.
Geen mens der aarde zou dit kunnen.
Maar ik was gereed en ook André was gereed, ik behoefde mij slechts met hem te verbinden en toen kon ons werk een aanvang nemen.
Ik putte uit zijn onderbewustzijn en toch had ik alles, al die gaven in eigen handen.
Wij kennen dit onderbewustzijn, want eens leefden wij in die werkelijkheid, het zijn al onze levens die wij hebben beleefd.
Wat is onderbewustzijn?
Moet ik u dit thans nog duidelijk maken?
Voel uw eigen diepte, uw innerlijk leven, uw gevoelens, die in u zijn.
Duizenden zijn er thans op aarde die voor Gene Zijde werk verrichten.
De aarde heeft geestelijk voedsel nodig en daarom geschieden nu deze dingen.
God is immers Liefde!
Moet ik u nogmaals aantonen dat God Liefde is?
Voel toch, mijn zusters en broeders, in uw eigen leven is dit alles aanwezig, doch gij moet het kunnen voelen, geleerdheid kan u niet helpen.
Ik was eens op uw aarde en ik heb u mijn laatste naam genoemd, maar daar ga ik niet diep op in, want aardse namen hebben aan deze zijde geen betekenis.
Ik schreef reeds in één van André’s boeken: „Wie zich meester noemt op aarde, is de leerling aan Gene Zijde.”
Is het u thans duidelijk dat ik dit kon zeggen?
Ben ik dan geen leerling?
Ik ben dankbaar, heel dankbaar en als een kind zo gelukkig, dat ik iets voor de aarde, waaruit ik geboren ben en voor u mocht doen.
Nu doe en bereik ik veel meer, dan toen ik in dat leven een meester in de kunst was.
Grijpt dit alles met uw beide handen aan, en laat dit niet meer los.
Straks komt gij naar deze zijde en ziet gij de waarheid van dit alles.
Ik vraag u, zou André dit hebben gekund?
Zou hij dit alles hebben kunnen fantaseren?
Neen, want waarom werd hij in dat kleine stadje geboren?
Omdat hij zich niets, niets van de aarde eigen zou maken, daar hij mij anders niet ten volle kon aanvaarden.
Nu was hij geheel leeg en dankbaar, heel dankbaar dat ik tot hem kwam.
Want wie wil ons aanvaarden die op aarde alles bezit?
Dan hebt u ons niet nodig, want wat gij bezit, al die rijkdom, dat houdt u tegen.
André zou daar worden geboren en niets bezitten, eerst dan kon ik hem bereiken.
En dit geschiedde.
Voelt u dit wonder?
Heb ik u dat niet in alles aangetoond?
Dit Godswonder geschiedde en wij wachtten hier af, totdat wij konden beginnen.
En al zullen er zijn die zeggen, het is te mooi om waar te zijn, toch is het de heilige waarheid.
Wij gaan verder, steeds verder en daar is geen leed meer voor u, wanneer u voor anderen liefde bezit.
Straks zal de wereld ernaar verlangen en naar dorsten.
Nu echter worden wij niet begrepen, net zomin als hij die de Christus vertolkte en daarvoor naar de aarde kwam.
Eens echter komt ook uw tijd en dan zien wij elkander aan deze zijde terug.
Ik ben mijn Vader in de Hemel zo dankbaar, dat ik hier naast mijn broeder André neerzit en aan u denken mag en dat ik dit straks zal mogen zeggen.
God weet dat ik de heilige waarheid sprak.
Maar als er geesten tot u komen en zeggen dat dit niet mogelijk is, weet dan, broeders en zusters, dat zij zich voor hogere wezens uitgeven, maar die het licht niet kennen.
Zij komen met mooie woorden en daarin leggen zij hun liefde en toch, wees op uw hoede.
Nu ga ik heen en allen die mij hebben geholpen en gesteund, dank ik heel innig.
Deze boeken zullen worden gelezen, zij behoren bij uw eigen eeuw.
Het is Gods wil, want nu is het zover, dat de mensheid alles van onze zijde kan ontvangen.
Ik groet u, mijn zusters en broeders, aan deze zijde zien wij elkander terug.
Heb je mij nog vragen te stellen, André?”
„Is dit hetgeen u door de meesters is opgedragen, Alcar?”
„Ja, André, en hiermee heb ik mijn eigenlijke taak volbracht.
Ik dank God voor deze genade.”
„Dan heb ik niets meer te vragen, Alcar.”
„Hier waren wij voordat je naar de aarde terugkeerde.
Hier hebben wij tezamen alles van tevoren beleefd, dan geschiedde het machtigste wonder dat wij kennen en dat de wedergeboorte op aarde is.
Wonderen van de geest, heb je mogen beleven en dat is voor ieder mens die op aarde leeft.
Deze drie boeken, André, draag ik aan je vrouw en aan de mensheid op.
Groet haar van mij.
En thans met spoed naar je stofkleed.”
In de sferen ontving André Alcars zegen.
Dan keerden zij naar de aarde terug en trad hij zijn woning binnen.
Geen woord kon hij spreken, maar hij knielde voor zijn leider neer en dankte hem innerlijk voor alles.
Toen zei Alcar tot hem: „Zal je mij zoals vroeger blijven voelen, nu je alles van mij en jezelf weet, André?”
„Ja, Alcar, ik zou niet anders kunnen.”
„Vaarwel, mijn jongen, spoedig zal je bij mij zijn en vergeet niet dat ik blijf waken en je in alles zal helpen.”
Daarna daalde André in zijn stofkleed af en was deze reis ten einde.
Vele wonderen en problemen had hij weer mogen beleven en daar was hij innig dankbaar voor.
 
Moge Gods zegen op dit werk rusten.
 
Einde