God

het alomvattende woord

Het woord ‘God’ is op aarde gebracht om al het leven in de kosmos te omvatten dat Christus in miljoenen werelden heeft leren kennen.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
Meester Zelanus gaf de volgende toelichting bij dit schilderij:
‘U zou aanstonds dit werk ‘God’ kunnen noemen.
Al het leven is daarin aanwezig.
De edelgesteenten die u zult zien, zijn karaktertrekken van de mens die de waarheid, de rechtvaardigheid, de harmonie ten opzichte van Moeder Natuur en de ruimte heeft overwonnen en zich hierna eigen heeft kunnen maken.’

Liefde in plaats van haat

Het artikel ‘Mozes en de profeten’ beschrijft hoe de profeten God leerden kennen als hun machtige beschermheer.
Wanneer zij Gods geboden opvolgden, beschermde Hij hen tegen de aanvallen van vijandige stammen.
Maar wie zich bezondigde aan willekeurig moorden, stelen en bedriegen, werd door de Heer gestraft met de eeuwige verdoemenis na de dood.
Het artikel ‘Bijbelschrijvers’ licht toe hoe de schrijvers van de Bijbel het straffen door God alsmaar groter maakten.
Wanneer bijvoorbeeld de profeet Elisa door een groep kinderen werd uitgescholden voor ‘kale kop’, liet God een paar beren uit het bos halen om tweeëntwintig kinderen te verscheuren.
In de Bijbel is deze beschrijving te lezen in 2 Koningen 2:23-25.
Een ander voorbeeld is waar God als massamoordenaar bijna alle mensen op aarde vernietigde door de zondvloed (Genesis 6:7), omdat Hij in hen teleurgesteld was en spijt had dat Hij hen gemaakt had.
Alleen Noach en de zijnen werden gespaard, omdat die naar Gods geboden leefden.
De Bijbelschrijvers wisten niet dat het grootste gedeelte van de continenten niet overspoeld werd, en dat miljoenen mensen hier geen last van hebben gehad.
Zij wisten evenmin dat de overstromingen een gevolg waren van de natuurlijke ontwikkeling van Moeder Aarde en dat dit niets met een straffende god te maken had.
Christus daarentegen sprak over God als een Vader van Liefde.
Hij zei: ‘Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard vergaan.’
Dit is geen evangelie van strijd en haat, maar van liefde.
Hij vatte zijn boodschap samen met: ‘Heb elkander lief.’
Christus wilde de god van wraak en verdoemenis afschaffen, omdat Hij wist dat die god niet bestond.
Hij zag dat de Bijbelschrijvers niet het woord van God hadden vertolkt, maar hun eigen beperkte bewustzijn.
Maar de wereld aanvaardde deze boodschap van liefde niet, en men vermoordde Christus om de oude god van het Oude Testament te kunnen behouden.

Christus in het Al

Christus was de enige mens op aarde die exact wist wat er waar en niet waar was van alles wat over God gezegd werd.
Voordat Christus naar de aarde kwam om zijn boodschap van liefde te brengen, had Hij God immers leren kennen als het Leven.
Het artikel ‘de Universiteit van Christus’ licht toe dat Christus toen als ziel al heel oud was, omdat Hij behoorde tot de eerste zielen die in de ruimte tot ontwaking kwamen.
Hij had alle planeten beleefd, waarop Gods leven als mens, dier en plant tot groei was gekomen.
Hij kende de hele kosmos en was samen met de eerste zielen geëvolueerd tot de hoogste kosmische levensgraad, het Al.
Daar aangekomen gingen ze op zoek naar God:
‘En nu gaan we even kijken’, zegt, die dan de Messias moet worden aanstonds, ‘nu gaan we eens kijken waar die vader, die moeder leeft.
Waar is die God?
We zijn vader, we zijn moeder; we zijn baring en schepping.
Ik ben het, gij zijt het, miljoenen levens zijn er ontstaan.
Maar waar is de stem, waar is de kracht, waar is het wezen dat ons heeft geschapen?’
Ze gaan op zoek naar God.
Ze willen die bron, dat denken en voelen, dat willen ze beleven, daarmee willen ze één-zijn; met God.
Wie is het?
Maar ze ontmoeten geen wezen, alleen zichzelf.
Ze zien geen vader die aan een tafel zit en zijn hamer laat weerklinken en zegt: ‘Kom nu maar eens bij mij, hebt gij mij niets te zeggen?’ die is er niet te zien.
Lezingen Deel 2, 1951
Ze kwamen in gevoel tot eenheid met de bron waaruit ze ontstaan waren, de Albron:
Ze vallen neer en nu komen zij – wat zij reeds in de verschillende, de lagere levensgraden hebben beleefd – komen zij tot het goddelijke één-zijn met het Al, met de Albron.
De Albron als vader en moeder, als licht, leven, liefde, ziel, geest, uitdijings-, verhardingswetten, spreekt: ‘Dit alles dat gij hebt beleefd’, dat komt in hen, ziet u, dat is het één-zijn, het geestelijke aanvoelen en beleven, ‘dat alles wat u hebt beleefd, dat ben ik, u bent ik.
Mijn leven hebt u, ruimtelijk diep, maar ik ben geen gestalte.
Ik heb mij door u gemanifesteerd.
Ik ben dit alles.
Gij vertegenwoordigt mij als stof, als licht, leven, liefde, liefde ... vader- en moederschap, maar liefde!’
Ja, daar staat de goddelijke mens in zijn Al.
Hij ziet geen God als persoon.
Hij ziet geen tafel waaraan een God een rechtvaardigheid zal spreken.
Die rechtvaardigheid die leeft in henzelf, dat zijn zíj, want ze hebben de onrechtvaardigheid en het afbreken overwonnen.
Lezingen Deel 2, 1951
Toen Christus het Al bereikte, leefden de mensen op aarde nog in de prehistorie.
Christus wilde een begin maken om die mensen tot een hoger gevoel en bewustzijn te brengen zodat zij het moorden achterwege zouden laten en hierdoor het lijden op aarde ooit zou kunnen ophouden.
Maar omdat de aardse mens nog niet veel kon bevatten van geestelijke werkelijkheden, moest er begonnen worden met één concept, één woord:
Toen kwamen de meesters bijeen met de Christus, met de hoogste Mentor, de hoogst Bewuste in het goddelijke Al en zeiden: ‘Hoe moeten wij dit alles omvatten?
Hoe kunnen wij de mens opvangen door één woord zodat de mens ontzag krijgt voor dit Al, voor de miljoenen werelden die wij hebben beleefd en mochten overwinnen?’
Lezingen Deel 2, 1951
Toen kreeg men op aarde dat ene woord:
Ja, in de Zevende Kosmische Graad, dat was Christus, en de Zijnen: ‘Hoe moeten wij dit alles noemen?’
En toen kreeg de aarde een naam, en die heette God.
Vraag en Antwoord Deel 4, 1952
Dat woord omvatte al het leven:
Daarvoor zei Christus: ‘En nu naar de aarde terug om de eerste fundamenten te leggen.
De eerste fundamenten hebben wij te leggen om die massa, die wilde, onbewuste massa te kunnen opvangen en voor dit alles te plaatsen.’
En toen heeft men het woord God beleefd.
U kunt nu zeggen: het leven.
Lezingen Deel 2, 1951
Pas in 1944 kon de Universiteit van Christus via Jozef Rulof aan de aarde doorgeven welke geestelijke realiteiten in het woord God lagen besloten:
De Albron ...
God als Moeder
God als Vader
God als Ziel
God als Leven
God als Geest
God als een Persoonlijkheid
God als Harmonische wetten
God als Stoffelijke wetten
God als Geestelijke wetten
God als het Uitdijende Heelal
God als Liefde
De Vonk Gods ...
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944

Onze godsvonk

Vanaf het moment dat de Bijbelschrijvers bedachten dat God mensen geschapen heeft, zijn velen aan dat mensbeeld gaan bouwen.
Toen Christus in het Al kwam, was het begrip ‘mens’ nog niet bedacht.
Hij voelde zich ook niet tot God teruggekeerd, want Hij was als ziel tijdens zijn lange evolutieweg nooit van God weggeweest.
Hij was zich alleen goddelijk bewust geworden van het leven dat zich door hem manifesteert.
In ‘De Kosmologie van Jozef Rulof’ spreken de meesters over onze godsvonk.
Onze ziel is een vonk, een deeltje van God en de Albron.
Hoe meer liefde we voelen en geven aan al het leven van God, hoe bewuster we gaan voelen welke aspecten in onze godsvonk besloten liggen.
In het Al komt elke ziel uiteindelijk tot het besef dat zij alle aspecten van God zelf beleeft.
Dan heeft zij het menselijke denken al lang achter zich gelaten en voelt zij dat ze altijd alleen een deeltje van God en de Albron als Almoeder is geweest:
Wat beleeft de „Almoeder” nu?
Wat beleeft God?
De „Almoeder” én God beleven Zichzelf!
Wij hebben dus het menselijke bestaan en het dierlijke volkomen uit te schakelen.
En dat wil zeggen, dat God geen mensen noch dieren, noch bloem en plantenleven heeft geschapen, doch zichzelf!
De Kosmologie van Jozef Rulof Deel 1, 1944

Bronnen en verdieping