De eerste priester-magiër

de metafysica ontkiemt

In China leefde de eerste priester-magiër die onder inspiratie van de Universiteit van Christus tot het metafysische onderzoek van het leven kwam.
Door Ludo Vrebos, gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.
‘Dat leven is een soort innerlijke hand die de fysieke hand bezielt.’ (foto: Kirlian fotografie)

De metafysica ontkiemde in China

De meesters van de Universiteit van Christus hebben niet alleen tot Mozes en de profeten gesproken, ze hebben de mens op aarde ook geïnspireerd om tot metafysisch onderzoek van zijn eigen leven te komen.
De eerste mens die hiervoor te bereiken was, leefde in China.
Daar begon een priester zich af te vragen: ‘Wat is het leven?
Wat is slaap?
Is dat geen tijd verknoeien?’

Het innerlijke leven van zijn hand

Hij vraagt zich af of hij ook een deel van zijn lichaam in slaap kan brengen terwijl hijzelf wakker blijft.
Hij concentreert zich en slaagt erin zijn hand te laten slapen door het gevoel eruit te halen.
Hiermee blijft hij doorgaan totdat hij in staat is om zijn lichaam te doorsteken zonder pijn te voelen.
Hierdoor beseft de priester dat hij het zelf is die zijn hand van leven en gevoel voorziet, en dat hij dat gevoel ook kan terugtrekken.
Dit is voor hem zo merkwaardig dat in hem het verlangen ontwaakt om zijn hele lichaam uit te schakelen.
Dat zou namelijk betekenen dat hij iets anders was dan zijn lichaam en dat hij wellicht meer zou zijn dan datgene wat doodgaat.

De priester is eerst wekenlang bezig met zijn hand en volgt het leven dat dit lichaamsdeel tot werking brengt.
Dat leven is een soort innerlijke hand die de fysieke hand bezielt.
Wanneer hij zijn innerlijke hand uit zijn fysieke hand terugtrekt, voelt hij dat die innerlijke hand niet oplost maar ergens anders naartoe gaat.
Hij voelt dat hij die bijvoorbeeld in zijn schouder kan plaatsen.
Wanneer hij zijn innerlijke hand terug laat indalen in zijn fysieke hand, ontspant die omdat die het eigen leven terugkrijgt.
Het lukt hem om zijn innerlijke hand nog sterker terug te trekken, totdat zijn fysieke hand zelfs begint af te sterven.
Hierdoor beseft hij dat hij minstens een beetje gevoel in een stoffelijk lichaamsdeel moet achterlaten, zodat het niet definitief doodgaat.

Waarnaartoe verplaatsen?

Omdat het daglicht hem in zijn concentratie hindert, sluit de priester zich in een donker vertrek op.
Hij wil immers onderzoeken of hij verder dan zijn hand kan gaan en ook zijn armen en benen volledig gevoelloos kan maken.
Hij komt zover dat hij zijn armen en benen kan doorsteken, zonder dat hij pijn voelt en zonder dat er bloed vloeit.
Dan vraagt hij zich af of hij ook zijn innerlijke organen zoals maag en nieren kan overheersen.
Hij verbaast er zich over dat hij zo goed kan denken en dat hij telkens nieuwe gedachten krijgt.
Urenlang stelt hij zichzelf vragen en geeft hij zich tevens antwoord.
Soms weet hij plotseling een oplossing, alsof een ander hem die gedachten heeft geschonken.
Wanneer hij het leven uit zijn benen haalt, krijgt hij een ontzettende honger.
Hij concentreert zich op zijn maag en voelt dat hij zijn innerlijke benen daarnaartoe heeft verplaatst.
Zijn maag kan de dubbele levenskracht niet verwerken en hierdoor krijgt hij die enorme honger.
Maar waar moet hij zijn innerlijke benen dan laten?
Hij probeert het in zijn hoofd, maar daar wordt hij duizelig van en krijgt barstende hoofdpijn en een bloedneus.

Buiten het lichaam

Om beter te kunnen nadenken, maakt de priester in gedachten een korte wandeling.
Plotseling voelt hij de oplossing: zijn innerlijke benen moeten ook gaan wandelen en buiten zijn lichaam gebracht worden.
Hij krijgt dat voor elkaar en kan die innerlijke benen zelfs buiten het lichaam aansturen met zijn wil.
Hij laat ze buiten zijn stoffelijke lichaam lopen en dansen.
Totdat ze beetgepakt worden en eraan getrokken wordt.
Hij voelt duidelijk dat andere handen op zijn innerlijke benen worden gezet alsof iemand zijn benen wil afpakken.
Hij krijgt een ontzettende pijn en trekt zijn innerlijke benen in zijn lichaam terug.
Wat voor een merkwaardig verschijnsel leert hij nu weer kennen?
Iets vastpakken en eraan trekken, dat kan alleen een mens.
Zijn er mensen in de ruimte buiten zijn lichaam?
Zou men in die wereld dan van zijn innerlijke benen afweten?
Nogmaals probeert hij het en zijn innerlijke benen worden ook nu weer vastgepakt en weggesleept.
Hij moet vechten om ze terug te winnen en ze uit die andere handen te rukken.

Anderen

Om dit verschijnsel te onderzoeken laat hij zijn innerlijke benen nogmaals buiten zijn lichaam dansen.
Wanneer ze weer vastgepakt worden, trekt hij ze snel terug, maar deze keer kijkt hij astraal naar het wezen dat op zijn benen loert.
Hierdoor ziet hij niet één, maar tientallen mensen.
Zijn die daar eerder dan hij en is hij niet de eerste om deze ruimte te onderzoeken?
Wekenlang denkt hij na over dit verschijnsel.
Als daar mensen zijn, moet daar ook een wereld zijn waarin die mensen leven.
Zijn innerlijke benen behoren bij die wereld, anders kunnen ze daar niet beetgepakt worden.
Dus zijn innerlijke leven behoort tot een andere wereld dan de stoffelijke!
Hoe kan hij die wereld verder onderzoeken?

Naar de innerlijke wereld

Hij voelt dat hijzelf naar die wereld toe moet gaan, zijn benen alleen zijn niet genoeg.
Hij moet daar rond kunnen kijken en wandelen.
Als hij dat probeert dan komt hij een probleem tegen, want hoe meer hij van zijn innerlijk leven naar die wereld laat overgaan, hoe meer slaap hij krijgt in de stoffelijke wereld.
Wanneer zijn denkvermogen naar die andere ruimte overgaat, valt hij op aarde in slaap.
Dat kan hij niet weerstaan, hij kan niet in beide ruimten tegelijk denken.
Hij besluit om voldoende leven in zijn stoffelijke lichaam achter te laten zodat het niet afsterft, en de rest van zijn gevoel over te brengen naar die andere wereld.
Hierdoor kan hij in die andere wereld waarnemen.
En zie, niet alleen zijn benen krijgen daar nu gestalte.
Ook zijn romp komt op zijn benen, zijn hoofd erbij, en als innerlijk mens staat hij nu buiten zijn stoffelijke lichaam dat in slaap ligt.
Maar dan gaat er een ontzettende schok door hem heen.

Bezeten

Zijn aardse lichaam komt in beweging zonder dat hij dat zelf aanstuurt.
Hij concentreert zich op zijn lichaam en probeert dat weer onder controle te krijgen, maar moet ervaren dat een ander wezen hiervan bezit heeft genomen.
Er ontstaat een hevig gevecht, maar die ander is sterker en overheerst nu zijn stoffelijke lichaam.
Terwijl de priester in de nieuwe wereld vertoefde, was die andere persoon in zijn stoffelijke lichaam afgedaald en had zich er één mee gemaakt.
De priester verliest het gevecht en zit nu gevangen in de diepere graden van slaap waarin hij was afgedaald.
Die diepere graden kunnen ook het onderbewustzijn genoemd worden, onderscheiden van het dagbewustzijn waarmee men op aarde wakker is en het stoffelijke leven beleeft.
Hij kan in zijn stoffelijke lichaam de lichtste drie graden van slaap en het dagbewustzijn niet meer bereiken, want die worden nu door de andere persoon ingenomen.
Die heeft het lichaam stevig onder controle, hij wil het gebruiken voor eten en drinken en seksualiteit.
Hij eet voor vier mensen tegelijk en leeft zich uit in seksueel genot.
De priester zit nu gevangen in zijn eigen lichaam.
Door enkele karaktereigenschappen heeft hij afstemming op de duistere persoonlijkheid die zijn lichaam in bezit heeft, en hierdoor kon hij bezeten raken.
Hij beleeft nu alles mee wat de andere mens met zijn lichaam doet.

Er zich vrij van denken

De priester zoekt nu een weg om toch zelf te kunnen blijven denken, want zijn dagbewustzijn wordt gevuld met de gedachten van een ander.
Hij ervaart dat hij door te walgen van die gedachten er losser van komt en beseft dat hij dus ijler moet gaan denken, buiten de hartstocht om.
Die ander voelt zijn ijlere gedachten immers niet.
De priester-magiër leert een tegenkracht op te bouwen, een tweede ik, vanuit het onderbewustzijn.
Hij leert zichzelf te blijven onder het meebeleven van de hartstochtelijke gedragingen van de ander.
Hij volgt die ander en neemt alles waar, maar wacht op een gunstig ogenblik om te ontsnappen.
Zijn lichaam krijgt dorst, de ander moet voor water zorgen.
Langzaam en voorzichtig daalt die een helling af op weg naar drinkbaar water.
De priester doet alsof hij ingeslapen is, zodat hij niet gevoeld wordt.
Maar ondertussen voelt hij dat rechts van zijn lichaam het bruisende water ligt, waarvoor de ander angstig is.
Dit is de kans!
De priester flitst op tot het dagbewustzijn, overheerst dit slechts enkele seconden, neemt waar hoe de omgeving is en springt.
Het water neemt hen op, het ontzettende gebrul van de ander zinkt mee onder water, en de dood volgt.
De aura’s scheuren vaneen, het fluïdekoord breekt en de priester komt vrij.

Inspiratie

De meesters volgen deze ziel, ze brengen de occulte wetten door dit leven naar de aarde, waardoor uiteindelijk het contact tussen de aarde en het hiernamaals gestalte zal krijgen.
In dat ene leven zijn er grote vorderingen bereikt, maar ze wisten van tevoren dat de priester zou bezwijken, omdat hij zich de kennis van deze verschijnselen nog moet eigen maken.
Op eigen krachten moet hij zover komen, zodat het uiteindelijk zijn eigen bezit wordt.
Wel wordt hij geïnspireerd door de meesters met telkens nieuwe gedachten, zodat hij verder komt in zijn denken.
Stap voor stap zal de priester zo de astrale werelden veroveren.
Daarvoor is een nieuw leven nodig, dat hij twintig jaar na zijn sprong in het water weer kan beginnen.

Reïncarnatie

De priester-magiër wordt opnieuw geboren in de buurt van de tempel die door zijn volgelingen is opgericht.
Wanneer hij zes jaar oud is, manifesteren de opgedane ervaringen uit zijn vorige leven zich in zijn dagbewustzijn en is hij alweer in staat om vanuit dit vorige bewustzijn te voelen en denken.
Hij doorsteekt zichzelf, en laat anderen zien dat er geen bloed vloeit.
Hij laat steeds meer van zich horen, en spoedig komen de priesters van zijn tempel hem halen.
Op vijftienjarige leeftijd is hij reeds een volleerd priester, want zijn ziel heeft door het sterven het bewustzijn niet afgelegd.
Hij begrijpt dan tot waar hij in zijn vorige leven is geraakt, en kan nu aan zijn medepriesters die verschijnselen verklaren.
Wanneer zijn lichaam volgroeid is, kan hij zijn studie voortzetten.
Hij komt zover dat hij een vogel in de vlucht tot zich kan roepen en geheel aan zijn sterke wil kan laten gehoorzamen.
Dan sluit de priester zich weer in duisternis op, en gaat verder waar hij gebleven was.

Astrale ontwaking

Van de dood heeft hij niets gevoeld, de dood blijkt geen belemmering voor het verderzetten van zijn studie.
Het lijkt alsof hij slechts een tijdlang geslapen heeft.
Hij krijgt nu gedachten om het anders te doen.
Ditmaal stelt hij zich in op het centrum van zijn lichaam, op de zonnevlecht, in plaats van op elk orgaan afzonderlijk.
De priester voelt dat dit energiecentrum alle organen voedt.
Van daaruit trekt hij nu het leven van al zijn lichamelijke organen in zich op, waardoor het lichaam in slaap valt.
Maar hijzelf als persoonlijkheid blijft zich bewust van zijn voelen en denken, ook in de diepere graden van slaap.
Hij gaat nu echter niet uit zijn lichaam, omdat hij weet dat er dan gevaar dreigt.
Vanuit de diepte van zijn slaap stelt hij zich op zijn stemorganen in en slaagt erin die tot werking te brengen.
Zo kan hij aan zijn leerlingen vertellen wat hij beleeft, terwijl hij toch in een diepe slaap blijft.
In zijn nieuwe toestand concentreert hij zich op het zien, en zo leert hij zien buiten zijn stoffelijke ogen om.
Hij heeft nu het astrale waarnemen bereikt en ziet de omgeving zonder zijn stoffelijke ogen te openen.
Hierdoor beseft hij dat hij als persoonlijkheid het is die ziet, en niet zijn stoffelijke lichaam.
Op dit moment ziet hij vanuit de diepe slaap, en als hij op aarde in dagbewustzijn wakker is dan gebruikt hij zijn stoffelijke ogen.
Als hij zijn innerlijke ogen gebruikt, ziet hij zijn innerlijke lichaam als een ijle gestalte die dezelfde vorm heeft als zijn stoffelijke gestalte.
Hij beseft dat hij met zijn innerlijke lichaam het stoffelijke lichaam aanstuurt wanneer dat in het dagelijkse leven moet handelen.

De trance

De priester-magiër bouwt nu aan de trance.
Hij leert het daglicht te overwinnen zodat hij niet meer in de duisternis hoeft te verblijven.
Nu zet hij zijn studie verder te midden van zijn leerlingen die om hem heen zitten.
Van tijd tot tijd bezielt hij zijn spreekorganen en geeft hun zijn nieuwe inzichten door.
Hij stelt zich op de graden van slaap in.
Het is alsof iemand hem bij zijn hand neemt en verder brengt, een zacht strelend gevoel komt in zijn leven.
Hij voelt nu bewust dat hij geholpen wordt.
Indien de priester-magiër alles alleen had moeten verwerven, waren er honderden levens voor deze studie nodig geweest.
Door de hulp van een geestelijke meester kan hij in twee levens tot deze diepte komen.
Telkens krijgt hij nieuwe gedachten van de meester, zodat hij weet in welke richting hij kan voortwerken.
Hij zakt dieper in slaap en voelt dat hij de dood nadert.
Verdergaan kan nu niet, want dan zou het stoffelijke lichaam afsterven.
Hij kan nu zijn stoffelijke lichaam astraal voeden, zodat het geen stoffelijk voedsel of adem meer nodig heeft.
Om dat te bewijzen vraagt hij aan zijn leerlingen om hem te begraven.
Ze maken een kist, leggen zijn slapende lichaam erin, en begraven de kist onder de grond.
Na vier dagen graven ze hem weer op, en zien aan zijn gelaatskleur dat het lichaam nog niet gestorven is.
Langzaam brengt hij zijn bewustzijn uit de diepe slaap en keert hij tot het dagbewustzijn terug.
Hij neemt wat vruchtensap, om vervolgens zijn studie voor te zetten.

Uittreding

De priester heeft nu de slaap en het stoffelijke lichaam overwonnen, en richt zich op de astrale wereld.
Hij wil weten wat dat innerlijke lichaam is dat hij heeft leren kennen, en in welke ruimte dit leeft.
Hij leert zijn gedachtekracht splitsen, zodat hij kan uittreden en tegelijk zijn lichaam kan blijven voeden.
Hij kan zich nu vrij bewegen in de astrale wereld, maar die blijft duister.
Zijn gevoelsgraad is nog laag, hij heeft zich nog geen lichtsfeer eigen gemaakt.
Hij denkt nog alleen voor zichzelf, is nog niet dienstbaar aan een ander mens en kent nog geen hogere liefde.
Hij is alleen voor zichzelf aan het studeren.

Het astrale gevaar

Wanneer hij een wandeling maakt in de astrale duisternis staat hij plots voor het astrale gevaar.
Daar voor zich neemt hij astrale mensen waar, honderden komen er op hem af.
Ze omsingelen hem, vallen hem aan en knijpen zijn keel dicht.
Hij roept om hulp, maar die kan niet komen, omdat hij door zijn gevoelsgraad op deze duistere wereld is afgestemd.
Op aarde maken zijn leerlingen zijn sterven mee.
Ze horen hem om hulp roepen, maar kunnen geen hand uitsteken.
Opnieuw heeft de priester-magiër zijn stoffelijke lichaam verloren.
Ditmaal niet door bezetenheid, maar doordat de voeding van zijn lichaam afgeknepen werd door het astrale geweld waartegen hij zich nog niet heeft leren wapenen.
Wat had hij moeten doen?
Als hij zich flitsend snel in zijn stoffelijke lichaam had teruggetrokken, dan was hij in hun handen opgelost.
Maar tijdens de aanval dacht hij geen seconde meer aan zijn stoffelijke lichaam.
Hierdoor konden ze hem astraal wurgen en dat verbrak het fluïdekoord.
Door deze ervaringen leerde hij dat hij tussen leven en dood anders zal moeten gaan handelen om het fysieke lichaam te kunnen behouden.

Het oude Egypte

In volgende levens maakte hij zich een hogere gevoelsgraad eigen door andere mensen te dienen en lief te hebben.
Daarna kwam hij terug naar de aarde om zijn studie voort te zetten, en werd het grootste medium van het oude Egypte.
In dat leven kon hij deze studie volkomen afmaken.
Hij werd daar aanvaard en bemind als een godheid, de enige die in die tijd kon uittreden en toch zijn fysieke lichaam behouden.
Al de andere priesters bezweken, zoals ook hij het in vorige levens had moeten aanvaarden.
Hij bracht de metafysische kennis van het oude Egypte tot op het hoogste niveau, zoals het artikel ‘het oude Egypte’ toelicht.

Bronnen en verdieping