Dienende liefde

Het leven in mijn hel begreep ik nu volkomen.
Al die overgangen en sferen had ik leren kennen.
Thans zou ik aan mijzelf gaan werken en dit was alleen mogelijk door voor anderen iets te zijn.
Mijn meester had mij dit duidelijk gemaakt en ook de meesters in de kunst hadden mij op dergelijke wijze toegesproken.
Ik vervolgde mijn weg op aarde en zou spoedig werk verrichten, waaraan ik mij geheel zou kunnen geven.
Ik bleef echter in de astrale wereld.
Hoger gaan was voor mij niet mogelijk.
Ik slenterde door de straten en concentreerde mij op de mens.
Zij die in leed en smart verkeerden trokken mij het meeste aan en hen zou ik volgen.
Ik ontmoette heel veel mensen, doch niet één voelde zich gelukkig.
Altijd was er iets, dat het geluk verduisterde en ik wist waarom.
De aarde was een planeet waar de mens te leren had, een school en in die school moest men zichzelf leren kennen.
O, ik begreep en voelde zo intens wat God bedoelde en waarvoor de mens op aarde leefde.
Alles was mij nu duidelijk.
Er waren in mijn eigen leven geen diepten meer, noch problemen en wonderen, alles was mij geopenbaard en wel door hém, mijn vooreeuwse vader.
Hoe machtig was de mens, hoe diep en onbegrijpelijk waren geestelijke wetten.
Wanneer men aan deze zijde het goede wilde, leerde men al die wetten kennen en beleefde men wonderen en problemen.
Dan eerst werd men zichzelf, begreep men het leven en de bedoeling van op aarde te zijn.
Doch in het leven op aarde, in die school, dáár moest men zichzelf leren kennen en daarvoor was men op aarde.
Maar de mens was in opstand, hij zocht en vroeg „waarom” en „waarvoor” en kon niet aanvaarden.
Hij wilde geluk, want een mens had daar recht op.
God had al Zijn kinderen lief, was een Vader van Liefde en toch was er zoveel ellende.
Iedereen voelde leed, ziekte en vele andere onmenselijke dingen, zodat er geen gelukkige mensen waren.
Ik zag ze hollen en draven, niet één was er rustig.
Uit ieder mens gingen lichtflitsen omhoog, links en rechts en dat was de uitstraling van hun innerlijk gemoed, van hun gedachtenleven, dat was de afstemming van het wezen.
Daaraan herkende ik hun innerlijk leven.
Iedere lichtstraal die ik duidelijk kon waarnemen, betekende iets.
Ik zag het groenachtige licht waarvan ik huiverde en zo van dichtbij had leren kennen.
Die demonensfeer zou ik niet gemakkelijk vergeten, want daarin hadden zij mij aangevallen en over de aarde gesleurd.
Ook de wezens waarvan ik dat licht waarnam, behoorden tot hen.
Ik behoefde niet te zoeken en te peilen, zij waren voor mij doorzichtig, want ik las in hen en ging geheel in hen over.
Deze wezens waren gevaarlijk.
Wanneer zij op aarde de macht over verschillend bezit in handen hadden, waren zij zeer zeker in staat om te martelen en te pijnigen, wanneer de mens niet deed wat zij wilden.
Aan deze zijde behoorden zij bij hen die ik had ontmoet en konden opnieuw verdergaan om de mensheid te vernietigen.
Deze mensen waren niet te bereiken.
Ik ontmoette er velen, maar liet hen gaan.
In alle kringen van de maatschappij leefden zij.
Ik zag armen en rijken die zo waren en wanneer dan een arme die middelen en macht zouden worden gegeven, vergat ook deze zichzelf en was precies zo.
Hun innerlijke gevoelens stemden overeen.
Doch ik wist, dat de armen op aarde waren gekomen om in deze toestand hun kringloop te beëindigen.
Bij andere mensen zag ik aan hun innerlijk licht waaraan zij dachten en waarin zij met hun gehele persoonlijkheid waren overgegaan.
Sombere uitstralingen nam ik waar en ik vond het machtig dit te aanschouwen.
Tevens begreep ik dat, wanneer ik in al die hellen niet was afgedaald, ik daarvan niets zou hebben begrepen.
Maar eeuwen waren er voorbijgegaan en in die tijd had ik veel geleerd, zodat ik nu iedereen begreep, die in en onder mijn eigen hel leefde.
Wanneer ik mensen ontmoette, die schimmen voor mij waren, voelde ik mij gelukkig.
Zij waren verder dan ik en het spoorde mij aan, innig, heel innig te gaan denken.
Zo volgde ik reeds een tijdlang de mens en was bereid hén te helpen, die mij het meest nodig hadden.
Vóór mij zag ik een aards mens en in zijn uitstraling lag iets dat mij aantrok.
De man liep voorovergebogen, geheel in zich zelf gekeerd voort en was als een levende dode.
Hij droeg een prachtig gewaad en daaraan zag ik, dat hij tot de hoogste kringen behoorde.
Ik bleef hem volgen en zag tot diep in zijn ziel, zodat ik wist waaraan hij dacht.
Deze mens was innerlijk gebroken.
Hij verteerde door haat, omdat men hem bedrogen had.
Liefde, altijd en eeuwig was het de liefde, waardoor ook hij zo droevig was.
Hij wist op dit ogenblik niet eens, dat hij leefde.
Wij liepen de ene straat in en de andere weer uit.
Maar ik zag nog meer.
Hij werd door twee astrale wezens achtervolgd, het waren een man en een vrouw.
Vernietigend waren de gedachten die zij op hem afzonden.
Wat wilden deze wezens van deze aardse mens?
Ik trok mij in mijn eigen wereld terug, want ik wilde niet dat zij mij zouden waarnemen.
Hoe ik daar zo ineens aan dacht, begreep ik eerst later en ik voelde dat men ook mij volgde.
Thans leerde ik krachten kennen, die ik op mijn reis, die toch eeuwen had geduurd, niet had beleefd.
Deze mens was zichzelf niet meer, want twee dierlijke wezens hadden zich met hem verbonden.
Zij leefden nu in hem.
In een waas van hartstocht en vernietiging was hij gehuld.
Als die maar te redden is, dacht ik.
De man was bedroefd, en had geen geestelijk bezit, waarmee ik mij kon verbinden.
Toch bleef ik hem volgen, een andere kracht dwong mij zulks te doen.
Uit hem zag ik lichtflitsen naar een ander mens gaan, wat ik duidelijk waarnam en waarvan ik de betekenis begreep.
Ik zou die fel uitgezonden gedachten straks volgen, maar eerst wilde ik weten waar hij leefde.
Lang duurde het voor hij zijn bestemming bereikt had, doch eindelijk trad hij zijn woning binnen.
Ik had goed gevoeld dat hij rijk was.
Hij bezat veel aards bezit en was toch ongelukkig.
Ongevraagd volgde ik hem en met mij de beide anderen.
Een mens op aarde die zich van niets bewust was, werd gevolgd.
Ik dacht iets onheilspellends te voelen.
Het was angstig dit uit mijn wereld te zien.
In één van zijn kamers zette hij zich neer.
Nu volgde ik de astrale wezens en was benieuwd wat zij zouden doen.
De aardse mens zat daar voorover gebogen, zijn hoofd in beide handen gesteund en zuchtte diep.
Eén van de demonen naderde hem en wrong zich in zijn aura, peilde zijn gevoelens en doorboorde hem met zijn wil.
Ik stelde mij op dit wezen in en voelde wat het wilde.
Wat een monsters zijn dat, dacht ik, wat een afschuwelijke wezens!
Moord en geweld stuurde men op hem af.
De astrale mens lag in hem.
Naast deze stond de vrouwelijke geest en zag toe hoe dit alles verliep.
Steeds bleef ik met hen verbonden.
Wonderlijk was dit één zijn, maar toch afschuwelijk, omdat zij de mens op aarde tot verschrikkelijke dingen aanspoorden.
De demon verhoogde zijn haat en dit was zeer eenvoudig.
Hij versterkte zijn gevoel ten opzichte van haar, die hem dit alles aandeed.
Eenmaal zo ver gekomen, zou hij dit plan ten uitvoer brengen.
Het licht dat ik thans waarnam was duivelachtig.
Woest werd de mens op aarde.
Hij vloog op van de plaats waar hij zat en rende de kamer heen en weer!
Na een poos zette hij zich weer neer om na te denken.
O, mens, gij zijt in handen van het kwaad, dacht ik.
Wanneer gij besluit waartoe zij u dwingen, zal er een mens sterven en ook gij zult dit leven binnentreden.
In hem legde men moord en vernietiging.
Ik kon hem niet bereiken, hier was voor mij niets te doen, want de demonen hadden hem in hun macht en hij had met hen te maken.
Nu volgde ik de gevoelens van de vrouwelijke geest en ik zag in haar leven.
Zij was op aarde vernietigd, men had een einde aan haar leven gemaakt.
Zij had haar strijd gestreden, doch zij haatte.
In dit leven had zij tevens hulp ontvangen en wel van hém, die zich op dit ogenblik had verbonden.
Haar haat was afschuwelijk en van haar ging dit alles uit.
Hij, deze aardse mens, had haar omgebracht.
Mij had dit leven gelouterd, doch dit leven had haar haat versterkt.
Een menselijk, maar afschuwelijk spel speelde zich hier voor mij af.
Ik was getuige van een gebeuren, dat zich eerst op aarde had afgespeeld en zich thans aan deze zijde voortzette.
Mijn hart klopte in mijn keel.
Wat zou ik moeten doen?
Ik voelde duidelijk, dat ik hem niet zou kunnen bereiken.
Van deze zijde wilde men dat hij zou doden.
Om zichzelf daarvoor te beschermen, moest hij onmiddellijk een ander leven beginnen en van zijn verlangens afstand doen.
Doch ik voelde dat dit niet mogelijk was.
Die krachten waren niet in hem.
Ik concentreerde mij weer op hem en voelde dat zijn haat enigszins was verzwakt.
Hij zat daar nu rustig te denken.
De demon maakte zich vrij en zei tot het vrouwelijke wezen: „Ik dacht dat ik reeds zo ver was, doch hij komt niet tot een besluit.”
Ik begreep, dat de aardse mens toch nog steeds zichzelf was en zich daardoor beschermde.
„Spoor hem aan,” zei het vrouwelijke monster, „dat hij drinkt, dan zal zijn concentratie verzwakken.”
Nogmaals wrong de astrale mens zich in dit aardse wezen en spoorde hem aan om te drinken.
Ik schrok.
Waarlijk, hij handelde naar die strenge wil en sprong op.
Uit een nis haalde hij drank tevoorschijn en schonk zich een beker vol in, die hij in één teug ledigde.
Nogmaals dronk hij van dit vocht, zodat zijn gevoel bedwelmde en hij niet zeker meer was van zijn gedachten.
Zijn brein raakte daardoor verward en hij werd steeds onrustiger.
Nu was hij geheel in hun macht.
Met belangstelling volgde ik dit afschuwelijke proces en bleef waar ik was.
Voortdurend zag ik uit hem gedachten gaan naar die andere persoonlijkheid.
Thans zou ik deze volgen, want ik wilde weten wie dit alles veroorzaakte.
Ik volgde zijn gedachten door mij daarop in te stellen en die gedachten brachten mij naar de plaats waar degene leefde, die al zijn denken in beslag nam.
Het was zeer eenvoudig.
Spoedig trad ik een gebouw binnen en voor mij zag ik een beeldschone vrouw.
Bij haar was een ander mens en nu begreep ik de hele situatie.
„Gij moet mij helpen,” hoorde ik haar zeggen, „mijn leven dreigt gevaar, want hij is zich zelf niet meer.”
„Wil ik hier blijven?” hoorde ik hem vragen.
„Doe dat,” antwoordde zij.
„Laten we afwachten.
Maar ik ben niet zeker, ik vertrouw hem in niets.”
Het wezen waartegen zij sprak, was een mens met een mooie uitstraling.
Die kon ik bereiken en ik wilde hem trachten duidelijk te maken, wat er zou geschieden.
Ik verbond mij met hem en legde in hem mijn gevoelens.
Zijn gedachtengang stuwde ik naar die andere en het gesprek dat ik thans hoorde, gaf mij de zekerheid dat hij mij voelde.
Ik hoorde hem zeggen: „Ik ken hem, hij is tot alles in staat.
Gij moet zeer voorzichtig zijn, want gij zijt niet de eerste.
Er lopen geruchten, dat wanneer hij zijn zinnen op iets heeft gezet en het niet tot zijn voordeel geschiedt, hij krasse maatregelen neemt.
Ik voel dit aan als een zeer ernstige toestand.
Gij spot met uw leven.
Waarom zijt ge ook zover gegaan?”
„Wat zegt ge, te ver gegaan?
Moet ik mij laten bedriegen?
Wilt gij mij zeggen dat ik het ben?
Hoe komt gij daarbij.”
„Maar ik meen het, gij zijt te ver gegaan.
Gij hebt u in zijn persoonlijkheid vergist.
Nu staat ge voor een geval dat zeer ernstig is.
Wil ik hem bezoeken?” liet hij erop volgen.
„Bezoeken?” herhaalde zij zijn vraag.
„Wat zoudt ge willen doen?”
„Ik zou met hem spreken, misschien haal ik hem over.”
„Gij?
Uw vijand?”
„Wat zou dat?”
„Neen,” zei zij, „dat nooit.”
Nu trok ik mij terug.
Ik bevond mij in een zeer merkwaardige toestand.
Alleen ik wist, wat er kon geschieden.
Wat nu?
Ik verbond mij opnieuw met deze jonge man en ik wist tot hoe ver hij zou gaan.
Zijn leven zou hij voor haar willen geven.
Toch was zij dit niet waard en ik trachtte het te voorkomen.
Ik liet hem voelen dat zij het niet waard was en hierop hield ik mijn concentratie ingesteld.
Lang duurde het niet of hij begon te denken.
Scherp waren thans zijn gedachten op haar gevestigd.
Hij doorzag nu haar gehele persoonlijkheid.
Fijn en zuiver menselijk waren zijn gevoelens.
Zij echter speelde met harten en ik liet hem dit duidelijk voelen.
Hij stond op en ging verder: „Hoelang kent u hem?”
„Bijna een halfjaar,” zei zij.
„Zo, en u heeft hem niets, absoluut niets beloofd?”
„Hoe komt u daarbij?” was haar vraag.
„Hoe ik daarbij kom zal u toch duidelijk zijn,” zei hij rustig.
„Ik begrijp niet dat hij het recht heeft u deze eisen te stellen.”
„Ge ziet, hij denkt het te kunnen.”
Hij peilde haar en ik hem en ik voelde dat hij haar nog niet lang kende.
Voor hem was zij het onpeilbare wezen, want de diepte van haar gevoel was voor de mens op aarde niet te peilen.
Daarom verhoogde ik zijn gevoel en door mij voelde hij haar als nooit tevoren.
Hier wilde ik redden wat er te redden viel.
Wanneer deze mens zich voor haar gaf, gingen hij en zij ten onder.
Ik wilde nu dat hij zich van haar losmaakte.
Ik legde in hem een gevoel van twijfel en die gevoelens versterkte ik, door hem haar karakter te laten voelen, waarvan hij zich thans bewust werd.
Zijn gedachten volgde ik en zijn interesse voor haar verminderde.
Plotseling deed hij een stap naar haar toe en zei: „Mag ik die brief lezen?”
Zij doorboorde hem met haar blik, haalde minachtend haar schouders op en zei: „Wat zoudt ge daaraan hebben?
Niets.
Ge zoudt alleen uw goede gezondheid en humeur verliezen.”
Ik begreep onmiddellijk dat ik niet alles wist.
Was er een brief?
Had hij haar geschreven en eisen gesteld?
Waar was die brief?
Ik peilde haar gedachtengang en zo wist ik waar deze zich bevond.
Zij droeg dit schrijven bij zich, maar zij zei dat zij het had opgeborgen en het nu niet kon halen.
Voor mij was dit een leugen.
Nu las ik wat in de brief stond geschreven.
Wonderbaarlijk was het dit alles te kunnen.
Duidelijk zag ik ieder geschreven woord.
Ieder woord straalde licht uit.
Dit schrijven betekende haat.
Ik behoefde niet eens meer te lezen, ik wist reeds alles.
Het was een duidelijke eis.
Ik las: „Geef mij binnen vierentwintig uur gelegenheid u te spreken.”
Daarvan was reeds het grootste gedeelte verstreken.
Deze avond voor twaalf uur zou zij moeten beslissen.
Zij stond voor de laatste uren.
Hij, die bij haar was, zou haar bewaken en toch, ik voelde dit duidelijk, trok hij zich nu in gevoel van haar terug, daar hij haar gehele persoonlijkheid kende.
Deze mens wilde zijn leven voor haar geven, doch hij moest weten waarvoor.
Ik was zeer gelukkig, want dit waren mijn gevoelens.
Thans zag ik een ander wonder.
Naast mij bouwde er zich iets op en een geest manifesteerde zich voor mijn ogen.
Ik zag dat zij tot de hogere wezens behoorde.
„Ik dank u,” zei het wezen tot mij, „dat u mijn kind beschermt.”
„Uw kind?” vroeg ik heel verwonderd.
„Hij is mijn kind,” en zij wees naar hem.
„Ik ben u zeer dankbaar, want ik volg hem reeds geruime tijd.
Hebt u dit toneel geheel overzien?
Weet u wat geschiedt?”
„Neen,” antwoordde ik, „dat weet ik nog niet, ik ben bezig dit te volgen.”
„Weet dan, dat u dit niet kunt tegengaan.
Ik zag dit gevaar reeds lang en volg daarom mijn kind.
Maar gij moet hem beletten haar te naderen.
Door concentratie is dit mogelijk, dan zal hij zich moeten terugtrekken.
Ik help u, doch niet hier.
God zal ik om kracht vragen, want het is nodig dat hij leeft.”
„Maar,” zei ik toen ik mijn eigen leven plotseling voor mij zag, „is dit mogelijk?
Kan men hem beschermen wanneer hij moet overgaan, dit moet beleven?”
„Neen,” zei het wezen tot mij, „dat niet, maar wanneer gij hem niet wakker maakt, gaat hij toch ten onder.
Hij zal treuren om haar en zijn leven is dan vernietigd.
Voelt u, wat ik bedoel!”
„Ja,” zei ik, „ik begrijp u volkomen, ik ben reeds bezig.”
„Dat weet ik, maar gij moet bij hem blijven.
Hij is de enige die gij kunt helpen.”
„En die anderen?”
„Beiden gaan over.”
„Heeft u dit reeds overzien?”
„Ik heb dit ontvangen,” zei het schone wezen tot mij.
Mijn God, dacht ik, wat heb ik nog te leren.
„Ik zal bij hem blijven, maar kunt u mij nog raad geven?”
„U volgt hem en u moet hem blijven volgen, meer behoeft u niet te doen.
Maar wanneer het mogelijk is, moet u uw gevoelens op hem overbrengen, waarnaar hij zal handelen.”
Daarna trok de geest zich voor mij terug en ik was weer alleen met hen beiden.
Een vreselijk drama zou geschieden.
In de sferen wist men daar reeds van.
Voor mij was het weer een diep probleem en tevens een wonder van menselijke kracht.
Alles wist men van de aardse mens af, wanneer beiden waren verbonden.
Vanaf deze zijde stelde men zich op de aardse mens in en wat voor de aarde wonderen waren, die men eerst aan deze zijde zou leren kennen, was niets anders dan de liefde tussen moeder en kind.
Ik zou trachten hem zijn laatste gevoelens voor haar te ontnemen.
Ik leerde wetten kennen die nieuw voor mij waren.
De één leefde door de ander en een ander werd weer door de onzichtbare mens vernietigd.
Hij, wie ik dacht te beschermen, was niet meer te redden, maar degene waaraan ik niet had gedacht en die ik niet eens kende, die zou ik juist moeten helpen.
Ik wachtte nu af wat zou geschieden.
Hier was het nu rustig.
De jonge man sprak met haar, maar zij ontweek zijn vragen en zag de ernst van haar toestand niet in.
Zij had hem door haar schoonheid beïnvloed, haar schoonheid trok hem aan.
Dit alles was echt menselijk.
Dergelijke toestanden waren aan de orde van de dag.
Maar dat het op deze wijze geschiedde, zag ik eerst in dit leven en ik beleefde het omdat ik erin overging.
Hier leerde ik wat ik op mijn lange reis niet had geleerd.
Maar ik zou de verschijning niet teleurstellen.
Nog was hij verblind, doch ik moest trachten zijn gevoelens te doden.
Maar ik voelde, dat dit niet zo eenvoudig was.
Deze vrouw stond met hém, die door de demonen werd beïnvloed, in verbinding.
Zij had deze verbinding verbroken en hij kwam daar op terug en aanvaardde het niet.
Thans overzag ik alles.
Heel eenvoudig was het.
Hij had die andere vrouw, die demon, bedrogen en zij had aan deze zijde hulp ontvangen van dat afschuwelijke monster, zodat hij door hen werd aangespoord.
Vijf mensen waren hiermee verbonden en ik zou trachten die jonge man te redden.
Een niet gemakkelijke taak, doch ik zou mijn best doen.
Een moeder waakte over haar kind; schoon waren haar gevoelens en het deed mij goed dit te hebben beleefd.
Daarin zag ik reine liefde, een liefde die hoger en sterker was dan de mijne.
Nu hoorde ik hen opnieuw spreken, ik had hen onder mijn denken door toch in alles kunnen volgen.
Hij drong erop aan, alles van haar leven met hem te vertellen.
Doch zij wist op voortreffelijke wijze zijn vraag te omzeilen en het gesprek een andere wending te geven.
Toch keerde hij er telkens op terug.
Ik legde mijn gevoel in hem en spoorde hem aan door te gaan.
Kort en streng waren zijn vragen, bits en huichelachtig haar antwoorden.
„Wanneer gij mij de waarheid niet zegt, ga ik heen,” zei hij.
„Ik heb niets te zeggen,” snauwde zij hem toe.
„Wat wilt ge?
Ga, wanneer u dit niet bevalt, ga gerust, ik zal mij weten te verdedigen.”
Hij stond daar als een dode zo wit en was van haar geschrokken.
Nu ging hij haar geheel doorzien, want ik bleef met hem in verbinding.
Zij trad op hem toe.
„Kom,” zei zij, „laat dit alles.”
Zij vlijde zich tegen hem aan en mijn macht op hem ging op haar over.
Niet zo eenvoudig was het, om een mens geheel in zijn macht te hebben en vanaf deze zijde te beschermen.
Door zijn liefde voor haar stootte hij mij van zich af en doordat zij zich tegen hem aanvlijde, was mijn macht over hem reeds gebroken.
Zijn eigen verlangens speelden mij parten.
Daarop had ik weer niet gerekend.
Alles geschiedde hier onverwachts.
Die menselijke wil zou ik moeten overheersen, anders bereikte ik niets.
Toch kon ik hem op dit ogenblik niet bereiken.
Nu dacht ik aan die anderen.
Ik wilde weten wat daar geschiedde en verwijderde mij, maar zou aanstonds terugkeren.
Spoedig was ik daar en vond hem, zoals ik hem had verlaten.
De tijd verstreek.
In en om hem zag ik nog steeds de beide demonen.
Thans was hij een instrument in hun handen.
Hoe zou zich dit drama oplossen?
Ik peilde hem opnieuw en stelde vast dat hij reeds een besluit had genomen en dat hij geheel met lichaam en ziel aan hen verbonden was.
Zijn haat had het hoogste punt bereikt.
Zijn ziel was besmet door het gif van deze zijde.
Het was onmenselijk wat ik waarnam.
Hij had de leeftijd van veertig jaar bereikt en dat was te jong om te sterven.
Toch was hij verloren, want hij wilde niet anders.
Woest stampte hij op de grond en dronk zijn beker leeg, waardoor zijn brein bedwelmde en zijn haat versterkte.
Onverwachts scheen hij tot een besluit te komen.
Ik voelde wat hij wilde gaan doen en zag nog dat hij een dolk bij zich stak.
Daarna maakte hij zich gereed om te vertrekken.
De demonen volgden hem, scherp was en bleef hun concentratie op hem gericht.
In een flits verplaatste ik mij, terug naar hem, die ik zou helpen.
Ik concentreerde mij op die omgeving en zweefde daarheen.
Om het huis lag een prachtige tuin en enige bomen sloten het uitzicht af.
Duidelijk zag ik dit aardse tafereel.
Snel trad ik binnen, want er moest gehandeld worden.
Ik dwong hen beiden om heen te gaan, maar dit bleek mij niet mogelijk.
Hij was weer geheel in haar overgegaan en in haar strikken verward geraakt.
Zijn jeugdig bloed verloochende zich niet.
Ik wrong mij in hem en verscherpte mijn concentratie.
Een hollend paard had ik in zijn ren tot stilstand kunnen brengen.
Een geweldige angst overviel hem.
„Wat scheelt u?” vroeg zij belangstellend.
„Ik voel mij niet goed,” zei hij.
Dan ging ik op haar over en ook in haar legde ik mijn angst, wat ik van het noodlot af wist.
Beiden voelden mij.
„Er zal iets geschieden,” zei zij, „ik word angstig.”
Ook hij was angstig doch wilde het voor haar niet weten.
„Hij zal komen,” zei zij, „wat moet ik doen?”
„Ga heen,” zei zij weer, „hij zal u doden.”
„Neen,” antwoordde hij, „ik blijf.”
„Ga,” zei zij nogmaals, „het kost u uw leven.”
„Ik blijf,” zei hij vastbesloten.
Hij zette zich neer en keek naar haar.
Zij rende als een wild dier heen en weer.
Plotseling stootte zij een afschuwelijk gekrijs uit, dat tot in mijn leven doordrong.
Zij zag naar de ingang en voor haar stond haar vorige minnaar.
Hij overzag de toestand en glimlachte.
Toen trad hij nader en twee paar ogen ontmoetten elkaar.
Hij zag van haar naar hem, die vóór haar plaatsgenomen had.
„Wie zijt gij?” vroeg hij aan mijn beschermeling.
Deze zei niets maar bleef hem aankijken.
„Wie zijt gij?” vroeg hij nogmaals, „en wat doet gij hier in mijn huis?”
Hij schrok.
„Uw huis?”
„Mijn huis, wat doet gij hier?”
Zij stond als aan de grond vastgenageld en was de wanhoop nabij.
Met een sprong stond zij voor hem.
„Ga heen,” zei zij, „wie geeft u het recht zo te spreken?”
„Ik kom hier wanneer ik dit zelf verkies,” hoorde ik hem zeggen.
Bliksemsnel greep hij zijn dolk en op hetzelfde ogenblik waren twee mensen doorstoken.
Mijn beschermeling verwijderde zich, innerlijk hevig geschokt.
Ik bleef en zag toe hoe dit zou eindigen.
Nog leefden zij, maar beiden zouden sterven.
Op hetzelfde ogenblik dat ik dit alles waarnam, hoorde ik naast mij zeggen: „Volg hem, gij kunt later hier terugkeren.”
Ik concentreerde mij op hem en had hem spoedig bereikt.
Als in een droom vervolgde hij zijn weg en was zich niet bewust waarheen hij ging.
Ik verbond mij met hem, fel waren zijn gedachten.
Toch gelukte het mij hem tot nadenken te brengen, zodat hij zichzelf vragen begon te stellen.
Hij voelde mijn gedachten, mijn kracht maakte hem bewust.
Plotseling begon hij echter hevig te schreien en zakte ineen.
Ook daar had ik niet op gerekend.
Wat nu?
Ik wilde hem wakker maken doch het gelukte mij niet.
Uren gingen er voorbij.
Eindelijk zag ik dat men hem naar zijn eigen woning bracht.
Daarna keerde ik naar de plaats des onheils terug.
Beiden waren nog in leven, maar enige minuten later gaf zij de geest.
Toen ik dit waarnam zag ik enige schimmen in mijn nabijheid, die ik reeds eerder dacht gezien te hebben.
Nu werden zij voor mij zichtbaar en ik zag dat zij lange passen over het stofkleed maakten.
Daarna hoorde ik een afgrijselijke gil en de geest ging uit het stofkleed.
Zij was op aarde gestorven en aan deze zijde geboren.
Hij leefde nog, maar lang zou het echter niet meer duren.
De demonen stonden op enige afstand toe te zien.
Nu hadden zij hem verlaten, doch wachtten aan deze zijde op zijn binnentreden.
Ik stond af te wachten wat zij zouden doen.
Een afschuwelijk drama had ik in deze paar uren beleefd.
Nu hoorde ik een gesmoorde kreet en ik begreep: ook hij ging over.
Maar weer beleefde ik een ander gebeuren.
Opnieuw zag ik schimmen en deze schimmen droegen hem weg.
Maar kon dat?
Was ook hij geen zelfmoordenaar?
Wat betekende dit?
Doch op hetzelfde ogenblik hoorde ik in mij zeggen: Het is zijn einde!
Zijn einde, herhaalde ik, zijn einde?
Mijn God, hoe onbegrijpelijk zijn Uw wetten.
„Volg die schimmen,” hoorde ik tot mij zeggen, „eerst later kan men u dit alles duidelijk maken.
Dit is zijn normale einde.”
Van wie was die stem?
Iemand die zelfmoord pleegde was in zijn normale toestand gestorven?
En ik?
Te onbegrijpelijk, dacht ik, voor mij nog te diep.
Eens zal mij de betekenis wel worden gegeven.
Ik hoorde niets meer en volgde de schimmen.
Waarheen zouden zij gaan?
Nu voelde ik mij opgeheven en in snelle vaart ging het, weg van deze plaats.
Ook de demonen gingen heen en volgden de schimmen.
Ik voelde dat ik de aarde verliet.
Steeds hoger en hoger ging het, zodat ik de aarde niet meer kon waarnemen.
Ook dit had ik op mijn lange tocht niet gezien, noch gevoeld, noch beleefd.
Wat was dat voor een wonder?
Ik bleef hen volgen.
Wisten de demonen waarheen die schimmen gingen?
Ik voelde echter dat ik een nieuw wonder ging beleven, waarvan ik nog niets wist, hoewel ik dacht reeds veel te weten.
Steeds verder ging het.
Die schimmen had ik bij het gevecht op straat ook gezien.
Ineens dacht ik daaraan.
Ook daar hadden zij hen die waren gestorven, weggevoerd.
Waarheen wist ik niet, doch nu zou ik het te weten komen.
Vóór mij doemde een stad op, een andere wereld trad ik binnen.
Om mij heen zag ik huizen en gebouwen.
Waar was ik?
Dit kon geen hemel zijn, want er heerste duisternis om mij heen.
Steeds gingen zij verder en zweefden door al die gebouwen heen.
Eindelijk daalden zij.
Ik voelde mij op de begane grond, de bodem was hecht.
Ook de demonen waren dicht naast mij, toch zagen zij mij niet.
Ik volgde ook hun doen en laten.
Als roofdieren zagen zij toe en ik voelde hun bedoeling.
Dat wezen dáár had hun volle belangstelling.
In een donker hol legde men de gestorvene neer.
Om mij heen zag ik nog meer holen en krotten.
Nu zag ik duidelijk de schimmen en één van hen bestraalde hem.
Hij maakte lange passen over het lichaam.
Dit duurde geruime tijd.
Ik bleef toezien en vond het zeer wonderlijk wat ik waarnam.
De demonen bleven op enige afstand toekijken.
Ik merkte dat de schimmen hen voelden, want één van hen keek in hun richting.
Ik hoorde hen toen spreken en schrok door wat ik hoorde.
„Ons werk is gedaan,” zei de ene schim, „straks kunnen zij hem aanvallen.”
Nu begreep ik onmiddellijk de gehele situatie.
Daarvan had mijn eigen meester verteld.
Ook ik zou een dergelijke toestand hebben beleefd, wanneer ik op normale wijze was gestorven.
De schimmen gingen nu heen, maar zij waren nog niet weg, of de beide demonen vielen als waanzinnigen op de man, die daar in slaap lag, aan en ranselden hem af.
Ik hoorde hem kermen en voelde, dat hij tot bewustzijn zou komen.
Men trapte en schopte hem en sleurde hem uit dat hol tevoorschijn.
„Laat mij met rust,” hoorde ik hem zeggen, „laat mij met rust.”
Toen schreeuwde de vrouw hem enige scheldwoorden toe en vervloekte hem.
Ik zag, dat er van hem niet veel over zou blijven, maar voelde tevens, dat ik hier niets kon doen.
De demonen hadden hem in hun macht, daaraan viel niet te twijfelen.
Duivels waren het!
Zij pakten hem beet en smeten hem enige meters van zich af, om hem opnieuw af te ranselen.
Waar was ik in vredesnaam terechtgekomen?
Ik was in een hel en toch was mij deze hel niet bekend.
Hoe zou ik achter deze waarheid kunnen komen?
Het wezen stootte een afgrijselijk gekerm uit en nog was het niet voldoende, want zij bleven hem aanvallen.
Deze mensen waren zichzelf niet meer.
Alle scheldwoorden en vervloekingen slingerden zij hem toe.
Hij was schuld aan haar ondergang.
Hoe dierlijk waren deze mensen, hier leefden zij zich uit.
Ik voelde een haat die ik op aarde nooit had gevoeld.
Hoe kon een mens zo diep haten?
Toch gingen zij nog door.
De gestorvene was zich thans van niets meer bewust.
Hij voelde niet meer dat men hem sloeg, hij was bewusteloos.
De vrouw was als een wild voordierlijk beest, afschuwelijk was zij.
Mijn God, dacht ik, wat een beest, wat bezielt deze mensen toch!
Thans liet men hem liggen.
„Wij komen terug,” hoorde ik hen zeggen, „wij zullen u opnieuw wakker maken.
Wij zullen u laten slapen om krachten te verzamelen, maar dan komen wij terug.”
„Ik kom terug,” hoorde ik het vrouwelijke wezen zeggen.
„Waar is die andere?”
De mannelijke geest tot wie deze vraag werd gericht, zei: „Hier is zij niet.”
„Jammer,” hoorde ik haar zeggen.
„Kom, wij gaan heen, terug naar de aarde.”
Naar de aarde, dacht ik, zijn wij dan niet op de aarde?
Waar was ik, in de hel?
Maar waar?
Ik stond verstijfd van schrik en dacht na.
Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder en ik zag in het gelaat van een mens.
„Broeder,” zei het wezen tot mij, „ziet gij toe wanneer een ander mens door demonen wordt verscheurd?”
„Ik kan toch niets doen,” zei ik, „ik sta hier machteloos.
Zeg mij, waar ben ik?”
Het wezen zag mij aan en zei: „Gij bevindt u in de sferen.
Dit hier is een hel.
Waar gij vandaan komt, behoort bij de aarde en zijn de astrale gebieden, doch dit is het land van de geest.”
„Wonderlijk,” zei ik en vroeg: „Zijt gij een geest van het licht?”
„Ja, dat ben ik.”
„Wat doet gij hier?”
„Ik tracht ongelukkigen te helpen.”
„Hier in deze duisternis?”
„Ja, in deze hel en er zijn er nog velen.”
„Wat is dit voor een land, ik zie huizen en gebouwen?”
„Dit hier is het land van haat.
Gij ziet in werkelijkheid een stad, doch die stad is door haat opgetrokken.”
„Wat doet u hier zo alleen?”
„Ik ben niet alleen, hier zijn duizenden helpers om hen te helpen, die geholpen willen worden.”
„Had ik hem dan kunnen helpen?”
„Gij had uw leven kunnen geven voor hem, die men van de aarde hier bracht.”
„Kan ik mijn eigen leven geven?”
„Ja, dit is mogelijk, ziedaar.”
Ik keek naar de plaats waar hij naar wees en op hetzelfde ogenblik viel men mij aan en voor ik erop bedacht was, sleurde men mij door de duisternis.
Reeds eerder was ik aangevallen, zodat ik wist, hoe ik mij uit die klauwen moest bevrijden.
Toen hoorde ik een satanisch gelach.
Die schoften!
Wat voor huichelaars leven hier tezamen?
Ik voelde dat ik mij bevrijd had, maar hier loerde het kwaad op de mens zoals op aarde.
Daar had ik niet op gerekend.
Onverwachts hadden zij mij aangevallen, die duivels!
Welke mensen leefden hier?
Ik was in een andere wereld, maar welke?
Daar voor mij lag die hel.
Toch wilde ik weten wat met hem was geschied en keerde terug.
Fel concentreerde ik mij op het wezen dat men daar had neergelegd.
Wel kon ik weer worden aangevallen, maar toch daalde ik af.
Die demon gaf zich voor een broeder uit, hoe gevaarlijk was het hier.
Het werd nu duister om mij heen en ik voelde dat ik op de goede weg was.
Ik naderde heel voorzichtig.
Daar lag het wezen.
Links en rechts van mij zag ik andere wezens en deze mensen waren als de demonen die hem hadden gevolgd.
Ik hoorde ook hen spreken.
Zij hadden het over mij.
Hoorde ik wel goed?
Ja, zij vertelden elkander hoe zij mij hadden aangevallen.
Ik begreep nu dat ik in een andere hel was.
Ver van de aarde was ik verwijderd.
Dit hier was de geestelijke afstemming.
Lag dit gebied buiten de sfeer der aarde?
Waar was dan de aarde?
Ik zou erop letten.
Voelde ik de betekenis?
Was op aarde de astrale wereld?
Was dit de waarheid?
Ik was een voor mij onbekende sfeer binnengetreden.
Verder hoorde ik hem nog zeggen, dat die anderen naar de aarde waren teruggekeerd, maar dat zij hier zouden terugkomen.
Eén van hen hield hier de wacht.
Zij wachtten totdat hij opnieuw wakker zou worden, dan zou er weer gevochten worden.
Op aarde sloeg men een mens dood, doch hier bewusteloos.
Men „moest” wakker worden.
Ik dacht ook dit probleem te voelen en vond het verschrikkelijk.
Niets dan wreedheid, hartstocht en geweld wat ik waarnam.
Allen waren demonen, demonen die zich voor hogere wezens uitgaven, om dan hen, die zich van niets bewust waren, aan te vallen.
Nog voelde ik hoe zij mij hadden geslagen.
Hoe afschuwelijk was alles wat ik tot nu toe had beleefd.
In de astrale wereld had men mij aangevallen, maar hier vond ik hen nog gemener.
Velen gingen nu heen, maar twee bleven er achter.
Behoorden zij allen bij hem, hadden deze mensen met hem te maken?
Het kwaad dat hij op aarde had misdreven, wachtte hem op.
Wellicht zouden er honderden met hem te maken hebben.
Na een korte poos kwamen er weer anderen.
Ook de eerste demonen, die hem naar hier gezonden hadden, keerden terug, waaronder de vrouw, die de leidster van hen allen was.
Een afschuwelijk komplot zag ik daar voor mij.
Wat een verschrikkelijke bende van rovers en moordenaars was daar bijeen.
Allen behoorden bij elkander.
Ongelooflijk was het.
Hier leerde ik de verbinding van de duivels kennen, honderden waren met elkander verbonden.
Nu hadden zij het over mij, dat ik hen was gevolgd en dat zij mij hadden vernietigd.
Dat zouden jullie wel hebben gewild, dacht ik, doch tegen deze overmacht was ik niet opgewassen.
Wat moest ik dan hier nog doen?
Ik wilde terug naar de aarde, naar hem, die ik alleen had achtergelaten.
Ik zou dus de stem van mijn hart volgen en die stem en verlangens hield ik op aarde gevestigd.
Een mens had ik van de aarde het geestenrijk zien binnentreden.
Het was een afschuwelijke overgang, want men wachtte hem hier op en bleef hem bewaken.
Wanneer hij wakker werd, zou men hem opnieuw aanvallen.
Hoe rilde en beefde ik van die duivelse krachten.
Nu concentreerde ik mij op de aarde en wilde sneller gaan, want ik voelde angst in mij komen.
Deze hel loste voor mij op en door voortdurend aan de aarde te denken zweefde ik de aarde tegemoet.
Ik had dus toch goed gevoeld.
Daarginds was het geestenrijk en ik ging nu naar de aarde.
Op aarde waren de astrale gebieden, zo moest het zijn, een andere betekenis kon ik er niet voor vinden.
Maar dan had die demon de waarheid gesproken!
Daar zag ik reeds de aarde.
Thans hield ik mijn gedachten op hem gericht die ik had willen beschermen.
Veel had ik niet voor hem kunnen doen dan alleen hem helpen denken en zo was hij achter haar ware persoonlijkheid gekomen.
De aarde werd nu voor mij zichtbaar.
Het was, alsof ik thans duidelijker kon waarnemen.
Kwam dat omdat ik bezig was voor anderen iets te doen?
In ieder geval stemde het mij prettig, want ik was mij bewust van mijn goede voornemens.
Nu trad ik een gebouw op aarde binnen.
Ik wandelde door de kamers en hield mijn gedachten op hem gericht die ik had verlaten.
In één van de kamers lag hij, die dit drama had beleefd, te slapen.
Om hem heen waren enige aardse mensen.
Ik zag dat hij wakker werd en men hem vragen wilde stellen.
In een flits begreep ik wat mij te doen stond.
Ik verbond mij met hem en ik gaf op iedere vraag antwoord.
Ik zei, dat ik met dit alles niets te maken had.
Hij zelf wist niet welke weg te moeten volgen, wat ik duidelijk voelde, maar hij moest deze weg volgen, anders was ook hij verloren.
Ik bleef dus in hem en dwong hem op deze wijze verder te spreken.
Geheel had ik hem in mijn macht en hij luisterde naar mij.
Daarna trad er een oude man binnen en ik voelde dat dit zijn vader was.
Hij luisterde toe en begreep de toestand waarin zijn kind verkeerde.
Men vroeg of hij beide personen kende.
„Neen,” zei hij.
„Men heeft u gevolgd,” hoorde ik zeggen.
„Dan hebben die mensen niet goed gezien,” liet hij erop volgen.
Plotseling dacht ik dat alles verloren was, want hij begon te snikken.
Dit was verkeerd, want men zou hem kunnen verdenken.
Men dacht dat hij thans zich geheel zou overgeven.
Ik versterkte mijn concentratie en dwong hem kalm te blijven.
Tevens voelde ik nu, dat ik werd geholpen.
Door de kracht die ik in hem legde, werd hij weer zichzelf en hij zei: „Ik voel mij zeer ontdaan, hoe komt u erbij mij die vragen te stellen?”
Nu nam zijn vader het woord en pleitte voor zijn kind.
Ik begreep dat dit de enige mogelijkheid was hem van het schavot te redden.
„Ik voel mij niet wel,” zei hij, „met dat andere heb ik niets te maken.
Nu wens ik te slapen, ik ben niet goed en voel mij ziek.
Zoek, maar niet hier.”
De vader hernam het gesprek en trachtte hen van de onschuld van zijn kind te overtuigen.
„Waar zijt gij geweest die en die tijd?” vroeg één van die heren nog aan hem.
„Men heeft u ver van uw woning gevonden.”
„Dat is zo, maar ik heb daar echter niets mee te maken.”
„Goed,” zeiden zij en gingen heen.
Het eerste verhoor was voorbij.
Ik voelde mij tot hem aangetrokken, maar wist niet waarom.
Had ik soms met hem te maken?
Spoedig lag hij in een diepe slaap, maar ik bleef over hem waken.
Merkwaardige gevoelens kwamen er in mij op.
Ik voelde mij zoals vroeger, toen mijn ouders nog leefden en toch was ik thans in een vreemd land.
Kende ik deze wezens?
Ik peilde hem en ook zijn vader.
Op dit ogenblik voelde ik weer de mij zo bekende inwerking.
Werd ik met iets verbonden?
Uit het verleden doemde er iets voor mijn geest op.
Hadden deze wezens met mij uit ver vervlogen tijden te maken?
Opnieuw peilde ik hen, om hun gehele wezen, hun diepste innerlijk te kunnen aanvoelen.
Dit gelukte mij echter niet en zo bleef hun leven in een dicht waas gehuld.
Ik twijfelde er echter niet aan, of dit had een betekenis, want in dit leven had álles betekenis.
Iedere gedachte die men voelde en die bewust of onbewust werd uitgesproken, had voor degene die ze opving betekenis.
Maar alleen tot hém voelde ik mij aangetrokken, niet tot zijn vader.
Onze gevoelens, of wat het ook was, stemden overeen.
In zijn toestand lag iets van mijzelf en die gevoelens keerden tot mijzelf terug.
Dit was het wat mij bezighield, wat ik vreemd vond, maar toch duidelijk voelde.
Zijn vader was in gevoel ver van mij verwijderd en hem voelde ik meer als de verbinding met deze mens.
Deze gevoelens kwamen tot mij tijdens zijn slaap.
Na een lange slaap werd hij opnieuw wakker.
Hij sprong uit zijn bed en zocht zijn vader op.
Ik volgde hem, want ik wilde weten wat hij met hem zou bespreken.
Nu hield ik mijn concentratie van hem terug, anders zou hij mijn gevoelens vertolken en kwam ik niets te weten.
Ik wilde achter de gehele waarheid zien te komen.
Er volgde nu een gesprek tussen vader en zoon.
„Ik heb geen schuld,” sprak hij.
„Neen, dat alles gaat mij niet aan.”
„Zijt ge daar geweest?” vroeg zijn vader.
„Ja, voor mijn ogen heeft hij zich doorstoken en ook haar, die ik eerst zo kort kende.”
„Spreekt gij de waarheid, Lantos?”
Ik schrok.
Hoorde ik goed?
Lantos?
Droeg hij mijn naam?
Was hij een familielid van mij?
Had ik dus goed gevoeld?
Mijn God, dacht ik, wat nu weer.
Daarop zei hij: „Ik spreek de waarheid, vader.
Wanneer ik schuld had legde ik mijn hoofd op het schavot en ik zou dat onmiddellijk doen, maar dit gaat mij niet aan, geloof mij.”
„Ik geloof u,” zei zijn vader.
„Ik begrijp alles en zal u helpen, laat dit aan mij over.
Zij moeten het aanvaarden of uw leven staat op het spel.
Gij hebt echter de goede weg ingeslagen.
Ga erop door, of uw hoofd valt.”
Zijn vader ging heen en ik wist wat hij ging doen.
Lantos, dacht ik, deze jonge man droeg mijn naam?
Plotseling dacht ik dit probleem te voelen.
Een wezen van onze familie was op aarde.
Nu keek ik in het vertrek rond en herkende vele dingen die ook wij hadden gehad.
Als ik goed voelde had men van ons bezit toch nog goederen kunnen redden.
Dan waren zij degenen, die ons bezit hadden geërfd of op de één of andere wijze hadden verkregen.
Links en rechts zag ik voorwerpen uit mijn tijd.
Wonderlijk was het.
Had meester Emschor mij ook thans weer verbonden?
Was de inwerking die ik had gevoeld de zijne?
Het kon niet anders.
Ik zette mij neer en dacht aan mijn vroeger leven.
Plotseling hoorde ik een zachte stem zeggen: „Ik dank u, Lantos Dumonché, voor uw hulp.”
Ik schrok, want mijn naam werd uitgesproken.
„Kent u mij?” vroeg ik.
„Ja,” zei de stem, „ik ken u.
Aan dit alles komt een goed einde, maar mijn kind zal heengaan.
Hij draagt uw naam en toch behoort hij thans tot een ander geslacht.
In één van uw levens was hij uw kind.
U ziet, uw wegen worden gevolgd.
Hij, die u van het verleden heeft overtuigd, stuurde mij tot u.
Aanvaard dit alles, het is de waarheid.”
„Bent u zijn moeder?”
„Ja, het is mijn kind.”
„Hoe machtig zijn de krachten van de meesters om dit allemaal te kunnen weten.”
„Hun krachten zijn onbeperkt.
Als het Gods wil is zal ons alles geopenbaard worden.”
„Wat moet ik thans doen?” vroeg ik.
„Ga heen en vervolg uw weg.”
„Kan ik hier nog iets doen?”
„Neen, hier heeft men uw hulp niet meer nodig.”
„Wilde meester Emschor dat ik dit beleefde?”
„Ja en u ziet, het is reeds geschied.”
„Heeft men mij hierheen gestuurd?”
„Ja, dat kunnen zij die deze krachten bezitten en u kent die krachten.
Dank God voor dit alles.”
Ik had dus goed gevoeld en Emschor had het mij duidelijk gemaakt op de plaats van mijn geboorte.
„Waar is zij,” vroeg ik, „die men doodde?”
„In een andere wereld.
Gij kunt haar later bezoeken, doch wacht lang, want ook zij slaapt en zal lang moeten slapen.”
„Ik dank u,” zei ik tot het wezen, „maar waarom beleef ik dit alles?”
„Om u van uw verleden te overtuigen en omdat het nodig is.”
„Heeft u in de sferen van licht met alles en iedereen verbinding?”
„Wij zijn met miljoenen wezens verbonden en ook gij behoort daartoe.”
„Goede geest, ik dank u uit het diepst van mijn ziel, nu weet ik voldoende, ik dank u.”
De geest ging heen.
Merkwaardig dacht ik, mijn eigen kind had ik beschermd, hoe diep was alles.
Hoe geweldig zijn de krachten van hen, die dit alles weten.
Telkens weer het verleden, ik had blijkbaar nog niet genoeg beleefd.
Hier had ik niet aan gedacht, maar wie zou daar nu aan denken.
Hoe hoger men was gekomen, des te dieper zag men in het leven en de levens die reeds waren beleefd.
Groots is dit leven, zei ik tot mijzelf.
Waarheen zou ik thans gaan?
Eerst bezocht ik hem die ik had beschermd.
Hij was weer gaan rusten en ik voelde nu dat hem geen gevaar dreigde.
Nog was het zijn tijd niet om heen te gaan.
Hoeveel wezens waren met dit gebeuren verbonden?
Het zouden er duizenden kunnen zijn en toch ging het alleen om hem.
Maar ik had er veel door geleerd, ik wist nu, dat ik nog lang niet alles van mijn eigen hel wist.
Door één toestand werd ik met het gehele universum verbonden.
Door één mens leerde ik, wat men op aarde niet zou kunnen.
Dit alles was geestelijke wijsheid, het behoorde tot dit leven.
Maar het was machtig en diep, heel diep.
Ik wilde nu verdergaan en zou nieuw werk zoeken.
Waarheen?
Zou ik naar mijn cel terugkeren?
Wellicht zou ik daar werk vinden, want er waren daar veel ongelukkigen.
Werd ik ook daar naartoe gestuurd?
Dit trok mij aan, want er waren demonen om die ongelukkigen te vernietigen.
Wat ik ontmoette was steeds geweld.
Hier leefde het kwaad bijeen.
Toch ging ik niet naar mijn cel, maar wilde eerst die andere wereld weer opzoeken, omdat ik daar alles van wilde weten.
Ik keerde dus terug naar dat andere wezen.
Spoedig was ik daar en zag dat hij nog steeds werd bewaakt.
Arm mens, wat gij ook misdeed, dit is verschrikkelijk.
Hij zou moeten goedmaken, wat hij eens had misdaan.
Hoeveel mensen had hij naar hier gezonden?
Bezat hij die macht op aarde?
Het bleek wel zo te zijn naar alles wat ik waarnam.
Weer dwaalde ik door de straten van die donkere stad en keek mijn ogen uit.
Wanneer ik het zelf niet had waargenomen, zou ik het niet hebben kunnen aanvaarden.
Hier leefden de mensen van de aarde, maar ik voelde al spoedig dat alleen het kwaad hier verenigd was.
Ook zag ik schimmen, doch die behoorden tot de hoger afgestemde mensen, die de ongelukkigen gingen helpen.
Zij droegen vaders en moeders op hun schouders en voerden hen uit deze verschrikking weg.
Waarheen gingen zij?
Zij losten als het ware voor mij op, wat voor mij zeer wonderlijk was.
Toch stond ik machteloos toe te zien en kon niet mee gaan, hoe gaarne ik ook wilde.
Een onzichtbare macht riep mij een halt toe.
Wanneer ik het toch wilde proberen, dan was het alsof ik stikte en het mijn adem afsneed.
Daarom gaf ik het maar op, want ik begreep de betekenis daarvan.
Ik was nog niet zo ver, die krachten waren niet in mij.
De geestelijke wet was onverbiddelijk.
Was dit God?
Neen, God was dit niet, ik was het, die mijzelf had opgesloten en zodoende mijn hel niet kon verlaten.
Wanneer ik mij die krachten had eigen gemaakt, eerst dán kon ik verder en hoger gaan.
Ik verwonderde mij echter over alles wat ik waarnam.
Het was hier als op aarde en toch lag dit gebied ver van de aarde verwijderd.
Daarom noemde men het hier de geestelijke wereld.
Ik leefde in een stad, maar die stad was grillig.
Het was een ware hel, maar deze hel was anders dan de astrale gebieden.
Hier was ik in de waarachtige hel van het leven na de dood.
Iedere hel had een eigen betekenis en in al die hellen daalde ik af.
Daarin leefden mensen die zich als dieren voortbewogen en geen mens meer waren, zodat ik huiverde.
Wezens zag ik, die met wonden waren bedekt en wanneer ik al die toestanden niet begreep, peilde ik hen en voelde op deze wijze de betekenis daarvan.
Zo wandelde ik in de sfeer van de zelfmoordenaars, die op aarde het verrottingsproces hadden beleefd.
Van de aarde waren zij naar hier gekomen.
Zo volgde iedereen zijn eigen weg, of sloot zich bij anderen aan.
Ik had met al die mensen te doen en toch kon ik niet helpen.
Hier voelde ik het diepste leed dat een mens kon ontvangen.
Geheel alleen strompelde ik voort en zo leerde ik al die hellen kennen.
Steeds dwaalde ik verder, dieper en dieper daalde ik af en bezocht de ene hel na de andere.
Ik kwam in een hel waar de mensen noch dieren noch mensen waren.
Zij lagen daar te slapen en ik voelde dat zij misschien al honderden jaren achtereen hadden geslapen.
Toch zouden zij eens wakker worden en dan begon hun leven aan deze zijde.
Al die ellende had ik beleefd, hoe had ik het kunnen verwerken!
Nu was ik reeds zo ver om voor anderen iets te willen doen.
Of al deze wezens op aarde zouden terugkeren wist ik niet.
Het zou voor hen een genade zijn, want op aarde hadden zij alles.
Wanneer zij uit hun hel in de wereld van het onbewuste zouden afdalen, om op aarde terug te keren, wisten zij daarvan natuurlijk niets af.
Wat zij beleefd hadden lag diep, heel diep in hun ziel en toch, wie de krachten bezat om in de diepte van het zieleleven af te dalen, zag en voelde al deze waarheden.
Maar dit konden alleen de meesters, de kosmisch ontwaakten, zoals Emschor zei.
Toen ik mij op die mensen instelde, voelde ik, dat zij hun kringloop der aarde reeds hadden volbracht en van hieruit verder zouden gaan om het hogere te zoeken.
Hoe ik dit zo ineens begreep, wist ik niet, doch ik werd zeker weer geholpen.
Hun slaap was anders dan die ik had gevoeld toen ik op de rand van mijn eigen graf ermee verbonden was.
Maar niet alleen hun slaap, doch ook deze wereld, hel of sfeer, of hoe men het ook noemde waarin zij leefden, was anders.
In hun wereld was beweging, al voelden zij er zelf niets van, maar in die andere wereld was er niets, die was leeg.
Nu voelde ik nog meer, namelijk, wie tot de aarde terugkeerde, daalde onmiddellijk in de wereld van het onbewuste af, maar alleen dán, wanneer het bij hun kringloop der aarde behoorde.
Anderen dus, die op aarde waren gestorven en hier waren binnengetreden, konden voor de één of andere taak terugkeren, maar daalden bewust in die verbindingswereld af.
Dit waren dus twee mogelijkheden om terug te keren, doch die ene mogelijkheid was een geestelijke wet.
Ik voelde wel, dat deze gedachten niet van mijzelf waren en ik dankte die onzichtbare hulp voor deze gevoelens.
Steeds dieper daalde ik af en toen ik mij duidelijk concentreerde en wilde weten waar ik was, bevond ik mij dicht bij de aarde.
Mens o mens, dacht ik, wie zijt gij?
Waarom al die ellende?
Ik voelde nu dat al die hellen ineenliepen.
Dieper of hoger, toch waren zij één.
Zo zouden dus de hemelen ook moeten zijn.
Ik keerde terug naar de hel waar ik die demonen had achtergelaten.
Nog waren zij bij hem en waakten, want zijn slaap was diep.
Toch zou hij eens wakker worden.
Hoe dit alles werkte begreep ik niet, maar ik beefde van al deze verschrikkingen.
Hoe hard en gemeen waren die wezens, zij bleven maar wachten.
Zij konden hem datgene, wat hij hun had aangedaan, niet vergeven.
Hij had hun en wellicht velen, het leven benomen en dat moest hij goedmaken.
Ik voelde de diepte van dit probleem.
De mens stond aan deze zijde voor zijn eigen mislukt leven, voor al zijn zonden en fouten.
Hier kon men zich niet verbergen.
Hoe droevig het ook was, hij had het zelf gewild en dat was het verschrikkelijkste.
Wanneer de mensen op aarde dat eens wisten en ik hun eens mocht vertellen, hoevelen hen zouden opwachten, waaraan zij iets hadden goed te maken!
Ik voelde wel dat ik hier nooit uitgeleerd kwam en dat ik duizend jaren achtereen verder kon gaan, steeds maar verder.
Want er was geen einde, ik leefde immers in de eeuwigheid.
De mensen op aarde hadden van de eeuwigheid geen begrip.
Zij zouden dat woord „eeuwig” niet kunnen omvatten.
Wanneer zij hier binnentreden roept een onzichtbare macht hun een halt toe en staan zij voor hun eigen persoonlijkheid.
De één ontvangt geluk, een ander vreselijke ellende.
Dit alles moet men eerst beleven, voordat men de diepte van dit leven kan voelen.
Jaren achtereen vertoefde ik in al die hellen.
Wanneer men mijn hulp nodig had, dan gaf ik mij geheel.
Na al die jaren meende ik meer licht te zien, het begon in mijn hel te schemeren.
Ik wilde het eerst niet geloven, toch moest ik het aanvaarden.
Veel had ik voor mijn mede-mensen nog niet gedaan, maar ik was bereid mijn gehele innerlijk te geven.
Nu voelde ik dat ik hier niet wilde blijven.
Deze hel kende ik en de daar onder liggende hellen eveneens.
Er waren er zeven.
In al die hellen had ik geleerd dat het niet zo eenvoudig was om mensen te helpen, doch ik wilde trachten die moeilijkheden te overwinnen.
Ik ging daardoor geheel in dit leven over en dit betekende geestelijke wijsheid.
Nu zou ik naar mijn kerker terugkeren.
Het was of ik daarheen gestuurd werd.
Was dat inwerking?
Zou men van verre dus mijn wegen volgen?
Het moest wel zo zijn, daar ik het voelde.
Toen ik mij op de aarde instelde, loste deze wereld voor mij op.
Dit oplossen was zeer wonderlijk.
Ik herhaalde dit enige malen en begreep het nu volkomen.
Daarna verscherpte ik mijn concentratie en zo zweefde ik in het machtige universum, de aarde tegemoet.
Ik was mij bewust dat miljoenen wezens, sterren en planeten, zonnen en lichamen om mij heen waren en toch was ik alleen, geheel alleen en verlaten, op weg om anderen te helpen.
Voortdurend hield ik mijn concentratie op mijn kerker gericht.
Door er steeds aan te denken moest ik er komen.
Dit voortzweven en mij met andere toestanden te verbinden, had ik mij reeds eigen gemaakt.
Wanneer het mijn eigen leven betrof kon ik alles waarnemen, maar alles wat boven mijn eigen wereld leefde, bleef voor mij onzichtbaar.
Ik zei reeds, dat in mijn hel meer licht was en dat kwam, omdat het in mijzelf veranderde.
Eens zouden ook de hogere sferen voor mij zichtbaar worden.
Spoedig was ik op aarde.
Op de plaats waar ik was opgesloten geweest trad ik binnen.
Mijn cel was echter leeg.
Ik bezocht toen de andere cellen, want ik wilde weten of men mij hier soms nodig had.
Degenen die ik bij mijn vorig bezoek had ontmoet, waren allen reeds aan deze zijde.
Eeuwen waren er voorbijgegaan en nog deed dit gebouw als gevangenis dienst.
In een cel trad ik binnen.
Voor mij zag ik een oude man, hij kon de leeftijd van zestig jaren hebben bereikt.
Ook hij was als een skelet.
Weer voelde ik die zachte wenk van de hogere geesten, waardoor ik thans wist dat men mij nog steeds in alles volgde.
Het was, alsof men mij had geroepen en mijn vreugde was groot toen ik dit voelde.
Hoe geweldig waren de krachten van de geest, hier was geen afstand.
Toch begreep ik de werking niet van deze krachten, hoewel het wonderlijk was dit te mogen beleven.
In een hoek van zijn cel zat hij om zich heen te turen.
Ik voelde dat hij met deze wereld in verbinding stond.
Nadat ik mij had ingesteld, nam ik onmiddellijk waar.
Mijn God, dacht ik, wat nu weer?
Verschillende demonen zag ik en één daarvan, een vrouwelijk wezen, was met hem in verbinding.
Een afschuwelijk monster was zij.
Dicht naast hem zette ik mij neer en volgde hem in alles.
Ook bij mij was een demon, een vroegere vijand, hier echter een vrouwelijk wezen.
De man verteerde van hartstocht en door zijn hartstocht zou hij een einde aan zijn leven maken.
Hij was nog inniger in verbinding dan ik.
Duidelijk manifesteerde zich dit wezen voor hem.
Ik peilde hem en voelde hoelang hij nog te leven zou hebben.
Het waren nog slechts enkele weken, dan zou hij sterven.
Hoe zou ik hem van deze verbinding kunnen bevrijden en voor eigen overgang kunnen beschermen?
Hij sprak tot de astrale wezens die hij duidelijk zag.
„O, help mij,” zei hij, „heb medelijden.
Wie zijt ge?”
Ik volgde dit afgrijselijke toneel en hoorde nu de geest zeggen, wat mij zo duivels in de oren klonk: „Maak een einde aan dat leven en kom hier.”
„Waar?” vroeg hij.
„Hier in onze wereld.”
Dit moest ik zien te voorkomen, ik wist maar al te goed wat hem stond te wachten.
Het zou al mijn krachten kosten, maar ik voelde dat deze man te helpen was.
Zijn hartstocht zou ik trachten te onderdrukken.
Lang dacht ik na, hoe op hem te moeten inwerken.
„Kom in onze wereld,” hoe duivels, hoe gemeen waren deze wezens.
Ik maakte mij nu met hem één en bestraalde hem, zodat hij voor een kort ogenblik in slaap viel.
Het monster aan deze zijde voelde, dat zij haar macht op hem, al was dit tijdelijk, had verloren.
„Hij slaapt,” hoorde ik haar zeggen, „hoe komt dat zo ineens?
Toch zullen wij hem niet met rust laten.”
Ik verbond mij met haar en ik voelde wie zij was en hoe zij met hem te maken had.
Wat zij verlangde kon zij aan deze zijde en op aarde vinden, doch deze oude man had met haar leven uit te staan.
De verbinding, die ik zag en voelde, was op aarde tot stand gekomen.
Zij haatte.
Zij was dieper gedaald dan hij en daarom was hij voor mij te bereiken.
Ik zou alles doen om te voorkomen, dat deze demon macht over hem kreeg.
Kort voor zijn dood wilde men hem dat afschuwelijke proces aan deze zijde opdringen.
Zij wist hoe verschrikkelijk dit proces was en kende de ellende die hem te wachten stond.
Tijdens zijn slaap legde ik mooie gedachten in hem, onder andere die van zijn jeugd.
Met deze gedachten werd hij na enige tijd wakker.
Hij zat voor zich uit te staren en sprak inwendig enige woorden, die ik niet hoorde doch in mij voelde komen en die mijn eigen gedachten waren.
Hij dacht dat hij had gedroomd.
In hem lag nu zijn jeugd en met die jeugdherinneringen verloste hij zichzelf uit de klauwen van dat wezen.
Op deze wijze bereikte ik, dat zij hem niet kon bereiken.
Zij waren op aarde verbonden geweest maar zij droeg een dodelijke haat voor hem.
Hij had geen fraai leven volbracht, toch was hij een heilige bij haar vergeleken.
Mijn wil overheerste nu de zijne, zodat hij in deze richting bleef doordenken.
Zo verstreek de nacht.
O, hoe begreep ik zijn kwellingen.
Geen ander zou hem beter kunnen begrijpen dan ik, want eenzelfde leven had ik beleefd.
Hiervan wist ik alles.
Deze wetten en deze afschuwelijke overgang had ik beleefd.
Op de dag kon ook hij niet waarnemen, maar in de nacht verdichtte zich de astrale mens; en ik wist nu hoe dat mogelijk was.
Door zich te manifesteren zou deze ongelukkige mens spoediger besluiten er een einde aan te maken.
Wanneer deze verbinding innig tot stand was gekomen, was tevens zijn overgang onvermijdelijk.
Daarom trachtten zij deze verbinding steeds in de nacht, of in diepe duisternis tot stand te brengen.
Maar ik bleef hem bewaken.
Om hem heen legde ik mijn uitstraling en wachtte af.
De gehele dag wandelde hij in zijn kooi heen en weer.
Wanneer hij doodmoe was zette hij zich neer en dan begon hij opnieuw te denken.
Ik trachtte, zoals Emschor het bij mij had gedaan, mij te laten zien, doch dit moest ik opgeven, het bleek mij onmogelijk.
Vele malen probeerde ik het, maar het gelukte mij niet.
Meer krachten zou ik moeten bezitten en ik begreep nu, dat ik al die duistere sferen zou moeten overheersen wilde hij mij waarnemen, zodat ik het opgaf.
Ik begreep daardoor hoe krachtig hogere geesten waren.
Niettegenstaande deze teleurstelling voelde ik mij gelukkig dat ik dit werk had aanvaard.
Dit zou dan mijn eerste grote daad in dit leven zijn.
Weer naderde de nacht, maar aan deze zijde was nog niemand te zien.
Ik zag toe wat hij deed en voelde waarnaar hij verlangde.
Zijn verlangens gingen naar haar uit en wanneer hij zich sterk concentreerde, voelde ik dat mijn uitstraling ging verzwakken.
Dan verdrong zijn eigen wil mijn hulp, die als een dicht waas om hem heen lag.
Toch trachtte ik dit te beletten en hem onder mijn invloed te houden.
Doch wanneer hij zijn eigen wil instelde verzwakte het waas en ging hij in andere krachten over, waarnaar hij verlangde.
Al dieper naderde de nacht en nog zag ik geen wezens.
Ik zou hen dadelijk waarnemen wanneer zij tot hem zouden terugkeren.
Stil en akelig was het hier.
De wind gierde door de tralies wat hem deed huiveren.
Mij had het ook angstig gemaakt en duizend andere gevoelens had ik in mijn tijd beleefd.
Zij waren niet van elkander te onderscheiden.
Ook hij beleefde al die toestanden.
Ik trachtte hem daarvan te bevrijden en bad innig tot God mij toch te helpen.
Uren achtereen bad ik heel innig en door mijn bidden voelde hij warmte in zich komen.
Wat ik voelde, beleefde hij, wij waren één.
Daarom hoorde ik het gieren van de wind, anders was het niet mogelijk dat in mijn wereld te kunnen horen.
Het deed hem goed, zodat ik bleef bidden.
Ik kende deze ellende en ik wist wat ik mijn Vader zou moeten vragen.
Mijn gebed was zuiver, heel menselijk.
Ik vroeg niet voor mijzelf, maar of ik hem zou mogen helpen en beschermen voor deze ondergang.
Ik bad en bleef bidden en zo ging ook deze nacht voorbij en niets bijzonders deed zich voor.
Goddank, dacht ik, twee nachten reeds waren van zijn tijd heengegaan.
Ik telde de tijd en zag dat hij hier reeds vele jaren was opgesloten.
Ook hij had zijn dagen en jaren opgetekend.
Op de dag werkte ik op hem in en trachtte ook hem aan het bidden te krijgen.
Wanneer mij dat zou gelukken, dan was hij niet gemakkelijk meer te bereiken.
Maar ook deze mens had in zijn leven weinig gebeden.
Toch hield ik vol.
In hem legde ik vrome gedachten en de gedachte aan doodgaan.
Ik liet hem voelen dat hij spoedig zou sterven.
Hij nam die gedachten van mij over en dacht er in waarheid aan.
„O, God,” zei hij in zichzelf, „wat zal mij wachten?
Kunt Gij een arme zondaar vergeven?”
Dan weer verbrak hij zijn eigen denken om aan andere, minderwaardige dingen te denken.
Wanneer het dierlijke in hem hem parten speelde, verbrak hij mijn verbinding en loste het waas, dat ik om hem heen had gelegd, op.
Toch vocht hij tegen zijn eigen gevoelens.
Hij wist, neen hij voelde zeer duidelijk, dat het verkeerd was wat hij deed.
Toch kwam hij daar steeds op terug.
Hij vocht tegen het kwade in hem en dat gevecht was niet zo eenvoudig.
Ook ik had op mijn lange tocht met mijzelf moeten vechten.
Ik had mij van al de aardse gevoelens en genoegens vrijgemaakt, maar dat vrijmaken was een verschrikkelijke strijd geweest.
Mijn liefde voor Marianne had mij voor dit afschuwelijke leven beschermd.
Ik begreep daardoor dat de mens iets moest bezitten, waaraan hij zich kan vastklampen.
Mijn gedachtenleven was een aaneenschakeling van gebeurtenissen geweest, zoals dat van Marianne op aarde en toch, alléén de gedachte aan haar had mij de kracht daarvoor gegeven, of ook ik zou telkens en telkens weer zijn gestruikeld.
Maar ik was er doorheen gekomen.
Ook hij was bezig, maar zou hij zichzelf overwinnen?
Ik zou hem blijven helpen, die arme.
Het was een gevecht op leven en dood, een gevecht van het kwaad tegen het goede en tegen zijn eigen wil.
Dat wezen, de vrouw, die bij hem was teruggekeerd, was het grootste gevaar voor zijn zelfbehoud.
Wanneer hij daarmee in verbinding zou komen, dan was hij niet meer te redden.
De krachten om zich daartegen te keren bezat hij niet.
Daarom bleef ik bidden, want ik voelde dat mij alleen een hogere macht kon helpen.
Wanneer andere en hogere wezens mij voelden, zouden zij mij van verre steunen en ik wist dat een oprecht opgezonden gebed zou helpen, omdat men die gevoelens kon opvangen.
Steeds bad ik door en nam mij heilig voor niet op te houden met bidden.
Ik bad voor een mens, want deze mens was in gevaar.
Zelf had ik dat ook zo verschrikkelijk gevonden.
Dagen en nachten gingen voorbij en ik voelde, dat de demonen niets zouden kunnen doen wanneer ik voortging hem op deze wijze te beschermen.
Ik was in hem gekomen en bleef in hem.
Zo innig was ik met hem verbonden, dat hij op de dag bezigheid zocht om de tijd te doden.
Voor mij betekende het, dat het kwaad in slaap was gevallen.
Hij tekende poppetjes en figuurtjes op alle plaatsen van zijn cel die er geschikt voor waren.
Het was heel merkwaardig voor mij.
Ik peilde hem, waar die gevoelens zo plotseling vandaan en in hem waren gekomen.
Hij vond het zelf vreemd.
Plotseling deed hij iets waarop ik niet bedacht was en waaraan ik voelde, dat ik hem niet geheel in mijn macht had.
Hij maakte een wond in zijn huid, zodat het bloed tevoorschijn kwam.
Met zijn eigen bloed maakte hij nu naakt-figuren op de muur.
Voor hem was dit een zeer aardig vermaak, maar ik dacht erover en meende het te begrijpen.
Diep uit hem kwamen deze gevoelens.
Als een muur van geestelijke kracht lag mijn aura om hem heen, toch wrong hij zichzelf daar doorheen, hoewel ik dit doordringen nu reeds enige dagen had voorkomen.
Hij ging verder met figuren tekenen.
Ontzaglijk scherp waren zijn gevoelens en ik voelde, dat ik hem, al was het maar voor een ogenblik, moest vrij laten, omdat ik hem anders krankzinnig zou maken.
In hem lag een sterke wil en dat doordringen van zijn eigen persoonlijkheid bracht hem in deze onverwachte en onbegrijpelijke toestand.
Ik stond voor een probleem.
Zijn eigen innerlijk zocht naar een uitweg en vond deze weg, al lag om dit wezen een dichte muur van geestelijke kracht.
Gevoelens gingen ineen, toch zouden wij eerst dan geheel ineen kunnen gaan wanneer wij één gedachte koesterden, zoals mijn meester mij had geleerd.
Voor mij was dit alles wonderlijk en leerzaam, daar ik hier de diepte van de ziel leerde kennen en een mens leerde doorgronden.
Toch bleef ik met hem verbonden.
Hij staakte voor een ogenblik met tekenen en daaraan voelde ik dat hij toch, niettegenstaande zijn eigen wil, weer naar mij luisterde.
Het was alsof hij ontwaakte.
Hij zuchtte diep en bewonderde zijn eigen „kunst”.
Weer stond ik voor een raadsel.
Hij wreef zich de ogen uit en wist niet wat hij tot stand had gebracht.
Hij bezag zijn arm en stootte verwensingen uit aan zijn eigen adres.
„Hoe kom ik hieraan,” zo vroeg hij zichzelf af, „ik word nog gek.”
Hij keek om zich heen en zag dat hij verscheidene figuren had getekend.
„Wonderlijk,” zei hij, „hoe komt dat zo ineens?”
Hij was zich van niets bewust, zodat ik begreep dat zijn gehele wezen in mij was overgegaan.
Toch had ik tijdens zijn tekenen daarvan niets gevoeld, maar ik begreep het gevaar van dit alles, daar hij door mij in een vreemde gevoelstoestand was gekomen.
Ik moest eerlijk bekennen dat ik dacht, dat hij mijn gevoel voor kunst, buiten mijn weten om, toch had overgenomen, want in mij lag die kunst.
Toch was dit niet het geval, het ging nog dieper, want hij wist van zijn doen en laten niets af en schrok terug voor hetgeen hij gedaan had.
Dit had ik niet gewild.
Mijn gedachten en concentratie waren daarop niet gericht, niets was er in mij dat daaraan had gedacht.
Vanwaar kwamen deze gevoelens?
Waren die in hem, of daalde hij in een vorig leven af?
Ik volgde zijn aardse leven en zag dat hij met kunst niets te maken had gehad.
Hij had het nooit geleerd.
Hij bezat een heel ander beroep.
Dit was een probleem dat ik niet begreep.
Toch voelde ik dat ik op deze wijze verder moest gaan, dan zou zich dit raadsel oplossen.
Ik peilde hem lange tijd, concentreerde mij op zijn innerlijke leven en voelde heel diep in zijn menselijk gevoel, dat daarin kunstgevoelens verborgen lagen.
Uit de diepte van het verleden kwamen deze gevoelens in hem.
Ook hij was in wezen kunstenaar geweest.
Hoe diep was de mens dat al die gevoelens bewaard waren gebleven, want ik wist zeer zeker dat ze niet van mij waren.
Toen hij daarmee begon, was ik geschrokken.
Ik moest nu trachten hem deze kunstgevoelens te ontnemen en voelde dat ik hem wat meer vrij moest laten, wilde ik hem niet waanzinnig maken.
Het zou hem van streek brengen wanneer hij voor de tweede maal iets dergelijks constateerde, waarvan hij zelf niets wist.
Ik had hem door mijn concentratie geheel in dit leven opgetrokken en hij was in de diepste inspiratie gekomen, waarin een kunstenaar op aarde zich kon wensen.
In deze toestand, die mij nu duidelijk was, werden de grootste en schoonste kunstproducten tot stand gebracht.
Mij ging het echter alléén maar om die kunstgevoelens, die zo plotseling in hem waren ontwaakt, weer tot rust te brengen.
Ik maakte hem van mijn uitstraling en gedachten vrij en hij voelde, dat hij weer zichzelf werd.
Nu kon ik weer van voren af aan beginnen.
Hij had zich neergelegd om te rusten.
Toch zou ik voordat de nacht in aantocht was, met hem een verbinding tot stand moeten brengen.
Wanneer die wezens zouden terugkeren, dan ging hij in hen over.
Zo bracht ik dan, toen de nacht naderde, een zeer lichte verbinding tot stand.
Ik bleef echter in mijn eigen wereld en zag toe wat zou geschieden, want ik had er een voorgevoel van, dat zij deze nacht terug zouden komen.
Hij zond zijn gedachten naar deze wereld en hunkerde weer naar een gesprek met haar.
„Zijt gij daar?” vroeg hij onverwachts.
Ik zag geen wezen en antwoordde: „Ja, ik ben hier.”
Mijn spreken hoorde hij innerlijk in zich komen.
Zoals de demonen met mij hadden gesproken, zo deed ik thans.
Zeer verheugd was ik dat zich deze mogelijkheid voordeed.
Daaraan had ik niet gedacht en ook niet op gerekend.
Dit was een nieuwe wijze van verbinding.
Nu was ik in en om hem heen en toch kon ik hem bereiken.
Deze verbinding vond ik beter en hechter dan die eerste.
Ik concentreerde mij op hem, legde in stilte een nieuwe muur van geestelijke kracht om hem heen en bleef voortdurend met hem één.
Ik antwoordde dus dat ik bij hem was en hij zei tot mij: „Ik heb u vragen gesteld, maar waarom zijt gij zo lang bij mij vandaan gebleven?
Gij hebt mij nog steeds niet geantwoord of er een dood is.”
Merkwaardig, dacht ik, hij vraagt zoals ook ik had gedaan.
Daarop antwoordde ik weer: „Er is geen dood.”
„Is er geen dood?
En u zei eerst dat er een dood is en nu weer niet?”
„Neen, er is geen dood.”
Ik maakte hieruit op, dat men ook hem de ware oorzaak niet had verteld.
Wie met demonen in verbinding kwam werd belogen en bedrogen.
„U heeft mij niet begrepen,” liet ik erop volgen.
„Niet begrepen?”
„Neen,” zei ik.
Toen was er een ogenblik stilte.
De mens op aarde aanvaardde alles.
Zij zagen niet door die sluier heen en men moest daar doorheen zien, wilde men onze wereld binnengaan.
Leugens en bedrog werden hun verteld en door leugens en bedrog had ik een einde aan mijn aardse leven gemaakt.
Toch was zijn verbinding inniger dan de mijne.
Deze mens bezat meer van die krachten dan ik, toen mijn einde naderde.
Tevens begreep ik dat al deze gevoelens met zijn einde te maken hadden.
De ziel maakte zich langzaam gereed het stoflichaam te verlaten.
Doordat zijn geesteslichaam in verbinding met deze wereld kwam, zou het voor mij moeilijker worden hem tegen deze wezens te beschermen.
Ik voelde en overzag dit alles.
Opnieuw vroeg hij: „Zeg mij de waarheid, is er een dood?”
„Neen,” zei ik en legde daarin al mijn krachten, zodat zijn hart klopte.
Hij was van mijn gesprek, dat hij in zich voelde trillen, geschrokken.
De verbinding met hem was weer innig.
Ik was geheel mijzelf en toch deed en voelde hij wat ik thans van hem zou willen.
Onbewust was ook deze toestand in hem gekomen.
Ik trachtte dit te doorgronden en peilde nu zijn geestelijke toestand, maar daarin zag en voelde ik niet de minste tegenwerking.
Wij waren thans één en ik zou trachten deze eenheid van ziel in stand te houden.
Nu ging ik hem lichamelijk onderzoeken.
Dit was voor mij zeer eenvoudig, daar ik het in mij voelde.
Zijn hart was verzwakt, wat ik duidelijk zag, ik voelde het kloppen.
Ieder uur kostte hem een maand lichamelijke kracht die hij in zijn gewone leven zou verbruiken.
Hij was een wrak.
De zwakte van zijn stofkleed, de hunkering van zijn ziel, zijn persoonlijk willen, daarin lag deze gevoeligheid.
Ik begreep dit volkomen.
Maar nu voelde ik die kunstgevoelens weer in hem terugkeren.
Wat nu?
Ging hij hierin over, dan werd hij volslagen krankzinnig.
Ik trachtte hem nu zó te beïnvloeden, dat hij bewust op zijn stofleven zou overgaan.
Ik dacht daarom aan verschillende aardse dingen.
Door concentratie kreeg ik hem zo ver, dat hij begon te zingen en te fluiten.
Daarna dwong ik hem in zijn cel heen en weer te lopen.
Van de éne dwaasheid verviel hij in de andere.
Mijn opzet gelukte en hij voelde zich door al die dingen weer zichzelf.
Het verleden zakte in hem terug, dus één gevaar was voorbij.
Nu zou ik hem echter weer wat kalmer moeten maken en zodoende maakte ik mij met hem één, want door aan al die aardse dingen te denken moest ik hem geheel vrij laten.
Door al dat heen en weer geloop voelde hij zich moe.
Hij zette zich neer en probeerde te slapen.
Doch hij kon niet slapen, hij was te bewust.
Nu wist ik tevens hoe ik was geweest.
Ook ik had niet kunnen slapen en dit was de betekenis.
Zijn innerlijk was in opstand.
Op duizend dingen had ik hier te letten, ik had niet gedacht, dat het zó moeilijk was een mens van deze zijde te helpen.
Maar ik voelde dat ik goed werk deed, want deze man ontnam ik veel leed en de ongelooflijkste kwellingen, die men op aarde niet kende.
Daarvoor gaf ik mijzelf, mijn gehele innerlijk.
Ik voelde nu dat het verleden tot het verleden was teruggekeerd.
Diep was ook hij.
Eenieder droeg een diep verleden in zich, want ieder mens was kosmisch verbonden.
Dit waren kosmische krachten, zij behoorden tot een heel ander leven.
Een leven dat ik niet kende, maar dat zich thans door hem aan mij openbaarde.
Hij was versuft, hijgde naar adem, omdat zijn lichaam dit alles niet kon verwerken.
Nu was er iets in aantocht, ik voelde het.
Dat vervloekte wezen, dat monster zou hem beïnvloeden.
Dit werd een openlijke strijd, een strijd tussen haar en mij.
Maar ik stond tegenover twee wezens, want zijn wil, zijn eigen persoonlijkheid, was ook tegen mij.
Die wil verlangde en wilde met haar in verbinding komen.
Die wil, die ontzaglijke menselijke wil, zou mij parten spelen, wanneer ik niet alle krachten aanwendde dit te voorkomen.
„Hier ben ik,” hoorde ik haar zeggen.
Mij zag zij echter niet.
Toch keek zij in de richting waar ik mij bevond.
Zij zag mij als een schim, maar in een waas gehuld.
Zij kende deze schimmen even goed als ik ze om en in mij had waargenomen.
Zij wist daardoor dat hij niet alleen was.
Zij stelde zich op hem in en vroeg: „Ben je niet alleen?”
Gelukkig, dacht ik, zij denkt dat er op aarde iemand bij hem is.
„Wat zeg je?” vroeg hij.
Hij had dus iets gehoord, alleen haar niet duidelijk verstaan.
Ik beleefde hier wonderlijke dingen, maar tevens afschuwelijke.
„Ik ben hier,” zei zij na een korte poos, „zie je mij niet?”
Hij zat nog versuft voor zich uit te staren en gaf geen antwoord.
Toch had zij zijn innerlijke drang tot spreken gevoeld en antwoordde: „Nu, geef eens antwoord, ik ben hier!”
Kort en streng sprak zij, waardoor hij wakker schrok en er leven in hem kwam.
Voor mij was er maar één mogelijkheid hem uit haar klauwen vrij te houden.
Ik trachtte zijn innerlijk te overheersen en met haar in contact te komen, zodat ik haar spreken kon opvangen.
Ik zei tot het wezen: „Ga heen, laat mij met rust.”
Er volgde een lange stilte.
Zij had mij duidelijk gehoord en mijn woorden opgevangen.
Plotseling ging zij heen.
Waarheen zou zij gaan?
Voelde zij tegenwerking?
Haalde zij hulp en wist zij waar deze te vinden was?
Ik wist dat zo’n wezen zich aan deze zijde met een soortgelijk individu kon verbinden, om gezamenlijk een mens onschadelijk te maken.
Maar ik wachtte af.
Hij, naast mij, was tot zichzelf gekomen.
Hij zag om zich heen en dacht in die duisternis waar te nemen.
„O,” zei hij, „ik ben zo ziek, zo moe.
Als er een Vader in de hemel is, hoe kan hij dit goedvinden?”
Eigenaardig, dacht ik, ieder mens vraagt om Hem, ieder wezen vraagt „waarom en waarvoor?”
Hoe kan God dit goedvinden, had ook ik mij steeds afgevraagd.
God had ik echter leren kennen als een Vader van Liefde.
Ook hij zou een God van Liefde leren kennen, wanneer hij maar eenmaal was gestorven.
Toch deed het mij leed.
Waarom moest de mens op aarde zoveel lijden?
Waarom moest de ziel op aarde al die fasen doorlopen, voordat zij die hoogte had bereikt?
Steeds maar weer dat „waarom”, het was en bleef een raadsel.
God is Liefde!
Hoe eenvoudig was het te aanvaarden en toch was dit zo moeilijk.
Waar ik ook was geweest, in de sfeer der aarde, de astrale gebieden, in de hel, overal leed, ellende en smart, maar tevens hartstocht en geweld.
De mens wilde niet gehoorzamen.
Zijn vragen „waarom en waarvoor,” was voor mij de reden, om hem voor eigen ondergang te beschermen en te helpen.
Hij was gewillig, doch wanneer hij in opstand zou zijn, werkte zijn persoonlijkheid mij tegen en daar had ik rekening mee te houden.
Hij trachtte te slapen.
Hij was te ziek en te moe om zich geestelijk in te stellen.
Enige uren gingen er zo voorbij, totdat ik plotseling voor mij beweging zag komen.
Twee individuen waren teruggekeerd en daarbij het vrouwelijke wezen.
Zij had dus hulp gehaald, alleen zou zij dit niet tot stand hebben kunnen brengen.
Een bliksemstraal van geestelijke kracht werd op hem afgezonden.
De man beefde en rilde door die plotselinge inwerking en zag omhoog.
Men had hem bereikt.
Zijn verlangen om met hen in verbinding te komen, hun krachten die zij gezamenlijk op hem instelden, vloeiden ineen.
Ik was radeloos, vier tegen één, hiertegen viel niet te werken.
Wat moest ik doen?
Hij richtte zich op en sprak: „Zijt ge hier?”
„Ja,” zei ik snel.
Doch tevens hoorde ik hen zeggen: „Wij zijn gekomen om je te helpen.”
„Heerlijk,” zei hij, „geef mij raad.”
Wat nu, dacht ik.
Links en rechts van mij de demonen en vóór mij die ongelukkige.
Ik peilde hem, maar zijn verlangen was hevig.
Zijn interesse, zijn hartstocht, sneed mijn hulp af.
Ik stond voor verschillende mogelijkheden, maar welke moest ik op hem toepassen?
Ik wrong mij in hem en doorboorde zijn persoonlijkheid.
Nog dieper moest ik mij met hem trachten te verbinden.
Dan maar krankzinnig, beter waanzinnig dan zo’n ondergang.
Ik voelde hem wegzinken en terugkeren, maar plotseling begon hij weer zijn oude wonden stuk te krabben.
Zijn bloed begon te vloeien.
Toen sprong hij op van zijn plaats en rende als een waanzinnige in het rond.
Diepe duisternis was om hem heen, toch hield het hem niet tegen.
Verschrikkelijk was het.
Dit duurde zo geruime tijd, dan legde hij zich weer neer en zuchtte.
Het had hem overspannen gemaakt, zijn hersenen konden dit niet verwerken.
Zijn brein werkte koortsig en zijn hart klopte hevig.
Met beide handen omklemde hij zijn hoofd en riep: „Ik word gek.”
Ik voelde in deze toestand, hoe de geest de mens op aarde krankzinnig kon maken.
Zijn lichamelijke krachten waren niet berekend op deze ontzaglijke inwerking.
Ik zelf werkte op hem in en ook die demonen trachtten hem in hun leven op te trekken, zodat het hem duizelde.
Een normaal voelend mens heeft reeds moeite om zich op aarde in evenwicht te houden, zodat het stoflichaam met het geesteslichaam in harmonie is, dat men wel kan begrijpen hoe deze ongelukkige zich voelde.
Op mijn wandeling op aarde had ik dit alles gezien, doch thans ging ik dit beleven.
Wanneer de astrale mens zich van de mens op aarde heeft meester gemaakt, dan beleeft hij zijn eigen leven.
De demonen gebruiken dat stoflichaam voor hun genoegens, voor hartstocht, geweld en vernietiging.
Alles is dierlijk, zeer, zeer droevig, maar het zijn afschuwelijke waarheden.
Heeft men eenmaal dat aardse wezen bereikt, dan leven zich in dat stoffelijke lichaam tientallen wezens uit.
Wie eenmaal in handen van het kwaad overgaat is meestal reddeloos verloren.
Van deze zijde doet men alles om zo’n mens te behouden.
Het is duister en afgrijselijk, maar de astrale mens wil beleven, zij zijn één van gevoel en gedachten.
Eén raad kan ik u slechts geven: Zoek het goede, zodat de hoge geest u kan bereiken en beïnvloeden.
Zoals gij zelf denkt trekt gij aan en daarin gaat gij over.
Wees geen speelbal van uw eigen gedachten.
Deze ongelukkige beleefde dit alles.
Men wilde hem vernietigen, geestelijk laten verongelukken en dat wilde ik trachten te voorkomen.
Ik werkte op mijn wijze op hem in, maar hij wilde zich met de demonen verbinden en de demonen stuurden hun vreselijke gevoelens op hem af.
Er zou zich een organische storing voordoen, want dit kon het krachtigste lichaam niet verwerken.
Weer sprong hij op en rende als een gek in het rond, net zolang tot hij geen voet meer kon verzetten.
Hij was reeds in een toestand van algehele uitputting.
Midden in zijn cel zakte hij ineen en bleef daar liggen.
Voor mij was dit een groot geluk, want de demonen konden hem nu niet bereiken.
Nu was hij te zwak om er zelf een einde aan te maken.
Maar als dat zo doorging, werd de man krankzinnig.
Mij had dit steeds beangstigd, zodat ik mij met duizend andere dingen bezig had gehouden en op mijzelf had gelet.
Onwillekeurig had ik mijzelf gecontroleerd.
Toch had ook ik beter waanzinnig kunnen worden dan die afschuwelijke overgang te beleven.
Nu lag hij daar als gestorven.
Ik peilde hem en voelde duidelijk dat hij versuft was.
Van zijn verleden voelde ik niets meer.
Wat hij nu beleefde, hield verband met zijn lichamelijke toestand en zijn krachten verminderden met de minuut.
Daarom konden de demonen hem nu niet voldoende bereiken, toch waren zij in en om hem heen.
„Hij is niet alleen,” hoorde ik hen weer zeggen.
„Een dokter is bij hem.
Hij wordt verpleegd.”
„Neen,” zei de ander, „hij ligt op de grond.”
Ik begreep door dit gesprek, dat zij de ware betekenis konden zien noch voelen.
Al die overgangen kende ik en wist, dat de gevangene een hogere afstemming bezat dan zij.
Wanneer ik zijn verlangens kon onderdrukken, zouden zij hem niet kunnen bemachtigen.
Maar de tijd van overgaan was er nog niet, zodat er nog zoveel kon gebeuren.
Wanneer hij zich op hen instelde, zouden zij duidelijk kunnen zien, dat er geen aardse dokter aanwezig was.
Toen ik aan al deze dingen dacht, vroeg hij: „Waarom helpt u mij niet?
Ik ben hier zo alleen, niemand die mij helpt.”
Op zijn spreken hoorde ik de vrouwelijke demon zeggen: „Hij is alleen; toch is er hulp, doch die hulp komt van deze zijde.”
Ik trok mij wat terug, zodat zij mij niet als een schim zouden waarnemen.
„Ik zie niets,” zei de andere.
„Dan zie je niet goed, kom schiet op, talm niet, hij zal er een einde aan maken.”
Met z’n allen vielen zij hem aan, zodat de ongelukkige steunde en kreunde.
Deze inwerking maakte hem dol en zijn brein raakte verward.
Hij wilde geholpen worden, doch die hulp zou hem noodlottig worden.
Het was nu niet mogelijk meer voor hem om nog normaal te denken.
Ik was nog steeds één met hem.
Moordend waren de gedachten van hen, die hem willen vernietigen.
De ongelukkige wist niet met wie hij zich in verbinding stelde.
Ik spande thans al mijn krachten in en bad tot God mij te helpen.
Het was nu tot een verschrikkelijke strijd gekomen.
Links en rechts om mij heen dacht ik enig licht waar te nemen.
Kreeg ook ik hulp?
Mijn sterke wil hield ik op één punt gericht.
Ik doodde zijn gevoelens, meer kon ik thans niet doen.
Op de demonen kon ik mij niet concentreren en liet hen doen wat zij wilden.
Ik belette hem nu alléén maar, naar hen te luisteren en trachtte zijn aandacht op andere dingen te vestigen.
Nog was hij te bereiken.
Ik merkte, dat hij mij in mijn gedachtengang volgde en zo verstreek de nacht en gingen de demonen heen, want in de morgen verzwakte hun verbinding.
Uren had hij daar gelegen.
Thans spoorde ik hem aan om op te staan.
Enige malen probeerde hij zichzelf op te richten, totdat het hem ten slotte gelukte zijn vorige plaats te bereiken.
Hij was doodop, want deze nacht had hij veel krachten verloren.
Ook op de dag zag ik de demonen, daar zij telkens en telkens weer tot hem terugkeerden.
De man zonk echter steeds dieper weg.
Ik voelde nu, dat men mij in de nacht had geholpen, mijn vurig gebed was verhoord.
Wanneer men hem deze nacht zou aanvallen, kon ik wellicht weer op die hulp rekenen.
In de middag kwam men hem bezoeken.
Er was waarlijk aardse hulp.
Men diende hem medicijn toe en daaraan merkte ik, dat er eeuwen waren voorbijgegaan.
Toen ik hier was opgesloten maakte men zich om een gevangene niet zo druk, men liet ons aan ons lot over.
Toch bleef hij in zijn cel, hoewel het niet lang meer kon duren.
Enkele weken was ik reeds hier om hem te beschermen en nog zag ik het einde niet.
Toch was er iets, waaraan ik zijn einde voelde.
Wanneer ik mij op hem instelde, kostte mij dit niet zoveel moeite.
De geest, die straks dit leven zou binnengaan, was reeds met dit leven in verbinding.
In gevoel verwijderde hij zich van de aarde en ging in mijn leven over.
Daarom kon ik hem gemakkelijker bereiken, doch tevens was hij voor de demonen een gevoelig sujet.
Zo gingen de dag en nacht voorbij en niets bijzonders deed zich voor.
De daarop volgende dag kon hij zich bijna niet meer verroeren.
Stil lag hij daar en zijn gedachten waren verward.
Hij bevond zich in een toestand van krankzinnigheid, die ver van zijn aardse bewustzijn verwijderd was.
Dit alles voelde ik duidelijk.
Al dichter naderde zijn einde.
Toch spande hij al zijn krachten in en kroop als een dier op handen en voeten rond.
Ik wilde hem dit beletten, doch het was mij niet mogelijk.
Hij zocht iets.
„Waar zijt ge?” riep hij.
„Waar zijt ge?
Kom laat mij niet alleen, ik heb u lief.
Zij voelen en zien het.
Toe, spreek.
Gij zijt mij lief.”
Volslagen krankzinnig, dacht ik, doch hij voelt in de geest.
In mijn leven was hij normaal.
Wanneer hij eenmaal gestorven was, zou die geestelijke storing spoedig oplossen.
Hoe eenvoudig was krankzinnigheid.
In mijn leven op aarde begreep ik er niets van.
De gedachtenkracht van andere wezens had hem in disharmonie gebracht.
De één hielp hem, een ander trachtte hem te vernietigen.
Nóg was ik alleen, straks zouden zij wellicht terugkomen.
Ik wachtte af en volgde hem in zijn gedachten.
Hoe dichter de dood op aarde naderde, des te moeilijker werd het voor mij.
Ik wist zeer zeker dat hij, wanneer hij geheel bewust was, reeds lang een einde aan zijn leven zou hebben gemaakt, doch in deze toestand was dit niet mogelijk.
Hij kon niet meer aan slechts één ding denken.
Hij was vol van gedachten.
Dit was nu de enige mogelijkheid waarop ik mij moest concentreren.
Innig bleef ik met hem in verbinding.
De duisternis was reeds lang ingevallen, toen de demonen naderden.
Hij stootte verwensingen uit, smeekte om hulp, vervloekte zijn God en verloor zichzelf.
Nu waren zij met zijn vijven, drie was niet voldoende.
Die duivels in mensengedaanten wisten, dat zij werden tegengewerkt.
Met vereende krachten wilden zij hem in hun wereld optrekken en onschadelijk maken.
Een verschrikkelijk einde drong men hem op.
Men sloot hem thans geheel in en zij concentreerden zich op de ongelukkige.
Hier was ik niet tegen bestand.
Maar mijn gebed had mij geholpen, dus bad ik weer in stilte tot God om mij hulp te zenden.
Het was nu alsof er een orkaan van kracht over hem los barstte.
Vurig bad ik.
„Help, help,” riep ik.
„Mijn God help mij.”
Dan riep ik om mijn leider.
„Help, Emschor, help mij.”
Plotseling voelde ik een andere kracht in mij komen.
Weer bad ik.
„Ik zit hier gevangen.
Emschor, help mij, verschrikkelijk is de kracht die op en in mij komt.
O, God, help mij.
Emschor!
Emschor!
Mijn Almachtige Vader, ik smeek u, help mij, verhoor mijn gebed.
Ik houd dit niet uit, ik kan niet meer.”
Ik bleef om hulp roepen, want ik voelde dat mijn krachten minderden.
Een onzeker gevoel kwam nu in mij.
Toch bleef ik volhouden en bad innig om hulp.
Hoe krachtig was mijn gebed.
Een lichte duizeling overviel mij.
Toch hield ik mijn concentratie op hem gericht en weerstond de demonen.
Onverwachts richtte de gevangene zich op, zuchtte en klaagde en stootte angstgeluiden uit.
Nu zag ik bloed uit zijn mond vloeien.
Zijn hoofd bonsde en zijn hartslag hoorde ik in deze wereld.
Afschuwelijk was dit ongelijke gevecht.
Opnieuw riep ik om hulp.
Telkens en telkens weer sprak ik Emschors naam uit.
Men moest mij helpen, of ik zou mij overwonnen moeten geven.
Wat nu?
De gevangene maakte zich gereed om zich tegen de muur van zijn cel te pletter te lopen.
In zijn krankzinnigheid wist hij niet meer wat hij deed.
Daarop had ik niet gerekend.
Bliksemsnel wrong ik mij met geweld en al mijn krachten die nog in mij waren, in hem en dwong hem aan andere dingen te denken.
Dit gelukte mij.
Hij zakte terug en ik liet hem in het rond kruipen en maakte hem op deze wijze doodmoe.
De demonen wilden, dat hij zichzelf zou verpletteren.
Dit had ik weten te voorkomen.
Eindelijk bleef hij doodop liggen.
Goddank, nog was hij in mijn macht.
Toch kroop hij terug naar zijn rustplaats en ik wachtte af wat zou geschieden.
Hoog boven mij zag ik enige lichtende gestalten.
Zij zagen op mij neer en glimlachten mij toe.
„Hoe kan ik u danken,” stuurde ik tot hen.
Daarop hoorde ik zeggen: „Hij gaat spoedig over, zijn strijd is gestreden.
De demonen kunnen hem nu niet meer bereiken.
Deze nacht gaat in rust voorbij.
Liefde is het hoogste, het goede overwint.
God zij met u.”
Ik barstte in tranen uit.
Wij beiden waren geholpen.
Emschor had mijn gebed verhoord, mij zijn helpers toegezonden.
Hoe had ik voor zijn overgang gevochten!
Ik had een mens mogen helpen, hoe gelukkig voelde ik mij.
Hoe dankbaar was ik God en hoe diep boog ik mijn hoofd.
Een krachtig geluk stroomde in mij, een geluk, dat liefde betekende.
Ik peilde hem opnieuw en voelde de tijd waarop hij zou overgaan.
Het was alsof de arme het ook voelde.
Daar lag een mens, die zijn strijd had gestreden.
Hoe had hij geleden, gevraagd en gezocht!
Hoe diep was deze mens geschokt.
Ik dankte mijn Vader dat ik dit had bereikt.
Nog waren de demonen aanwezig, want ik hoorde hen spreken.
Eindelijk gingen zij heen om niet weer terug te keren.
Ik overdacht nu alles en wist dat dit mij veel wijsheid had gegeven.
Ik voelde mij anders dan voor ik hieraan was begonnen en toch waren er eerst enige weken voorbijgegaan.
Er scheen meer licht om mij heen te komen.
Ik was bezig de mens te dienen en had mijn God lief, Die ik niet geheel kende, maar van wiens macht ik nu overtuigd was.
Voor deze mens had ik iets gedaan en gaarne zou ik opnieuw alles willen doen.
Op het laatste ogenblik was er redding gekomen.
Toen mijn concentratie verzwakte, was ik verloren en wanneer die hulp niet gekomen was, hadden zij hem in hun leven opgetrokken.
Wonderen schenen eerst op het allerlaatste ogenblik te kunnen geschieden.
Reeds meermalen had ik dit aan deze zijde beleefd.
Gebeden werden op het allerlaatste ogenblik verhoord.
De nacht was voorbijgegaan en ik voelde dat zijn einde naderde, zodat ik mij op een andere wijze ging instellen.
Thans bracht ik hem tot rust en bad voor hem.
Daarna sprak ik tot hem en hij verstond ieder woord, zó innig was hij reeds met onze wereld in verbinding.
Langzaamaan keerde zijn dagbewustzijn terug.
Ik zag en voelde duidelijk deze werking, ook zijn hoofd bonsde niet zo vreselijk meer.
„Wie zijt gij?” hoorde ik hem vragen.
„Een vriend van u,” zei ik, „blijf maar rustig.”
Hij nam mij duidelijk waar en vroeg: „Een vriend?”
„Ja, een goede vriend.”
„Waar zijn de anderen?”
„Hebt gij hen gezien?”
„Ja, waar zijn ze?”
„Ze zijn heengegaan,” zei ik.
„Ook zij?”
„Ja.”
„Gelukkig,” zei hij.
Hij was innig met haar verbonden geweest.
Hij voelde zich opgelucht, dat zij niet meer hier was.
„Ik ga sterven,” zei hij, „ik voel het.
Kom ik dan bij u?”
„U komt bij mij en bij andere vrienden die het goed met u menen.”
„Als God mij maar vergeeft.
Ik heb zo geleden.”
„God heeft u lief,” zei ik.
„Is dat de waarheid?”
„De heilige waarheid.”
Tranen sprongen hem in de ogen.
Mijn woorden kwamen uit het diepst van mijn ziel.
Hoe was ik veranderd.
„Ja,” zo dacht ik, „God is Liefde.”
„U spreekt anders dan zij.
Bent u steeds bij mij geweest?”
„Neen,” zei ik tot hem, „ik ben gekomen om u te helpen.”
„Ik ben u dankbaar; nog enige uren en dan sterf ik.”
Ook ik schreide, doch alleen van geluk, omdat ik hem had mogen helpen; maar ik was ook bedroefd omdat de mens op aarde zoveel moest lijden.
„Mijn God,” bad ik, „ik ben getuige geweest van zijn lijden, hij zal het goede zoeken en aan zichzelf gaan werken.
Hij zal als een kind zijn, wees hem genadig, hij heeft zo geleden.”
Een rustige kracht stroomde in hem.
Zijn lichamelijke krachten verminderden bij iedere minuut.
Als een beest lag hij daar.
Op aarde liet men hem alleen, geen mens kwam hem bezoeken.
Het voedsel had men als gewoonlijk door de opening geschoven, maar hij had geen voedsel meer nodig.
De tijd verstreek en hij gaf zich geheel over.
Zijn geest maakte zich gereed, voor de aarde had hij reeds zijn bewustzijn verloren.
Nu voelde ik, dat ik hem moest helpen.
Ik maakte lange passen (magnetische strijkbewegingen) over zijn stofkleed, wat ik meermalen had waargenomen.
Zijn geesteslichaam kwam nu vrij, het snoer, dat ook mij tot de laatste seconde had verhinderd heen te gaan, loste reeds op.
Het werd steeds ijler en naarmate het ijler werd, verminderden de krachten van zijn stoflichaam.
De stervende slaakte diepe zuchten, nog leefde hij op aarde.
Hij riep om zijn vader en moeder en dacht aan zijn jeugd.
Opnieuw riep hij heel innig om zijn ouders.
Waren zij nog in leven?
Het was haast niet mogelijk.
Weer riep hij en stootte een angstaanjagend geschrei uit.
Ik beefde.
Dit was een vreselijk overgaan, doch niet te vergelijken met mijn eigen overgang.
Toch was zijn sterven verschrikkelijk.
Geheel alleen en verlaten, trad hij dit leven binnen.
Geen vrienden of bekenden, geen vader of moeder, hij lag daar alleen in al zijn ellende.
Dit krot was zijn sterfkamer.
Nu ging hij de aarde verlaten, het snoer scheurde vaneen en zijn geest maakte zich thans geheel vrij.
Het leven op aarde was voorbij.
Nu hoorde ik spreken, keek omhoog en zag in het gelaat van twee jonge geesten.
Eén van hen sprak: „Wij komen hem halen, broeder, zijt gij bereid ons te volgen?”
„Wat bedoelt u?” vroeg ik.
„Wij zullen hem naar de plaats brengen waarop hij afstemming heeft.”
„O,” zei ik, „nu begrijp ik u.
Hoe weet u dat deze mens sterft?”
„Wij weten dit reeds geruime tijd van tevoren.
Uit de hogere sferen worden wij hierheen gestuurd.”
„Heeft u mij in dit afschuwelijke gevecht bijgestaan?”
„Ja, wij volgden u in alles.”
Machtig is het, dacht ik.
„Heeft deze mens geen vader en moeder aan deze zijde?”
„Ja, maar beiden zijn ongelukkigen.”
Ik begreep.
De beide jonge geesten vingen nu het geesteslichaam op en een mens was op aarde gestorven, maar het geestesleven binnengetreden.
Dood op aarde en geboren in het leven van de geest.
Het geesteslichaam lag in een waas gehuld.
Niets werd er meer gesproken.
In snelle vaart verlieten zij de aarde.
Ik volgde hen.
Waarheen zouden zij hem brengen?
Steeds verder ging het.
Ik voelde waar ik was.
In het land van haat waren wij niet.
Bracht men hem naar de geestelijke sferen?
Ieder mens haalde men van de aarde af, wanneer dit mogelijk was.
Mij echter niet, ik zat aan mijn lichaam vast, men had mij niet kunnen halen.
Hoe wist men hier alles.
Zij wisten dat ik niet vrij was.
„Dit” nu had ik voor hem bereikt.
Wanneer ik niet bij hem was gebleven, had ook hij het verrottingsproces moeten beleven.
God was almachtig, want God bestuurde dit alles.
Zijn afgezanten wisten dit van tevoren.
Eindelijk scheen men de plaats van bestemming te hebben bereikt.
Ik was in een ander land en zag vele broeders en zusters bijeen.
Kon ik hier binnentreden?
Dit was mijn sfeer niet.
Mijn hel was anders.
Bezat ik thans meer licht?
De stervende werd in een groot gebouw binnengedragen.
Veel van die broeders zag ik met de aardse mens hier aankomen.
Waar ben ik, dacht ik en stapte dat gebouw binnen.
Overal zag ik rustbedden en daarop lagen geestelijke wezens, die op aarde waren gestorven en dit leven waren binnengetreden.
Liefde, niets dan liefde zag ik.
Hoe bezorgd waren allen voor deze mensen.
Een broeder trad nu op mij toe en zei: „Wilt u niet wat rusten?
Na zo’n groot werk te hebben verricht, hebt u wel wat rust nodig.”
„Weet hij daarvan,” dacht ik.
„Wij weten alles,” zei hij.
Wonderlijk vond ik het, ik had dit toch maar gedacht, geen woord had ik gesproken.
Men wist hier waaraan een ander dacht.
Ik zei: „Ik voel mij niet moe en zal tot de aarde terugkeren.”
„Heerlijk,” zei de meester.
Ik voelde, dat hij een meester was.
„Ga zo verder,” zei hij, „u zult u veel geestelijk bezit eigen maken.
Weet, dat men in de sferen van licht op u wacht.
Daar wachten u schone dingen.
Wat u hier ziet is de dienende liefde.
Eenieder heeft zijn eigen taak, maar wij allen dienen de mens die hier binnentreedt.
Ik zal u duidelijk maken waar gij u bevindt.
Volg mij.”
Wij gingen weer naar buiten en de meester zei: „Broeder Lantos.”
„Kent u mij?”
„U hoort, dat ik u ken.”
„In deze uitgestrektheid?”
„Ik wist reeds lang, dat u hier zou aankomen.
Wij wachten op u en vele anderen.
In de sferen wacht een wezen op u en die meester heeft zich met mij verbonden.
Daarom weet ik van uw leven af en van allen die hier binnentreden.
Luister: U bevindt zich thans in het schemerland.
Dit is echter uw hel niet, uw hel hebt gij reeds afgelegd.
Gij zijt dus hoger gekomen.
Doordat gij het goede zoekt is uw toestand veranderd.
Ge kunt nog verdergaan, want uw sfeer is de volgende, die hoger ligt.
De sfeer waar we nu zijn grenst aan het land van haat en is een tussen-sfeer.
In het land van haat bent u geweest en het leven dáár is u bekend.
U heeft u dus van de duisternis bevrijd door hem en vele anderen te helpen.
De duisternis, broeder Lantos, ligt nu achter u.
Daarom zeg ik u, ga verder, zoek het op deze wijze, dan wachten de sferen van licht u op.
In uw eigenlijke sfeer heeft u reeds licht en toch heeft u de eerste geestelijke afstemming nog niet bereikt.”
„Ben ik nog steeds een levende dode?”
„Ja, nog behoort u tot hen, doch dit zal niet lang meer duren.
Dan gaat u in de eerste geestelijke sfeer over.
Daarna volgen de tweede, de derde, de vierde, vijfde, zesde en zevende sfeer.
Daarna komen de mentale gebieden.
Dat zijn de gebieden zoals u hebt beleefd en die met de wereld van het onbewuste zijn te vergelijken.
Wie daarin overgaat, keert niet terug en gaat op de vierde kosmische graad over.
Dat is een andere planeet.
Doch u zult daar later van overtuigd worden.
Wij allen, broeder Lantos, geven ons geheel voor hen, die uit de duisternis en de aarde hier binnentreden.
Wij behoeden hen voor terugvallen en helpen hen in alles.
Dit is ons werk.
Anderen dalen in de duisternis af om ongelukkigen te helpen.”
„Wat geschiedt er met hem, die ik mocht steunen?”
„Hij slaapt en zal lang slapen, daarna begint zijn geestelijk leven.”
„Is dit zijn sfeer?”
„Ja, dit is zijn afstemming.”
„Blijft hij hier lang?”
„Dit kan jaren duren en hangt geheel van zijn eigen wil af.”
„Hij heeft zo moeten lijden, wordt daar rekening mee gehouden?”
„Is u iets geschonken?”
„Neen, dat niet.”
„Welnu, ook hem kan men niets schenken, hij heeft dit zelf gewild.”
Ik begreep.
„Bevind ik mij hier op de grens van de eigenlijke hel in dit leven?”
„Zo is het.”
„Ik kan dus verdergaan?”
„Dat kunt u.”
„Wat raadt u mij aan te doen?”
„Het ligt aan uzelf wat gij wilt doen.
U kunt naar de aarde terugkeren, afdalen in de duisternis van de hel, of hoger gaan om uw sfeer in bezit te nemen.
Doch ik raad u aan opnieuw aan uw werk te gaan.
Duizenden zijn er die hulp nodig hebben.
In korte tijd kunt u grote vorderingen maken, want gij bezit een sterke wil, kent al die hellen en sferen en weet hoe de mensen op aarde te bereiken.
In de eeuwen die zijn voorbijgegaan heeft u dat alles geleerd.”
„Ik daal af,” zei ik tot de meester.
„Dit is de weg, mijn broeder.”
„U heeft mij in alles gevolgd?”
„Ik zei u reeds, dat ik met uw meester in verbinding ben.
Van hieruit heeft men u in alles geholpen en uw gebeden zijn door ons opgevangen.”
„Is dat mogelijk?”
„U ziet, dat wij het weten.
Zuivere gebeden, die worden opgezonden, vinden onmiddellijk verbinding.
Uw hulpgeschrei, daarbij uw grote liefde om een mens te helpen, heeft ons bereikt, neen, gaat hoger en hoger, totdat het de sferen van licht binnendringt.
Van daaruit krijgen wij bericht hen te helpen, die deze hulp behoeven.
Die verbindingen worden dus door de meesters tot stand gebracht.”
„Wanneer ik u goed heb begrepen, voel ik, dat, hoe zuiverder ik mij kan geven en hoe groter de liefde is die ik voor anderen voel, des te hoger de hulp is die ik zal ontvangen?”
„Zo is het.
Door u in liefde te geven, zullen de hogere geesten u steunen en hun helpers tot u zenden.”
„Is dit voor iedereen?”
„Wie het goede wil zal deze hulp ontvangen.”
„Iedere ziel volgt zijn eigen weg?”
„Iedereen heeft zijn eigen weg te volgen, doch wij allen volgen slechts één weg, om de hoogste sferen te kunnen bereiken.
Dat is, door het leven lief te hebben en te dienen.”
„Zijn al die wegen even moeilijk?”
„Neen, dat niet.
U heeft echter de diepste ellende beleefd, de moeilijkste weg bewandeld die er is.
Uw sterven was een bijzonder binnentreden.
Maar niet alleen dit binnentreden, doch ook hoe u vandaar uit uw weg hebt gevonden en geheel alleen tot hier reeds zijt gekomen.
U hebt verschillende stadia doorlopen en u uit die sferen weten vrij te maken.
Anderen moet men helpen en hebben hulp nodig.
Gij echter zoekt het in uw leven en tracht tevens anderen te helpen en te steunen.
Voor de mens die dit op eigen krachten kan bereiken, heeft men aan deze zijde ontzag.”
„Kunt u mij zeggen waar meester Emschor leeft?”
„Uw leider en meester leeft in de vijfde sfeer.”
„Wat zegt u, in de vijfde sfeer?
Hoe zal ik daar ooit komen.”
„Wanneer u op deze wijze verder gaat, zult u snelle vorderingen maken.
Hebt u mij nog iets te vragen?”
„Ja, veel heb ik nog te vragen, doch ik wil hier niet blijven.
Ik keer terug naar de aarde en al die andere hellen en zal mij die geestelijke krachten eigen zien te maken.
Eerst wil ik naar mijn cel terugkeren, wellicht kan ik daar anderen helpen.”
„Dat is niet nodig, broeder Lantos.”
„Weet u dat?”
„Wij weten waar de mens te vinden is die hulp nodig heeft.”
„In deze uitgestrektheid?”
„In deze wereld zijn wij met miljoenen in verbinding.
Het is een machtige keten en de mens die zich daarmee verbindt, dáár zijn tevens de broeders en zusters uit hogere sferen.
Onmiddellijk sturen zij hun gedachten omhoog en dan weten wij of daar dringende hulp nodig is.
En alleen zij, die eenzelfde leven hebben beleefd, kunnen hen helpen.
Alles, u hebt dat beleefd, is concentratie en het is liefde en wel de dienende liefde.
U kunt naar uw gevangenis terugkeren wanneer u dat wenst, doch daar heeft men uw hulp niet meer nodig.”
„Dus men heeft mij dat werk opgedragen?”
„Juist, men volgde uw wegen.
In stilte werkte men op u in.
U bent nooit alleen, al denkt u alleen te zijn.
Geen van hen dus, broeder Lantos, die thans nog in uw kerker opgesloten zijn, is in verbinding met deze wereld.”
„Wonderlijk is het,” zei ik, „machtig en diep.”
„Keer dus terug naar de aarde, daar zult gij ander werk vinden.
En wanneer u hier terugkeert, zal alles anders zijn en zult gij uw eeuwige leven beter begrijpen.
Kom, volg mij, ik zal u terugvoeren naar hem, die u hebt geholpen.”
Ik zag honderden mensen, allen waren in een diepe slaap.
Dit slapen begreep ik, Emschor had mij daarvan verteld.
Hoe waar was alles.
Mannen en vrouwen zag ik bijeen.
Grote en volwassen mensen werden als kleine kinderen verzorgd.
Men maakte hun dit leven duidelijk, want ik voelde dat zij niet in staat waren zichzelf te kunnen helpen.
Zo wilde ik niet zijn, ik wilde op eigen benen staan.
Iedere seconde kwamen hier duizenden mensen van de aarde aan, die daar waren gestorven.
Onmiddellijk keerden die broeders naar de aarde terug om anderen te halen.
Machtig was het, dit te kunnen waarnemen.
Sterven en geboren worden, steeds maar door, duizenden jaren achtereen geschiedde niet anders.
Oud en jong waren hier tezamen, doch kinderen zag ik niet.
Daar lag mijn vriend.
Ik was verwonderd, dat hij reeds zo veranderd was.
Het geesteslichaam werd langzaamaan bewust en hij zou en moest wakker worden.
Dit geschiedde tijdens zijn slapen.
Ik voelde en begreep dit alles, omdat ik het met mijzelf had beleefd.
Maanden zouden er heengaan, voordat de mens weer zichzelf werd.
Toch voltrok zich dit proces.
Diep was zijn slaap.
O, hoe machtig dacht ik, is dit leven.
Ik zag om mij heen en mijn besluit stond vast.
Hier wilde ik niet blijven, want ik was niet iemand om rustig bij mijn verkregen bezit neer te zitten.
Ik wilde weer op weg om aan mijzelf te werken.
Ik dankte de meester voor alles aan mij gegeven en nam van hen allen afscheid.
Door velen werd ik uitgeleide gedaan.
Allen riepen mij een vaarwel toe.
Nieuwe problemen zou ik beleven en het wonderlijke daarvan leren kennen.
Weer was ik op weg en de duisternis kwam al dichter en dichter om mij.
Langzaam sloot zich deze sfeer om mij heen en loste ik daarin op.