Ik werd kunstenaar

Marianne lag als een klein wicht tegen mijn borst gedrukt.
Ik steunde haar en het was alsof zij sliep.
Uren had ik op deze wijze rondgewandeld.
Wie mij zou hebben ontmoet, had mij voor krankzinnig gehouden.
Een mens lag in mijn armen waarvan ik hield.
Toch was het maar een brokje aarde, maar aan die aarde waren verschillende gevoelens verbonden, die mij lief waren.
Was dit mensenliefde?
Waren dit zuivere menselijke gedachten?
Of waren ook deze vals, gemeen en slecht of verbeelding?
Was het alleen maar, omdat ik niemand bezat, dat ik mij aan haar vastklampte, bij haar steun zocht?
Was ik wel waard, dit gevoel te mogen bezitten?
Ik aanvaardde het in ieder geval en was er gelukkig door.
Boven gekomen wikkelde ik haar in een zijden doek en borg haar op.
„Slaap zacht, Marianne, weet dat ik van je houd!
Onze jeugd zal ik niet vergeten, steeds zal ik aan je denken, wellicht dat het mij steunt.”
Daarna pakte ik het nodige bijeen en strompelde naar buiten.
Mijn voertuig stond reeds gereed, snel reed ik weg, alsof de duivel mij op de hielen zat.
De gehele nacht reed ik door, tot de middag van de andere dag, toen van paarden verwisseld moest worden.
Weer ging ik verder.
Zo snel mogelijk wilde ik dit land verlaten, eerder zou ik niet rustig kunnen zijn.
Ik was beangst om toch mijn leven te moeten verliezen en ik wilde leven, want ik was nog te jong om te sterven.
De meerderjarige leeftijd had ik nog niet bereikt, toch overdacht ik alles; zo jong als ik was, beleefde ik de stoutmoedigste dingen.
Als kind dacht ik reeds gelijk de grote mensen.
Waar kwam die sterke ontwikkeling vandaan?
Van mijn ouders?
Had ik dat alles geërfd?
Waarom was ik dan zo heel anders dan zij?
Schiep God verschillende mensen?
Was de één niet als de ander?
Wist Hij wat Hij had geschapen?
Maar waarom dan al die tegenstrijdigheden in karakters?
Waarom botste de één tegen de ander op?
Waarom aanvaardden zij hun bezit en was het voor mij een vloek en minachtte ik alles?
Waarom en waartoe diende dit?
Had het betekenis?
Zaaide God tweestrijd tussen de mensen?
Hij, de Alwetende?
Ik vond dat de mens meer van het dier bezat dan van iemand met intellectuele begaafdheden.
De natuur om mij heen was prachtig.
Deze was zo volmaakt, dat daaraan niet te twijfelen viel.
Alleen de mens deugde niet.
Ik toog naar een vreemd land en was alleen op deze vervloekte wereld.
De grote plaatsen trokken mij aan, dáár, waar leven was.
Ik wilde leven zien en zelf leven en mij door het leven verrijken.
Dat, wat achter mij lag, was voor mij gestorven.
Dood was alles, alleen Marianne leefde nog in mij.
Die nacht rustte ik wat en ging de volgende dag verder.
Een week was ik nu reeds van huis en steeds verder ging het.
Al die gedachten daaraan vertroebelden.
Nieuwe, geheel andere krachten voelde ik in mij komen.
Eindelijk arriveerde ik in het Zuiden, waar ik bleef.
Mijn papieren verzilverde ik, ik moest daarmee enige maanden rond komen.
Spoedig had ik mij onder de bekwame leiding van een groot meester gesteld, die mij de eerste opleiding gaf.
Ik was een dankbare leerling.
Mijn liefde voor de kunst groeide en ik begreep wat mijn meester bedoelde, zodat ik snelle vorderingen maakte.
Mijn hart jubelde van blijdschap, alles ging naar wens.
Hij was zeer met mij ingenomen.
Ik leerde nagenoeg dag en nacht, zoog alles, wat met kunst te maken had, in mij op en maakte mij alles eigen.
De moeilijkste lessen waren voor mij slechts kinderspel.
Mijn ziel zoog het in, ik was met hart en ziel kunstenaar.
Hoe gelukkig voelde ik mij.
Zo gingen onbezorgd de jaren voorbij.
Ruim drie jaren vertoefde ik hier.
Van mijn ouders had ik niets meer vernomen.
Ik leefde in de wijde wereld, kon gaan waarheen ik wilde, want ik was mijn eigen heer en meester.
In mij was er al veel veranderd.
Mijn karakter ontplooide zich, daarin lagen vele eigenschappen, doch de grootste en schoonste eigenschap, die ik zelf voelde te bezitten, was mijn grote enthousiasme voor mijn mooie kunst.
Dit gevoel groeide boven mijzelf uit; daarin verloor ik mij en het spoorde mij aan tot grote dingen.
Mijn leermeester voorspelde mij een schitterende toekomst.
In mijn kunst lag een eigen stijl, die men niet begreep.
Waar die gevoelens in mij vandaan kwamen, was voor mij een raadsel.
Wanneer ik op deze wijze verder ging, zou ik van meester moeten veranderen.
Hij raadde mij één van zijn vrienden aan, die een ontzaglijke hoogte had bereikt en waar ik mijn studie zou voleindigen.
Na een jaar besloot ik te vertrekken.
Hij was voor mij een vader geweest en ik had hem lief met hart en ziel en schreide toen ik moest heengaan.
„Het moet, mijn Lantos,” zo sprak hij, „het moet, van mij kunt gij niets meer leren.
Gij moet uw gave tot het hoogste ontwikkelen en daarvoor hebt gij andere leermeesters nodig.”
Noodgedwongen vertrok ik.
Ik kon mij nu vrijer bewegen, doch ik streefde naar één doel, één punt, het hoogste te bereiken.
Die gave lag in mij; ik was, zoals mijn leermeester zei, een geboren kunstenaar.
Goddank, dacht ik, dus ik ben niet geboren om te heersen.
Geen seconde dacht ik meer aan het verleden, alleen toen hij deze woorden tot mij sprak.
Ik vestigde mij in een stad waar de kunst bloeide en aanvaardde een godsdienst, daar dit nodig was.
Het leven van die tijd ga ik u niet beschrijven, slechts dat ervan wat noodzakelijk is.
Ik volg mijn innerlijke weg en ga verder u te vertellen wie ik op mijn pad ontmoette en wat ik beleefde.
Iets is in al die eeuwen hetzelfde gebleven, althans weinig heel weinig, veranderd.
Dat is het innerlijke leven van de mens, die nog steeds zijn dierlijke afkomst niet kan loochenen.
De mens is in niets veranderd; integendeel, het is alsof hij bergafwaarts gaat, doch dat is in werkelijkheid niet het geval.
Dit zijn slechts tijdelijke toestanden.
Het is vallen en opstaan.
Peilt en voelt gij één mens, zo peilt en voelt gij een volk, voelt gij werelddelen.
Wat de individuele mens beleeft, beleeft een volk.
Valt hij, dan valt een volk, vallen werelddelen.
In de kosmische psychologie ligt dit vast; het zijn wetten, het is de kringloop der ziel.
Die ziel volgt zijn weg om de goddelijke sferen te bereiken.
De aarde is miljoenen jaren oud, zo ook de mens en toch is dat intellectuele wezen nauwelijks boven het dier uitgegroeid.
Nog ziet men op aarde voordierlijke wezens in mensengedaanten rondwandelen.
Wees op uw hoede.
Ga hun uit de weg, want ze zijn in honderden jaren niet te bereiken.
Met frisse moed toog ik aan het werk.
Men bewonderde mijn kunnen en ik maakte vele vrienden.
Mijn persoonlijkheid veranderde en mijn naam kreeg een bijzondere klank.
In mij zag men een toekomstig meester.
Jaren gingen voorbij.
Ik leerde heel veel en was over mijzelf tevreden.
Mijn gevoel voor kunst uit mijn kinderjaren begreep ik nu volkomen.
Mij bleef alleen het raadsel over, door wie ik deze gave had ontvangen.
Velen vroegen mij of ik deze gave van mijn voorouders had geërfd.
Ik kon hun antwoorden, doch verzweeg mijn eigenlijke afkomst.
Veel dacht ik hierover na, want ik begreep niet van wie, zo ik reeds zei, die krachten in mij kwamen.
Van God?
Van een hogere macht?
Het was mij niet duidelijk.
Ik bleef ernaar zoeken en vragen en dat probleem nam in hevigheid toe.
Ik was een geboren analyticus, ik wilde weten vanwaar ik kwam, waarvoor dit alles diende.
Al die levensproblemen wilde ik leren kennen.
De hardheid van de mensheid kon ik niet verwerken.
Mijn gevoelens rijpten naarmate ik ouder werd en ik daalde in het leven af om die waarheid beter te begrijpen.
Steeds was ik in gedachten en men noemde mij reeds een dromer.
Daarmee voelde ik mij ten zeerste gevleid en was er trots op dat men mij zo zag.
Ik voelde mij ouder dan de leeftijd die ik had bereikt.
Daardoor trok ik de oudere kunstbroeders tot mij en nodigden zij mij uit tot hen te komen.
Men begon over mij te spreken.
Ik wilde mijn studie voleindigen met een groot kunstwerk.
Als onderwerp koos ik daarvoor een moeder met een kind en beeldde deze ten voeten uit.
Hierin legde ik dát gevoel, waarmee ik had gewild dat mijn moeder mij zou liefhebben.
Het beeld leefde en werd een groot succes.
Al mijn liefde, mijn reine zielevreugde legde ik erin, zoals ik die als kind voelde en bezat.
Het werk werd bekroond.
De glimlach op het moederlijke gelaat deed koude harten ontdooien.
Het kind, de beide handjes opgeheven, zag naar de moeder en smeekte om liefde.
Dit grote en heilige gevoel lag in beide wezens.
Twee zielen waren verbonden, één voelen, één denken, één liefde.
Zo had ik de moederliefde als kind gevoeld, doch ze werd mij niet gegeven, waarna het diep in mij wegzonk om voor haar, mijn moeder, niet meer boven te komen.
Om en in mijn product lag deze grote kracht.
De strijd van mijn jeugd, die achter mij lag, had mijn gevoel voor kunst gerijpt en doen groeien.
Met rasse schreden ging ik mijn geluk tegemoet.
Mijn belangstelling ging alleen uit naar het menselijk lichaam en zijn schoonheid.
Diepten wist ik te overwinnen, en daardoor maakte ik vele vrienden, maar ook vele vijanden.
De één gunde de ander het geluk niet, voor eer en roem doodde men.
Een mensenleven had geen waarde, voor een kleinigheid werd men omgebracht.
Mij stootte dit alles tegen de borst en ik leed eronder, doch dit lijden duurde slechts kort.
Ik voelde, dat ik te ernstig leefde en daarom gooide ik mij in de draaikolk van het bruisende leven.
De jaren, die volgden, gingen in een roes van roem en eer voorbij.
Het werd tijd dat ik op eigen benen kwam te staan, een ongekend iets dreef mij daartoe.
Ik maakte mij los, richtte mij in en nam een dienaar tot mij, die mij door één van mijn beste vrienden werd aangeraden.
De man, die alles voor mij deed, vertrouwde ik echter niet.
Er was iets dat mij hinderde.
Ik zocht ernaar maar vond het niet.
Zijn karakter kon ik niet peilen.
Nogmaals vroeg ik mijn allerbeste vriend, Roni genaamd, of ik hem in alles kon vertrouwen.
„Hoe komt gij erbij, mijn beste Lantos,” zo sprak hij, „ik ben immers uw vriend?”
Ik had er reeds spijt van dat ik hem wantrouwde, doch het gevoel kon ik niet kwijt worden, ik onderdrukte het echter met geweld en wilde er niet meer aan denken.
Ik had met mijn dienaar afgesproken, dat geen wezen buiten mijn medeweten in mijn atelier binnengelaten mocht worden.
Voor niemand wilde ik weten waaraan ik werkte.
Steeds kwam ik met nieuwe producten tevoorschijn waarmee ik de wereld verraste en mijn kunstbroeders verpletterde.
De groten, die nog boven mij waren, zou ik ook bereiken.
Spoedig zou ik een meester zijn.
Daarheen stuurde ik mijzelf, daarheen bracht mij mijn kunst.
Van haat en nijd bleef ik niet verschoond.
Op één van mijn bijeenkomsten liet men mij dit duidelijk voelen.
Mijn allerbeste vriend behoorde tot hen, wat mij veel leed berokkende.
Achter zijn schoon gelaat trachtte hij dit te verbergen, doch ik voelde het toch.
Toen ik zijn karakter trachtte te peilen, was mij dit niet mogelijk.
Zijn gestalte was die van een adonis.
Uren besteedde ik aan hem, doch zijn ware innerlijk leerde ik toch niet kennen.
Dan weer was hij alleraardigst en mijn beste vriend; dan plotseling leerde ik hem van een andere zijde kennen, die mij zeer onaangenaam was.
Ik trachtte mij van hem te bevrijden, doch ook dat bleek niet mogelijk.
Het was alsof een onzichtbare macht ons hield verbonden.
Ik meende hem reeds eerder te hebben ontmoet, maar kon mij dat niet herinneren.
Toch liet mij zijn gestalte niet met rust.
Telkens en telkens weer dacht ik aan hem, maar hij was en bleef ondoordringbaar voor mij.
Mijn gevoelens stemden overeen met die, welke ik als kind voelde en die mij aanspoorden om mij van mijn familie los te maken.
Die kracht had gezegevierd, ik was heengegaan en geworden wat ik wilde worden.
Waren het onzichtbare machten?
Stond ik onder invloed en handelde ik daarnaar zonder het zelf te willen, noch te weten?
Ik voelde nu die krachten uit mijn jeugd scherper en bewuster; het was alsof ik ontwaakte.
Ik zonderde mij af om over dit probleem na te denken en maakte lange wandelingen, zoals ik vroeger deed.
In de natuur werd mij veel duidelijk.
Ik voelde namelijk, dat beide krachten één waren: één wil, één gevoel bestuurde dit alles.
Was het God?
Een Almachtige kracht, die hemel en aarde schiep, mens en dier?
Die alles bestuurde en leidde?
Was dit leiding, of was ik bezig mijzelf te suggereren?
Wat was het?
Voor mijn vriend voelde ik ware vriendschap en toch, ik moest het eerlijk bekennen, haatte ik hem.
Waarom eigenlijk, waarom hem te haten?
Had hij mij iets misdaan?
Hij was jaloers, gunde mij de plaats niet, de hoogte die ik had bereikt.
Dat was menselijk, heel gewoon en ik moest mij daaraan niet storen.
Toch liet het mij niet met rust, maar ik kwam er niet achter hoe ik ook dacht en al zijn karaktereigenschappen analyseerde.
Mijn gevoelens verschilden van de zijne en toch waren wij vrienden, zelfs goede vrienden.
Zijn handelingen waren spontaan, doch niet gevoelig, zeer ten nadele van zijn kunst.
Zijn spontaniteit en eerzucht smoorden de diepere trillingen van zijn ziel, de kracht om zijn producten te kunnen doorvoelen.
In alles was hij te snel, te ondoordacht.
Hij voelde de stilte niet van het leven.
In niets was hij zichzelf bewust, hij handelde op het moment en gaf zich geheel zonder na te denken.
Op zijn levensoceaan stormde het dag en nacht, werd hij links en rechts geslingerd en verzadigde hij zich door het leven te beleven, zoals het tot hem kwam.
Een tijdlang liet ik mij door hem leiden en zwierven wij gezamenlijk door het bruisende leven.
Doch langzamerhand zocht ik naar een veilige haven.
Mij was dit leven te vermoeiend, ik snakte naar rust, naar de stilte, om tot mijzelf te komen.
Ik dacht en overdacht alles, waarmee ik in verbinding kwam.
Een dromer en denker was ik, zoals zij mij noemden.
Maar hij zou mijn hoogte niet bereiken of hij moest zich deze eigenschappen zien eigen te maken; dan eerst zou zijn kunst gaan leven.
Ik had en voelde maar één doel, hij bezat er vele.
In de schilderkunst, zoals men die in die tijd beoefende, had hij een grote hoogte bereikt, doch in de beeldende kunst zou hij mij niet evenaren.
Ik bezat nu roem en eer, alle aards bezit lag aan mijn voeten.
Toch overviel mij soms een droevige stemming en voelde ik mij niet voldaan.
Maar wanneer ik daarin verkeerde, zag ik mijn kunst groeien en tot leven komen.
Dan zag ik mensen en dieren anders en kon ik hen gemakkelijker bereiken.
Ik had lief, doch leerde de ware liefde niet kennen.
De liefde, die men mij bood, gaf mij niets.
Deze was te gemakkelijk te verkrijgen, die liefde was te doorzichtig.
Wanneer men zijn hart opende, werd het geheel in beslag genomen.
Door het hunkerend verlangen van de ziel liet men zich telkens verleiden.
Maar ik leerde hoe mij te moeten wapenen, wilde geen speelbal zijn van deze gevoelens en dit bracht mij tot nadenken.
Ik leerde hun aard kennen en begrijpen.
Toch zocht ik naar de ware liefde, maar vond ze niet.
Was deze liefde wel op aarde?
Lag in andere wezens niet zulk een liefde?
Was in hen niet die kracht, die het leven op aarde gelukkig maakt?
Wisten zij niet wat liefde betekende en droegen zij niet het besef, het gevoel van een ander te moeten eerbiedigen?
Begrepen zij niets van het ware en werkelijke geluk, zoals de Almacht bedoelde?
Toch hield ik als kunstenaar van zo’n wezen.
Haar ogen, die lachten, smeekten en liefkoosden, waren mij lief.
Haar gehele lichaam was voor mij een tempel van schoonheid, heerlijkheid en geluk.
Mijn leven zou ik voor dit wezen kunnen geven, maar dan zou zij mij waarlijk en waarachtig moeten liefhebben.
In mijn prille jeugd bezat ik reeds deze gevoelens, doch thans waren zij bewust en ontwikkeld.
Dit ontzaglijke en machtige geluk wenste ik te bezitten.
Hoe verlangde mijn ziel naar begrijpen, hoe hunkerde ik naar dat éne wezen, dat lieflijke en schone, dat mij tot het hoogste zou opvoeren en mijn kunst zou vergeestelijken.
Degenen, die ik tot nu toe had ontmoet, bezaten niets van die verheven gevoelskrachten.
Zij bezaten niet meer dan dierlijke verlangens, grofmenselijk egoïsme en hartstocht, wat mij deed walgen.
De ritmische klank, die de diepste zielekrachten tot bewustzijn moest brengen, was nu eenmaal niet in hen.
Zij leefden zich uit, zwierven van de één naar de ander.
Had God, de Schepper van al dat machtige, zich vergist?
Kende Hij Zijn eigen schepping?
Waarom schiep Hij soorten en zoveel onbegrijpelijke gevoelens?
Waarom gaf Hij dat wezen die ongekende kracht?
Waarom het vrouwelijke niet met het mannelijke verbonden, niet één gelijke afstemming gegeven, zodat zij elkaar begrepen en één liefde voelden en leefden naar Zijn wil?
Dit was toch Gods bedoeling geweest?
Ook daarvan vertelde de schrift en ook de geestelijken.
Neen, ik kwam er niet achter, kon dit mysterieuze probleem niet omvatten.
Toch hield het mij bezig en vroeg ik, waarom en waarvoor?
Waar zou ik dit benijdenswaardige wezen vinden, begiftigd met stralende schoonheid en met die kracht, die gelukkig maakt, zodat het leven een paradijs werd?
Waar was zij?
Mijn ziel vroeg naar dat wezen; ik snakte ernaar het te kunnen bewonderen.
Voor een glimlach, een handkus, zou ik mijn leven geven.
Ik voelde het, die krachten waren in mij tot bewustzijn gekomen.
In deze droefgeestige en verlangende stemming hunkerde ik naar een wezen, dat voelde zoals ik, naar een gehoor dat kon luisteren en naar een gelaat, dat al die gevoelens uitdrukte.
Ik zocht en zocht, peilde honderden van deze wezens, maar vond niet wat ik wilde bezitten.
Zij waren niet op aarde; God moest zich hebben vergist.
De mens was niet volmaakt; ik zag en voelde geen liefde, zoals Hij bezat en wij in ons moesten hebben.
In mijn kinderjaren had ik Hem liefgehad, had ik mijn eigen God, was Hij heel dicht bij mij geweest; thans was Hij zo ver weg en onbereikbaar.
Ik zou Hem vragen willen stellen, duizenden vragen, waarop Hij, de Almachtige, mij zou kunnen antwoorden.
In mijn kinderjaren viel mijn God uiteen; nu ploos ik totdat van Zijn schepping niets overbleef.
Ook deze gevoelens kwamen uit dezelfde eeuwige bron voort.
Toen was ik echter onbewust en verlangde God te bezitten; nu ik op deze leeftijd was gekomen en het leven leerde kennen en de mens voelde, wilde ik die macht ontsluieren.
Mijn lichaam was gegroeid, mijn geest ontwikkeld en toch was ik niets veranderd.
Wat ik als kind voelde bezat ik ook nu en omgekeerd.
Ik was alleen bewuster, doch in het diepst van mijn ziel was ik in slaap gevallen, omdat ik dit alles niet begreep.
Op één punt echter was ik wakker en heel bewust; dat was in de liefde.
Die liefde wilde ik bezitten en mij eraan verwarmen, dan eerst zou ik in staat zijn het hoogste te bereiken.
In haar zag ik de hoogste inspiratie, dat wezen zou mij omhoog stuwen tot onbegrensde mogelijkheden.
Een merkwaardige gedachte, iets liefs, dat ik eens bezat, kwam uit het verleden in mij op.
Mijn Marianne!
In al die jaren had ik geen seconde aan haar gedacht.
Leefde zij nog?
Zou zij al deze eigenschappen bezitten?
Als in een afgesloten ruimte, was die gedachte in mij verscholen.
Marianne behoorde tot het verleden, was het enige ervan, dat ik liefhad.
Ik zou ook haar uit mijn gedachten hebben weggevaagd, als onze jeugd niet zo schoon was geweest.
Haar had ik lief, haar beminde ik, zij was mijn leven en zon geweest, zou dat steeds blijven tot mijn dood.
Ach, als ik haar in dit leven zou mogen zien, mijn hart en mijn diepste zielegevoelens zou zij bezitten.
Zij begreep mij, voelde mij aan; wij waren voor elkander geen vreemden, wij zouden zuster en broeder zijn in de ware betekenis van het woord.
Dit was mij duidelijk, ik voelde het, in niets was mijn gevoel voor haar veranderd.
Vreemd, dat ik niet eerder aan haar had gedacht.
Maar mijn leven was gevuld geweest, mijn werk had mij te veel in beslag genomen.
Marianne, waar zijt ge?
Wanneer ik mijn hoogtepunt had bereikt zou ik haar opzoeken.
Ik wilde haar nog eenmaal zien, voordat ik zou sterven.
Zij had mij getroost en verwend zonder het te weten.
Ik nam mij vast voor, haar te vinden, zo zij nog leefde.
Ik snelde naar huis terug.
Deze wandeling had me mijn jeugdherinneringen terug gegeven, in het volle leven zouden ze niet in mij opgekomen zijn.
Spoedig was ik thuis en haalde haar beeld tevoorschijn.
Ik ontdeed het van de windsels en was benieuwd of zij nog zou leven.
Heel voorzichtig volbracht ik dit werk en ja, zij was niet beschadigd, integendeel, hechter en stralender was zij geworden.
Ik dacht thans een jonkvrouw in haar te zien.
Marianne, gij leeft?
Zeg mij, waar zijt ge?
Kom tot mij, laten wij vrienden of geliefden zijn.
Zijt ge nog vrij?
Kom dan, lief klein meisje, zing voor mij; je stem zal mij inspireren en geef mij die zachte maar reine liefde, die het hoogste is.
De zijden doek, waarin het beeldje al die tijd had gelegen, was geheel verkleurd, maar de aarde, door „wat” behield deze haar kracht?
Ik zette er mijn nagels in, doch de stof was als marmer zo hard.
Het was merkwaardig.
Ik zette mij neer en sprak geruime tijd met haar.
„Zijt gij mijn lief kind?
Kom tot mij, Marianne, geen haar op je hoofd zal worden gekrenkt.
Mijn jeugdgeluk, zijt ge in dit leven tevreden?
Lach eens, wees eens vrolijk, laat mij je stem horen en kom.”
Kwam er beweging in het beeld?
Ik dacht het, maar verwierp deze gevoelens direct; ik wilde niet sentimenteel worden.
Ik zette het op een voetstuk en bezag het geruime tijd.
In mij rijpte een plan.
Ik werd bevreesd, dat het toch nog eens zou kunnen uiteen vallen en dan had ik alles uit die tijd verloren.
Ik zou van het beeld een levensgrote Marianne maken zoals ik haar thans aanvoelde, zag en liefhad.
Maar hoe scherp had ik haar in mijn kinderjaren uitgebeeld!
Hoe nauwkeurig alles berekend.
Van wie had ik die gave?
Vanwaar had ik dit kunstgevoel gekregen?
Ik was ermee geboren!
Doch in dit leven moest men zich alles eigen maken, voortdurend leren, om ééns te begrijpen en te bezitten.
Bleef dit raadsel onoplosbaar?
Het beeld bezat een gevoeligheid, waarvoor ik mij thans zou moeten inspannen, wilde ik dit kunnen evenaren.
Waar kwam dat scherpe aanvoelen in de kunst vandaan?
Ik zou trachten dit te ontsluieren, maar eerst moest ik dit kunststuk scheppen, waarmee ik roem en nog meer eer zou behalen.
Urenlang was ik in diep gepeins verzonken.
Ik liet mij gaan en dacht mij in haar persoonlijkheid in en voelde haar aan als nog nooit te voren.
Hoe schoon en lief zou zij nu zijn, wanneer mijn aanvoelen goed zou blijken te zijn.
Maar tevens ontdekte ik lichtzinnige trekken in haar, wat mij leed deed.
Doch haar gelaat straalde een openhartigheid uit, zoals ik nog niet had gezien.
Ook liefde en die sprak wel het sterkst.
Ach, wanneer ik haar de mijne mocht noemen, hoe zou ik haar met mijn liefde omgeven.
Allerlei gedachten kwamen in mij op en verflauwden weer.
Voor mij stond een groot stuk marmer, dadelijk zou ik met het werk kunnen beginnen, alles lag gereed.
Ik voelde mij in de juiste stemming komen om iets schoons tot stand te brengen.
Mijn hart klopte krachtiger dan gewoonlijk, maar in mijn ziel lag een vrome rust, waarover ik mij verwonderde, daar ik in werkelijkheid niet zo vroom was.
Bidden deed ik nooit, ik zou het niet kunnen.
Wel had ik een paar gebeden geleerd, maar ik was ze vergeten.
Ik voelde geen drang tot bidden, want voortdurend was ik tegen God in opstand.
Ik pakte al mijn benodigdheden bijeen en begon te werken.
In een snel tempo, steeds Mariannes gehele wezen in mij wetend, bewerkte ik het sneeuwwitte marmer.
Bij iedere slag groeide mijn vriendschap en liefde voor haar.
Hoelang ik bezig was geweest, wist ik niet, maar een ontzettende slag deed mij wakker schrikken.
In een soort droomtoestand had ik gewerkt, want ik ging geheel in dit werk op.
Wat was er geschied?
Een oud beeld was van zijn voetstuk gevallen.
De stukken en brokken lagen om mij heen verspreid.
Was dit een voorteken, of was het toeval?
Ik veegde de stukken bijeen, zodat ik weer zou kunnen doorwerken.
Hoe jammer, die onderbreking, ik was zo volkomen in mijn werk verdiept geweest.
Het was beangstigend; een koude rilling doorvoer mij.
Mijn inspiratie was verbroken en ik moest een tijd wachten, voordat ik in die benijdenswaardige toestand kon terugkeren.
Ik voelde mij intens gelukkig, want ik was met de schoonste tijd van mijn leven verbonden.
Na enige uren van ingespannen arbeid voelde ik mij vermoeid en trachtte wat te slapen.
In de morgen werd ik wakker en toog opnieuw aan het werk, dat ik volhield tot de namiddag.
Waartoe die haast?
In mij lag een stuwende kracht om dit beeld zo spoedig mogelijk te voleindigen.
Ik werd aangespoord tot grote spoed, zoals ik voordien nog niet had beleefd en ik voelde mij in een merkwaardige stemming.
Het was een ongekende kracht die mij inspireerde, sterker dan ik ooit had gevoeld.
Na enig voedsel te hebben gebruikt, maakte ik een lange wandeling.
De natuur zou mij nieuwe kracht geven en mijn geest versterken.
Na mijn wandeling ontmoette ik Roni.
„Mijn beste Lantos,” zo sprak hij, „waar zijt ge zolang geweest?
In geruime tijd heb ik u niet ontmoet.
Zijt ge aan nieuw werk bezig?”
Zijn gelaat straalde en hij was zeer opgewekt en openhartig; tenminste dat meende ik te voelen.
„Ik heb reeds enige maanden wat liefs,” zo begon hij te vertellen; dit was immers het enige wat hem interesseerde.
Ik gaf hem geen antwoord en liet hem uitspreken.
„Zeer lief, Lantos en zij zingt zo mooi, als een nachtegaal.”
Zijn ogen fonkelden en straalden licht uit.
Waar had ik zo’n mens vroeger ontmoet, ik kende hem.
Hij vervolgde: „Zij heeft mij lief, maar ja!”
Ik begreep wat hij hiermee bedoelde.
Als een vod wierp hij haar straks van zich af en dan zou haar eer, wanneer zij die nog bezat, zijn bezoedeld.
Zijn oude manier van liefhebben.
Je bent een schoft, dacht ik en voelde haat in mij opkomen, die ik echter onderdrukte.
Ik antwoordde: „Waarom vertelt ge mij steeds uw hartsgeheimen?”
„Ge zijt toch mijn vriend, mijn allerbeste vriend, Lantos.”
Dat was zo, maar ik huiverde van zijn leven.
Ook ik had een dergelijk leven geleid, doch ik was reeds grotendeels daarvan genezen.
„Zijt ge bezig?” vroeg hij belangstellend.
„Ja,” antwoordde ik, „en ik ben voor enige maanden niet te spreken.”
„Mag ik het nieuwe product bewonderen?”
„Neen,” zei ik streng, zonder dit te willen, „nog niet.”
„Och,” zei hij, „wat zijt ge kort!”
Ik voelde zijn jaloezie, zijn schoon gelaat vertrok en een wrede trek kwam om zijn lippen.
Ik dacht even achter zijn masker te zien, doch hij herstelde zich en was de gemoedelijkheid zelve.
Daarna nam ik afscheid van hem.
Lang dacht ik na over onze ontmoeting, maar kon Roni niet peilen.
Waar kwam hij eigenlijk vandaan?
De één of andere naar liefde hunkerende ziel raakte in zijn spinnenweb verward en dan was zij verloren.
Wie zich daaraan waagde zou ook alles moeten ondergaan, haar wachtte leed en smart.
In hem schuilde een demonische kracht; hij stond boven al die wezens die zijn voeten kusten.
De adonis speelde met vrouwenzielen en verscheurde harten.
Een duivels spel!
Hij verpletterde ze, hij zoog ze leeg, omdat zij het zelf schenen te willen.
Het was niets dan hartstocht.
Onder haar bevonden zich onschuldigen en met die had ik medelijden.
Ik had er met hem reeds over gesproken, die onschuldigen te sparen, doch hij was voor geen rede vatbaar.
Hij deed wat hij zelf wilde.
Hij was een verleider van de ergste soort en daar was hij trots op.
De laatste maanden voelde ik een hevige afkeer jegens hem groeien en ik moest mij dus van zijn invloed zien te bevrijden.
Dit was echter blijkbaar niet mogelijk en ik begon aan onzichtbare machten te denken, doch verwierp die gedachte, omdat ik te nuchter was.
Ik vond het belachelijk zoiets te veronderstellen.
Zijn wereld was de mijne geweest maar toch zou ik zijn leven niet hebben kunnen leiden.
Ik had een andere mentaliteit, want voor een dergelijk gedrag bleek ik te gevoelig.
Hij was als het ware mijn tegenbeeld; toch hadden wij beiden het leven lief.
Ik zocht naar één, hij zocht niet, maar nam wie het ook was, arm of rijk.
In hem leefde slechts één verlangen, de mens te bezitten, geheel te bezitten, doch alleen stoffelijk.
Mijn gedachten riepen mij tot mijn werk terug en ik spoedde mij naar huis.
Onmiddellijk kwam ik in de gewenste stemming en begon te werken.
Ik voelde mij als verdoofd; het was een heerlijke gewaarwording.
Eerst dan is een kunstenaar gelukkig en doorvoelt hij zijn eigen schepping.
Hoe innig leerde ik Marianne nu kennen!
Zij leefde in mij en ik in haar; wij waren één.
Voor haar zou ik willen sterven; ik voelde het nu duidelijk.
Had ik haar maar bij mij, dan kon ik haar gelukkig maken.
Ik dacht mij diep in haar wezen in en beeldde al haar eigenschappen in het marmer uit, legde ze daarin vast.
Het beeld groeide.
Zeer snel ging het werk en ik bewonderde mij zelf.
Mijn kunnen leek mij thans onbegrensd, thans zou ik het hoogste bereiken.
Enige weken gingen als in een flits voorbij en ik was heerlijk opgeschoten.
Om haar lieve mond lag een zoete glimlach, haar gehele wezen straalde liefde uit.
Zo zou zij op dit ogenblik moeten zijn, wanneer zij nog in leven was.
Ik beeldde haar uit zoals ik haar aanvoelde.
Haar goudblonde krullen hingen op haar schouders in een satijnachtige gloed en zij begon te leven.
De weken waren voor mij dagen, neen uren en ik voelde mij de gelukkigste mens op de wereld.
Was het mijn liefde voor haar, die mij tot deze hoogte opvoerde?
Het kon niet anders, want dit scheppingsproduct was van de hoogste orde.
Ik zat op enige afstand naar haar te kijken.
Stil was het in en om het beeld, wat mij rust gaf.
Zij stond daar als een koninginnetje.
Haar uiterlijk stemde met haar innerlijk overeen, beide waren goed getroffen en ik voelde mij tevreden.
„Waar ben je, Marianne?
Zeg mij toch, waar je op dit ogenblik leeft.”
Weer voelde ik haar glimlachen.
Thans ging ik tot polijsten over.
Een zonnestraal lag over het gehele beeld.
Haar wezen straalde als een zon, zij bezat wat ik in haar had gezocht, het kon niet anders.
Spoedig was ik gereed.
Ik kuste haar op beide wangen, dankte haar inwendig voor deze schone inspiratie en barstte in tranen uit.
Hoe ik er mij ook tegen verzette, de tranen rolden over mijn wangen.
Ik vond mijzelf een kwezel, maar er was iets in mij gekomen, dat niet te loochenen viel.
Ik was droevig, heel droevig gestemd, maar waarom eigenlijk?
Al die tijd was ik de gelukkigste mens op aarde geweest.
Niets hinderde mij, alles ging vanzelf, ik leefde, voelde haar liefde, haar persoonlijkheid en dat schonk mij een groot geluk.
Waarom moest ik dan nu schreien?
Waarom?
vroeg ik mij telkens af, doch ik kwam er niet achter.
Ik werd driftig, want ik was ondankbaar, hetgeen ik in geen geval wilde zijn.
Mijn liefde was echt, daarvoor durfde ik uit te komen.
Lang dacht ik na, toen opeens wist ik het.
Het was mijn hunkering naar die liefde.
Zo-even stroomde zij tot diep in mijn ziel en dat deed mij schreien.
Ach, hoe schoon kon dit leven op aarde zijn, maar het werd een marteling wanneer men werkelijk zuivere liefde koesterde.
„Ach,” riep ik telkens, „waar zijt ge Marianne, waar leeft ge?”
Als ik durfde te bidden zou ik God smeken, mij de plaats aan te wijzen waar zij leefde, maar ik geloofde niet aan wonderen.
Het beeld was gereed; velen zouden mij benijden.
Mijn vriend Roni wondde ik daarmee vast tot bloedens toe.
Wat hij in de liefde bereikte, bereikte ik in de kunst.
Dit was mij liever dan zijn vervloekt leven.
Vervloekt?
Was ook ik niet vervloekt in mijn jeugd?
Lag op mijn leven geen vloek?
Mijn ouders hadden mij vervloekt en ik hen.
Hun woorden hoorde ik nog duidelijk, nog striemden ze mijn ziel.
Ik moest daar niet meer aan denken; dat was voorbij.
Nu stond ik voor mijn Marianne, mijn reinste inspiratie.
Ik zou dit kunstproduct aan allen laten zien, doch eerst wilde ik wat uitrusten, want het werk had mij geweldig aangepakt.
Het had al mijn levenskrachten opgeslurpt, maar ik had die er gaarne voor over.
Voor haar zou ik alles willen doen.
Ik voelde mij werkelijk moe, maar wat verstrooiing zou mij goed doen en ik begaf mij naar de plaats, waar kunstenaars bijeen kwamen.
Onderweg bleef ik plotseling staan en snakte naar adem.
Voor mij stond Roni, wie mijn houding opviel.
Vervloekt, dacht ik, steeds moet ik hem ontmoeten.
Zou dit iets betekenen?
„Zijt ge van mij geschrokken, Lantos?” begon hij het gesprek.
„Ge ziet zo bleek.
Te hard gewerkt?
Waar zijt ge de laatste tijd geweest, hebt ge altijd maar gewerkt?”
Ik zag hem aan; zijn gelaat was als een grijnzend masker.
Enige seconden peilden wij elkander, hij voelde mij en ik hem, beiden wisten wij op dit ogenblik dat we vijanden waren en ik zei, om hem te treffen: „Mijn nieuwe werk is gereed.”
Nu was het mijn beurt om te vragen „Zijt ge niet goed?
Ge wordt plotseling zo bleek, scheelt er iets aan?
Is uw geluk in de liefde voorbij?”
Ik bleef hem aankijken en doorvoelde hem duidelijk.
Hij gunde mij mijn kunst niet.
Hoe haatte ik hem.
Schurk, dacht ik.
Hij bleef echter allervriendelijkst en was hoffelijk in alles.
„Waarheen voert uw weg, Lantos?”
„Ik zoek wat verstrooiing,” zei ik eerlijk, „ik ben wat moe.”
Ik voelde dat ik tot mijzelf kwam en door zijn hoffelijkheid verminderde mijn haat.
Een merkwaardig mens was hij.
Tezamen liepen wij verder.
„Hoe vindt ge uw werk zelf?” vroeg hij belangstellend.
Ik zei: „Nog nooit heb ik zoiets schoons bereikt.”
„Zo, zo, ge maakt mij nieuwsgierig.
Mag ik het bewonderen?”
„Neen, nog niet,” antwoordde ik koel.
Ik zag hem daarbij aan, maar zijn strak gelaat verborg zijn innerlijke gevoelens.
„Welke betekenis heeft dit werk?” vroeg hij opnieuw.
Ik schrok, maar wist mij te beheersen, hij zou mijn heiligste gevoelens niet delen.
Ik ontweek zijn vraag door te zeggen: „Straks, later.”
„Ik ben gevorderd, Lantos.”
„Gevorderd, zegt ge?”
„Ja, in mijn nieuwe liefde.”
„Wel, wel,” zei ik, maar dacht aan mijn eigen dingen.
Gevorderd?
Hoe gevorderd?
Waarin?
In de liefde gevorderd?
Was het hem dan niet te doen om te vernietigen?
„Het spel is gespeeld,” zei hij, „ik ben winnaar.”
„Winnaar, zegt ge?”
„Zij, waarvan ik u vertelde, weet ge nog, ligt aan mijn voeten.
Verrukkelijk, Lantos, een schoonheid, doch een dom wezen.
Heel dom, ze lijkt mij een gewezen boerin.”
„Belachelijk!”
„Maar zij zingt heerlijk en is een mooie verschijning, doch ik zie haar verleden.”
„Verleden?” vroeg ik.
„Nu ja, ik peilde haar zo’n beetje.
Zij zal van haar geluk dromen.
Zij verwacht mij, gaat ge mee, ge zoekt immers verstrooiing?”
„Neen,” zei ik, „ga uw gang.”
Wij namen afscheid, maar ik was zeer verstrooid.
Waarom was ik zo geschrokken, mijn hart klopte in mijn keel toen ik hem zag.
Waarom?
Weer was het mij duidelijk, dat ik hem eerder in mijn leven had ontmoet.
Hoe kende ik die schurk?
Of verbeeldde ik mij maar wat; hij was toch hoffelijk?
Wellicht was ik wat overspannen.
Wat gingen mij zijn liefdesaffaires aan.
Maar was ik anders?
Wanneer ik op deze wijze verder ging, hield ik geen vriend over.
Ik was nukkig, ontevreden en onhebbelijk en zou anders tegenover hem moeten zijn.
Wat verbeeldde ik mij eigenlijk?
Ik had er reeds spijt van, dat ik hem zo nors had behandeld.
Men noemde mij reeds een zonderling en dat wilde ik niet zijn.
Ik was zoals iedereen.
Of was ik toch anders?
Ik trachtte mijzelf beter te leren kennen; dit was hoognodig.
Maar na enige tijd verloor ik mij in mijzelf en moest er hartelijk om lachen.
Ik had thans de leeftijd van achtendertig jaren bereikt, had mij tot grote hoogte opgewerkt en kon tevreden zijn.
Straks zou ik nieuwe triomfen vieren met mijn jongste schepping, mijn Marianne.
Mijn Marianne?
Vreemd, dat ik daar nu eerst aan dacht.
Ik sprak steeds van mijn kind, mijn Marianne.
Zou zij mij liefhebben zoals ik haar liefhad?
Dat moest ik toch maar afwachten.
In ieder geval waren wij vrienden en reeds dat stemde mij gelukkig.
Nu zou ik eerst wat uitrusten, want hoewel ik naar mijn vrienden wilde, was ik toch, zonder het te weten, naar huis teruggekeerd.
Dat was vreemd, maar het kwam zeker omdat ik zo verstrooid was.
Dit werk had mij volmaakt afgemat en uitgeput.
Het kon niet anders, het beeld was een kunstwerk.
De arbeid was emotioneel geweest en nog, wanneer ik er maar even naar keek, drongen die krachten in mij door.
Nogmaals drong ik er bij mijn bediende op aan, niemand, wie ook, in mijn heiligdom binnen te laten.
Over Marianne had ik een kleed gehangen.
Ik zag hoe iedere vouw van dit kleed zich had ontplooid.
Het geheel nam ik in mij op, want ik vertrouwde mijn bediende nog steeds niet volkomen.
Ik vond mijzelf een afschuwelijk meester, maar kon er nu eenmaal niets aan veranderen.
Ik voelde mij gejaagd en onrustig en kon mijn gedachten niet op één punt concentreren.
Zeer zeker had ik wat rust nodig.
Toch maakte ik nog een wandeling, maar mijn gedachten keerden naar Roni terug.
Zijn gedweep hinderde mij, ik vond hem een bluffer.
Vroeg of laat zou ook mijn geluk komen.
Ik zou erop wachten, want het te willen zoeken zou waanzin zijn.
Hoelang had ik er al niet naar gezocht, maar zulke waren er niet, die de echte zuivere liefde droegen, die waarachtig lief konden hebben.
Wierp Roni zich in dit leven om inspiratie te krijgen?
Velen bedronken zich eerst, voordat zij iets tot stand konden brengen.
Toch leefden hun figuren en vond men ze prachtig.
Een mooie wereld was het!
Van de vele inspiraties, die ik had gekregen, was de laatste de schoonste.
Wat was eigenlijk inspiratie?
Was het bewuste verbinding met iets hogers?
Ik voelde dat ik niet kon denken.
Hoe had het mij aangepakt.
Koortsig voelde ik mij, mijn hoofd gloeide.
De stilte van de natuur zou mij goed doen.
Was ik ziek, of was er een ziekte op komst?
In een schone omgeving, omringd door bloemen en cipressen, zette ik mij neer.
Het was hier als een paradijs, alleen de mens stoorde.
Ik voelde, dat ook ik stoorde.
Vogels zongen hun lied, hun gekweel deed mij goed.
Overal zag ik jong leven.
Dit alles was Gods schepping; ook wij mensen.
Waarom leefden wij eigenlijk op deze aarde?
Waarom waren wij hier?
Hoe gaarne zou ik dat willen weten en de mens kennen.
Hoe diep was de mens?
Wie kende hem?
Waar kwam hij vandaan?
Was er een voortbestaan?
Een leven na dit leven?
Of nam met de dood het leven een einde.
Wat had het dan voor nut, hier te zijn?
De één verscheurde de ander.
Ik zag alleen leed.
Was er een eeuwig voortgaan?
Wanneer dat zo was, had ik veel goed te maken.
Het stond in de Bijbel, de geestelijken spraken erover, maar niemand wist het zeker.
Toch hield het mij steeds bezig.
Voortdurend liep ik met deze gedachten rond.
Waarom?
vroeg ik steeds.
Was ik te bewust?
Beleefde ik het leven te innig?
Was ik niet tevreden?
Ik zocht naar iets.
Was het huiselijk geluk?
Naar vrouw en kinderen en een gelukkig leven?
Was dit voor mij niet weggelegd?
God was toch een Vader van Liefde?
Waarom gaf hij Zijn kinderen dan geen geluk?
Het was toch merkwaardig, zelfs nu voelde ik mij niet tevreden, hoewel ik roem en alles bezat, waarnaar ik in mijn jeugd verlangde.
Er was iets, dat mij het gewenste geluk ontnam.
Ik zag als in een diepe kuil en zou nooit achter het geheim komen.
Was het dezelfde kracht, die mij reeds als kind onhandelbaar had gemaakt?
Ik was immers niet te temmen, „iets” dreef mij van huis.
Nu zocht en voelde ik het duidelijk, het waren dezelfde gevoelens.
Was dan die kracht mijn noodlot?
Was ik van de duivel bezeten?
Of waren het natuurkrachten, wetten, waaraan ik niet ontkomen kon?
Als ik dit aanvaardde, voelde ik mij alsof ik niet had geleefd, alsof er een kracht was, die mij bestuurde en waarnaar ik moest handelen.
Kon dat?
Waren er krachten, die mij onhandelbaar maakten?
In hoever was de mens zichzelf?
Had hij een eigen wil?
Of hadden wij niets te willen?
Leefden wij onbewust, in niets bewust?
Hoever strekte het menselijk bewustzijn zich uit?
Waren wij hier om bewust te worden?
Beleefden alle mensen deze dingen?
Ik hoorde Roni en vele anderen nooit vragen stellen, ze leefden slechts en waren gelukkig.
Zou ik dat nog eens beleven?
Of kwam het, doordat ik droomde en anders was dan zij?
Leefden er op aarde die bewust waren?
Als dat niet zo was, hoever zijn wij er dan van verwijderd?
Waar is het begin en waar het einde?
Zo had ik kunnen doorgaan en duizend vragen stellen, maar niet één werd beantwoord.
Een dichte sluier bedekte alles en ook mijn eigen leven.
Ik stond voor een mysterie.
Ik vond mijzelf een probleem, omdat ik mij niet doorgrondde.
Zou ik mijzelf eens leren kennen?
In niets was ik nog bewust, in alles en alles onbewust.
Altijd was daar dat geheimzinnige, die onbekende kracht, die mijn leven bestuurde.
Ik zou gek worden wanneer ik nog langer doorging.
Houd op, Lantos, houd op, je vraagt te veel.
Leef je leven zoals Roni en anderen en je zult gelukkig zijn!
Ik zag omhoog.
Daarboven, achter dat strakke paarsblauwe kleed van het uitspansel, lag het geheim.
Daar leefde God en daar was Zijn hemel.
Daar zouden wij eens komen, eens, om te worden berecht.
Ik zou heel veel straf ontvangen, zou branden en verdoemd worden, want ik had niet als een heilige geleefd; integendeel, er vrolijk op los geleefd.
Dat was blijkbaar de bedoeling niet.
Men moest bidden, veel bidden en dat deed ik in het geheel niet.
Ook aan de armen had ik niets gegeven, ik leefde alleen voor mijzelf.
Dat waren allemaal zonden en daarvoor zou ik moeten boeten wanneer ik aan die kant leefde, als dat tenminste waarheid was, want dat moest ik nog afwachten.
Niemand wist het.
Ik stond als een heiden aangeschreven, als een ongelovige en dat was verschrikkelijk.
Als ik verder leefde, zou mijn lichaam dat eeuwige vuur moeten doorstaan.
Voor die paar zonden die ik had misdreven.
Het was afschuwelijk.
Men noemde Hem een God van Liefde, maar was dat liefde om Zijn kinderen te verdoemen?
Ik rilde van die God, Die de geestelijken kenden en van wie de Bijbel sprak.
Begon ik gelovig te worden?
Ik begon tenminste over godsdienst te denken.
Ik droomde niet meer, maar analyseerde.
In mij veranderde er iets, iedere dag, maar tot stellig weten kwam ik niet.
Moest ik op deze wijze door te denken, bewust worden?
Steeds vroeg ik mij dit af.
Daarachter, dáár lag het, dáár leefde het, dáár was God.
Wat een uitgestrektheid!
O, die ontzaglijke ruimte; ik voelde mij klein worden.
Hij, de Schepper van al dit leven, van hemel en aarde, had zich in een waas gehuld.
Hij bleef onzichtbaar voor iedereen.
En de mensen wilden Hem zo heel gaarne kennen, ook ik.
Alles daarboven leek mij onbegrensd, geen einde zag ik.
Daarachter klopte het hart van God voor al Zijn kinderen.
Ik hoorde het echter niet kloppen, hoe ik mij ook inspande te luisteren.
Deugde mijn gehoor niet voor Zijn machtig geluid?
Of stelde ik mij verkeerd in?
Moest ik mij instellen zoals ik mijn kunst beleefde?
Veel mensen vroegen zoals ik: waarom en waarvoor dit leven, waartoe die onrechtvaardigheid, al dat verschrikkelijke op deze aarde?
Mensen baden tot Hem en kregen geen antwoord.
Mensen riepen en schreeuwden om hulp en kregen geen gehoor.
Ze leefden in smart, leed en ellende, honger en koude en vroegen om daarvan verlost te mogen worden, maar het gebeurde niet.
Ook zij, die iedere dag naar de kerk gingen, baden onafgebroken, ook hun gebeden werden niet verhoord en ook zij vroegen waarom en waarvoor.
Er kwam geen einde aan al hun leed.
Geen God van liefde greep in en riep de heersers een halt toe, Hij liet hen doorgaan mensenlevens te vernietigen.
Toch was Hij een God van Liefde.
Onbegrijpelijk, Hem als een God van Liefde en rechtvaardigheid te erkennen.
Op geen enkele vraag vernam men een krachtig ja of neen.
Alles bleef in dat onzichtbare waas gehuld en men kwam er niet achter.
Was dit het onbewuste leven?
Was God een onbewust iets?
Zag ik het verkeerd?
Was ik in opstand?
Voelden niet alle mensen zoals ik?
Zochten zij niet naar het ware en waarachtige leven?
Of was ik een uitzondering?
Zou de mens uit deze chaos zijn weg moeten vinden?
Men moest geloven, zei men, dan kwam men tot de waarheid.
Ik tuurde en tuurde lang omhoog, doch ik vond God niet.
Het bleef daarboven strak, geheimzinnig en onvoelbaar.
Mij grijnsde de diepte van het heelal tegen, welke voor geen mens te doorzien was.
Het bleef blauw.
Alleen in de nacht was er het leven van de sterren te zien.
Maar ook daar begrepen de geleerden niet veel van.
Lag daarin het geheim van de gehele schepping?
Geleerde had ik moeten worden, want de wetenschap interesseerde mij sterk.
Duizenden jaren zocht de mens, vroeg men „waarom en waarvoor”.
Hoelang zou men nog moeten vragen?
Wanneer zou het ogenblik komen, dat God sprak: „Zie, Ik leef.
Voel, dat Ik u allen liefheb, dat Ik alles leid en bestuur, wat gij niet begrijpt, noch omvatten kunt.”
Ik zou het niet meer beleven, daarvoor was mijn leven te kort.
Wellicht was ik morgen reeds dood en dan zou al dat vragen en smeken om waarheid voorbij zijn.
De mens had een ontzaglijke macht en toch was hij een wezen van een ogenblik.
Die men gisteren ontmoette, was er vandaag niet meer, want de dood had hem geroepen.
Hij was in de hemel of zou eeuwig branden in de hel.
Dood, ja, wat was eigenlijk dood?
Een woord met een afschuwelijke klank.
Ik begreep de dood niet, evenmin de andere problemen.
Drie problemen had ik: de dood, God en mijn eigen leven.
God was voor mij het grootste raadsel.
Hij schiep iets machtigs en liet het sterven.
Wanneer ik iets schoons tot stand had gebracht, bewonderde ik het urenlang en kon er nooit genoeg van krijgen, steeds moest ik het bewonderen.
Wat was echter mijn schepping in vergelijking met die van Hem?
Immers niets.
Hoe verbazingwekkend is zijn schepping, de mens, het dier en al het andere leven.
Doch het schoonste van al het geschapene is de mens.
Maar die ging dood en zou vergaan tot stof, tot niets.
Maar waarom had Hij dan de mens geschapen?
Ik kon zien, ik kon horen en voelen en ik kon gaan waarheen ik wilde.
Alles aan de mens was volmaakt en toch moest hij eenmaal sterven.
Nog erger, daarna zou hij moeten branden!
Voor de kleine zonden, die de mens bedreef, moest hij ook nog boeten.
Ik leed eronder en vond het vonnis te hard.
Kon dit leven dan een doel hebben?
Voor mij was dit alles een marteling, een ondoordringbaar iets.
Hoe zou ik Gods woord kunnen aanvaarden, nu ik dit zo in mij voelde?
Te geloven en niet begrijpen, alles voetstoots aanvaarden, dat bleek mij onmogelijk.
Roni was als een adonis, zijn lichaam was aantrekkelijk, toch zou ook hij eens sterven.
Het speet mij voor hem, toch gunde ik hem het leven niet.
In zijn dood zag en voelde ik rechtvaardigheid.
Nog enige jaren en dan was ook zijn schoonheid voorbij.
Hij benijdde mij mijn kunst en succes.
Hoe kon God zo’n karakter in hem leggen?
Een volmaakt lichaam en toch een beest.
Want een beest was hij ontegenzeggelijk.
Elke vrouw, die met hem in aanraking kwam, was onherroepelijk verloren.
Hij zoog haar leeg en smeet haar dan van zich af.
Was dat Gods wil?
Waarom gaf Hij dat dier zulk een macht om te vernielen en te breken?
Wanneer ook hij niet zou sterven, wellicht was ik dan in staat hem te doden.
Dan was er geen leed en geen smart en werden er geen onschuldige harten meer gebroken.
Maar ook hij zou sterven, dat stond vast.
Zie, daarvoor alleen reeds kon ik God weer dankbaar zijn.
Alleen in dat éne was God volmaakt en rechtvaardig.
Niemand, geen mens of dier kon in leven blijven, het leven behouden.
Alles ging dood en moest vergaan.
Niet alleen had God Roni zijn schoonheid gegeven, maar ook nog prachtige gaven, die hij verknoeide.
Niets kwam er van zijn kunst terecht, hij leefde zich uit en bracht niets dan ellende.
Zó was mijn vriend Roni en toch was hij een begenadigd mensenkind.
Is God niet onbegrijpelijk?
Wie zou Hem kunnen begrijpen?
Druiste zoiets niet tegen alles in?
Zo’n diermens als Roni was, liet men zijn gang gaan, hij kon maken en breken wat hij wilde.
Welk een verschrikkelijke onrechtvaardigheid!
Anderen zouden iets schoons tot stand kunnen brengen, wanneer een dergelijk kunstgevoel in hen lag.
Velen hunkerden ernaar en toch ontvingen zij niets van die heerlijke eigenschappen.
Ook dit was voor mij een raadsel.
In mijn jeugd reeds kwamen zulke gedachten in mij op en vroeg ik mij af, waarom de één zoveel aards geluk kreeg en de ander honger en ellende moest lijden.
Nog meer vragen voelde ik in mij komen, maar het was nu eenmaal onbegonnen werk nog langer vragen te stellen.
Ik voelde mij nu wat rustiger en niet meer zo gejaagd.
Dit nadenken in de vrije natuur had mij rust geschonken.
Dat filosoferen was goed voor mij, het bracht mij in een betere stemming.
Het was reeds laat in de namiddag, voor ik naar huis terugkeerde.
Ik wilde met een nieuw beeld beginnen en zou Marianne straks tentoonstellen.
Wat zou ik thans uitbeelden?
Iets wat mij tot de hoogste inspiratie zou voeren.
Uit mijn diepste innerlijk kwamen gedachten in mij op, waarvan ik huiverde.
Zoiets scheen mij ondenkbaar.
Hoe zou ik Hem moeten uitbeelden?
Ik kende Hem niet, voelde Hem niet en begreep niets van Hem.
En ik moest Hem voelen, geheel kunnen doorvoelen, wilde ik er iets van terecht brengen.
Maar in mij lag ook nog de gedachte aan de dood, die verschrikking, die een mens het leven afsneed en ook hem wilde ik uitbeelden.
De dood, die gedachte kwam in mij op, zou een prachtig stuk worden, een scheppingsproduct van de hoogste orde.
Maar ik voelde nog een ander plan opkomen en dat scheen mij nog meer aan te trekken.
Ik zou een adonis maken en hem laten sterven.
Roni zou dit moeten voorstellen, in hem lag het leven en de dood.
Hoe zou ik deze beide kunnen verbinden?
Lang dacht ik na om het geheel te doorvoelen.
Hoe schoon waren deze gedachten; ik vond mijzelf een genie in het denken.
De dood en Roni, en God als Schepper van deze groep.
Hoe diep gedacht was het geheel.
De mensen zouden in aanbidding neerknielen, wanneer het mij zou gelukken het werk tot stand te brengen.
Ik voelde de betekenis reeds van dit beeld.
Voor mij was het God, het leven en de dood.
Het kon niet mooier, niet dieper, niet volmaakter zijn.
Ik keerde terug naar de plaats waar ik vandaan kwam, om verder na te denken.
De natuur moest mij helpen, anders kwam ik er niet.
Ik moest het doorvoelen, geheel in mij voelen, eerst dan kon ik het beleven.
Als ik eenmaal zo ver was, was ik gereed en kon ik met uitbeelden beginnen.
Iedereen zou uit deze voorstelling hem herkennen, mijn vriend, die ik haatte.
Al mijn haat zou ik erin leggen.
Zijn leven zou ik bespotten, hem tonen, dat hij ten dode stond opgeschreven.
Ik was verheugd en voelde mij gelukkig, dat die gedachten in mij waren opgekomen.
Zou ooit een kunstenaar eraan hebben gedacht?
Waar kwamen deze gedachten vandaan?
Waren het wel de mijne?
Ze waren angstig diep, haast niet voor een mens te vatten.
Toch moest het mogelijk zijn, dit te voltooien.
Nog was het een onbewuste gedachte, maar zij zou zeker bewust worden.
Nu werd ook dit mij duidelijk, want ik begon nu van het onbewuste en het bewuste iets te voelen.
Wanneer ik dit beeld doordacht, was ik mij ervan bewust het te kunnen scheppen.
Was dit het juiste begrip, het ware bewustzijn, of was dat niet het geval?
Nu begon ik weer opnieuw.
Maar ik zou bij dat éne moeten blijven, niet aan andere dingen denken, alleen dit grote in mij laten komen, om het tot bewustzijn te brengen.
Ik voelde mij gelukkig, in mij was een nieuwe kracht ontwaakt.
Beleefden al mijn kunstbroeders hun scheppingsproducten zoals ik?
Ik zou er enigen naar vragen, die nog sympathie voor mij gevoelden.
Wellicht konden zij mij nieuwe indrukken geven.
Van mijn plan zou ik hun echter niets zeggen, dat bleef mijn geheim.
Ik stond op en spoedde mij naar hen toe, misschien zou ik hen nog ontmoeten.
Rust zou ik toch niet hebben, ik moest aanstonds handelen.
Tegelijkertijd zou ik mijn vriend Roni trachten te doorgronden, want dit was nodig, omdat ik hem geheel zou moeten kennen.
Ik zou lange wandelingen met hem maken, hem in mijn atelier toch binnen laten, zodat mijn vriendschap hechter zou schijnen.
Ik moest hem meer zien, meer ontmoeten, of mijn schepping zou niet volmaakt worden.
En deze zou de kroon op mijn werk zetten.
Mijn idee was heerlijk, ongelofelijk schoon en diepzinnig.
Ik wilde hem zien, ik wilde heel lang naar hem kijken.
Wanneer hij dit voelde, zou ik zeggen, dat ik aan een nieuw werk was begonnen en dat het gelijkenis met hem zou vertonen.
Hij zou mij vreemd vinden, maar men hield mij immers toch voor een dromer?
Nu vond ik dat prettig en maakte daar gebruik van.
Ik had de hoop ook vele anderen te ontmoeten.
Van allen zou ik de gevoelens peilen als dit tenminste mogelijk was.
Eerst nu begon ik belang in mijn vrienden te stellen en naar hun innerlijk te zoeken.
Toen ik binnentrad, zag ik dat hij aanwezig was.
Zou hij beschonken zijn?
Hij trad op mij toe en schudde mij hartelijk de hand en zei: „Mijn Lantos, beste vriend, eindelijk weer eens tezamen.
De dagen duren mij te lang!”
Ik was verwonderd, in de morgen had ik hem nog ontmoet.
Zo was het steeds met hem, drinken en pret maken, van werken kwam de laatste tijd niets terecht.
Welk een tegenstelling: zijn prachtige lichaam en zijn afschuwelijke karakter.
Ik begon zijn gevoelens te peilen en zag hem doordringend aan.
„Ik ga haar uitbeelden, Lantos, van mijn geliefde zal ik iets moois maken,” sprak hij.
Ik moest mij inspannen om niet in lachen uit te barsten.
Hij zou iets moois maken, nu dan was hij verliefd en zijn macht gebroken.
Wij zetten ons samen in een nis neer.
Roni was zeer luidruchtig en ik vermaande hem wat rustiger te zijn.
„Zoals ge wenst, Lantos, ik zal mij beheersen.”
Zijn hoffelijkheid vergat hij nooit, al had de wijn zijn gevoel verduisterd en zijn hoofd op hol gebracht.
„Een prachtmiddag, Lantos, jammer dat gij niet meeging.”
Hij scheen zich onze ontmoeting te herinneren en zei: „Mogen wij tezamen tot u komen?
Ge zult een schoon paar zien en grote ogen opzetten.”
Het kon niet mooier en ik tastte gretig toe.
„Morgen kunt gij tot mij komen,” zei ik.
„Als ge wilt breng haar dan mee, ik wil haar gaarne ontmoeten.”
Hij greep mijn beide handen en drukte ze hartelijk.
„Ik dacht wel dat gij zoudt toestemmen.
Gij zijt mijn vriend, Lantos en zult het blijven, nietwaar?”
Ik gaf geen antwoord en hij vervolgde: „Hoe laat kunt gij ons ontvangen?”
„Om één uur in de middag,” zei ik; het was mij onverschillig.
„Ik moet u wat meedelen, Lantos.”
„Ik luister,” zei ik, nieuwsgierig wat hij mij te vertellen zou hebben.
Natuurlijk weer over zijn leven en zijn jongste verovering.
„Ik ben te ver gegaan, Lantos, er moet iets geschieden, wat mij zeer onaangenaam is.”
Onmiddellijk begreep ik wat hij bedoelde.
Schoft, dacht ik, ook dat nog.
„Denkt ge haar te trouwen?”
Hij schaterde het uit, als een duivels gelach klonk het in mijn oren.
„Hoe komt gij erbij, Lantos.
Mijn vrijheid, beste vriend, is me te lief.
Wat raadt gij mij aan te doen?”
„Dat weet ik niet, daar kan ik u geen antwoord op geven.”
„Zij is het waard, Lantos, ze is schoon.”
„Waarom trouwt gij haar dan niet?”
„Zoals ik u zei is mijn vrijheid mij zo lief.
Maar zeg me wat ik moet beginnen?
Ik kan mij niet losmaken, waar ik ook ben zij vindt mij en vraagt wat te moeten doen.
Zij is sterker dan ik, zij laat niet met zich sollen, Lantos.
Ik heb nu eens misgerekend, want een dergelijk wezen heb ik nog niet ontmoet.
Geloof mij, wanneer ik u zeg, dat ik mij graag wil bevrijden, haar van mij zou afschudden, maar het is mij niet mogelijk.
Ik ken haar beter dan ik mijzelf ken.
Kom zeg mij, geef mij raad, wat moet ik doen?”
„Gij wilt haar beeld maken?” vroeg ik.
„Iets dergelijks, doch ik weet niet of het mij zal gelukken.
Ik moet iets doen, maar wat?
Dit is maar een middel, ziet ge, om mijzelf tijd te gunnen tot nadenken.
Maar mijn vrijheid, mijn zo geliefde vrijheid, Lantos!”
Vals dier, dacht ik, hoe gemeen zijt ge.
Al mijn goede voornemens werden gesmoord door zijn duivelse gedachten.
Onverwachts zei hij: „Dat is waar ook, ik moet gaan.
Och, dat ik daaraan niet heb gedacht.
Ik moet gaan, Lantos, tot morgen, nietwaar?”
Hij stak mij zijn hand toe en ging heen.
Een vreemd mens.
Zo-even beschonken, nu was hij ineens nuchter.
Hoe kon dat?
Waardoor zo ineens die verandering?
Was zijn doen en laten gemaakt, slechts spel?
Liet ik mij bedriegen?
Speelde hij met mij een spel?
Welneen, ik zocht het weer te ver, moest hem geloven en hem wat meer vertrouwen schenken.
De uren gingen voorbij en nog zat ik op dezelfde plaats na te denken.
Eindelijk stond ik op en ging heen.
Mijn kunstbroeders had ik niet gepeild, niets kunnen vragen, zij die er waren moesten eerst ontwaken.
In hen lag niet dat gevoel, zij waren leeg en onbewust.
Was „ik” dan bewust?
Steeds in alles dat bewuste en onbewuste leven.
Ik was diep getroffen door alles wat hij mij verteld had.
Arm mensenkind dat dit leed trof.
Eerst noemde hij haar een boerin, dan weer een schoonheid, en nu dat.
Wanneer zij een andere persoonlijkheid was dan hij, interesseerde het mij dat wezen te ontmoeten en te leren kennen.
Voor mij was het een onmogelijkheid door Roni’s masker heen te zien en zou zij dit kunnen?
Maar vrouwen waren anders dan mannen, zagen scherper en voelden dieper, wanneer het om alles en alles ging.
Ik was zeer nieuwsgierig haar niet alleen te zien, doch ook haar te leren kennen.
Wellicht hielp mij dat voor mijn nieuwe werk.
Misschien was zij een wonder, met andere krachten begaafd dan die ik kende en bezat.
Was zij in alles zijn meerdere?
Het was haast niet mogelijk.
Zij zou dan een duivelin moeten zijn.
Ook in hem zag ik een duivel in mensengedaante.
Een prachtig paar!
Een duivel en een duivelin te ontmoeten was vermakelijk, maar het was tevens griezelig een dergelijk span te leren kennen.
Ik verlangde reeds naar morgen.
Jammer dat ik hen voor deze avond of nacht niet had gevraagd, doch dit was niet meer mogelijk.
Dus moest ik tot morgen wachten en niet ongeduldig zijn.