Aarde

de derde kosmische levensgraad

Terwijl de aarde haar zeven tijdperken doorloopt, geeft zij aan alle zielen de mogelijkheid om de derde fase in hun kosmische evolutie te beleven.
Gebaseerd op de boeken van Jozef Rulof.

Derde kosmische levensgraad

Volgens de schrijvers van de boeken van Jozef Rulof, de meesters, is het leven op aarde het verst ontwikkeld van al het leven in ons heelal.
Op geen enkele planeet in onze kosmos is er leven dat bewuster is, we hoeven geen ruimtevaartuigen van buitenaardsen te verwachten.
De meesters noemen de aarde de moederplaneet van de derde kosmische levensgraad.
Hiermee duiden ze op zielsniveau de plaats aan die de planeet inneemt in de kosmische evolutie van onze ziel.
In het artikel ‘kosmische levensgraden’ wordt toegelicht dat onze ziel al veel reïncarnaties had beleefd op verschillende planeten van de twee eerdere kosmische levensgraden voordat we klaar waren om de aardse evolutie aan te vangen.

Het begin van de aarde

Toen de eerste menselijke zielen heel lang geleden bij de aarde aankwamen, was deze planeet nog niet verdicht, het was nog een geestelijke bol.
Het artikel ‘kosmische splitsing’ licht toe hoe de geestelijke substantie van deze bol ontstaan is.
De eerste zielen gebruikten deze geestelijke energie om hun eerste cellichaampje te vormen.
Dit was de eerste levensvorm op aarde.
Het artikel ‘stoffelijke levensgraden’ licht toe hoe de ziel haar lichaam heeft opgebouwd van cel tot oermens door miljoenen reïncarnaties.

De ijstijden en verhittingstijden

Dat de ziel bij het ontstaan van de aarde begonnen is om haar stoffelijke levensgraden op te bouwen, is voor de huidige wetenschap nog niet bekend.
De meesters stelden geestelijk-wetenschappelijk vast dat de oermensen de eerste tijdperken van de aarde overleefd hebben door rond te trekken.
Wanneer er in een bepaalde streek een ijstijd of verhittingstijd heerste, trok de oermens naar andere streken waar het leefbaar bleef, want niet heel de aarde beleefde dezelfde fase in dezelfde tijd.
Wel hebben uiteindelijk alle streken de ijstijden en de verhittingstijden gekend, want die waren noodzakelijk voor de verdichting en de verharding van de aarde.
Ook vulkaanuitbarstingen en aardbevingen zijn uitingen van het leven en de evolutie van de aarde.
De vuurspuwende bergen zijn hierbij de ademhalingsorganen van Moeder Aarde.
In de huidige tijd worden de ijstijden en de verhittingstijden op kleinere schaal vertegenwoordigd door winter en zomer.
De seizoenen geven aan de natuur evolutie door de afwisseling van de basiskrachten van het leven, die uitdijing en verdichting genoemd kunnen worden.
In het begin der tijden zorgden deze basiskrachten voor het ontstaan van ons heelal, zoals toegelicht wordt in het artikel ‘onze basiskrachten’.

De evolutiestappen van de aarde

De meesters onderscheiden zeven tijdperken voor de aarde, waarbij elk volgende tijdperk een hogere ontwikkeling geeft voor de stoffelijke levensgraden en de geestelijke ontwikkeling van al het leven.
Elk volgend tijdperk vraagt een ruimere tijd, omdat er meer bewustzijn komt.
De meesters zien dit principe weerspiegeld in hun eigen innerlijke evolutie.
Hoe hoger ze komen in de lichtsferen van het hiernamaals, hoe meer tijd ze nodig hebben om zich het bewustzijn en de harmonie van die hogere graad eigen te maken, omdat ze meer voelen en bewuster met al het leven verbonden raken.
Bovendien stijgt ook het bewustzijn om in harmonie met al het leven te blijven, en het vraagt de nodige tijd om zich bewust die harmonie eigen te maken.

Het onbekende verleden

In het eerste tijdperk van de aarde zijn er ontwikkelingsfasen geweest waarvan de huidige wetenschap het bestaan nog niet kent, omdat er geen sporen van overgebleven zijn.
Zo was er een fase dat de natuur uit waterdamp bestond.
Er waren planten die zo groot waren als een huidig groot gebouw, maar die wij nu met een krachtige uitademing van ons huidige lichaam omver zouden kunnen blazen, omdat de plant alleen uit damp bestond.
Nadat de materie meer verdicht werd, kwam er een fase dat de natuur een grote modderpoel was.
Zelfs toen daarna al het leven grof van vorm en gestalte was geworden, waren er nog alleen maar grauwe kleuren in de natuur, omdat het zonlicht nog niet de huidige kracht bezat.
Toen het leven de stoffelijke materie voldoende verdicht had, vormde het ontzaglijk grote lichamen voor mens en dier.
In die tijd werd de basiskracht ‘uitdijing’ maximaal beleefd.
Het leven herhaalde hier de fase die het ook op de tweede kosmische levensgraad bereikt had, maar op aarde kon de materie meer verdicht worden, omdat de zon krachtiger werd.
Niet alleen de dieren kregen een reusachtig groot lichaam, ook de mensen waren reuzen in vergelijking met de huidige tijd.
Uit die tijd is er echter geen menselijk skelet overgebleven, in de loop der tijden is al dit organisch materiaal onder de grond gekomen en verdicht tot steenkool.

Harmonie tussen mens en dier

In die tijd leefden mens en dier nog harmonisch samen.
Het artikel ‘de vergissing van Darwin’ licht toe waar het oorspronkelijke gevoel van het dier vandaan komt.
Het dier voelde in de mens zijn schepper, en het beleefde de mens als vader en moeder.
De reuzendieren legden zich bij de mens neer en likten zijn handen.
Het artikel ‘harmonie’ licht toe hoe mens en dier van nature harmonisch zijn.
De ziel van mens en dier had die aangeboren harmonie verstoffelijkt in een oerkrachtig lichaam waarvan al de organen op dat moment harmonisch samenwerkten.
Maar de menselijke ziel was zich als persoonlijkheid nog niet bewust van die harmonie.
Toen de persoonlijkheid bewust werd van zichzelf en het andere leven, ging de mens over tot disharmonisch handelen.
Hij werd zich bewust van de ruimte, en wilde die ruimte voor zich alleen, hij begon het andere leven van zich af te duwen.
De persoonlijkheid werd zich bewust van het begrip ‘bezit’, en van de mogelijkheden van zijn eigen lichamelijke kracht om zich meer bezit en voedsel te verschaffen.
Toen begon de mens het dier af te slachten.
Dat dier was zich eerst niet bewust van wat er gebeurde, en onderging lijdzaam de afslachting.
Maar wanneer dit dier reïncarneerde en weer opgroeide, maakte die ervaring van dat vorige leven deel uit van haar instinctieve reactie.
Zo is de dierlijke angst en haat ontstaan, en de strijd tussen mens en dier barstte los.

De disharmonie neemt toe

De mens die zich bewust werd van zijn lichamelijke kracht ging niet alleen dieren doden, maar ook zijn medemens.
Door dit laatste bracht hij zich in disharmonie met een andere ziel en met zijn eigen wedergeboorte.
Andere mensen die in harmonie waren gebleven, konden sneller reïncarneren.
Toen de mens in de prehistorie nog in harmonie met al het leven was, kon hij al zeven uur na zijn sterven op aarde een nieuwe bevruchte eicel in de moeder bezielen tot groei, om negen maanden later aan een nieuw stoffelijk leven op aarde te beginnen.
Maar elke vroegtijdige overgang door moord of zelfmoord verwijderde de ziel verder van de harmonische geboorte.
Toen de mens op grote schaal oorlogen begon te voeren, liep die tijd om te reïncarneren op tot duizenden jaren.
In de huidige tijd wachten er zo’n honderdduizend zielen op elke moederlijke cel die bezield kan worden.
De laatste twintig levens is die disharmonie alleen maar toegenomen.
Vroeger pleegde de mens eens een moord uit honger, maar in de laatste eeuwen kregen dictators de macht om honderdduizenden mensen in oorlogen te betrekken, waardoor het karma ontzettend gestegen is.
Gelukkig zal elke ziel ervoor kunnen zorgen dat al haar karma opgelost wordt, zoals het artikel ‘karma’ toelicht.

Oermensen

Later kwam de mens in het tijdperk waarvan nog wel stoffelijke sporen overgebleven zijn.
Ook in dat tijdperk waren er nog grote dieren, waarvan de gevonden skeletten van bijvoorbeeld dinosaurussen getuigen.
De menselijke ziel verdichtte haar gestalte tot de compactere vorm van de oermensen die we door hun opgegraven skeletten kennen.
Deze oermensen hadden een kleine hersenpan.
Omdat ze minder gevoel bezaten, hadden ze minder hersenen nodig om dat gevoel op te vangen.
Het artikel ‘hersenen’ licht deze functie van de hersenen toe.
De uitdijing van de hersenen houdt gelijke tred met de uitdijing van het gevoelsleven.
De basiskrachten uitdijing en verdichting werken voor elk lichaamsdeel, voor mens, dier en natuur.
Nadat de prehistorische diersoorten hun maximale grootte hadden bereikt, verdichtte het dierlijke leven haar stoffelijke vorm tot de soorten die we nu kennen als een paard, hond en kat.
De prehistorische mensen hebben hun aardse levens voleindigd zonder stoffelijke welvaart.
Zij kenden geen God, Christus, kunst of muziek.
Toch bereikten zij hun noodzakelijke evolutie, alleen door de reïncarnaties, door het moederschap en het vaderschap.
Hun ziel beleefde alles wat Moeder Aarde hun in dat tijdperk had te bieden, waarna ze hun innerlijke evolutie konden voortzetten in het hiernamaals.

Heden en toekomst

In de huidige tijd is de aarde aan haar vierde tijdperk toegekomen.
De meeste prehistorische diersoorten zijn uitgestorven, omdat het bewustzijn van het leven op aarde verhoogd is naar de stoffelijke levensgraad.
Het leven op aarde kreeg stoffelijke ontwikkeling, de mens bouwde steden op.
Wetenschap en techniek brachten stoffelijke welvaart.
In het huidige vierde tijdperk van de aarde is al het leven op aarde ten opzichte van de prehistorie veel meer verfijnd, we kennen nu bijvoorbeeld mooiere bloemen en vruchten.
Het dierenrijk is zelfs al verder geëvolueerd dan het leven op het land, de nachtegalen en duiven vertegenwoordigen reeds het ruimtelijke gevoelsleven.
Wanneer het leven op aarde over miljoenen jaren aan het vijfde tijdperk begint, zal alle aardse stof de geestelijke levensgraad bereiken.
Dan wordt het groen van Moeder Natuur doorschijnend en het water kristalhelder.
Al het leven zal dan ook als stof het bewustzijn vertegenwoordigen dat de zielen bezitten die nu al in de sferen van licht in het hiernamaals leven.
Het zonlicht wordt ijler en milder, het klimaat op aarde wordt dan zoals het geestelijke klimaat in de lichtsferen.

Afscheid van Moeder Aarde

Wanneer alle zielen hun aardse levens zullen hebben afgerond, zal ook Moeder Aarde als planeet haar stoffelijke leven voltooien.
Haar overgang zal echter heel anders verlopen dan het stervensproces van de maan.
In het artikel ‘maan’ wordt toegelicht dat de oppervlakte van de maan nog een grote modderpoel was, toen de eerste laag van haar dampkring oploste.
Daarom verharde haar oppervlakte pas tijdens haar stervensproces, waardoor tevens haar kraters ontstaan zijn.
Maar omdat de aarde haar oppervlakte al lang geleden heeft kunnen verdichten, zal haar stervensproces anders verlopen.
Dit is conform het verhoogd bewustzijn van de derde kosmische levensgraad ten opzichte van de maan als planeet van de eerste kosmische levensgraad.
Moeder Aarde zal haar moederschap pas beëindigen, nadat alle menselijke zielen de derde kosmische levensgraad ten volle beleefd hebben.
Dan heeft elke ziel afscheid genomen van Moeder Aarde om zich in de geestelijke sferen klaar te maken voor het volgende stoffelijke leven op de eerste planeet van de vierde kosmische levensgraad.
Die planeet bevindt zich in een ander heelal, dat uit een ijlere substantie bestaat, en vanuit ons heelal niet waarneembaar is.
Hoe de menselijke ziel haar kosmische evolutie hier voortzet, wordt beschreven in het artikel ‘vierde kosmische levensgraad’.

Bronnen en verdieping